The Project Gutenberg EBook of De drie steden: Lourdes, by …mile Zola

This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever.  You may copy it, give it away or re-use it under the terms of
the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
www.gutenberg.org.  If you are not located in the United States, you'll have
to check the laws of the country where you are located before using this ebook.

Title: De drie steden: Lourdes

Author: …mile Zola

Commentator: IsraŽl Querido

Translator: Willem Jacob Aarland Roldanus Jr.

Release Date: March 16, 2018 [EBook #56760]

Language: Dutch

Character set encoding: ASCII

*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE DRIE STEDEN: LOURDES ***




Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
Gutenberg.






[Inhoud]

Oorspronkelijke voorkant.
[Inhoud]

Oorspronkelijke titelpagina.
DE MEULENHOFF-EDITIE
EEN ALGEMEENE BIBLIOTHEEK
UITGEGEVEN DOOR J. M. MEULENHOFF
TE AMSTERDAM IN HET JAAR MCMXVII
[Inhoud]

Oorspronkelijke titelpagina.
DE DRIE STEDEN
LOURDES
UITGEGEVEN DOOR J. M. MEULENHOFF
TE AMSTERDAM AAN HET DAMRAK 88

[V]

[Inhoud]

INLEIDING

De heer J. M. Meulenhoff verzoekt mij een kort woord ter inleiding te schrijven voor Zola’s bekende serie: Lourdes, Rome, Parijs. Ik kan in deze beknopte inleiding over de literaire en dramatisch-psychologische waarde van zijn drie romans, als nawerk op de “Rougeon-Macquart”-serie, niet uitwijden. De simpele bedoeling is vooral er op te wijzen dat hier in ons land, naar mijn weten voor het éérst een volledige en onverminkte vertaling verschijnt van deze drie groote Zola-boeken. Dát feit verkondig ik met vreugde; nogmaals gansch en al afgescheiden van de scheppende waarde welke ik zelf deze latere producten in de rij van Zola’s overige werken, toeken. Tegenover dezen “realist” is men in Holland, vooral in den jongsten tijd, op een waarlijk schandelijke en weerzinwekkende wijze opgetreden. Men heeft in vele gevallen zijn arbeid voor het allergrootste deel als pornographische prikkel-literatuur met kabaal en handelsreclame onder de massa geworpen. Men heeft het vuile, smerige, zwoele, alleen-sensueele en dierlijk-menschelijke opgezocht, aangedikt en vaak geheel los van alle psychologisch karakter-verband naar voren gebracht. Men heeft met schunnige bijbedoelingen de groote scheppingen van Zola onbekommerd verknoeid, ze geheel naar willekeur en grof handelsbelang besnoeid, verminkt, saâmgelapt en beduimeld. Men heeft ermee omgesprongen als met een verachtelijke waar, slechts geschikt voor de bevrediging der gemeenste zinnedriften. Nu eindelijk verschijnen de “Drie steden” in een verzorgde vertaling, met piëteit volbracht tegenover een groot schrijver; een vertaling waarin geen regel van het oorspronkelijke wierd weggelaten.

Het is misschien goed er aan te herinneren, dat dit boek in Frankrijk, in de orthodox-katholieke kringen, een krijtende [VI]woede heeft uitgelokt, maar dat men later is gaan inzien hoezeer Zola van zijn standpunt het “wonder” van geloofsgenezingen verklaarde gelijk de geheele school van Nancy en Parijs dit met het probleem der suggestie en hypnose reeds lang deed op physiologische en psychologische gronden. Ook nu weer zal “Lourdes” in de rechtzinnige kringen verzet wekken en tegenspraak ontmoeten. Doch nu is het psychiatrisch materiaal veel rijker aanwezig. Opmerkelijk mag het heeten, dat Emile Zola in den tegenwoordigen tijd door de allerjongste jongeren en snobs weer met even groote minachting, met even fellen afschuw en huivering besproken wordt als bij zijn intrede in de Fransche letterkunde. Léon Bloy vooral in zijn hysterisch-felle, uitbrakende scheldrazernij en verachting voor den “slechten” schrijver en “gebrekkigen” woordkunstenaar Zola, gaf den toon aan. Na dezen genialen woesteling en overdadigen dwepeling zijn er tallooze Léon Blaffertjes gekomen die den Franschen Meester hebben gehoond en gesmaad op de meest walgelijke en tartende wijze. Het waren inzonderheid de sensationeele persmuskieten, de ellendige futlooze prutsers en schaamtelooze lawaai-journalistjes die in partij-haat en valsche dweepzucht den grooten romanticus naamloos krenkten en beleedigden. Ik behoef gelukkig slechts tegenover den geniaal-scheldenden, doch uiterst-beperkten Léon Bloy te plaatsen de dikwijls uitgesproken bewondering van den veel grooteren Gustave Flaubert. Telkens kunt gij in Flaubert’s “Correspondance” iets lezen van vurigen lof op Zola … “Ik voleindig zoo even juist uw boek. Ik duizel er nog van. Het is zeer machtig.” “Je viens de finir votre atroce et beau livre! J’en suis encore étourdi. C’est fort! Très fort!” (Correspondance van Gustave Flaubert, dl. IV, pag. 164). Ook noemt Flaubert elders Zola’s werk zeer sterk, vurig en gezond. Wel van een hartstochtelijke wildheid en bewogenheid, doch meestal van groote waarneming en groote diepte. Zeer bewondert Flaubert Martha in de “Conquête des Plassans”. Het slot noemt hij “een wonder”. “Quant à elle (Marthe), je ne saurais vous dire combien elle me semble réussie, et l’art que je trouve au développement de son caractère, ou plutôt de sa maladie. J’ai surtout remarqué les pages 194, 215 et 217, 261, 264, 267. Son état hystérique, son aveu final (p. 350 et 19) est une merveille.” (Correspondance, dl. IV, pag. 213). En over “Mes haines” schrijft Flaubert: “La préface de vos “Haines” m’a ravi, mon cher Zola. Voilà tout ce que j’ai à vous dire. Je [VII]ne la connaissais pas et j’en suis féru! Bravo! Voilà comme il faut parler.” (Correspondance, dl. IV, pag. 383). Over den fielterig- en gemeen-uitgescholden roman “Nana” zegt de geweldige Gustave Flaubert: “Ik heb gisteren heel den dag tot middernacht met het lezen van uw “Nana” doorgebracht. Ik sliep er niet van … Ik sta verstomd … De karakters zijn wonderen van waarheid …” “à la fin, la mort de Nana est Michelangelesque!” Un livre énorme …! Page 415. Plein de de grandeur, épique, sublime!… Page 483. Très grand, très grand!… Pages 489–90. Comme c’est vrai et intense!… Page 504. Rien de plus haut. Page XIV. Au-dessus de tout!—Oui! … n … de De …! sans pareil.” (Correspondance, dl. IV, pag. 408–409). Verder spreekt Flaubert van … “Mignon! avec ses fils! ineffable de beauté!… Tout ce qui regarde Fontan parfait … La paternité de tous ces messieurs, adorable … Nana tourne au mythe, sans cesser d’être réelle.” (Correspondance, dl. IV, pag. 408–409).

Ik zou ook nog kunnen spreken over de afgodische vereering hier in ons land, die eens Van Deyssel voor Zola uitsprak; over de groote bewondering van Johan De Meester, Frans Coenen, mr. Erens, Henriëtte Roland-Holst en vele anderen. Want bijna altijd is Zola het meest gehavend geworden door de klein-krenkende, onbeduidende, anonieme dagblad-criticasters, die in hun vinnige jaloerschheid den reus te lijf gingen als een gonzende zwerm angellooze horzeltjes. Ook de titanische Balzac wierd schromelijk toegetakeld door de journalisten van het allermiddelmatigste slag. Balzac zelf verachtte en bespotte hen. Toch waren er zeer sluwe rakkers onder die hem sarden en beleedigden. Ik behoef slechts te wijzen op Eugène Poitou, die als een echte schelm Balzac’s grootheid heeft aangerand en eindelijk zoo verrukkelijk-hooghartig is afgestraft door Barbey d’Aurévilly. Ik behoef slechts te wijzen op de artikelen-reeks van Henri Duvernois die indertijd heeft aangetoond op welk een grove en duldelooze wijze Balzac’s werk in dommen haat en boosaardigheid is neergehaald. Zola was nu even reusachtig van episch gebaar als Balzac, al klonk de Pantagruellische lach van den “Comédie humaine”-schepper soms guller en soms satanischer. Le Lucifer de la literature, zooals Anatole France Balzac noemde, had zich door Gosselin een wandelstok laten snijden, “la ridicule canne”, de monsterlijk-zware tambour-majoor-rotting, poenig opgepronkt met allerlei steenen, waarmee hij van zich afranselde, op pedante collega’s en afgunstige [VIII]vijanden. Reeds vroeger schreef ik hoezeer Balzac het mikpunt is gebleven van laffen, oneerlijken spot, van karikatuur en giftigen hoon. Gozlan en Mme Hanska doen ons gevoelen hoe driest Balzac wierd afgemaakt en neergehaald door de nietigste journalisten-keffertjes, drollige snaakjes; door bijna alle dagbladen van zijn tijd en hoe allerlei blufferige dwergjes met catapult’s tegen den reus uittrokken. Balzac zelf had een afschuw van deze soort journalisten. Zie o. a. “Un grand homme de Province à Paris” en beluister Balzac’s spot-woord naar Lireux: “Encore une fois, pardon, monsieur Lireux, mais j’en ai fini depuis longtemps et fini pour toujours avec les journalistes; c’est entre nous une guerre de sauvages: ils veulent me scalper à la manière des Mohicans, et moi je veux boire dans leur crâne à la manière des Muscoculges”.

Ook Zola stond in dezelfde houding tegenover zijn vernietigende critici die hij nog veelvuldiger vond in Frankrijk dan Balzac, omdat deze althans was en bleef “bon catholique” en Zola aarts-atheïst en anarchist wierd gescholden. Ook in Lourdes is Zola, in zijn romantiek en in zijn ten deele evangelisch, mystiek profetisme, allicht dieper religieuze natuur dan vele zoogenaamde rechtzinnigen in de leer die hem verdoemen en de hel invloeken, om zijn aanranding van het godsbegrip. Nogmaals, ik onthoud mij van iedere literaire carakteristiek dezer “Drie steden”-serie. Slechts wijs ik op hare groote belangrijkheid als sociale uiting en wellicht is in geen zijner werken zoo sterk Zola’s eigen maatschappijen levensbeschouwing uitgesproken als in deze romans.

Dat onder de groote modernen in Zola’s eigen land ook nog vurige bewonderaars leven van zijn genie, bleek mij onlangs opnieuw, uit een gesprek met den buitengewonen Franschen schilder Le Fauconnier, die met groote geestdrift en warmte Zola huldigde en ook gretige bewondering te kennen gaf voor zijn kunst-critischen arbeid.

Het is voor mij nu reeds een zekerheid, dat ná de beschimpings-periode van onfrissche modernelingen, snobs en kwasi-vergeestelijkten, er een tijd zal komen dat ook Zola weer, bij al zijn fouten en gebreken, in volle grootheid zal worden genoemd, hoe gansch anders men in wezen ook mag staan tegenover zijn kunst-opvattingen, zijn maatschappij-critiek en zijn moraal.

Is. Querido. [1]

[Inhoud]

EERSTE DAG

[Inhoud]

I.

Toen in den rijdenden trein de pelgrims en de zieken, die op de harde banken van den wagon 3de klasse opeengehoopt zaten, het Ave Maris Stella, dat zij bij het verlaten van de Gare d’Orleans aangeheven hadden, ten einde zongen, zag Marie, die zich, door een koortsachtig ongeduld aangegrepen, half opgericht had van haar ziekbed, de vestingwerken.

“Ha, de vestingwerken!” riep zij, ondanks haar pijn, op vroolijken toon. “Nu zijn we tenminste Parijs uit!”

Haar vader, mijnheer de Guersaint, die tegenover haar zat, lachte over haar blijdschap, terwijl abbé Pierre Froment, die haar met broederlijke liefde aankeek, in zijn medelijdende bezorgdheid zeide:

“Ja, en nu zitten we tot morgenochtend in den trein, want we zijn pas om 3.40 in Lourdes. Meer dan twee-en-twintig uur reizen!”

Het was half zes, de zon was stralend opgegaan over een prachtig-helderen ochtend. Het was een Vrijdag, 19 Augustus. Doch reeds kondigden aan den horizont kleine dikke wolkjes een verschrikkelijk warmen, van onweer zwangeren dag aan. Schuin vielen de zonnestralen door de compartimenten van den wagon en vulden die met een stof van dansend goud.

Marie, die weer in haar angst teruggevallen was, fluisterde:

“Ja, twee-en-twintig. Lieve God, wat is dat nog lang!”

Haar vader legde haar weer wat makkelijker in haar nauwe kist, een soort dakgoot, waarin zij sedert zeven jaar leefde. Bij uitzondering had men toegestaan de twee paar wielen, die afgenomen en aangebracht konden worden, in den bagagewagen te vervoeren. Ingesloten tusschen de planken van die rollende kist, nam zij drie plaatsen in op de bank; rustig bleef zij een oogenblik liggen met haar gesloten oogen, met haar uitgeteerd, vaalbleek gezicht, dat ondanks haar drie-en-twintig [2]jaar nog een kinderlijke teerheid behouden had; ondanks alles zag zij er nog bekoorlijk uit met haar prachtige blonde haren, haren als van een koningin, die door de ziekte verschoond waren. Eenvoudig gekleed in een zwartwollen japon, had zij om haar hals haar kaart met haar naam en haar volgnummer. Zelf had zij dezen armelijken eenvoud gewenscht, daar zij haar familie, die van lieverlede in moeilijke omstandigheden gekomen was, niets kosten wilde. Zoo kwam het, dat zij hier in die derde klasse van den witten trein lag, den trein voor de ergste zieken, den droevigsten der veertien dien dag naar Lourdes vertrekkende treinen, dien, waarin behalve de vijfhonderd pelgrims, bijna driehonderd door zwakheid uitgeputte en door pijnen gekwelde zieken samengedrongen waren, die in volle vaart van het eene eind van Frankrijk naar het andere vervoerd werden.

Ontstemd haar bedroefd gemaakt te hebben, bleef Pierre haar met zijn liefdevollen blik van een ouderen broer aankijken. Hij was even dertig jaar, bleek, mager en had een breed voorhoofd. Nadat hij de reis tot in de kleinste bijzonderheden geregeld had, hield hij het voor zijn plicht mede te gaan en had zich daarom opgegeven als helper van de Hospitalité de Notre-Dame de Salut; hij droeg onder zijn soutane het roode, met oranje afgezette kruis der baardragers. Mijnheer de Guersaint had op zijn grijslaken jas het scharlakenrood pelgrimskruis. Hij scheen het reizen prettig te vinden, telkens en telkens weer keek hij naar buiten en kon zijn vriendelijk en afgetrokken gezicht, dat er, hoewel hij reeds een goede vijftig was, er nog jong uitzag, niet stil houden.

In de afdeeling ernaast was ondanks het hevige schudden, dat Marie deed gillen van pijn, zuster Hyacinthe, die gezien had, dat het jonge meisje in de volle zon lag, opgestaan.

“Ach, mijnheer de abbé, laat het gordijntje wat neer … Kom, kom! Wij zullen het ons zoo makkelijk mogelijk maken en trachten het een beetje gezellig in te richten!”

In haar zwart kleed van ordezuster, dat opgevroolijkt werd door het witte kapje, den witten sluier en de groote witte schort, glimlachte zuster Hyacinthe dapper en moedig. Haar jeugd sprak duidelijk uit haar klein, frisch mondje, uit de diepte van haar mooie, blauwe, altijd liefdevol blikkende oogen. Zij was misschien niet knap, maar prettig om naar te kijken, teer, slank, met de borst van een jongen onder de hooge schort, van een flinken jongen met een blanken tint, overvloeiend van gezondheid, vroolijkheid en onschuld. [3]

“Maar die lieve zon laat ons bijna smelten. Mevrouw, wees zoo goed ook een gordijntje neer te halen!

In den hoek, naast de zuster zat madame de Jonquière nog steeds met haar koffertje op haar schoot. Langzaam trok zij het gordijntje naar beneden. Zij was een flinke brunette en zag er nog knap uit, niettegenstaande zij reeds een dochter van vier-en-twintig had, Raymonde, die zij met twee andere vrijwillige verpleegsters, madame Désagneaux en madame Volmar, eerste klasse reizen liet. Zij zelf, directrice van een zaal in het Hôpital de Notre-Dame des Douleurs te Lourdes, verliet haar zieken niet; en buiten aan het deurtje van het compartiment hing het voorgeschreven bordje, waarop onder haar eigen naam die van de twee zusters van Maria Hemelvaart stonden, welke haar waren toegevoegd. Als weduwe van een geruïneerd man leefde zij met haar dochter bescheiden van vier à vijf duizend francs rente in de rue Vaneau; zij gaf al haar tijd aan het werk van de Hospitalité de Notre-Dame de Salut, waarvan zij het roode kruis op haar popelinen Karmelietenkleed droeg en zij een der vurigste ijveraarsters was. Eenigszins trotsch aangelegd en graag gevleid en gefêteerd, verlangde zij steeds naar die jaarlijksche reis, welke zoowel haar trots als haar hart bevredigde.

“U hebt gelijk, zuster, we zullen het ons wat makkelijk maken. Ik weet zelf niet, waarom ik dat koffertje zoo op mijn schoot houd.”

Zij zette het naast zich neer onder de bank.

“Wacht,” zeide zuster Hyacinthe; “die waterkan staat precies tusschen uw beenen. Die hindert u natuurlijk!”

“Wel neen, heusch niet! Laat maar. Hij moet toch ergens staan.”

Toen voegde zij het woord bij de daad en richtte zich zoo makkelijk mogelijk in voor een dag en een nacht met haar zieken. Het was jammer, dat zij Marie niet in haar compartiment had kunnen nemen, daar deze er beslist op gestaan had bij haar vader en Pierre te blijven, maar ze konden tenminste over het lage beschot nu en dan eens een buurpraatje met haar houden. Trouwens de geheele wagon met zijn vijf compartimenten van tien plaatsen, vormde één rijdende, gemeenschappelijke kamer, die men met één blik overzien kon. Met de kale, gele houten beschotten en het wit geschilderde plafond deed het denken aan een echte ziekenzaal, of in zijn wanorde en het door elkaar heen staan van alles eerder op een geïmproviseerd veldlazaret. Half [4]verborgen lagen onder de bank kruiken, kommen, bezems, sponsen. Daar de trein geen bagagewagen had, hoopten zich overal en nergens valiezen, witte houten kisten, hoedendoozen, koffertjes op, een jammerlijke opeenstapeling van oude, versleten met touw dichtgemaakte dingen; verder hingen allerlei kleedingstukken, pakjes en manden aan koperen haken te slingeren. En te midden van dien ouden rommel werden de zwaar-zieken, die op hun kleine matrassen verscheidene plaatsen innamen, door het geschok der wielen heen en weer geschud, terwijl zij, die zitten konden, met hun bleeke gezichten tegen kussens leunden. Volgens het voorschrift moest er voor ieder compartement een diakones zijn. Aan het andere einde bevond zich een tweede zuster van Maria Hemelvaart, zuster Claire des Anges. Gezonde pelgrims stonden reeds op en begonnen te eten en te drinken. Achterin was een geheel compartiment voor vrouwen, oude en jonge, dicht tegen elkaar gedrukt, allen even jammerlijk- en droevig-leelijk. Daar men om de teringlijdsters, die er zich onder bevonden, de raampjes niet durfde openzetten, begon er een drukkende hitte en een benauwende stank te heerschen.

Te Juvisy hadden de pelgrims de rozenkrans afgebeden. Toen men om zes uur in volle vaart het station Bretigny doorvloog, stond zuster Hyacinthe op, die de geestelijke oefeningen leidde, welke de meeste pelgrims in een klein boekje met blauwen omslag volgden.

“Het Angelus, kinderen,” zeide zij met haar moederlijk glimlachje, dat haar jeugd zoo bekoorlijk en zacht maakte.

Weer volgden de Ave’s elkaar op. Toen het klaar was, keken Pierre en Marie vol deelneming naar twee vrouwen, die de twee andere hoeken van hun compartiment innamen. De eene, die aan het voeteneinde van Marie’s matras lag, was een tengere blondine, een ruim dertigjarige, voor haar tijd verwelkte burgervrouw. Zij hield zich bescheiden op den achtergrond en nam bijna geen plaats in. Zij had een donkere japon aan, haar haar was verkleurd, haar gezicht lang en pijnlijk vertrokken en drukte een grenzenlooze verlatenheid en eindelooze droefgeestigheid uit. De andere, die op dezelfde bank als Pierre zat, een ongeveer even oude arbeidersvrouw met een zwart mutsje en een door ellende en zorgen verwoest gezicht, had een meisje van zeven jaar op haar schoot, zoo bleek en zoo minnetjes, dat men het geen vier gegeven zou hebben. Het kind met haar spits neusje, haar blauw-omkringde, [5]gesloten oogjes en haar wasbleek gezichtje, kon nog niet praten; het kreunde en steunde slechts, wat telkens weer het hart van de over haar kleine gebogen vrouw verscheurde.

“Zou ze misschien een paar druiven lusten?” vroeg bedeesd de burgervrouw, die tot dat oogenblik gezwegen had. “Ik heb er in mijn mandje.”

“Dank u, madame,” antwoordde de arbeidersvrouw. “Ze drinkt alleen maar melk, en dan moet u nog niet vragen hoe … Ik heb een flesch meegenomen.”

En toegevend aan de behoefte, die ongelukkigen steeds hebben om te praten, vertelde zij haar geschiedenis. Zij heette madame Vincent en had haar man, die vergulder van beroep geweest was, aan de tering verloren. Alleen achtergebleven met haar kleine Rose, die zij aanbad, had zij dag en nacht genaaid, om het kind op te voeden. Maar het kind was ziek geworden. Nu al veertien maanden lang hield zij het kind, dat steeds pijn had en altijd maar achteruitging en afviel, in haar armen. Toen was zij, die anders nooit naar de mis ging, uit wanhoop een kerk binnengeloopen, om de genezing van het kind af te smeeken: daar had zij een stem gehoord, die haar zeide, dat zij met het kind naar Lourdes gaan moest, waar de Heilige Maagd zich over de kleine erbarmen zou. Daar zij niemand kende en niet wist, hoe die bedevaarten werden ingericht, had zij maar één gedachte gehad: werken, reisgeld sparen, een kaartje nemen, met de dertig sous, die zij nog over had, de reis aanvaarden en slechts een flesch melk voor het kind meenemen, zonder zelfs maar te denken voor zichzelf een stuk brood te koopen.

“Wat scheelt het lieve kind eigenlijk?”

“O, madame, het is een buikverharding. Maar de dokters hebben er hun eigen naam voor … Eerst heeft ze gewoon buikpijn gehad. Maar toen is de buik gaan opzetten en heeft ze een pijn gehad, dat je er gewoon bij stond te huilen. Nu is die opzetting heelemaal weg; maar het kind leeft nu, om zoo te zeggen niet meer, ze heeft geen beenen meer, zoo mager is ze; en door dat eeuwige transpireeren neemt ze nog meer af …”

Maar Rose had even gekreund en haar oogleden opengeslagen; angstig en bleek wordend boog de moeder zich over haar heen.

“Mijn schatje, mijn lieveling, wat is er?… Wil je wat drinken?” [6]

Maar het kind had haar leege, mat-blauwe oogen al weer gesloten; het antwoordde zelfs niet meer, was weer teruggezonken in haar apathie, heelemaal wit in haar wit jurkje, een laatste coquetterie der moeder, die deze onnoodige uitgave gedaan had in de hoop, dat de Maagd genadiger zijn zou voor het zieke wichtje, als het netjes in het wit gekleed was.

Na een kort stilzwijgen begon madame Vincent weer:

“En u, madame, u gaat zeker voor u zelf naar Lourdes?… Het is u wel aan te zien, dat u ziek is.”

Maar de burgervrouw trok zich angstig-verschrikt in haar hoekje terug en prevelde:

“Neen, neen, ik ben niet ziek … Was ik het maar, dan zou ik minder lijden!”

Zij heette madame Maze en had een ongeneeslijk verdriet in haar hart. Na uit liefde getrouwd te zijn met een flinken, levenslustigen jongen man, was zij na een jaar van wittebroodsweken door hem in den steek gelaten. Haar man, die als handelsreiziger bijna altijd van huis was en veel geld verdiende, bleef dikwijls maanden lang weg, bedroog haar van het eene einde van Frankrijk tot het andere, ja nam zelfs maîtressen mee. Zij aanbad hem en leed er zoo onder, dat zij zich in de armen van den godsdienst geworpen had. Eindelijk was zij besloten naar Lourdes te gaan, om de Heilige Maagd te smeeken haar man te bekeeren en hem aan haar terug te geven.

Zonder het precies te begrijpen, voelde madame Vincent toch, dat haar reisgenoote zedelijk veel leed. Ze bleven elkaar aankijken, de verlaten vrouw, die door haar hartstochtelijke liefde verteerd werd, en de moeder, die ten gronde ging, omdat zij haar kind sterven zag.

Nu mengde Pierre, die evenals Marie met groote deelneming geluisterd had, zich in het gesprek, het verwonderde hem, dat de arbeidersvrouw haar kind niet in het ziekenhuis had laten opnemen. De Association de Notre-Dame de Salut was na den oorlog door de Augustijnen opgericht met het doel, om door gemeenschappelijk gebed en door het uitoefenen van weldadigheid werkzaam te zijn voor het heil van Frankrijk en de verdediging der Kerk; ook hadden zij de bedevaarten in het leven geroepen en met name de nationale bedevaart, die jaarlijks tegen het einde van Augustus naar Lourdes ondernomen werd, georganiseerd en steeds meer uitgebreid. Zoo had zich langzamerhand een uitstekende [7]organisatie ontwikkeld; uit de geheele wereld werden giften gezonden, in iedere parochie zieken op de lijsten gebracht, met de spoorwegmaatschappijen speciale regelingen getroffen, ongerekend nog de krachtdadige hulp der zusters van Maria Hemelvaart en de stichting van de Hospitalité de Notre-Dame de Salut, een uitgebreide vereeniging van alle liefdadigheidsgenootschappen, waarin mannen en vrouwen, grootendeels tot de voornamere kringen behoorend, onder toezicht van den leider der bedevaarten, de zieken verpleegden, droegen en voor het handhaven der orde zorgden. De zieken moesten een schriftelijk verzoek indienen, om in die Hospitalité opgenomen te worden, waardoor zij alle reis- en verblijfkosten vrij hadden; ze werden thuis gehaald en weer gebracht, ze behoefden dus slechts eenige levensmiddelen voor de reis mede te nemen. Maar het grootste gedeelte kwam van aanbevelingen van geestelijken of van liefdadige personen, die bij de inschrijvingen zorg droegen voor de noodzakelijke identiteitsbewijzen en de geneeskundige certificaten. Was dit geschied, dan behoefden de zieken zich met niets meer te bemoeien, waren zij in de zorgende handen der barmhartige broeders en zusters niets meer dan het armzalige object voor lijden en wonderen.

“U hadt,” legde Pierre haar uit, “u slechts behoeven te wenden tot den pastoor van uw parochie. Dat arme kind verdient ons aller medelijden. Het zou dadelijk opgenomen zijn.”

“Ik wist het niet, mijnheer de abbé.”

“Maar hoe hebt u het dan klaar gespeeld?”

“Ik heb een biljet gekocht op een plaats, die een buurvrouw, die de courant leest, mij genoemd heeft.”

Zij sprak over biljetten, welke tegen zeer verminderde prijzen onder de pelgrims, die betalen konden, werden verdeeld. Onder het luisteren werd Marie door een groot medelijden en ook door schaamte aangegrepen: haar ontbrak het toch niet aan middelen, en zij was er met behulp van Pierre in geslaagd, zich in de Hospitalité te laten opnemen, terwijl die moeder en haar ongelukkig kind, na haar armzalige spaarduitje gegeven te hebben, zonder een sou bleven.

Maar een heftige schok van den wagon ontrukte haar een gil van pijn.

“Licht me wat op, vader. Ik kan niet langer zoo op mijn rug blijven liggen.”

Toen haar vader haar in een zittende houding had opgericht, zuchtte zij diep. Ze waren nauwelijks Etampes, anderhalf [8]uur van Parijs voorbij, en reeds begonnen in de gloeiende zon, het stof en het lawaai, de vermoeidheid en de uitputting zich te doen gelden.

Madame de Jonquière sprak over het beschot het jonge meisje met een paar vriendelijke woorden moed in. Ook zuster Hyacinthe was weer opgestaan en klapte vroolijk in haar handen, om zich door den geheelen wagon verstaanbaar te maken.

“Kom, kom! Laten we niet aan onze pijntjes denken! Laten we bidden en zingen, de Heilige Maagd zal met ons zijn.”

Zij hief den Rozenkrans aan volgens de woorden van Notre-Dame de Lourdes, en alle zieken en pelgrims volgden haar voorbeeld. Het was de eerste rozenkrans, de vijf blijde mysteriën, Maria Boodschap, de Visitatie, de Geboorte, Maria Lichtmis, de wedergevonden Jezus. Dan hieven allen het lied aan: “Aanschouwen wij den hemelschen aartsengel …” De stemmen gingen verloren in het geratel der wielen, men hoorde slechts het doffe gegons van den troep, die in den gesloten, eindeloos voortrollenden wagen half stikte.

Mijnheer de Guersaint kon, hoewel hij zijn godsdienstige plichten trouw vervulde, nooit een lied tot het einde toe mede zingen. Hij stond telkens op, om dan dadelijk weer te gaan zitten. Eindelijk bleef hij over het beschot heen leunen en ging hij praten met een zieke, die in het compartiment ernaast tegen hetzelfde beschot zat. Mijnheer Sabathier was een dikke, kale vijftiger met een groot, goedig hoofd. De laatste vijftien jaren leed hij aan ataxie, pijn had hij slechts bij tusschenpoozen, maar zijn beenen waren geheel verlamd; zijn vrouw, die hem vergezelde, legde ze, als waren het doode beenen, van de eene plaats op de andere, wanneer ze hem ten slotte zoo zwaar werden als stukken lood.

“Ja, mijnheer, vroeger was ik leeraar in de vijfde klasse van het lycée Charlemagne. In den beginne dacht ik, dat het gewone heupjicht was. Doch daarna heb ik vreeselijke pijnen gekregen, zooiets alsof er gloeiende degens in mijn spieren gestoken werden. De laatste tien jaar echter is mijn heele lichaam er door aangetast, ik heb alle mogelijke doktoren geraadpleegd, ik heb alle mogelijke en onmogelijke badplaatsen bezocht; en nu heb ik tegenwoordig wel minder pijn, maar ik kan niet meer van mijn stoel opstaan … Ik had mijn leven lang niets aan godsdienst gedaan, maar nu ben ik weer tot God teruggebracht door de gedachte, dat [9]ik te ongelukkig was en dat onze Lieve Vrouwe van Lourdes medelijden met mij hebben zou.”

Pierre was ook over het beschot komen leunen en luisterde aandachtig.

“Lijden brengt de ziel weer terug tot God, niet waar, mijnheer de abbé? Dit is nu al het zevende jaar, dat ik naar Lourdes ga, maar ik twijfel geen oogenblik aan mijn genezing. Dit jaar zal de Heilige Maagd mij genezen, dat weet ik zeker. Ja, ik reken er vast op weer te kunnen loopen; ik leef nog slechts in die hoop.”

Mijnheer Sabathier hield even op, om zijn vrouw zijn beenen wat meer naar links te laten leggen. Pierre nam hem eens goed op; het verwonderde hem een zoo hardnekkig geloof te vinden bij een intellectueel, een van die geleerden, die gewoonlijk zoo Voltairiaansch gezind zijn. Hoe had het vertrouwen in het wonder in dit brein wortel kunnen schieten en opbloeien? Het was werkelijk zooals hij zelf zeide: heftige smarten en pijnen alleen konden deze behoefte aan illusie, den bloeitijd der eeuwige troosteresse verklaren.

“Zooals u ziet, zijn mijn vrouw en ik gekleed als armen, want ik wilde dit jaar niet meer zijn dan een arme; uit deemoed heb ik mij in de Hospitalité doen opnemen, opdat de Heilige Maagd mij zou rekenen tot de arme ongelukkigen, haar kinderen … Maar, omdat ik niet de plaats van een echten arme heb willen innemen, heb ik vijftig francs bij de Hospitalité gestort, wat, zooals u natuurlijk weet, het recht geeft een zieke op de bedevaart mede te nemen … Ik ken mijn zieke zelfs. Zooeven heeft men hem mij op het station voorgesteld. Het schijnt een teringlijder te zijn, die al ver, heel ver weg is …”

Weer volgde een stilte.

“Moge de Heilige Maagd, die alles kan, ook hem redden. Ik zou gelukkig zijn, als zij mij met haar weldaden overstroomde.”

De drie mannen bleven nog wat doorpraten, eerst over geneeskunde, dan over Romaansche bouwkunst, toen zij op een heuvel een klokketoren zagen, waarvoor alle pelgrims het teeken des kruises gemaakt hadden. Te midden van die arme zieken, te midden van die door hun ellende stompzinnig geworden armen van geest, lieten de jonge priester en zijn twee reisgenooten zich even door hun beschaving medesleepen. Een uur verliep, er waren nog twee liederen gezongen, zij hadden de stations van Toury en les Aubrais [10]achter den rug, toen zij eindelijk bij Beaugency hun gesprek staakten en zuster Hyacinthe in haar handen klapte en met haar heldere, klankrijke stem begon:

Parce, Domine, parce populo tuo …1

En het zingen begon opnieuw, aller stemmen vereenigden zich, wederom steeg een vloed van gebeden omhoog, die de pijn verminderde, de hoop opnieuw deed opleven, langzamerhand zich meester maakte van het geheele wezen, dat uitgeput was door het onophoudelijke denken aan de genade en de genezingen, die men zoo ver zoeken ging.

Toen Pierre weer ging zitten, zag hij, dat Marie heel bleek was en haar oogen dicht had; toch begreep hij uit het pijnlijk samentrekken van haar gezicht, dat zij niet sliep.

“Heb je weer meer pijn?” vroeg hij.

“Ja, verschrikkelijk. Ik houd het nooit tot het einde uit. Dat voortdurende schokken …”

Zij kreunde, deed haar oogen weer open. Bijna in zwijm vallend bleef zij naar de andere zieken zitten kijken. In het compartiment ernaast had tegenover mijnheer Sabathier la Grivotte, die tot dat oogenblik roerloos als een doode op haar matras gelegen had, zich opgericht. Het was een groot meisje van een goede dertig, lam en vreemd, met een rond, door pijn vertrokken gezicht, dat echter door haar kroeshaar en haar vurige oogen bijna mooi was. Zij was in hoogen mate teringachtig.

“Wat zou het heerlijk zijn, mademoiselle,” zeide zij, zich met haar heesche, nauwlijks verstaanbare stem tot Marie wendend; “als we eens een klein dutje konden doen. Maar het is niet mogelijk met dat eeuwige gedreun der wielen.”

Niettegenstaande het spreken haar groote inspanning kostte, begon zij het een en ander van zichzelf te vertellen. Zij was matrassenmaakster geweest en had met haar tante te Bercy, van de eene boerenplaats naar de andere trekkend, veel matrassen gemaakt; aan die vergiftige wol, die zij in haar jeugd zelf gekaard had, schreef zij haar kwaal toe. De laatste vijf jaar had zij in verschillende Parijsche ziekenhuizen gelegen. Zij sprak dan ook heel familiaar over de meest bekende doktoren. De zusters van Lariboisière, die gezien hadden, hoe zij geheel in godsdienstige plechtigheden opging, hadden haar geheel bekeerd en haar tot de overtuiging [11]gebracht, dat de Heilige Maagd van Lourdes slechts op haar wachtte, om haar te genezen.

“En dat mag ook wel, want de dokters zeggen, dat ik al één long kwijt ben en dat het met de andere ook zoo heel lang niet meer duren zal. Het zit hem in de holten van de longen, weet u … In den beginne had ik alleen maar pijn tusschen mijn schouders en gaf ik bij het hoesten slijm op. Thans ben ik zoo mager geworden, dat de tranen je erbij in de oogen kwamen. Nou zweet ik maar altijd door en hoesten, verschrikkelijk, maar opgeven gaat niet meer, daar is de slijm te dik voor. En zooals u ziet, staan kan ik niet meer en eten ook niet.”

Een hoestaanval belette haar verder te gaan; haar gezicht werd lijkkleurig.

“Enfin,” ging zij dan weer voort, “ik steek nog liever in mijn vel dan in dat van den broer, die in het compartiment hiernaast zit. Hij heeft precies hetzelfde als ik, maar hij is nog verder weg.”

Zij vergiste zich. Wel lag in de afdeeling achter Marie op een matras een jonge zendeling, broeder Isidore, dien men echter niet zag, daar hij zich geen vinger breed oprichten kon, maar hij was geen teringlijder, doch leed aan een leverontsteking, die hij in Senegal gekregen had. Het was een lange, magere jonge man met een geel, ingevallen, als perkament zoo gerimpeld gezicht. Het abces, dat zich aan den lever gevormd had, was van buiten opengebroken, en de ettering, die met een voortdurende koorts, brakingen en ijlen gepaard ging, putte al zijn krachten uit. Alleen zijn oogen leefden nog, oogen vol onuitbluschbare liefde, wier warme glans zijn gezicht, dat aan den aan het kruis stervenden Christus denken deed, deed stralen, zijn gewoon boerengezicht, dat door zijn hartstochtelijk geloof bij tijden geadeld werd. Hij kwam uit Bretagne en was het laatste, ziekelijke kind van een te talrijke familie; het kleine beetje land had hij aan zijn oudere broers overgelaten. Een van zijn zusters begeleidde hem, Marthe, twee jaar ouder dan hij, en die als dienstmeisje naar Parijs gekomen was; zij hield zooveel van haar jongeren broer, dat zij haar betrekking opgegeven had, om met hem mede te kunnen gaan, ook al gingen daar al haar spaarduitjes mede heen.

“Ik stond op het perron, toen zij hem in den wagon droegen. Vier mannen …”

Maar zij kon niet verder; weer kreeg zij een hoestbui, [12]die haar dwong te gaan liggen. Zij stikte bijna, de roode plekjes op haar wangen werden blauw. Onmiddellijk steunde zuster Hyacinthe haar hoofd en veegde haar lippen af met een doekje, dat zich dadelijk rood kleurde. Op hetzelfde oogenblik wijdde madame Jonquière haar zorgen aan de zieke, die tegenover haar zat. Zij heette madame Vêtu en was de vrouw van een klein horlogemakertje in het quartier Mouffetard, die zijn winkel niet had kunnen sluiten, om met haar mee naar Lourdes te gaan. Om zeker te zijn, dat zij goed verzorgd zou worden, had zij zich in de Hospitalité laten opnemen. Angst voor den dood bracht haar terug naar de kerk, waarin zij sedert haar eerste communie geen voet gezet had. Zij wist, dat zij onherroepelijk ten doode opgeschreven was, weggeknaagd als zij werd door maagkanker; reeds had zij het verwilderde en gele uiterlijk van kankerlijders en gaf zij zwarte fluimen op, alsof zij roet spuwde. De geheele reis door had zij nog geen woord gezegd, haar lippen waren vast op elkaar geklemd, zij leed onuitstaanbare pijnen. Daarna had zij brakingen gekregen en het bewustzijn verloren. Zoodra zij haar mond opende, ademde zij een verschrikkelijken, verpestenden stank uit, die de omzittenden misselijk maakte.

“Dat is niet uit te houden,” mompelde madame de Jonquière, die zich een onmacht nabij gevoelde; “er moet wat gelucht worden.”

Intusschen had zuster Hyacinthe la Grivotte weer op haar kussen gelegd.

“Zeker, we kunnen best een raampje open zetten. Maar niet aan dezen kant, anders krijgt zij daar dadelijk weer een hoestbui … Zet het aan den anderen kant open.”

De hitte werd steeds erger, men stikte bijna in die bedompte, walgelijk-vieze atmosfeer; het was een opluchting, toen er een tochtje binnenkwam. Er was nu weer voor wat anders te zorgen: de zuster maakte de schalen en kommen, waarvan zij den inhoud uit het raampje wierp, schoon, terwijl de diakones den vloer, die door het dreunen hevig schokte, reinigde. Dan weer een andere zorg: de vierde zieke, die zich nog niet verroerd had, een mager meisje, wier gezicht met een zwarte doek omwikkeld was, zeide, dat zij honger had.

“Overhaast u maar niet, zuster,” zeide madame de Jonquière, die reeds naar de zieke toeging. “Ik zal haar brood wel in kleine stukjes snijden.”

In haar behoefte naar afleiding had Marie al een paar [13]malen aandachtig gekeken naar dat door dien zwarten sluier verborgen gelaat. Zij vermoedde, dat zij een open wond in haar gezicht had. Men had haar alleen gezegd, dat het een bonne was. De ongelukkige, Elise Rouquet uit Picardië, had haar betrekking moeten verlaten en woonde te Parijs bij een zuster, die haar slecht behandelde; daar zij verder niet ziek was, had geen enkel ziekenhuis haar willen opnemen. Vroom van natuur had zij reeds maanden lang de vurige begeerte gekoesterd naar Lourdes te gaan. In angstige spanning wachtte Marie, dat de sluier weggenomen zou worden.

“Zijn ze zoo klein genoeg, vroeg madame de Jonquière op moederlijken toon. “Zou je ze zoo in je mond kunnen krijgen?”

“Ja zeker, madame!” bromde onder den zwarten sluier een heesche stem.

Eindelijk werd de sluier weggenomen; Marie rilde van afschuw. Het was een lupus, die, langzamerhand steeds grooter geworden, den neus en den mond aangetast had, een zweer die zich onder de korsten steeds uitbreidde en de slijmvliezen wegvrat. Het hoofd, dat zich in den vorm van een hondensnuit uitgerekt had, was met het borstelig haar en de groote, ronde oogen verschrikkelijk om aan te zien. Reeds was het kaakbeen van den neus bijna geheel weggevreten, de mond was ingevallen en werd door de opgezwollen bovenlip naar links getrokken als een schuine, vormlooze, onreine spleet. Een bloedig, met etter vermengd slijm vloeide uit de groote, blauw-zwarte wonde.

“Kijk toch eens Pierre!” fluisterde Marie rillend.

Den priester doortrilde eveneens een huivering, toen hij Elise Rouquet voorzichtig de kleine stukjes brood zag steken in de bloedige opening, die als mond dienst deed. De geheele wagon was bij dien vreeselijken aanblik bleek geworden. En dezelfde gedachte steeg op in die met hoop vervulde zielen: O, Heilige Maagd, machtige Maagd, welk een wonder, indien zulk een kwaal genas!

“Kinderen, laten we niet aan ons zelf denken, als we ons goed willen voelen,” zeide zuster Hyacinthe weer.

En zij liet den tweeden rozenkrans bidden, de vijf smartelijke mysteriën: Jezus op den Olijfberg, de geeseling van Jezus, Jezus met doornen gekroond, Jezus zijn kruis dragend, Jezus stervend aan het kruis. Dan volgde het lied: “Ik stel mijn vertrouwen in uw hulp, o Maagd …”

Na een reis van drie uur reden zij nu door Blois. Marie wendde haar blikken af van Elise Rouquet en liet ze nu [14]op een man rusten, die in een hoek van het compartiment, waarin ook broeder Isidore lag, zat. Reeds een paar maal had zij hem opgemerkt; hij was nog jong en heel armoedig gekleed en had een dunne, reeds grijzende baard; klein en mager, met een uitgeteerd en met zweet bedekt gezicht scheen hij veel pijn te lijden. Toch bleef hij onbeweeglijk in zijn hoekje zitten; hij sprak met niemand en staarde met zijn groote, wijd geopende oogen strak voor zich uit. Plotseling zag zij dat zijn oogen dichtvielen en hij bewusteloos werd.

Zij riep zuster Hyacinthe.

“Zuster, ik geloof, dat het met dien mijnheer heelemaal niet goed is.”

“Welken heer, kindlief?”

“Die daar met zijn hoofd achterover.”

Het gaf een heele opschudding, alle gezonde pelgrims stonden op om te kijken. Madame de Jonquière kwam op het denkbeeld Marthe, de zuster van Isidore, toe te roepen, dat zij den man op zijn hand moest slaan.

“Vraag hem, of hij pijn heeft!”

Marthe schudde hem zacht heen en weer en vroeg het hem. Maar de man antwoordde niet; hij rochelde slechts en zijn oogen bleven vast gesloten.

Een verschrikte stem riep:

“Ik geloof, dat hij sterven zal.”

De angst werd grooter; men riep door elkaar, aan alle kanten van den wagen weerklonken raadgevingen. Niemand kende den man. Hij had zich in geen geval in de Hospitalité op laten nemen, want hij had niet de kaart met de witte kleur van den trein om zijn hals. Een vertelde, dat hij hem drie minuten voor het vertrek had zien aankomen; hij sleepte zich toen met groote moeite voort en had zich dadelijk laten neervallen in den hoek, waarin hij nu met een uitdrukking van oneindige moeheid lag te sterven. Daarna had hij zich niet meer bewogen. Men zag zijn plaatskaartje in het lint van zijn ouden hoed, die naast hem hing.

Doch zuster Hyacinthe uitte een kreet van vreugde.

“Hij haalt weer adem. Vraag hoe hij heet!”

Opnieuw door Marthe naar zijn naam gevraagd, liet de jonge man slechts een gekreun hooren, een nauwlijks verstaanbaren zucht:

“Ik heb zoo’n pijn!”

En van dat oogenblik af gaf hij slechts dat antwoord. Op alles wat men wilde weten, wie hij was, waar hij vandaan [15]kwam, wat hij mankeerde, waarmede men hem kon helpen, antwoordde hij niet, doch stiet steeds weer denzelfden zucht uit:

“Ik heb zoo’n pijn! Ik heb zoo’n pijn!”

Zuster Hyacinthe werd eenigszins ongeduldig. Als zij maar in hetzelfde compartement geweest was! Zij nam zich voor van plaats te veranderen. Maar de trein zou pas in Poitiers stoppen. De toestand werd steeds erger, te meer daar het hoofd van den man weer achterover gevallen was.

“Hij sterft … hij sterft!” riep dezelfde stem weer.

Lieve God, wat moest men beginnen? De zuster wist, dat een pater van Maria Hemelvaart, pater Massias, zich met het Heilige Oliesel in den trein bevond en steeds gereed was om de stervenden te bedienen, want jaarlijks stierven er op de reis pelgrims. Maar zij durfde niet aan de noodrem te trekken. Ook was in den cantinewagen, die door zuster Saint-François bestuurd werd, een dokter met een kleine apotheek. Indien de zieke Poitiers, waar een half uur rust gehouden zou worden, haalde, zou hem alle mogelijke hulp verleend kunnen worden. Verschrikkelijk zou het zijn, als hij vóór Poitiers stierf. Doch de kalmte keerde eenigszins terug. De man ademde wat rustiger en hij scheen te slapen.

“Te sterven voor je er was,” mompelde Marie rillend, “te sterven vóór het beloofde land …”

En toen haar vader haar gerust stelde:

“Ik heb ook zoo’n pijn, ik heb ook zoo’n pijn!”

“Heb maar vertrouwen,” zeide Pierre, “de Heilige Maagd waakt over je!”

Zij kon niet meer blijven zitten, men moest haar weer in haar nauwe kist leggen. Haar vader en de priester moesten daarbij met de grootste omzichtigheid te werk gaan, want de minste schok ontlokte haar een kreet van pijn. Zij lag er nu zonder te ademen, als een doode, met haar doodsbleek gezichtje, omgolfd door haar koninklijke lokkenpracht. Al vier uur lang reden zij nu reeds. Dat de wagon zoo onbarmhartig heen en weer geschud en geslingerd werd, was een gevolg van het feit, dat deze zich achter in den trein bevond: de koppelstangen knarsten, de wielen rammelden vreeselijk. Door de raampjes, die men genoodzaakt was half open te laten staan, drong het stof scherp en gloeiend binnen; vooral de hitte werd verschrikkelijk, een verstikkende onweershitte onder een rosige lucht, die bedekt was met dikke, roerlooze wolken. Op oververhitte ovens geleken de compartimenten, [16]die rollende hutten, waarin men at en dronk, waarin de zieken in de bedorven lucht, te midden van het oorverdoovende lawaai van weeklachten, gebeden en gezangen, al hun behoeften bevredigden.

Marie was niet de eenige, die zich zieker voelde; ook de anderen leden door de reis. Op den schoot van haar wanhopige moeder, die met haar groote, door tranen verduisterde oogen naar haar keek, lag de kleine Rose roerloos en met zoo’n bleek gezicht, dat madame Maze zich tweemaal over haar heen gebogen had, om haar handjes te voelen, met de vrees die koud te zullen vinden. Ieder oogenblik moest madame Sabathier de beenen van haar man verleggen, zij waren zoo zwaar, zeide hij, dat zijn heupen er pijn van deden. Broeder Isidore had in zijn bewusteloosheid kreten van pijn uitgestooten; zijn zuster had hem alleen verlichting kunnen geven door hem iets op te richten en in haar armen te houden. La Grivotte scheen te slapen, maar een hardnekkige hik liet haar niet met rust, een dun straaltje bloed sijpelde uit haar mond. Madame Vêtu had weer een zwarte, de lucht verpestende fluim opgegeven. Elise Rouquet dacht er niet meer aan de afschuwelijke open wond in haar gezicht te verbergen. De man in het andere compartiment bleef rochelen, alsof hij iedere seconde zou sterven. Tevergeefs spanden madame Jonquière en zuster Hyacinthe al haar krachten in, zooveel kwalen tegelijk konden zij niet verlichten en verzachten. Het was een hel, die wagon van ellende en pijn, die in volle vaart voortsnelde en geschokt werd door het slingeren, dat de bagage, de oude opgehangen kleeren, de versleten, met touwen vastgebonden manden heen en weer deed schudden, terwijl in de achterste afdeeling de tien vrouwelijke pelgrims, de oude en de jonge, allen even leelijk, zonder ophouden in scherpe, jammerende en valsche tonen zongen.

Toen dacht Pierre aan de andere wagons van den trein, van dezen witten trein, die de ernstigste zieken vervoerde: alle rolden zij voort vol van hetzelfde lijden, met hun driehonderd zieken en vijfhonderd bedevaartgangers. Toen dacht hij aan de andere treinen, welke eveneens dien ochtend uit Parijs vertrokken, aan den grijzen en den blauwen trein, die eerder gegaan waren, aan den groenen, den gelen, den rosen, den oranjekleurigen trein, die alle nog volgen moesten. Van het een einde der lijn naar het andere raasden de treinen ieder uur weg. En hij dacht aan de andere treinen nog, die [17]denzelfden dag uit Orleans, uit Le Mans, uit Poitiers, uit Bordeaux, uit Marseille, uit Carcassonne vertrokken. Frankrijk werd op datzelfde uur in alle richtingen door dergelijke treinen doorploegd, die zich alle spoedden naar de Heilige Grot en dertig duizend zieken en pelgrims aan de voeten der Heilige Maagd brachten. En hij bedacht, dat een zelfde menschenstroom ook andere dagen van het jaar naar die plek golfde, dat er geen week voorbijging, waarin Lourdes geen bedevaart zag aankomen, dat niet Frankrijk alleen zich daarheen op weg begaf, maar geheel Europa, ja de geheele wereld, dat in sommige jaren van bijzonder groote godsvrucht, driehonderd duizend, ja zelfs wel vijfhonderd duizend zieken en bedevaartgangers samengekomen waren.

Pierre meende die rollende treinen te hooren, die treinen, welke van overal alle samenkwamen bij dezelfde rotsgrot, waarin kaarsen brandden. Alle rolden zij ratelend voort te midden van smartkreten en het opstijgen van vrome liederen. Het waren de rijdende hospitalen vol wanhopige zieken, het was de wilde jacht van menschelijke ellende naar hoop op genezing, een brandend verlangen naar verlichting en troost bij het toenemend lijden en onder de bedreiging van den snel naderenden dood. Zij rolden, zij rolden steeds door, zij rolden zonder ophouden, de ellende van deze wereld met zich voerend, op weg naar een goddelijke illusie, de gezondheid der zieken en de troosteresse der bedroefden.

En Pierre’s hart vloeide over van een groot medelijden, de menschelijke religie bij zoovele kwalen, bij zoovele tranen, die den zwakken en hulpeloozen mensch verteren.

Hij voelde zich tot stervens toe droef; een oplaaiende barmhartigheid brandde in hem als het onuitbluschbaar vuur van een broederlijke liefde voor alle dingen en voor alle schepselen.

Toen zij om half elf het station Saint-Pierre-des-Corps verlieten, gaf zuster Hyacinthe opnieuw een teeken; en men bad den derden Rozenkrans, de vijf glorierijke mysteriën: de Opstanding van Onzen Heer, de Hemelvaart van Onzen Heer, de Uitstorting des Heiligen Geestes, de Hemelvaart van de Zeer Heilige Maagd, de Kroning der Zeer Heilige Maagd. Dan hieven zij het lied van Bernadette aan, de eindelooze weeklacht van zestig coupletten, waarin steeds het “wees gegroet” als refrein terugkeerde, een zacht wiegen, een langzame obsessie, die zich langzamerhand van het geheele wezen meester maakt en ten slotte in een extatischen [18]slaap doet wegzinken in de heerlijke verwachting van het wonder.

[Inhoud]

II.

Nu reden zij door de groene weiden van Poitou, en abbé Pierre, die naar buiten zat te staren, zag de boomen voorbijvliegen, die hij langzamerhand ophield te onderscheiden. Een kerktoren verdween reeds weer voor men hem goed en wel gezien had: alle pelgrims maakten het teeken des kruises. Ze zouden pas om vijf minuten over halfeen in Poitiers zijn; zonder ophouden reed de trein voort in de toenemende afmatting van den onweerzwangeren dag. De jonge priester, die in een diep gepeins verzonken was, hoorde het zingen nog slechts als het in slaap wiegende, langzame deinen van de zee.

Het was een vergeten van het tegenwoordige oogenblik, een ontwaken van het verleden, dat zijn geheele wezen in beslag nam. Hij ging in zijn herinneringen terug zoo ver als hij gaan kon. Hij zag het huis in Neuilly terug, waarin hij geboren was, waarin hij nu nog woonde, het huisje van vrede en arbeid met zijn mooien tuin, waarin enkele boomen stonden; slechts een levende haag en een omheining van struiken scheidden hem van den tuin van het huis ernaast, dat precies als het zijne was. Hij was drie, vier jaar misschien, en hij zag hoe op een zomermiddag zijn vader, zijn moeder en zijn oudere broer in de schaduw van een grooten kastanjeboom zaten te ontbijten. Zijn vader, Michel Froment, had geen bijzonder opvallend gezicht, hij zag hem slechts vaag en onbestemd voor zich, den beroemden scheikundige, die lid van het Instituut was en zich opsloot in zijn laboratorium, dat hij hier in deze afgelegen streek had laten bouwen. Maar zijn broer, den veertienjarigen Guillaume, die juist dien ochtend met vacantie thuis gekomen was, zag hij heel duidelijk voor zich en vooral zijn moeder, zoo zacht, zoo kalm met haar oogen vol ontroerenden deemoed. Later had hij de zorgen en den kommer van deze godvruchtige ziel leeren kennen, van deze vroom-geloovige, die uit achting en dankbaarheid erin toegestemd had te trouwen met een ongeloovige, die vijftien jaar ouder was dan zij en aan haar familie groote diensten bewezen had. Hij, een “nakomertje”, was geboren, toen zijn vader reeds bijna vijftig was, en had zijn moeder niet anders gekend dan als een deemoedige vrouw, onderworpen [19]aan haar man, dien zij hartstochtelijk had leeren liefhebben met de vreeselijke marteling te weten, dat hij verdoemd was. En plotseling rees een andere herinnering in hem op, de verschrikkelijke herinnering aan den dag, dat zijn vader gestorven was, gedood door het ongelukkig springen van een retort. Hij was toen vijf jaar, maar hij herinnerde zich nog de kleinste bijzonderheden, den kreet van zijn moeder, toen zij te midden van de puinhoopen het verminkte lichaam vond, haar schrik, haar jammeren, haar gebeden bij de gedachte, dat God den voor eeuwig verdoemden goddelooze met zijn bliksem vernietigd had. Daar zij zijn papieren en boeken niet durfde verbranden, had zij eenvoudig de studeerkamer, welke daarna door niemand meer betreden werd, gesloten. Van dat oogenblik af had het beeld der hel haar niet meer losgelaten, had zij nog slechts één gedachte gehad: zich geheel meester te maken van haar jongsten zoon, hem streng geloovig op te voeden, hem tot het zoenoffer voor zijn vader te maken. Haar oudste zoon Guillaume, die het lyceum bezocht en reeds geheel onder den invloed van de denkbeelden der eeuw stond, was haar reeds ontgroeid, maar hij, Pierre, de jongste, zou het huis niet verlaten, zou onderwijs krijgen van een geestelijke; en haar stille droom, haar vurige hoop was hem zelf eens priester te zien, er getuige van te zijn, dat hij zijn eerste mis las.

Een ander levendig beeld tusschen groene, met zonnestralen doorplekte takken rees voor zijn geestesoog op. Pierre zag plotseling Marie de Guersaint, zooals hij haar op een morgen door een gat in de haag, die de twee aan elkaar grenzende bezittingen scheidde, gezien had. Mijnheer de Guersaint, van kleinen Normandischen adel, was een architect, die zich graag voor uitvinder uitgaf en toen juist bezig was met het bouwen van arbeiderssteden met kerk en school: een groote, slecht overwogen onderneming, waarin hij met zijn gewone onstuimigheid en zijn onberadenheid van mislukt kunstenaar zijn vermogen van driehonderd duizend francs op het spel zette. Dezelfde vrome godsvrucht had madame de Guersaint en madame Froment samengebracht; maar de eerste was een vastberaden, flinke vrouw, die met ijzeren vuist het huishouden bestuurde en verhinderde, dat de catastrophe te groot werd; zij voedde haar twee dochters, Blanche en Marie streng godsdienstig op, de oudste was reeds ernstig als zij zelf, terwijl de jongste, ofschoon ook heel vroom, toch ook van [20]spel en vroolijkheid hield in haar uitgelaten levensvreugde, die zich ook in haar heerlijk, helder lachen openbaarde. Van jongs af aan speelden Pierre en Marie samen, onophoudelijk kropen zij door de haag, steeds waren de families bij elkaar. Op dien mooien, zonnigen ochtend, waarop hij haar weer zag, zooals zij de takken van de haag uit elkaar boog, was zij reeds tien jaar. Hij was toen zestien en zou den volgenden Dinsdag naar het seminarie gaan. Nooit nog had hij haar zoo mooi gevonden. Haar goudblonde lokken waren zoo lang, dat zij, wanneer ze loshingen, haar geheel bedekten. Hij zag ook haar gezichtje van toen tot in de kleinste bijzonderheden terug: haar ronde wangen, haar blauwe oogen, haar roode lippen, maar vooral haar als sneeuw glanzende huid. Zij was vroolijk en stralend als de zon, een verblindende verschijning; en zij had tranen in haar oogen, want zij wist maar al te goed, dat hij gauw weg zou gaan. Samen waren zij achter in den tuin in de schaduw van de haag gaan zitten. Hun vingers waren ineengestrengeld; zij voelden zich zoo bedroefd. Toch hadden zij elkaar bij hun spelen nooit iets plechtig beloofd, zoo volmaakt onschuldig waren hun zielen nog. Maar op den avond voor zijn vertrek konden zij hun liefde niet verzwijgen, spraken zij erover zonder het te begrijpen, zwoeren zij altijd aan elkaar te zullen denken en elkander eenmaal terug te zullen vinden, zooals men elkaar in den hemel terugvindt, en volmaakt gelukkig te zijn. Dan hadden zij elkaar in hun armen gedrukt, elkaar, onder het schreien van heete tranen, op de wangen gekust. Het was een heerlijke herinnering, die Pierre steeds en overal met zich gedragen had, die hij na zoo vele jaren en na zoovele smartelijke verzakingen nog steeds in zich voelde leven.

Een hevige schok wekte hem uit zijn overpeinzingen. Hij keek den wagon rond en zag in onduidelijke omtrekken de lijdende schepsels: madame Maze, onbeweeglijk, door haar smart vernietigd; de kleine Rose zacht kreunend op den schoot van hare moeder, la Grivotte benauwd door een heesche hoestbui. Even trad de vroolijke gestalte van zuster Hyacinthe met haar witte schort en haar wit kapje op den voorgrond. Het was nog steeds de moeilijke reis met den straal van goddelijke hoop daar in de verte als doel. Dan verdween langzamerhand alles weer in een nevel, die uit het verre verleden oprees; bleef nog slechts over het in slaap wiegende zingen van onduidelijke droomstemmen, die òpklonken uit het onzienlijke. [21]

Van dat oogenblik af was Pierre op het seminarie. Duidelijk stonden de klassen, de speelplaats met haar boomen, hem nog voor den geest. Maar plotseling zag hij, als in een spiegel, niets meer dan de gestalte van den jongen man, die hij toenmaals was; en hij nam haar op, ontleedde haar als de gestalte van een vreemde. Groot en slank, had hij een lang gezicht met een sterk ontwikkeld voorhoofd, hoog en recht als een toren, terwijl zijn dunne kaken uitliepen in een zeer spitsen kin. Hij scheen één en al hersenen te zijn; alleen zijn ietwat groote mond had iets teers behouden. Wanneer zijn ernstig gezicht zich wat ontspande, dan verrieden zijn mond en zijn oogen een eindelooze teederheid, een ongestilden honger om lief te hebben, zich te geven en te leven. Onmiddellijk echter kwam de intellectueele hartstocht terug, die, welke hem verteerde met een begeerte om te begrijpen en te weten. Slechts met verwondering kon hij aan dien seminarietijd terug denken. Hoe had hij toch zoo lang die strenge leer van blind geloof kunnen aanvaarden, hoe had hij steeds zonder onderzoek alles maar in goed vertrouwen kunnen aannemen? Men had een volledige prijsgeving van zijn gezond verstand geëischt, en hij had er zich toe gedwongen, was erin geslaagd het martelende verlangen naar waarheid in zich te verstikken. Ongetwijfeld was hij verteederd door de tranen van zijn moeder, voelde hij slechts in zich de begeerte om haar het gedroomde geluk te geven. Thans echter kwam hem voor den geest, hoe in dien tijd toch wel oproerige gedachten in hem opgerezen waren; vond hij in zijn geheugen nachten terug, waarin hij meer geweend dan geslapen had, zonder dat hij wist waarom, nachten, bevolkt met onbestemde beelden, waarin het vrije en manlijke leven van buiten doordrong, waarin onophoudelijk het beeld van Marie hem verscheen, zooals hij haar een ochtend gezien had, stralend en badend in tranen, hem kussend in volle overgave. Dat alleen was thans overgebleven, de jaren van zijn religieuze studiën met hun eentonige lessen, met hun onveranderlijk blijvende geestelijke oefeningen en ceremoniën verdwenen alle in een nevel, in een onbestemd half-donker, dat vervuld was met een doodsche stilte.

Dan gingen hem, toen ze in volle vaart een station voorbijgereden waren, in het oorverdoovend lawaai van den rit, een menigte dingen in bonte volgorde aan zijn geestesoog voorbij. Hij zag een groote, eenzame, afgesloten ruimte; hij meende er zich terug te zien op twintigjarigen leeftijd. Zijn [22]droom was echter niet duidelijk meer. Een vrij ernstige ziekte, die hem in zijn studies een heel eind achteruitzette, had hem genoodzaakt naar buiten te gaan. In langen tijd had hij Marie niet gezien, tweemaal was hij met vacantie in Neuilly geweest zonder haar te ontmoeten, want zij was bijna altijd op reis. Hij wist, dat haar gezondheid slecht was tengevolge van een val van haar paard op dertienjarigen leeftijd juist op het oogenblik, dat zij vrouw worden zou; in haar wanhoop ging haar moeder, gehoor gevend aan de tegenstrijdige raadgevingen der geneesheeren, ieder jaar met haar naar een andere badplaats. Toen had hij den zwaren slag vernomen, die haar getroffen had, den plotselingen dood van die zoo strenge, maar voor de haren zoo onmisbare moeder: een longontsteking, die zij op een avondwandeling in la Bourboule gekregen had, toen zij haar mantel uitgetrokken had, om hem Marie, die daar voor een kuur was, om te doen, had haar in vijf dagen weggerukt. Haar vader had zijn van verdriet half waanzinnige dochter en het lijk moeten komen halen. Het ergste was, dat na het overlijden van de moeder, de zaken steeds slechter gingen in de handen van den architect, die, zonder te rekenen, zijn vermogen in den afgrond van zijn ondernemingen wierp. Marie kon niet meer van haar rustbed opstaan, zoodat slechts Blanche overbleef om het huis te bestieren, doch deze werd zelf geheel in beslag genomen door haar laatste examens, die zij wilde doen, om diploma’s te halen, daar zij heel goed inzag, dat er een tijd komen zou, waarin zij zelf haar brood moest verdienen.

Plotseling kwam Pierre een duidelijk beeld voor den geest, dat zich uit die massa verwarde, half vergeten feiten losmaakte. Het was gedurende een vacantie, die hij voor zijn gezondheid had moeten nemen. Hij was toen vier-en-twintig jaar, maar in zijn studie wat achter, daar hij pas de vier laagste geestelijke ordeningen ontvangen had; na zijn terugkeer zou hij onmiddellijk het sub-diaconaat krijgen, wat hem voor altijd door een onverbreekbaren eed binden zou. Heel duidelijk voor oogen stond hem het tooneel in den kleinen tuin van de Guersaints te Neuilly, waarin hij vroeger zoo dikwijls gespeeld had. De ruststoel van Marie was onder de hooge boomen dicht bij de haag gerold; zij waren alleen te midden van den droefgeestig stemmenden vrede van den herfstmiddag, hij zag Marie in zwaren rouw half uitgestrekt met haar verlamde beenen liggen, terwijl hij, ook in het [23]zwart, reeds in soutane, op een leunstoel naast haar zat. Al vijf jaar lang was zij nu reeds lijdende. Nu, op haar achttiende jaar, zag zij er bleek en mager uit, zonder dat zij echter opgehouden had aanbiddelijk te zijn met haar koninklijke lokkenpracht, die de ziekte spaarde. Hij meende reeds te weten, dat zij altijd verlamd blijven zou, dat zij veroordeeld was nooit vrouw te worden, daar haar geslachtsleven door dien val gestoord was. De geneesheeren, die het onderling niet eens waren, hadden haar opgegeven. In ieder geval vertelde zij hem alles op dien droeven namiddag, toen de verdorde bladeren op hen neervielen. Maar haar woorden herinnerde hij zich niet, wel echter haar droevig glimlachje, haar jong, nog zoo bekoorlijk gezichtje, dat echter reeds de bittere trekken had van hen, die het leven opgegeven hebben. Toen had hij begrepen, dat zij dacht aan den reeds zoo ver achter hen liggenden dag, dat zij op deze zelfde plaats achter de met zonnestralen doorplekte haag afscheid genomen hadden, aan hun tranen, aan hun kussen, aan hun belofte om elkaar eens in de zekerheid van hun geluk terug te zullen vinden. Zij vonden elkaar terug, maar waartoe diende dat nu? Zij toch was reeds als dood en hij zou straks afsterven van het leven van deze wereld. Nu de geneesheeren verklaard hadden, dat zij nooit vrouw zou zijn, nooit echtgenoote, nooit moeder, nu kon hij er ook wel afstand van doen man te zijn, geheel opgaan in God, aan wien zijn moeder hem gewijd had. En hij voelde nog de zoete bitterheid van deze laatste ontmoeting, Marie pijnlijk glimlachend over hun vroegere hinderpalen, hem sprekend over het geluk, dat hij zeker vinden zou in den dienst van God, zoo ontroerd bij die gedachte, dat zij hem had doen beloven haar uit te noodigen, om er getuige van te zijn, als hij zijn eerste mis las.

Bij het station Sainte-Maure rukte een lawaai in den wagon Pierre weer even uit zijn overpeinzingen. Hij dacht aan een ongeluk, aan een nieuwe bezwijming. Maar de smartelijke gezichten, die hij zag, waren nog dezelfde, toonden dezelfde pijnlijke uitdrukking, hetzelfde angstige wachten op de goddelijke hulp, die zoo langzaam kwam. Mijnheer Sabathier trachtte vergeefs zijn beenen in een makkelijke houding te brengen, broeder Isidore kreunde aan één stuk door zachtjes als een stervend kind, terwijl madame Vêtu, ten prooi aan een hevigen aanval, ineenkromp van pijn en, haar lippen op elkaar geklemd en haar gezicht vertrokken, zelfs geen adem [24]meer haalde. Het lawaai was veroorzaakt door madame de Jonquière, die bij het schoonmaken van een kom, de waterkan had laten vallen. En ondanks haar martelende pijnen had dit de zieken aan het lachen gemaakt evenals eenvoudige zielen, die door het lijden kindsch worden. Onmiddellijk liet zuster Hyacinthe, die ze met het grootste recht haar kinderen noemde, kinderen, die zij met één enkel woord gehoorzamen deed, hen weer den Rozenkrans afbidden, in afwachting van het Angelus, dat volgens het vastgestelde programma te Châtellerault gebeden zou worden. De Ave’s volgden elkaar op, het was nog slechts een dof gemurmel, dat verloren ging in het knarsen der koppelstangen en het lawaai der wielen.

Pierre was zes-en-twintig en priester. Enkele dagen vóór zijn wijding waren nog laat bedenkingen bij hem opgekomen, het heimelijke bewustzijn, dat hij zich verbond zonder nauwkeurig zelf-onderzoek. Maar hij had het met opzet nagelaten, hij leefde in de verdooving van zijn beslissing, daar hij meende met één bijlslag al wat in hem aan den mensch herinnerde, gedood te hebben. Zijn vleesch was afgestorven met zijn onschuldigen jeugdroman, dat blanke jonge meisje met haar goudblonde haren, dat hij nog slechts voor zich zag op haar ziekbed, het vleesch afgestorven als het zijne. Vervolgens had hij zijn gezond verstand ten offer gebracht, wat hij toen voor heel makkelijk hield, daar hij hoopte, dat het voldoende zou zijn te willen, om niet meer te denken. Ook was het te laat, hij kon op het laatste oogenblik niet terug; en ook al voelde hij zich in het uur, dat hij den laatsten plechtigen eed uitsprak, bevangen door een geheime vrees, door een onbestemde, smartelijke spijt, toch had hij alles vergeten, was hij goddelijk beloond voor zijn offer, toen hij zijn moeder de zoo lang verwachte groote vreugde gaf haar zijn eerste mis te hooren lezen. Hij zag haar nog, zijn arme moeder in de kleine kerk te Neuilly, die zij zelf gekozen had, de kerk, waarin de uitvaartdiensten voor zijn vader gehouden waren, hij zag haar nog, zooals zij op dien kouden Novemberochtend bijna alleen in de sombere kapel met haar gelaat in haar handen geknield lag en lang weende, terwijl hij de hostie ophief. Daar had zij haar laatste geluk gekend, want zij leefde eenzaam en alleen: haar oudsten zoon, die, andere denkbeelden toegedaan, alle betrekkingen met zijn familie had afgebroken, sedert zijn broer besloten had priester te worden, zag zij niet meer. Men vertelde, dat Guillaume, evenals zijn vader een talentvol scheikundige, maar [25]beneden zijn stand geraakt en opgaande in revolutionnaire droombeelden, een klein huisje in de buitenwijken van Parijs bewoonde, waar hij zich geheel wijdde aan gevaarlijke studiën van springmiddelen; terwijl men er ook nog bij wist te vertellen, wat iederen band tusschen hem en zijn zoo vrome moeder verbroken had, dat hij in vrije liefde leefde met een vrouw, die hij ergens “opgeduikeld” had. In geen drie jaar had Pierre, die in zijn jonge jaren van Guillaume als van een vaderlijken, goeden en vroolijken vriend gehouden had, hem meer gezien.

Dan voelde hij zijn hart pijnlijk samenkrimpen: hij zag zijne moeder dood terug. Ook hier een plotseling sterven, een ziekte van nauwlijks drie dagen, een plotselinge dood, zooals bij madame de Guersaint. Op een avond, toen hij als een krankzinnige rondgeloopen had, om een dokter te vinden, had hij haar bij zijn terugkomst dood, onbeweeglijk, bleek gevonden; op zijn lippen voelde hij nog steeds de ijskoude aanraking van haar lippen. Van de rest herinnerde hij zich niets meer, niets van het waken bij de doode, niets van de voorbereidselen, niets van de begrafenis. Dat alles was verdwenen in het duister van zijn wezenloosheid, een zoo woest verdriet, dat hij er bijna aan gestorven was. Na den terugkeer van het kerkhof rilde hij van de koorts, een slijmkoorts, die hem drie weken lang tusschen leven en dood had doen zweven.

Zijn broeder was hem komen verplegen; daarna had Guillaume zich bezig gehouden met de regeling van de erfenis, hem het huis en een kleine rente overlatend, terwijl hij zelf zijn deel in contanten nam; vervolgens was hij, toen hij zag, dat zijn broer buiten gevaar was, weer weggegaan en naar zijn verborgen hoek teruggekeerd. Maar welk een langzaam herstel in dat eenzame verlaten huis! Pierre had niets gedaan, om Guillaume terug te houden, want hij begreep, dat er een afgrond tusschen hen gaapte. In den beginne had hij onder die eenzaamheid geleden. Doch later was zij hem lief geworden in de groote stilte der kamer, die niet door geluiden van buiten gestoord werd, en onder de vredige schaduw van den kleinen tuin, waarin hij geheele dagen zitten kon, zonder een levende ziel te zien. Zijn geliefkoosd toevluchtsoord was het oude laboratorium, de werkkamer van zijn vader, dat zijn moeder twintig jaar lang zorgvuldig gesloten gehouden had, als om er het verleden van ongeloof en verdoemenis in op te sluiten. Misschien [26]zou zij, ondanks haar zachtmoedigheid en haar eerbiedige vereering voor den doode, er ten slotte toch toe zijn overgegaan, om de boeken en de papieren te vernietigen, indien de dood haar niet was komen overvallen. Pierre had de kamer goed laten luchten, het bureau en de boekenkast laten afstoffen, had den grooten lederen fauteuil tot den zijne gemaakt en bracht er heerlijke uren in door; door zijn ziekte als wedergeboren en zich opnieuw in zijn jeugd teruggebracht voelend, genoot hij van het lezen der boeken, die hem in handen kwamen, als van een zeldzaam intellectueel genot.

Gedurende die twaalf maanden van langzaam herstel, had hij, voor zoover hij zich herinneren kon, niemand ontvangen dan dr. Chassaigne, een oud vriend van zijn vader, een werkelijk knap geneesheer, die zich bescheiden hield bij zijn taak om te praktiseeren, wiens eenige eerzucht was zijn patiënten te genezen. Madame Froment had hij niet van den dood kunnen redden; maar hij beroemde er zich op den jongen priester genezen te hebben van een ernstige ziekte; van tijd tot tijd kwam hij, om hem wat afleiding te bezorgen, nog eens met hem praten en sprak dan voornamelijk over Pierre’s vader, den grooten scheikundige; hij was onuitputtelijk in allerlei anecdoten over den doode, in allerlei bijzonderheden, waarin nog altijd zijn warme vriendschap doorstraalde. Op die wijze had gedurende zijn langzaam herstel de zoon zich van zijn vader langzamerhand een beeld van beminlijken eenvoud, van goedheid en gulle hartelijkheid gevormd. Dat was zijn vader, zooals hij werkelijk was, en niet de man van strenge wetenschap, zooals hij hem zich vroeger, naar wat zijn moeder altijd vertelde, voorgesteld had. Zeker, zij had hem nooit iets anders geleerd dan een eerbiedig opzien tegen den dierbaren doode; maar was hij niet de ongeloovige, de godloochenaar, die de engelen deed weenen, de medewerker aan de goddeloosheid, die zich tegen het werk van God richtte. Op die wijze was hij een schrikbeeld der duisternis gebleven, de verdoemde, die als een spook door het huis zwierf, terwijl hij er nu het vriendelijke, glimlachende licht van werd, een door vurigen waarheidsdrang bezield werker, die nooit iets anders nagejaagd had dan de liefde en het geluk van allen. Dr. Chassaigne, een zoon der Pyrenaeën, geboren in een dorp, waarin men nog aan tooverheksen geloofde, voelde zich eerder aangetrokken tot den godsdienst, ook al had hij in de veertig jaren, dat hij te [27]Parijs woonde, geen voet in de kerk gezet. Maar van één ding was hij volkomen zeker: als er ergens een hemel was, dan zou Michel Froment daar zijn, en wel gezeten op een troon aan de rechterhand van God.

En nog eenmaal herleefde Pierre in enkele minuten de vreeselijke crisis, die gedurende twee maanden hem gemarteld had. Niet zoozeer, dat hij in de bibliotheek boeken van anti-religieuze strekking gevonden had of dat zijn vader, wiens papieren hij ordende, zich ooit buiten het gebied van zijn technische onderzoeking bewogen had, neen, er was langzamerhand, ondanks zijn wil, in hem een wetenschappelijke klaarheid gekomen, er had zich in hem een geheel van bewezen verschijnselen gevormd, die de dogma’s vernietigden en in hem niets overlieten van al die dingen, waaraan hij moest gelooven. Het was, alsof zijn ziekte hem een wedergeboorte had doen ondergaan, alsof hij opnieuw begon te leven en te leeren in den weldadig-aandoenden terugkeer van zijn krachten, die aan zijn verstand een zoo doordringende helderheid gaf. Op het seminarie had hij, op raad van zijn leeraren, zijn wetensdrang, zijn zucht tot onderzoek steeds beteugeld. Wat men hem leerde, verbaasde hem wel, maar hij had toen het offer van zijn verstand, dat men van zijn vroomheid eischte, gebracht. En nu stortte deze met zooveel zorg en inspanning opgebouwde stelling van het dogma ineen door een opstand van het souvereine verstand, dat zijn rechten opeischte, dat hij niet meer tot zwijgen dwingen kon. De waarheid borrelde op, brak zich met zoo’n onweerstaanbare kracht baan, dat hij begrepen had nooit meer de dwaling te kunnen laten zegevieren. Het was de volkome, de onherstelbare debacle van het geloof. Al had hij het vleesch in zich kunnen dooden door afstand te doen van zijn jeugdroman, al voelde hij zich zoozeer heer en meester over zijn zinnelijke lusten, dat hij eigenlijk opgehouden had man te zijn, hij wist nu, dat het offer van zijn verstand onmogelijk meer te brengen zou zijn. En hij vergiste zich niet, het was zijn vader, die diep in zijn binnenste herleefde, die in de overgeleverde twee-eenheid, waarin zijn moeder zoo lang als heerscheresse getroond had, de overwinning behaalde. Zijn recht, torenvormig voorhoofd scheen nog hooger geworden te zijn, terwijl zijn spitse kin en zijn week-teedere mond nog meer naar achteren sprongen. En toch leed hij er onder, was hij radeloos van smart niet meer te kunnen gelooven, van verlangen om het nog te willen, [28]wanneer zijn goed hart, zijn behoefte aan liefde in de schemeruren weer in hem ontwaakten; dan moest eerst de lamp komen, moest hij eerst weer duidelijk om en in zich kunnen zien, om de energie en kalmte van zijn verstand, de kracht voor het martelaarschap, den wil om alles voor den vrede van zijn geweten op te offeren, terug te vinden.

Toen was de crisis uitgebroken. Hij was priester en geloofde niet meer. Als een bodemlooze afgrond gaapte dit plotseling voor zijn voeten. Wat was het einde van zijn leven, de ineenstorting van alles. Wat moest hij doen? Gebood de eenvoudige eerlijkheid hem niet de soutane van zich te werpen en in de wereld terug te keeren? Maar hij had reeds zulke afvallige priesters gezien en ze veracht. Een getrouwde priester, dien hij kende, vervulde hem met walging. Ongetwijfeld was dat nog slechts een overblijfsel van zijn lange religieuze opvoeding: hij hield nog vast aan de gedachte van de onschendbaarheid van het priesterschap, de gedachte, dat hij, die zich eenmaal aan God gegeven had, zich niet meer vrij maken kon. Misschien ook voelde hij zich reeds te zeer gebrandmerkt, te zeer verschillend van de anderen, zoodat hij bang zijn moest onbeholpen en onwelkom te zullen wezen. En na lange dagen vol kwelling en strijd, waarin zijn verlangen naar geluk en de levenskracht van zijn teruggekeerde gezondheid worstelden, nam hij het heldhaftige besluit priester, en een eerlijk priester te blijven. Hij zou de kracht tot deze verzaking hebben. Nu hij, al was het hem dan niet gelukt zijn verstand het zwijgen op te leggen, het vleesch in zich gedood had, deed hij zichzelf de plechtige gelofte zijn eed van kuischheid te houden; dat was het onwankelbare, dat was het reine en rechtschapen leven, dat hij volkomen zeker was te zullen leiden. Wat kwam het overige erop aan, indien hij alleen maar behoefde te lijden, indien niemand ter wereld den uitgedoofden vulkaan in zijn hart, de nietswaardigheid van zijn geloof, den afgrijselijken leugen, waarin hij zich ten doode kwelde, vermoedde. Zijn krachtige steun zou zijn rechtschapenheid zijn, hij zou zijn priesterambt blijven vervullen als een eerlijk man, zonder een der geloften, die hij uitgesproken had, te verbreken, door volgens de kerkelijke voorschriften zijn plichten te blijven vervullen als dienaar van God, dien hij zou prediken, dien hij zou dienen aan het altaar, dien hij als brood des levens onder de geloovigen uitdeelen zou. Wie zou het hem dan als een misdaad aanrekenen, dat hij [29]zijn geloof verloren had, gesteld dat dit groote ongeluk eens bekend worden zou? En wat kon men nog meer van hem vragen? Had hij niet zijn geheele leven geofferd aan zijn eed; had hij zijn priesterambt niet hoog gehouden; had hij niet alle goede werken der Christelijke liefde gedaan zonder eenige hoop op een toekomstige belooning? Zoo had hij langzamerhand de kalmte in zich doen wederkeeren, het hoofd nog omhoog, in die troostelooze verhevenheid van den priester, die zelf niet meer gelooft en blijft waken over het geloof van anderen. Hij stond ongetwijfeld niet alleen, hij voelde, dat hij broeders had, priesters, die, hoewel door twijfel en ongeloof gemarteld, toch op het altaar bleven als soldaten zonder vaderland, toch den moed hadden de goddelijke illusie te doen lichten over de neergeknielde scharen.

Na zijn volkomen herstel had Pierre zijn dienst in de kleine kerk te Neuilly weer hervat. Iederen ochtend las hij er de mis. Maar hij was vastbesloten iedere plaats, iedere bevordering te weigeren. Maanden, jaren verliepen: halsstarrig bleef hij bij zijn besluit een gewoon priester te zijn, de meest onbekende, de nederigste der priesters, die men in een parochie duldt, die komen en weer gaan, wanneer zij zich van hun plicht gekweten hebben. Iedere waardigheid, die hij erbij aanvaarden zou, zou hem een verergering van zijn leugen geschenen zijn, een roof tegenover hen, die het meer verdienden. En hij moest voor talrijke aanbiedingen bedanken, want zijn verdiensten konden niet onopgemerkt blijven: men verwonderde zich in het aartsbisschoppelijk paleis over die hardnekkige bescheidenheid, had van de kracht, die men in hem vermoedde, gebruik willen maken. Slechts hoogst zelden voelde hij een spijt in zich opkomen, dat hij niet nuttig kon zijn, dat hij zich niet met hart en ziel geven kon aan een grootsch en verheven werk, aan het weder brengen van vrede op aarde, aan het heil en het geluk der menschheid. Gelukkig had hij zijn dagen vrij en kon hij troost zoeken in een ware werkwoede; hij verslond alle boeken uit de bibliotheek van zijn vader, vatte zijn vroegere studiën en onderzoekingen weer op, hield zich vooral bezig met de geschiedenis der menschheid, verteerd als hij werd door de begeerte om het maatschappelijke en religieuze kwaad in zijn oorsprong na te gaan, om zich te vergewissen of er dan werkelijk niets aan te verhelpen was.

Op een ochtend, dat hij in een der groote schuifladen onder in de boekenkast zocht, had Pierre een dossier ontdekt [30]over de verschijning te Lourdes. Er bevonden zich zeer volledige en belangrijke documenten in, afschriften van de verhooren van Bernadette, administratieve processen-verbaal, politierapporten, geneeskundige verklaringen en onderzoekingen, ongerekend nog particuliere en vertrouwelijke brieven, die van het grootste belang waren. Verbaasd over deze vondst, had hij er met dr. Chassaigne over gesproken, die zich herinnerde, dat zijn vriend Michel Froment indertijd het geval van Bernadette bestudeerd had; hij zelf, die in een dorpje dicht bij Lourdes geboren was, had zijn tusschenkomst verleend om den scheikundige een gedeelte van het dossier te bezorgen. Op zijn beurt had Pierre zich toen een maand lang met niets anders dan met dat geval beziggehouden, aangetrokken als hij zich gevoelde door de rechtschapen en reine figuur der helderziende, maar tevens in opstand komend tegen wat eruit voortgekomen was, tegen het fetichisme, het jammerlijk bijgeloof, de triompheerende simonie. In zijn worsteling met het ongeloof was deze geschiedenis uitermate geschikt om de ineenstorting van zijn geloof te verhaasten. Maar tevens had zij zijn weetgierigheid geprikkeld; hij zou een onderzoek hebben willen instellen, de onbetwistbare wetenschappelijke waarheid aan het licht brengen, aan het reine, zuivere Christendom den dienst bewijzen haar te bevrijden van die slak, van dit zoo roerend en kinderlijk tooversprookje. Dan had hij zijn studie moeten opgeven, daar hij te veel opzag tegen een reis naar de Grot en de groote moeilijkheden, waarmede hij te kampen zou hebben om de inlichtingen, die hem nog ontbraken, te verkrijgen; in hem bleef nog slechts voortleven een teeder gevoel voor Bernadette, aan wie hij niet denken kon zonder een wonder-mooi gevoel van bekoring en een eindeloos medelijden.

De dagen verstreken en Pierre’s leven werd hoe langer hoe eenzamer. In een aanval van doodelijke ongerustheid was dr. Chassaigne plotseling naar de Pyrenaeën vertrokken: hij had zijn praktijk in den steek gelaten en zijn zieke vrouw, die hij en zijn dochter, een knap jong meisje, dagelijks meer achteruit zagen gaan, naar Cauterets gebracht. Van af dat oogenblik was het in het kleine huisje te Neuilly akelig-stil geworden. Pierre’s eenige afleiding bestond in de bezoeken, welke hij nu en dan bij de Guersaints aflegde, die intusschen verhuisd waren, maar die hij in een kleine woning achter in een der armzaligste straten van de wijk teruggevonden had. En de herinnering aan zijn eerste bezoek [31]daar stond hem nog zoo levendig voor den geest, dat hij nog een steek in zijn hart voelde, wanneer hij zich zijn ontroering bij het zien van die arme Marie herinnerde.

Hij ontwaakte uit zijn gepeins, keek om zich heen en zag Marie op de bank liggen, zooals hij haar toen teruggevonden had in die op een dakgoot gelijkende kist, waaraan wielen aangebracht konden worden, om haar voort te bewegen. Zij, vroeger zoo overvloeiend van levenslust, altijd bereid om rond te springen en te lachen, leed diep onder dat gedwongen niets doen, dat gedwongen stil liggen. Van vroeger had zij nog slechts haar lokken, die haar als een gouden mantel omhulden, zij was zoo mager, dat zij kleiner geworden scheen te zijn, weer het figuurtje van een kind gekregen scheen te hebben. Wat echter in dat bleeke gezicht het pijnlijkst was om aan te zien, dat waren die levenlooze starende blikken, die niets zagen, die een uitdrukking van wezenloosheid, van geheel opgaan in haar ziekte hadden. Toch merkte zij, dat hij haar aankeek, en zij wilde tegen hem glimlachen. Maar slechts een zucht ontsnapte haar lippen, en hoe pijnlijk was het glimlachje van dit arme, verlamde wezentje, dat overtuigd was te zullen sterven vóór het wonder! Hij werd er diep door ontroerd, hij hoorde nog slechts haar, zag nog slechts haar te midden van al het lijden, dat de wagon herbergde, ja alsof zij al dat lijden samengevat had in den langen doodsstrijd van haar schoonheid, haar opgewektheid en haar jeugd.

En langzamerhand keerde Pierre, zonder dat zijn oogen Marie loslieten, terug naar het verleden, doorleefde hij nog eens de uren vol bittere en droeve bekoring, die hij bij haar doorgemaakt had, wanneer hij haar in het kleine, armelijke woninkje gezelschap houden ging. Mijnheer de Guersaint had zich geheel en al geruïneerd door verbetering te willen brengen in de kerkelijke platen, wier middelmatigheid hem een doorn in het oog was. Zijn laatste sous waren verdwenen in het faillissement van een kleurendrukkerij; in zijn verstrooidheid en in zijn gebrek aan doorzicht had hij niets gemerkt van de verschrikkelijke armoede, die hij steeds grooter maakte; in de voortdurende illusie van zijn kinderlijke ziel verliet hij zich geheel op God en was al weer bezig met het probleem van een bestuurbaren luchtballon, zonder zelfs te zien, dat zijn oudste dochter Blanche zich bovenmenschelijk moest inspannen om tenminste in het levensonderhoud te voorzien van het kleine gezin, van haar twee [32]kinderen, zooals zij haar vader en haar zuster noemde. Blanche was het ook, die het geld, dat de verpleging van Marie eischte, vond door van den vroegen ochtend tot den laten avond in modder en stof geheel Parijs af te draven, om taal- en pianolessen te geven. Marie was dikwijls de wanhoop nabij, barstte dan in tranen uit en verweet zichzelf, dat zij de hoofdoorzaak van den ondergang was, omdat men voor haar nu reeds zoovele jaren lang hooge doktersrekeningen betalen moest, haar alle denkbare badplaatsen, la Bourboule, Aix, Lamalou, Amélie-les-Bains had moeten laten bezoeken. Thans, na tien jaar van tegenstrijdige diagnosen en behandelingen, hadden de doktoren haar opgegeven; sommigen dachten, dat de groote ligamenten gebroken waren, anderen geloofden aan de aanwezigheid van een tumor, nog anderen weer aan een verlamming, die uit het ruggemerg voortkwam. En daar zij in haar maagdelijk schaamtegevoel ieder nader onderzoek weigerde en de doktoren zelf geen dieper op de kwestie ingaande vragen durfden doen, hield ieder zich aan zijn eigen diagnose en verklaarde, dat zij niet beter worden kon. Trouwens, streng vroom als zij na haar ziekte geworden was, rekende zij nog slechts op Gods hulp. Haar grootste verdriet was, dat zij niet meer naar de kerk kon gaan, en zij las iederen ochtend de mis. Haar verlamde beenen schenen afgestorven te zijn en bij tusschenpoozen was zij zoo zwak, dat haar zuster haar helpen moest met eten.

Op dat oogenblik kwam weer een andere herinnering bij Pierre boven. Het was op een avond, nog voor de lamp op was. Hij zat naast haar in het donker en plotseling had Marie hem gezegd, dat zij naar Lourdes wilde gaan, dat zij zeker was genezen terug te zullen komen. Hij had zich bij die woorden alles behalve op zijn gemak gevoeld, en, zijn gewone voorzichtigheid uit het oog verliezend, uitgeroepen, dat het een dwaasheid was om aan dergelijke bakerpraatjes te gelooven. Nooit had hij met haar over godsdienst gesproken, steeds had hij geweigerd haar de biecht af te nemen, ja zelfs haar raad te geven bij de kleine gewetensbezwaren, die zij als strenggeloovige had. Een zeker schaamtegevoel en een zeker medelijden hadden hem daarvan afgehouden; want zou het hem eenerzijds zwaar gevallen zijn haar voor te liegen, anderzijds zou hij zich als een misdadiger beschouwd hebben, indien hij ook maar met één ademtocht dat mooie reine geloof, dat haar sterk maakte tegen het [33]lijden, bezoedeld had. Hij nam het zich dan ook ten zeerste kwalijk, dat hij dien kreet niet had kunnen inhouden, en zijn verwarring werd nog grooter, toen hij gevoeld had, hoe de kleine, klamme hand der zieke de zijne vastgreep; en in de duisternis haar schroom overwinnend, had zij hem met stokkende stem durven zeggen, dat zij zijn geheim wist, dat zij zijn ongeluk kende, die voor een priester zoo afschuwelijke ellende, om niet meer te kunnen gelooven. In hun gesprekken had hij, ondanks zichzelf, alles gezegd, was zij met de fijne intuïtie van een zieke vriendin doorgedrongen tot in het diepst van zijn geweten. Zij maakte zich vreeselijk bezorgd over hem, beklaagde hem om zijn ongeneeslijke ziekte nog meer dan zichzelf. En toen hij, diep ontroerd, geen antwoord wist te vinden en door zijn zwijgen de waarheid bekende, was zij weer over Lourdes begonnen te praten, voegde zij er op zachten toon aan toe, dat zij ook hem wilde toevertrouwen aan de Heilige Maagd en haar smeeken, hem zijn geloof terug te geven. En van dien avond af had zij niet opgehouden telkens en telkens weer te herhalen, dat zij, als zij naar Lourdes ging, beter worden zou. Maar de geldquaestie, waarover zij met haar zuster zelfs niet had durven praten, was de groote hinderpaal. Twee maanden verliepen; zij werd met den dag zwakker, zij putte haar krachten uit in droomen, haar blikken steeds in de verte gericht op de stralende schittering van de Wondergrot.

Pierre maakte toen zware dagen door. In den beginne had hij Marie beslist geweigerd met haar mede te gaan. Doch later was dat vaste besluit aan het wankelen gebracht door het denkbeeld, dat hij, wanneer hij tot de reis besloot, die tevens dienstbaar maken kon aan zijn onderzoek over Bernadette, wier bekoorlijke figuur geen oogenblik uit zijn gedachten was. En eindelijk voelde hij een zacht gevoel, een hoop, die hij zichzelf niet bekennen wilde, hem doortrillen bij de gedachte, dat Marie misschien gelijk had, dat de Heilige Maagd zich ook over hem zou kunnen erbarmen door hem het blinde geloof, dat geloof van het kleine kind, dat lief heeft en niet redeneert, terug te geven. O, met hart en ziel te kunnen gelooven, geheel en al in het geloof te kunnen opgaan. Een ander geluk was ongetwijfeld niet meer mogelijk. Hij snakte naar het geloof met al de vreugde van zijn jeugd, wet al de liefde, die hij voor zijn moeder gehad had, met geheel het brandende verlangen om te ontsnappen aan de marteling om te willen weten en begrijpen, om voor altijd [34]in te slapen in de schoot der goddelijke onwetendheid. Het was heerlijk en laf tegelijk, dat hoopvol verlangen om niets meer te zijn, niets meer te zijn dan een ding in Gods handen. En zoo kwam ook in hem de begeerte het uiterste middel te beproeven.

Een week later was tot de reis naar Lourdes besloten. Doch Pierre had een laatste consult van geneesheeren geëischt, om te weten of Marie werkelijk nog vervoerd kon worden; en dat was ook weer een tooneel, dat hem steeds levendig voor den geest stond, en waarvan hij sommige bijzonderheden duidelijk voor zich zag, terwijl andere daarentegen reeds uit zijn geheugen waren verdreven. Twee doktoren, die vroeger de zieke behandeld hadden en waarvan de een aan een breuk der groote ligamenten geloofde en de ander de ziekte weet aan een verlamming tengevolge van een beleediging van het ruggemerg, waren het ten slotte eens geworden over die verlamming in verband met verwondingen aan de groote ligamenten: alle symptomen wezen er op, het geval scheen hun zoo duidelijk, dat zij niet geaarzeld hadden een bijna gelijkluidend certificaat af te geven. Verder geloofden zij, dat de reis mogelijk, maar zeer pijnlijk zou zijn. Dat deed Pierre besluiten, want hij vond, dat de heeren zeer voorzichtig waren en zooveel mogelijk getracht hadden de waarheid te vinden. Hij had nog slechts een vage herinnering aan den derden geneesheer, Beauclair, een achterneef van hem, een nog jongen man met een helder inzicht, die nog weinig bekend was, en naar men beweerde, een zonderling. Nadat hij Marie langen tijd aangekeken en opgenomen had, had hij sterk geïnformeerd naar haar voorouders en met zeer veel belangstelling geluisterd naar wat men hem vertelde over mijnheer de Guersaint, den architect, die zich verbeeldde een uitvinder te zijn, met zijn zwak karakter en overdreven phantasie; daarna had hij het gezichtsveld van Marie willen weten en zich, door haar op bescheiden wijze te bekloppen, vergewist, dat de pijn zich ten slotte gelocaliseerd had in den linker eierstok, en dat de pijn, wanneer men op die plek drukte, als een dikke massa, die haar dreigde te doen stikken, naar haar keel scheen op te stijgen. De verlamming der beenen achtte hij blijkbaar van weinig of geen beteekenis. En op een hem op den man af gedane vraag had hij uitgeroepen, dat men haar naar Lourdes moest brengen, dat zij er ongetwijfeld zou genezen, als zij de vaste overtuiging bezat daar beter te zullen worden. Hij sprak ernstig [35]over Lourdes; het geloof was voldoende, twee van zijn patiënten, zeer vrome dames, die hij er het vorige jaar heen gezonden had, waren stralend van gezondheid teruggekomen. Zelfs voorspelde hij, hoe het wonder geschieden zou: als bij tooverslag, bij een ontwaken, in een exaltatie van het geheele wezen, waarin de kwaal, die verschrikkelijke, duivelsche drukking, waaronder het jonge meisje bijna stikte, nog voor een laatste maal opstijgen en dan verdwijnen zou, alsof hij door haar mond ontsnapte. Maar hij weigerde beslist een certificaat af te geven. Hij was het niet eens met zijn twee collega’s, die hem zoo’n beetje uit de hoogte als een kwakzalver behandelden. Pierre had, al was het vaag, enkele gedeelten der discussie, die in zijn tegenwoordigheid gehouden was, en enkele brokstukken van de door Beauclair opgestelde diagnose onthouden: een ontwrichting van het orgaan met een lichte scheuring der ligamenten tengevolge van den val van het paard, vervolgens een langzaam herstel, waarbij alles weer op zijn juiste plaats gekomen was, waarop verschillende nerveuze aanvallen kort op elkaar gevolgd waren, zoodat de zieke verder slechts geleefd zou hebben onder de obsessie van haar eersten angst, al haar denken was thans geconcentreerd op het beleedigde punt, onbeweeglijk lag zij neer in toenemende pijnen, terwijl zij niet in staat was nieuwe voorstellingen in zich op te nemen, tenzij onder de krachtige inwerking van een hevige gemoedsaandoening. Overigens gaf hij toe, dat er bijkomende voedingsstoornissen konden zijn, doch deze waren nog te weinig onderzocht om het belang en den loop ervan te kunnen aangeven. Maar het denkbeeld, dat Marie’s kwaal ingebeeld kon zijn, dat de hevige pijnen, die haar martelden, afkomstig zouden kunnen zijn van een reeds lang geleden herstelde kwetsuur, was Pierre, toen hij haar daar zoo zag liggen met haar reeds afgestorven beenen, zoo paradoxaal voorgekomen, dat hij er niet verder bij was blijven stil staan, blij bovendien als hij was, dat de drie dokters eenstemmig de reis naar Lourdes toestonden. Het was voor hem voldoende, dat zij genezen kon; daarvoor zou hij met haar naar het eind der wereld gegaan zijn.

O, die laatste dagen te Parijs, in welk een drukte en opwinding had hij ze doorleefd! De nationale bedevaart stond op het punt te vertrekken, hij was op het denkbeeld gekomen Marie in de Hospitalité te laten opnemen, ten einde groote kosten te vermijden. Verder had hij zich allerlei bezoeken [36]moeten getroosten, om zelf bij de Hospitalité de Notre-Dame de Salut geplaatst te worden. Mijnheer de Guersaint was in den zevenden hemel, want hij hield van de natuur en brandde van verlangen, om de Pyrenaeën te leeren kennen; hij bekommerde zich natuurlijk om niets, beschouwde het als een van zelf sprekend feit, dat de jonge priester de reis voor hem betaalde en in het hotel daarginds voor hem zorgde als voor een kind; en toen zijn dochter Blanche hem op het allerlaatste oogenblik een louis in zijn hand stopte, vond hij zich den koning te rijk. Die arme en heldhaftige Blanche bezat een geheimen schat, een spaarduitje van vijftig francs, die ze, om haar niet boos te maken, wel hadden moeten aannemen, want zij wilde ook medehelpen aan de genezing van haar zuster, al kon zij de reis niet medemaken, teruggehouden als zij werd door haar lessen te Parijs, dat zij in alle richtingen door bleef trekken, terwijl de haren daar ver weg neerknielden tusschen de verrukkingen der Grot. En zoo waren zij dan vertrokken en reden zij nu voort, reden zij steeds verder door.

Bij het station Châtellerault deed een plotseling geroezemoes van stemmen Pierre uit zijn overpeinzingen opschrikken. Wat! Waren zij reeds te Poitiers? Maar het was nauwlijks twaalf uur. Neen, zuster Hyacinthe liet het Angelus bidden, de drie driemaal herhaalde Ave’s. De stemmen stierven weg, een nieuw gezang, dat langzamerhand in een klaaglied veranderde, werd aangeheven. Nog vijf-en-dertig lange minuten voor ze te Poitiers waren, waar, zooals het scheen, het oponthoud van een half uur aller lijden zou verzachten. Allen voelden zich zoo onbehaaglijk, werden zoo onbarmhartig heen en weer geschud in dien verpesten, gloeiend-heeten wagon. De ellende was te groot, dikke tranen rolden over de wangen van madame Vincent, een gesmoorde vloek was ontsnapt aan de lippen van Mijnheer Sabathier, die anders zoo lijdzaam en geduldig was, terwijl broeder Isidore, la Grivotte en madame Vêtu niet meer schenen te leven en op wrakhout geleken, dat door den stroom werd medegevoerd. Marie had haar oogen gesloten en antwoordde niet meer; zij wilde ze niet meer open doen, vervolgd als zij werd door den vreeselijken aanblik van het gezicht van Elise Rouquet, dat half weggevreten, open hoofd, dat voor haar het beeld van den dood was. En terwijl de trein, die deze menschelijke troostelooze ellende met zich voerde onder den onweerzwangeren hemel, zijn vaart door de gloeiende velden versnelde, [37]werden allen door een nieuwe schrik aangegrepen. De man ademde niet meer, een stem riep, dat hij gestorven was.

[Inhoud]

III.

Zoodra de trein te Poitiers stil stond, haastte zuster Hyacinthe zich uit te stappen, te midden van het gedrang der stationskruiers, die de portieren openden, en van de pelgrims, die zich naar buiten drongen.

“Wacht even, wacht even!” riep zij steeds. “Laat mij het eerst uitstappen; ik wil zien, of het werkelijk afgeloopen is.

Toen zij in het andere compartiment weer ingestapt was, lichtte zij het hoofd van den man op; eerst geloofde zij ook, dat hij inderdaad gestorven was, toen zij hem daar zoo bleek en met wezenlooze oogen liggen zag.

“Neen, neen, hij ademt nog. Gauw, we moeten opschieten!”

En zich wendend tot de andere zuster, die achter in den wagon het toezicht hield: “Ach, zuster Claire des Anges, wees zoo goed en ga dadelijk pater Massias, die in het derde of vierde rijtuig zijn moet, halen. Zeg hem, dat wij een zieke hebben, die in levensgevaar verkeert, en dat hij dadelijk met het Heilig Oliesel komt.”

Zonder te antwoorden verdween de zuster in de drukte. Zij was klein, fijn gebouwd en teer, met een peinzend gelaat en sprookjesoogen, maar toch steeds in de weer.

Pierre, die staande in het andere compartiment het tooneel volgde, veroorloofde zich een opmerking.

“Zou het misschien niet gewenscht zijn ook den dokter te halen?”

“Zeker, daar dacht ik ook juist aan,” antwoordde zuster Hyacinthe. “O, mijnheer de abbé, als u de goedheid zoudt willen hebben zelf eens te gaan kijken.”

Pierre was juist van plan in den cantinewagen een kop bouillon te halen. De zieke, die zich wat verlicht gevoelde, nu zij niet meer heen en weer geschud werd, had haar oogen weer opengedaan en zich door haar vader in zittende houding laten oprichten. Zij zou in haar vurig verlangen naar frissche lucht wel graag gewild hebben, dat ze een oogenblik op het perron gezet was, maar zij voelde, dat dat te veel gevraagd zou zijn en het te veel moeite kosten zou, om haar straks weer in den wagon te krijgen. Mijnheer de Guersaint, die evenals de meeste pelgrims en zieken in den trein ontbeten had, bleef dicht bij het geopende portier een [38]sigaret staan rooken, terwijl Pierre naar den cantinewagen liep, waarin zich eveneens de dienstdoende geneesheer met een kleine apotheek bevond.

In den wagon waren ook de andere zieken gebleven, die men met den besten wil van de wereld niet naar buiten kon brengen. La Grivotte had telkens benauwende hoestaanvallen en ijlde; zij belette ook madame de Jonquière weg te gaan, die met haar dochter Raymonde, madame Volmar en madame Désagneaux afgesproken had gezamenlijk in de wachtkamer te ontbijten. Maar hoe kon zij dat ongelukkige schepsel, dat ieder oogenblik den geest kon geven, alleen op die harde bank achterlaten? Marthe was ook gebleven bij haar broeder, den zendeling, die maar steeds door bleef kreunen. Aan zijn plaats als vastgenageld, wachtte mijnheer Sabathier op zijn vrouw, die een tros druiven voor hem was gaan halen. De anderen, die loopen konden, drongen naar de deur, om uit te stappen, ten einde een oogenblik den wagon vol jammer en ellende, waarin hun ledematen in de zeven lange uren, die de reis geduurd had, stijf geworden waren, te ontvluchten. Madame Maze had zich dadelijk van de anderen verwijderd en een eenzaam hoekje van het station gezocht, waar zij dadelijk weer in haar gewone melancholie terugviel. Versuft van smart had madame Vêtu, die met moeite eenige stappen gedaan had, zich neer laten vallen op een bank midden in de zon, waarvan zij het branden echter niet eens voelde, terwijl Elise Rouquet, die haar zwarte sluier weer omgedaan had, in haar verlangen naar frisch water overal naar een fonteintje zocht. Madame Vincent liep langzaam met de kleine Rose op haar arm heen en weer; zij glimlachte tegen de kleine en trachtte haar wat op te vroolijken door haar schreeuwend gekleurde platen aan te wijzen, waar het kind naar keek, zonder ze echter te zien.

Intusschen kostte het Pierre de grootste moeite zich een weg te banen door de dichte menigte, die het perron overstroomde. Men kon zich geen voorstelling maken van dien levenden stroom van gebrekkigen en gezonden, die den trein verlaten hadden, meer dan achthonderd personen liepen door elkaar heen en verdrongen elkaar. Iedere wagon had zijn ellende uitgestort als een ziekenhuiszaal, die men ontruimt; nu kon men zien, welk een schrikwekkend aantal kwalen deze verschrikkelijke witte trein met zich voerde. Hier sleepten zieken zich voort, anderen werden gedragen, de meesten echter bleven dicht bij elkaar op het trottoir staan. Hier [39]hoorde men plotseling gillen en schreeuwen; daar haastte men zich naar de wachtkamer of de restauratie. Ieder wilde zoo spoedig mogelijk den inwendigen mensch versterken. Het was zoo kort, dit half uur oponthoud, het eenige, dat zij voor Lourdes zouden hebben. En het eenige vroolijke te midden van de zwarte soutanes, van de afgedragen en verschoten kleeren der armen, was het lachende wit der kleine zusters van Maria Hemelvaart, die in haar sneeuwige mutsjes, sluiers en schorten druk af en aan liepen.

Toen Pierre eindelijk bij den kantinewagen, die zich midden in den trein bevond, kwam, vond hij dien reeds belegerd. Er was daar een petroleumfornuis en een geheel volledige kleine keukeninstallatie. De bouillon, die van geconcentreerd vleeschnat gemaakt werd, stond te warmen in plaatijzeren ketels, de in doozen van één liter gecondenseerde melk werd slechts aangelengd en bruikbaar gemaakt, wanneer ze noodig was. Enkele andere artikelen, als beschuit, druiven en chocolade werden bewaard in een soort kast. Maar bij het zien van al die handen, welke zich begeerig naar haar uitstrekten, verloor zuster Saint-François, een korte en gezette vrouw van vijf-en-veertig jaar met een vriendelijk, frisch gezicht, die met de leiding belast was, eenigszins het hoofd. Terwijl zij naar Pierre, die den dokter riep, welke zich met zijn reisapotheek in een ander compartiment van den wagen bevond, luisterde, moest zij met uitdeelen doorgaan. Maar toen de jonge priester haar vertelde van den man, die op sterven lag, liet zij zich vervangen, daar zij zelf den ongelukkige wilde zien.

“O ja, zuster, ik kwam ook nog een kop bouillon voor een zieke halen.”

“Goed, mijnheer de abbé, ik zal hem meenemen. Gaat u maar voor!”

Onder het wisselen van vragen en antwoorden spoedden de twee mannen zich voort, gevolgd door zuster Saint-François, die temidden van de dringende en stootende menschenmassa voorzichtig den kop bouillon droeg. De dokter was een donkere, krachtige, knappe jonge man van nog geen dertig jaar met den kop van een Romeinschen krijger, zooals men die nog aantreft in de door de zon verzengde landen van Provence. Zoodra zuster Hyacinthe hem zag, riep zij in blijde verrassing uit:

“Wat, bent u het, mijnheer Ferrand?”

Beiden waren een oogenblik perplex over die ontmoeting. [40]De zusters van Maria Hemelvaart hadden de zware taak de armen te verplegen, en wel alleen die armen, welke niet betalen kunnen en hun doodsstrijd strijden in dakkamertjes; zoo brengen zij haar geheele leven door met de behoeftigen; zij richten zich huiselijk in bij het armzalige ziekbed in het enge vertrek, bewijzen den zieken de meest intieme diensten, zorgen voor het eten en de huishouding, leven daar als dienstboden en bloedverwanten tot aan het herstel of tot aan den dood. Zoo was op een goeden dag zuster Hyacinthe, nog heel jong toen, met haar frisch, melkblank gezichtje, waarin haar blauwe oogen aan één stuk door lachten, gekomen bij dezen jongen man, die toen nog studeerde en zware typheuse koortsen had; hij was zoo arm, dat hij in de rue du Four op een soort zolder onder de dakpannen woonde, die men alleen met een ladder bereiken kon. Zij had hem niet meer verlaten, had hem met haar hartstocht, om slechts voor anderen te leven, van den dood gered, zij, die als klein kind bij de deur van een kerk gevonden was en geen andere familie had als die der lijdenden, waaraan zij zich wijdde met den vurigen drang om lief te hebben. En welk een heerlijke maand was daarop gevolgd, welk een prachtige kameraadschap in deze reine verbroedering van het lijden! Wanneer hij haar “lieve zuster” noemde, dan was het werkelijk met zijn zuster, dat hij sprak. Zij was tegelijk zijn moeder ook, die hem oprichtte en weer neerlegde als haar kind, zonder dat er een andere band tusschen hen ontstaan was dan het innigste medelijden, de goddelijke liefde der barmhartigheid. Altijd was zij vroolijk, zonder geslachtelijke opwinding, met geen anderen drang dan om leed te verzachten en te troosten; en hij vereerde haar, aanbad haar en had aan haar de reinste en geestdriftigste herinnering bewaard.

“Zuster Hyacinthe! Zuster Hyacinthe!” mompelde hij verrukt.

Een bloot toeval bracht hen weer samen, want Ferrand was geen geloovige; dat hij zich hier bevond kwam, omdat hij op het allerlaatste oogenblik, wel had willen inspringen voor een vriend, die plotseling verhinderd was mede te gaan. Sedert bijna een jaar was hij assistent in de Pitié. Deze reis naar Lourdes onder zoo bijzondere omstandigheden vond hij zeer interessant.

Maar de vreugde van het wederzien deed hem heelemaal den zieke vergeten. Zij dacht er het eerst weer aan.

“Kijk, mijnheer Ferrand, daar hebt u den armen kerel. Wij [41]hebben een oogenblik gedacht, dat hij dood was … Van af Amboise hebben we ons erg ongerust gemaakt en dadelijk bij aankomst hier heb ik om den priester met het Heilige oliesel gestuurd. Vindt u hem ook zoo minnetjes? Kunt u hem niet wat opwekken?”

De jonge dokter was reeds met het onderzoek begonnen; de andere zieken, die in den wagon gebleven waren, keken belangstellend toe. Marie, aan wie zuster Saint-François den kop bouillon gegeven had, hield dien met een zoo beverige hand vast, dat Pierre hem van haar moest overnemen en trachtte haar te laten drinken, maar zij kon den bouillon niet doorkrijgen, haar oogen waren vol angstige verwachting strak gevestigd op dien man, alsof het om haar eigen leven ging.

“Hoe vindt u hem?” vroeg zuster Hyacinthe weer. “Welke ziekte heeft hij?”

“Welke ziekte?” fluisterde Ferrand. “Hij heeft ze allemaal.”

Dan haalde hij een fleschje uit zijn zak en trachtte een paar droppels tusschen de op elkaar geklemde tanden van den zieke te gieten. Deze stootte een zucht uit, lichtte zijn oogleden even op, doch om ze dadelijk weer dicht te laten vallen; dat was alles, geen ander levensteeken gaf hij.

Zuster Hyacinthe, die anders altijd zoo kalm was en nooit haar zelfbeheersching verloor, werd nu ongeduldig.

“Maar dat is verschrikkelijk! En zuster Claire des Anges komt maar niet terug. Ik heb haar toch goed den wagon van pater Massias uitgeduid … Lieve God, wat moeten we doen?”

Zuster Saint-François, die inzag, dat zij zich hier toch niet nuttig maken kon, ging weer naar haar kantinewagen terug, maar eerst vroeg zij nog, of de man misschien niet van honger alleen omkwam; want dat gebeurde meer en zij was alleen maar gekomen om haar voorraden aan te bieden. Toen zij werkelijk wegging, beloofde zij, als zij haar toevallig tegenkwam, zuster Claire des Anges tot spoed te zullen aanzetten; zij was nog geen twintig meter verder of zij draaide zich om en wees met een groot gebaar naar de zuster, die alleen terugkwam.

Uit het portier leunend, riep zuster Hyacinthe haar toe.

“Kom dan toch, kom dan toch … En waar is pater Massias?”

“Die is er niet.”

“Wat, is die er niet?”

“Neen. Het gaf niets al haastte ik me nog zoo, je kunt [42]gewoon niet tusschen al die menschen door. Toen ik bij den wagon kwam, was pater Massias al uitgestapt en had hij ongetwijfeld het station al verlaten.”

Zij vertelde, dat de pater, naar men haar gezegd had een afspraak had met den pastoor van Sainte-Radegonde. Vorige jaren had de nationale bedevaart hier een oponthoud van vier-en-twintig uur: de zieken werden dan in het stedelijk ziekenhuis ondergebracht, terwijl de anderen zich in processie naar Sainte-Radegonde begaven. Maar dit jaar was dit onmogelijk, de trein moest onmiddellijk door; en de pater had zeker nu een onderhoud met den pastoor.

“Ze hebben me beloofd de boodschap, zoodra hij terugkwam, aan hem over te brengen en hem met het Heilig Oliesel hierheen te zenden.”

Het was een ware ramp voor zuster Hyacinthe. Nu de wetenschap niets meer vermocht, zou het Heilig Oliesel misschien den zieke verlichting gegeven hebben. Dat had zij reeds meermalen gezien.

“O, lieve zuster, wat spijt me dat vreeselijk … U weet niet, hoe lief het van u zou zijn, als u zelf ging kijken, of de pater terugkomt, om hem dadelijk hier te brengen.”

“Ik zal het doen, lieve zuster,” antwoordde zuster Claire des Anges gedwee en ging, terwijl zij met de lenigheid van een schim door de menigte gleed, weer met haar ernstig en geheimzinnig uiterlijk weg.

Diep bedroefd, dat hij zuster Hyacinthe het genoegen niet kon doen den man weer tot het bewustzijn terug te roepen, bleef Ferrand den zieke aankijken. En toen hij door een gebaar zijn onmacht te kennen gaf, vroeg zij hem op smeekenden toon:

“Blijf bij mij, mijnheer Ferrand, tot de pater er is … dan zal ik wat rustiger zijn.”

Hij bleef en hielp haar den man, die van de bank dreigde te vallen, weer wat oprichten. Dan nam zij een doek en veegde zijn gezicht af, dat telkens weer met een dik zweet bedekt werd. En het wachten duurde voort te midden van het onbehaaglijk gevoel van hen, die in den wagon gebleven waren, en van de nieuwsgierigheid der menschen, die zich langzamerhand voor den coupé verzamelden.

Een jong meisje baande zich vlug een weg door de menigte, stapte op de treeplank en vroeg aan madame de Jonquière:

“Waar blijft u toch, mama? De dames zitten aan het buffet op u te wachten.”

Het was Raymonde de Jonquière. Wat rijp reeds voor haar [43]vijf-en-twintig jaar, leek zij met haar donkeren tint, haar krachtigen neus, haar grooten mond en haar vol, mollig figuur sprekend op haar moeder.

“Maar je ziet toch, kindlief, dat ik die arme vrouw niet in den steek kan laten.”

Zij wees op la Grivotte, die juist weer in een vreeselijke hoestbui lag te schokken.

“Hoe jammer, mama! Madame Désagneaux en madame Volmar hadden zich juist zooveel van dat déjeunertje met ons vieren voorgesteld!”

“Wat kan ik er aan doen, lieve kind?… Begin maar zonder mij en zeg aan de dames, dat ik zoo gauw als ik kan, komen zal.”

Dan plotseling een inval krijgend:

“Wacht, daar is de dokter! Ik zal zien, of ik hem de zorg van mijn zieke kan overdragen … Ga maar vooruit; ik kom dadelijk. Ik heb zoo’n vreeselijken trek.”

Raymonde ging vlug naar het buffet terug, terwijl madame de Jonquière aan Ferrand vroeg bij haar te komen, om te zien of hij la Grivotte misschien wat verlichting geven kon. Reeds had hij op verzoek van Marthe broeder Isidore, wiens steunen en kreunen maar niet ophield, onderzocht; en weer had hij met een gebaar van wanhoop zijn onmacht te kennen moeten geven. Hij richtte de teringlijdster wat op in de hoop daardoor de hoest wat tot bedaren te brengen, wat inderdaad eenigszins hielp. Vervolgens hielp hij madame de Jonquière de zieke een kalmeerend drankje in te gieten. Mijnheer Sabathier, die langzaam de druiven, welke zijn vrouw voor hem was gaan halen, op zat te eten, vroeg hem zelfs niets, daar hij het antwoord toch vooruit wist en de zaak moe was, nadat hij reeds, zooals hij zich uitdrukte, alle vorsten der wetenschap geraadpleegd had. Maar toch deed het hem goed, toen hij zag, hoe de dokter het arme meisje, wier nabijheid hem hinderde, oprichtte. Ook Marie keek met toenemende belangstelling naar hem, hoewel zij het niet durfde wagen hem voor zich zelf te roepen, zeker als zij was, dat hij haar toch niet helpen kon.

Op het perron werd het gedrang steeds grooter. Men had nog slechts een kwartier. Als ongevoelig, met wijdgeopende oogen, zonder nochtans iets te zien, verdoofde madame Vêtu haar pijnen in de gloeiende hitte der volle zon, terwijl madame Vincent nog steeds met denzelfden sussenden stap met de kleine Rose, licht als een ziek vogeltje, zoodat zij [44]het gewicht niet eens op haar armen voelde, op en neer liep. Vele pelgrims haastten zich naar de fontein, om kannen, kruiken en flesschen te vullen. Madame Maze, die zeer op reinheid en zindelijkheid gesteld was, wilde er haar handen gaan wasschen; toen zij er echter bijkwam, vond zij er Elise Rouquet, die juist bezig was te drinken; verschrikt deinsde zij terug voor dit afschuwlijk wezen, die hondenkop met den uitgevreten bek, die de schuine spleet van haar mond uitstak, waaruit de tong slorpend neerhing; en allen beving met dezelfde huivering, dezelfde aarzeling om hun flesschen, kannen en kruiken te vullen uit dezelfde fontein, waaruit zij gedronken had. Een groot aantal pelgrims liep op het perron te eten. Men hoorde het rhythmische klepperen der krukken van een vrouw, die rusteloos door de verschillende groepen heen en weer liep. Op den grond schoof een man zonder beenen zich in zijn bak met moeite voort, om naar men wist niet wat te zoeken. Anderen zaten dicht bij elkaar op een hoop en bewogen zich niet meer. Het geheele voor een zoo korten tijd uitgestapte leger van zieken, dit rijdende hospitaal, dat voor een half uur ontruimd was, schepte te midden van het drukke, onophoudelijke heen en weer loopen der gezonden, in de volle brandende middagzon versche lucht.

Pierre verliet Marie niet meer, want mijnheer de Guersaint was, aangetrokken door het groene stukje land, dat men aan het einde van het station zag, verdwenen. De jonge priester, die vol bezorgdheid merkte, dat zij den bouillon niet naar binnen krijgen kon, trachtte glimlachend de snoeplust der zieke te prikkelen door haar aan te bieden een perzik voor haar te gaan halen; maar zij weigerde, zij had te veel pijn en nergens trek in. Zij keek hem aan met haar groote, droefgeestige oogen, heen en weer geslingerd tusschen haar ongeduld over dit oponthoud, dat haar mogelijke genezing uitstelde, en haar angst, om straks weer gedurende die eindelooze reis onbarmhartig door elkaar geschud te worden.

Een dikke mijnheer kwam naderbij en tikte Pierre op zijn arm. Hij was al grijs, droeg een vollen baard; zijn breed gezicht had een vaderlijk-bezorgde uitdrukking.

“Pardon, mijnheer de abbé, is er in dezen wagen niet een ongelukkige, die op sterven ligt?”

En toen de geestelijke bevestigend antwoordde, werd hij dadelijk vriendschappelijk en familiaar. [45]

“Ik heet Vigneron en ben sous-chef over het ministerie van Financiën; ik heb een verlof gevraagd, om met mijn vrouw onzen zoon Gustave naar Lourdes te kunnen vergezellen … De arme jongen stelt al zijn hoop in de Heilige Maagd, wie wij dag en nacht voor hem bidden … Wij zitten in den wagon vóór den uwe, waar we een compartiment tweede klasse hebben.”

Dan keerde hij zich om en riep met een handgebaar zijn familie.

“Ja, het is hier. De ongelukkige man is er werkelijk heel slecht aan toe.”

Madame Vigneron was klein, haar gezicht lang en mager en wees op een groote bloedarmoede, die haar zoon Gustave in verschrikkelijke mate van haar scheen geërfd te hebben. De vijftienjarige jongen leek nog geen tien; hij was scheef, mager als een brandhout, door de bloedarmoede was zijn rechterbeen zoo weinig ontwikkeld, dat hij met een kruk loopen moest. Hij had een klein, fijn, eenigszins scheef gezichtje, waarvan men eigenlijk niets anders dan de oogen zag, oogen, waaruit een helder verstand straalde, die door verdriet gescherpt waren en daardoor zeker tot in het diepst der ziel zagen.

Een oude dame met gepoederd gezicht, die zich moeilijk bewoog, volgde hem; en mijnheer Vigneron, die zich nu herinnerde, dat hij haar vergeten had, wendde zich weer tot Pierre om haar voor te stellen.

“Madame Chaise, de oudste zuster van mijne vrouw, die met alle geweld Gustave, van wien zij veel houdt, heeft willen vergezellen.”

En zich over Pierre heen buigend, voegde hij er fluisterend en op vertrouwelijken toon aan toe:

“Madame Chaise, de weduwe van een zijdehandelaar en ontzaglijk rijk. Zij heeft een hartkwaal, waarover zij zich erg ongerust maakt.”

Dicht op elkaar staande, keek de heele familie met groote nieuwsgierigheid naar hetgeen er in den wagon voorviel. Nog steeds meer menschen kwamen erbij, en de vader hield zijn zoon een tijdje in zijn armen, om hem goed te kunnen laten zien, terwijl zijn tante zijn kruk zoo lang vasthield en zijn moeder op haar teenen ging staan.

In den wagon nog steeds hetzelfde schouwspel: de man zat stijf en roerloos in den hoek met zijn hoofd tegen het harde, eikenhouten beschot. Hij was doodelijk bleek, zijn oogen waren gesloten, zijn mond vertrokken door den doodsstrijd, [46]zijn gezicht bedekt met koud zweet, dat zuster Hyacinthe van tijd tot tijd met een doek afveegde; zij sprak niet meer, was niet ongeduldig meer, had haar kalmte teruggekregen, vertrouwend op den hemel, slechts nu en dan een blik over het perron werpend, om te zien, of pater Massias nog niet kwam.

“Kijk goed, Gustave,” zeide mijnheer Vigneron tegen zijn zoon, “dat moet een teringlijder zijn.”

De jongen, die door klieren weggevreten werd, wiens heup reeds door een koud gezwel weggeteerd was en bij wien zich reeds symptomen van beenderversterf der ruggegraat vertoonden, scheen zich hartstochtelijk voor dien doodsstrijd te interesseeren. Hij was niet bang, lachte slechts met een oneindig droef glimlachje.

“Het is vreeselijk!” mompelde madame Chaise, bleek van angst voor den dood in haar voortdurende vrees, dat zij in een plotselingen aanval van hartkramp zou blijven.

“Wat zal ik je zeggen!” zeide mijnheer Vigneron philosophisch. “Ieder krijgt zijn beurt; we zijn allen sterfelijk!”

Het glimlachje van Gustave kreeg een uitdrukking van pijnlijken spot, alsof hij andere woorden gehoord had: de onbewuste wensch, dat de oude tante vóór hem sterven zou, dat hij de vijfhonderd duizend francs, die hem beloofd waren, erven zou en tevens dat hij zelf zijn familie niet langer meer tot last zou zijn.

“Zet hem neer,” zeide madame Vigneron tegen haar man; “je maakt hem zoo moe, als je hem aan zijn beenen vasthoudt.”

Dan zorgde zij er, evenals madame Chaise, zorgvuldig voor, dat het kind geen schok zou krijgen. De arme jongen moest zoo vreeselijk ontzien worden. Iedere minuut waren zij bang hem te zullen verliezen. De vader geloofde, dat het maar het beste zou zijn, als ze weer dadelijk in hun coupé gingen. En toen de twee vrouwen met het kind tusschen zich in weggingen, wendde hij zich vergenoegd tot Pierre en zeide met een diepe ontroering in zijn stem:

“O, mijnheer de abbé, als de goede God hem van ons wegnam, zou ons leven niets meer voor ons te beteekenen hebben. En ik zeg dat niet om het vermogen van zijn tante, dat dan naar andere neven gaan zou. Maar, nietwaar mijnheer de abbé, het zou heelemaal tegen de natuur in zijn, wanneer hij stierf vóór haar, vooral met het oog op haar gezondheid … Maar wat zullen wij er tegen doen, wij zijn allen in de handen der Voorzienigheid en wij vertrouwen op de Heilige Maagd, die zeker alles ten beste keeren zal.” [47]

Eindelijk had madame de Jonquière, door dr. Ferrand gerustgesteld, la Grivotte alleen kunnen laten. Maar voor zij ging, had zij voor alle zekerheid tegen Pierre gezegd:

“Ik sterf van den honger, ik ga even naar het buffet … Maar wilt u mij dadelijk laten roepen, als het hoesten weer begint.”

Toen zij zich met groote moeite een weg gebaand had door de menigte op het perron, kwam zij weer in een nieuw gedrang. De pelgrims, die het betalen konden, hadden zich in een stormaanval van de tafeltjes meester gemaakt, vooral veel priesters liepen af en aan onder het lawaai van vorken, messen en borden. De drie of vier kellners konden onmogelijk voor de bestellingen zorgen, te meer daar een dichte menigte, die zich aan het buffet verdrong, om vruchten, broodjes en koud vleesch te koopen, hun den weg versperde. En daar, achter in de wachtkamer, zat Raymonde met madame Désagneaux en madame Volmar te dejeuneeren.

“Eindelijk, mama!” riep zij. “Ik wou u net weer komen halen. Ze moeten u toch laten eten!”

Zij lachte heel vroolijk, opgewonden als zij was over de reis, over dezen eenvoudigen maaltijd, dien ze haast-je-rep-je gebruiken moesten.

“Kijk, daar hebt u een portie forellen met peterseliesaus, die ik voor u bewaard heb, en daar staat een cotelette op u te wachten … Wij zijn al aan de artisjokken!”

Toen werd het een vroolijk hoekje, waar je met genoegen naar keek.

Vooral de jonge madame Désagneaux was zeer aantrekkelijk, een teere blondine met eigenzinnig, opvliegend, goudblond haar, een rond, melkblond gezichtje met aardige kuiltjes, opgewekt en goedhartig. Rijk getrouwd, liet zij nu al drie jaar achter elkaar midden in de maand Augustus dagen haar man in Trouville om als diacones de nationale bedevaart mede te maken: dat was haar grootste hartstocht, een innig medevoelen, een behoefte om zich gedurende vijf dagen geheel aan de zieken te geven, het was een waar zwelgen in volkomen toewijding, dat haar uitputte en gelukkig maakte tevens. Haar eenige verdriet was, dat zij nog geen kind had, en met een waarlijk komischen ernst gaf zij dikwijls haar spijt te kennen, dat zij haar roeping als pleegzuster miskend had.

“Kom kind!” zeide zij tegen Raymonde; “beklaag je moeder niet, dat zij zoo door haar zieken in beslag genomen wordt. Zij heeft tenminste wat te doen.” [48]

En zich tot madame de Jonquière wendend:

“Als u eens wist, hoe lang ons de uren in onzen mooien eerste-klas-coupé vallen! Je mag zelfs geen klein handwerkje doen, dat is verboden … Ik had gevraagd, mij bij de zieken te plaatsen, doch alles was al vergeven, zoodat ik wel verplicht ben te probeeren vannacht in mijn hoekje te slapen.”

En lachend voegde zij er aan toe:

“Wij zullen wel slapen, niet waar madame Volmar, want het gesprek schijnt u te vermoeien?”

Madame Volmar, een brunette met een lang gezicht en fijne, vermoeide trekken, moest de dertig reeds gepasseerd zijn en had groote, prachtige oogen, die waren als gloeiende kolen, waarover nu en dan een sluier scheen te komen, die ze als het ware schenen uit te dooven. Zij was niet mooi bij den eersten aanblik; hoe langer men haar echter aankeek, des te bekoorlijker, overwinnender en begeerlijker zij werd. Verder trachtte zij zoo min mogelijk in het oog te vallen, zich op den achtergrond te houden, ging steeds in het zwart gekleed en droeg nooit sieraden, hoewel zij de vrouw van een handelaar in diamanten en parelen was.

“O,” mompelde zij, “als ik maar niet te veel door elkaar geschud word, ben ik al tevreden.”

Zij was reeds tweemaal als helpster mee naar Lourdes geweest, maar men zag haar daar bijna nooit in het Hôpital de Notre-Dame des Douleurs, daar zij dadelijk na haar aankomst door zoo’n moeheid overvallen werd, dat zij, naar zij beweerde, genoodzaakt was haar kamer te houden.

Madame de Jonquière, de directrice der zaal, was zeer welwillend voor haar.

“Jullie hebt nu goed den tijd om uit te rusten. Slaapt maar goed, als je kunt, want, wanneer ik het niet meer volhouden kan, komen jullie aan de beurt.”

Dan richtte zij zich tot haar dochter:

“En jij, lieve kind, moet je niet te veel opwinden, als je je hoofd niet verliezen wilt.”

Maar Raymonde keek haar verwijtend aan en zeide glimlachend:

“Waarom zegt u dat, moeder?… Ben ik soms niet verstandig?”

Zij behoefde zich volstrekt nergens op te beroemen, want een krachtige wil en het vaste besluit zelf haar leven in te richten, spraken duidelijk uit haar grijze oogen, haar geheele jonge, onbezorgde wezen, dat één levensvreugde was. [49]

“Het is zoo,” moest de moeder eenigszins verlegen bekennen; het kind is soms verstandiger dan ik … Nou, geef me de côtelette maar even aan, die zal smaken. Lieve hemel, wat heb ik een honger!”

Opgevroolijkt door het voortdurende lachen van madame Désagneaux en Raymonde, dejeuneerde zij verder. Deze laatste leefde weer geheel op en haar gezicht, dat door het wachten op een huwelijk reeds eenigszins verlept was, kreeg den rosen tint van haar twintigste jaar terug. Ze namen nu dubbel groote happen, want ze hadden nog maar een tien minuten. In de geheele zaal heerschte nog een grooter lawaai dan zooeven, want men was bang geen tijd meer te zullen hebben voor de koffie.

Maar Pierre kwam: la Grivotte had weer een benauwende hoestbui gekregen; madame de Jonquière at gauw haar artisjok en ging dan naar haar wagon terug, na eerst haar dochter, die haar op gekscherenden toon goeden nacht wenschte, een zoen te hebben gegeven. Intusschen had de priester bij het zien van madame Volmar met het roode kruis der Hospitalité over haar zwarten corsage, een gebaar van verbazing niet kunnen onderdrukken. Hij kende haar, want hij bracht, al was het zelden, toch nog steeds nu en dan een bezoek aan de oude madame Volmar, de moeder van den diamanthandelaar, een oude vriendin van zijn eigen moeder; het was een verschrikkelijke vrouw, overdreven vroom en zoo streng, dat zij de jaloezieën gesloten hield, om haar schoondochter toch maar niet op straat te laten kijken. Hij kende de geschiedenis: sedert den dag van haar huwelijk leefde de jonge vrouw als een gevangene tusschen haar schoonmoeder, die haar tyranniseerde, en haar man, een afzichtelijk leelijk monster, die haar in zijn krankzinnige jaloerschheid zelfs sloeg, ofschoon hij zelf verscheidene meisjes mainteneerde. Zij lieten haar geen oogenblik uitgaan, dan om de mis bij te wonen. Pierre zelf had haar op een zekeren dag bij de Drievuldigheidskerk verrast, toen hij haar vlug enkele woorden had zien wisselen met een correct gekleed, gedistingeerd heer: de onvermijdelijke en zoo vergeeflijke val, de misstap in de armen van een vriend, die het geheim bewaarde, de verborgen en verterende hartstocht, dien men niet bevredigen kan en die toch zoo vreeselijk in je brandt, de afspraken, die men zoo moeilijk houden kan, dat men dikwijls weken lang wachten moet, en waarvan men, in een plotselinge opvlamming van begeerte, gulzig geniet. [50]

Verlegen stak zij hem haar kleine, smalle, klamme hand toe.

“Hoe toevallig, mijnheer de abbé … Wat is het lang geleden, dat we elkaar gezien hebben!”

Zij vertelde hem, dat dit nu al het derde jaar was, dat zij naar Lourdes ging: haar schoonmoeder had haar gedwongen zich bij de Association de Notre-Dame de Salut aan te sluiten.

“Wonderlijk, dat u ze niet op het station gezien hebt. Ze brengt me naar den trein en komt me weer halen ook.”

Zij zeide het zeer eenvoudig, maar met zoo’n scherpe ironie, dat Pierre er het zijne van dacht. Hij wist, dat zij aan niets geloofde en slechts naar de kerk ging, om zich op die wijze van tijd tot tijd een vrij uur te verzekeren; en plotseling kreeg hij de ingeving, dat in Lourdes iemand op haar wachtte, dat zij met haar bescheiden en vurige manier van doen, met haar vlammende oogen, die zij onder den sluier van onverschilligheid verborg, haar hartstocht tegemoet snelde.

“Ik,” zeide hij op zijn beurt, “ik ben met een vriendin uit mijn jeugd, een arm ziek meisje … Ik beveel haar in uw zorgen aan, u moet haar verplegen …”

Toen bloosde zij even, en hij twijfelde niet langer. Raymonde keek de rekening na met de zelfverzekerheid van iemand, die met getallen om kan gaan; madame Désagneaux nam madame Volmar mede, de kellners verloren hun hoofd nog meer, de tafeltjes werden verlaten, allen stormden naar buiten, toen ze een bel hoorden gaan.

Ook Pierre haastte zich naar zijn wagon terug, toen hij weer staande gehouden werd.

“O, mijnheer de pastoor!” riep hij uit; “ik heb u bij het vertrek gezien, maar het was te laat, om u nog de hand te komen drukken.”

En hij stak de zijne uit naar den ouden priester, die hem glimlachend aankeek. Abbé Judaine was pastoor te Saligny, een kleine parochie in het departement Oise. Groot en krachtig van gestalte, had hij een breed, rood, door grijze haren omlokt gezicht; men voelde dadelijk, dat het een heilig man was, die nooit door zijn vleesch of door zijn verstand gekweld werd. Vroom als hij was, geloofde hij onvoorwaardelijk, zonder eenigen strijd, met het makkelijke geloof van een kind, dat nog geen hartstocht kent. Sedert de Heilige Maagd hem te Lourdes door een wonder, waarover men nu nog sprak, van een oogziekte genezen had, was zijn geloof nog blinder, nog inniger geworden, als ware het gedrenkt in dankbaarheid aan God. [51]

“Ik ben blij, dat ik je bij ons zie, vriendlief,” zeide hij zacht, “want jonge priesters kunnen op zoo’n bedevaart heel wat leeren … Men heeft mij verzekerd, dat er onder hen nog al een geest van verzet heerscht. Nu, je zult al die arme drommels zien bidden; het is iets, dat je niet met droge oogen zult kunnen aanschouwen … En hoe is het mogelijk, dat men zich niet overgeeft aan God bij het zien van zooveel genezen of toch minstens verzacht lijden?”

Ook hij begeleidde een zieke. Hij wees hem een coupé eerste klasse, waaraan een kaart met de woorden: “Abbé Judaine, gereserveerd” bevestigd was. En fluisterend ging hij voort:

“Het is madame Dieulafay, je weet wel, de vrouw van den grooten bankier. Hun kasteel, een koninklijk domeingoed, behoort tot mijn parochie; en toen zij hoorde, dat de Heilige Maagd mij zoo’n buitengewone genade bewezen had, hebben zij mij gesmeekt de voorspraak van die arme vrouw te zijn. Ik heb al heel wat missen gelezen, en vurige geloften voor haar afgelegd … Kijk, daar is zij. Zij heeft met alle geweld er een oogenblik uit willen komen, ook al zal het straks weer veel moeite kosten, haar in de coupé te krijgen.”

Inderdaad lag op een schaduwrijk plekje van het perron in een soort rustbed een vrouw, wier knap, zuiver ovaal gezicht met prachtige oogen op een leeftijd van hoogstens zes-en-twintig wees. Zij was door een verschrikkelijke ziekte aangetast; het verdwijnen van de kalkhoudende zouten, wat een langzame verweeking en verwoesting van het beenderenstelsel ten gevolge had. Twee jaar geleden reeds, toen zij van een levenloos kind bevallen was, had zij pijn gevoeld in de wervelkolom. Langzamerhand waren de beenderen dunner geworden en van vorm veranderd, de wervelkolom werd krom, de beenderen van het bekken plat, terwijl die der beenen en armen verschrompelden; op die wijze was zij als het ware kleiner geworden, samengesmolten tot een armzalig stukje mensch, een fluïde, naamloos ding, dat men niet rechtop kan zetten, dat men met de grootste voorzichtigheid verplaatsen moest uit vrees, dat men het tusschen zijn vingers zou zien wegvloeien. Het hoofd, dat roerloos en met een stompzinnige, wezenlooze uitdrukking op het kussen lag, had zijn vroegere schoonheid behouden. Maar wat het hart, bij het zien van dat jammerlijk restje vrouw, nog meer toekneep, dat was de groote luxe, die haar omringde: het met blauwe zijde gecapitonneerde rustbed, de [52]kostbare kanten, waarmede zij bedekt was, het kapje van Valenciennes-kant, dat zij droeg: een rijkdom, die zelfs nog in den doodsstrijd ten toon gespreid werd.

“Hoe treurig,” begon abbé Judaine weer fluisterend, “te moeten denken, dat zij nog zoo jong, zoo mooi, zoo schatrijk is. En als je eens wist, met hoeveel liefde zij nog omringd wordt … Die lange mijnheer naast haar is haar man, en die elegante dame daar haar zuster, madame Jousseur.”

Pierre herinnerde zich in de courant dikwijls den naam van madame Jousseur gezien te hebben, de vrouw van een diplomaat, die een voorname rol speelde in de hooge Katholieke kringen van Parijs. Zelfs had het verhaal van een hevigen, bestreden en overwonnen hartstocht de rondte gedaan. Zij was heel knap, uiterst eenvoudig gekleed en één en al toewijding voor haar arme zuster. De echtgenoot, die op vijf-en-dertigjarigen leeftijd het groote bankierskantoor van zijn vader geërfd had, was een knappe, uiterst correct gekleede man; maar in zijn oogen stonden tranen, want hij aanbad zijn vrouw; hij had zijn zaken in den steek gelaten, daar hij er op gestaan had zijn vrouw naar Lourdes te vergezellen; zijn laatste hoop was gevestigd op die aanroeping, der goddelijke barmhartigheid.

Pierre had zeker sedert het begin van den dag in dien aan smarten rijken, witten trein heel wat ontzettend lijden gezien, maar niets had zijn ziel zoo aangegrepen als dit jammerlijk vrouwenskelet, dat te midden van haar kant en van haar millioenen, zich als in een vloeistof oploste.

“De ongelukkige!” prevelde hij huiverend.

“De Maagd zal haar genezen, ik heb er zoo om gesmeekt!” antwoordde abbé Judaine vol oprecht gemeend vertrouwen.

Doch weer ging de bel, en ditmaal was het het teeken voor vertrek. Men had nog twee minuten. Een laatste dringen en duwen begon: menschen kwamen terug met in papier gewikkeld eten, met flesschen en kruiken, die zij in de fontein gevuld hadden. Velen liepen angstig heen en weer, konden hun wagon niet meer vinden, vlogen wanhopig van den eenen coupé naar den anderen, terwijl de zieken zich onder het rhythmisch klipklappen der krukken vlugger voortbewogen, en anderen, die moeilijk liepen, aan den arm van diakonessen hun pas trachtten te versnellen. Vier mannen hadden groote moeite om madame Dieulafay in haar coupé eerste klasse te krijgen. De Vignerons, die het niet beneden zich achtten tweede klasse te reizen, hadden zich reeds weer [53]geïnstalleerd tusschen een groote menigte manden, kisten en koffers, die den armen Gustave nauwlijks veroorloofd hadden zijn arme, rudimentaire beenen uit te strekken. Dan kwamen zij allen weer terug: madame Maze sloop op haar stille manier den wagon binnen; madame Vincent lichtte haar dochtertje voorzichtig in de hoogte, steeds bang, dat zij zou gaan huilen; madame Vêtu moest binnengesleept worden, nadat men haar uit de verdooving van haar pijnen gewekt had; Elise Rouquet, die zich bij het gulzige drinken heelemaal nat gemaakt had en nog bezig was haar afzichtelijk gezicht af te vegen. En terwijl iedereen zijn plaats innam en de wagon weer vol werd, luisterde Marie naar haar vader, die verrukt was, dat hij tot aan het einde van het station gegaan was, tot het huisje van een wisselwachter, vanwaar men een mooi uitzicht op een werkelijk aardig landschap had.

“Willen we je dadelijk weer neerleggen?” vroeg Pierre, wanhopig over het angstige gezicht van de zieke.

“O neen, neen, strakjes!” antwoordde zij. “Ik heb nog tijd genoeg om die wielen in mijn hoofd te hooren ratelen, alsof zij mijn beenderen vermorzelen!”

Zuster Hyacinthe had Ferrand gesmeekt nog eens naar den man te kijken, vóór hij naar den kantinewagen ging. Verbaasd over het uitblijven van pater Massias, wachtte zij nog steeds op hem; zij was echter niet wanhopig, want zuster Claire des Anges was nog niet teruggekomen.

“Mijnheer Ferrand, zeg eens eerlijk of de ongelukkige werkelijk in onmiddellijk gevaar verkeert.”

Weer keek de jonge dokter hem aan, beluisterde en beklopte hem. Dan zeide hij met een wanhopig gebaar:

“Het is mijn vaste overtuiging, dat u hem niet levend naar Lourdes krijgen kunt.”

Men rekte angstig de halzen uit. Als ze nu nog maar wisten, hoe de man heette, waar hij vandaan kwam, wie hij was. Maar niemand kende den ongelukkige, uit wien men geen woord los kon krijgen, en die daar in den wagon zou sterven.

Toen kwam zuster Hyacinthe op het denkbeeld hem te fouilleeren. Daar kon onder de gegeven omstandigheden geen kwaad in steken.

“Mijnheer Ferrand, kijk eens in zijn zakken!”

Voorzichtig fouilleerde hij den man. Maar hij vond in de zakken niets dan een rozenkrans, een mes en drie sous. Nooit zou men iets meer van hem weten. [54]

Daar riep iemand, dat zuster Claire des Anges en pater Massias kwamen. Deze laatste had in een wachtkamer zijn tijd verpraat met den pastoor van Sainte-Radegonde. Er ontstond een levendige ontroering, alles zou misschien nog terecht komen. Maar de trein stond op het punt te vertrekken, de conducteurs sloten de portieren reeds, het Laatste Oliesel moest inderhaast worden toegediend, als men niet een te lange vertraging wilde veroorzaken.

“Hier, eerwaarde vader!” riep zuster Hyacinthe. “Ja, ja, stap u in, de ongelukkige zieke ligt hier.”

Pater Massias, die, ofschoon vijf jaar ouder dan Pierre, tegelijk met dezen op het seminarie geweest was, had een groot, mager lichaam met het gezicht van een asceet, dat door een blonde baard omgeven was en waarin schitterende oogen fonkelden. Hij was noch de door twijfel gekwelde priester noch de priester met het blind geloof van een kind, maar een apostel vol gloeiende geestdrift, steeds gereed om voor den onbevlekten roem der Heilige Maagd te strijden en te overwinnen. Onder de zwarte pelerine met den grooten kap straalde hij van dien blijvenden strijdlust.

Onmiddellijk had hij het zilveren doosje met het Heilige Oliesel gehaald. En de plechtige handeling begon onder het toeslaan der laatste portieren en het haastige toesnellen der pelgrims, die zich verlaat hadden, terwijl de stationschef met onrustige blikken naar de stationsklok keek, daar hij wel inzag, dat hij nog eenige minuten zou moeten toestaan.

Credo in unum Deum2…” mompelde de pater vlug.

“Amen,” vielen zuster Hyacinthe en de geheele wagon in.

Degenen, die ertoe in staat geweest waren, lagen op de banken neergeknield. De anderen vouwden hun handen, maakten herhaaldelijk het teeken des kruises, en toen op het prevelen der gebeden de litanieën van het rituaal volgden, verhieven zich de stemmen, rees met het Kyrie Eleison3 een vurige smeekbede op voor de vergeving der zonden en de lichamelijke en geestelijke genezing van den man. Dat geheel zijn leven, dat men niet kende, hem vergeven mocht worden en hij, onbekend en triompheerend, ingaan mocht in het koninkrijk Gods!

Christe, exaudi nos.4 [55]

Ora pro nobis, sancta Dei Genitrix.5

Pater Massias had de zilveren naald, waaraan een droppel gewijde olie trilde, genomen. Bij de drukte en het wachten van den geheelen trein, waardoor de pelgrims hun hoofd uit de portieren staken, kon de geestelijke er niet aan denken de zalving, zooals die gewoonlijk geschiedde, te verrichten op de diverse zintuigsorganen, de poorten, die de zonde binnenlieten. Zooals het voorschrift voor dringende gevallen toestond, moest hij zich tevreden stellen met één zalving; hij verrichtte die op den mond, op dien bleeken, half geopenden mond, waaruit nog nauwlijks één ademtochtje kwam, terwijl het gezicht met de gesloten oogen reeds geheel verstijfd, tot het stof der aarde teruggekeerd scheen te zijn.

Per istam sanctam unctionem, et suam piissimam misericordiam, indulgeat tibi Dominus quidquid per visum, auditum, odoratum, gustum, tactum, deliquisti.6

Het slot der plechtigheid ging in het lawaai van het vertrek verloren. De pater had nog nauwlijks tijd den droppel af te wisschen met het watje, dat zuster Hyacinthe voor hem gereed hield. Hij moest den wagon verlaten en zich naar den zijne haasten, terwijl de anderen het slotgebed uitspraken.

“Wij kunnen onmogelijk langer wachten!” herhaalde de stationschef in groote opwinding. “Opschieten!”

Eindelijk kon men vertrekken. Iedereen had zijn plaats ingenomen. Madame de Jonquière, die zich over den toestand van la Grivotte nog even ongerust maakte, was dichter bij haar gaan zitten tegenover mijnheer Sabathier, die berustend en zwijgend wachtte. Zuster Hyacinthe was niet in haar compartiment teruggekomen; zij wilde bij den man blijven, te meer daar zij dan ook tegelijk voor broeder Isidore kon zorgen, aan wien Marthe geen verlichting meer geven kon. Marie, bleek wordend, voelde reeds in haar lichaam de schokken van den trein, nog vóór deze onder de loodzwaar drukkende hitte zijn vaart opnieuw begonnen was met zijn lading zieken in de benauwende en verpestende atmospheer der over-verhitte wagons.

Een lang-aangehouden gefluit weerklonk, de locomotief begon te puffen, en zuster Hyacinthe stond op om te zeggen:

“Het Magnificat, kinderen!” [56]

[Inhoud]

IV.

Toen de trein zich in beweging zette, ging het portier nogmaals open en duwde een conducteur een meisje van veertien jaar in het compartiment, waarin Marie en Pierre waren.

“Daar is nog een plaats. Schiet op!”

Reeds werden de gezichten langer, wilde men protesteeren. Maar zuster Hyacinthe riep uit:

“Wat ben jij het, Sophie. Ga je weer de Heilige Maagd bezoeken, die je verleden jaar genezen heeft?”

En madame de Jonquière zeide tegelijk:

“Dat is heel goed van je, beste Sophie, om dankbaar te zijn!”

“Zeker, lieve zuster; zeker, madame!” antwoordde het meisje vriendelijk.

Trouwens het portier was reeds gesloten en zij moesten dus deze nieuwe bedevaartgangster, die als uit den hemel gevallen was op het oogenblik, dat de trein, dien zij bijna gemist had, vertrok, wel aanvaarden. Zij was mager bovendien en zou dus niet veel plaats innemen. En dan kenden de dames haar; de oogen van alle zieken richtten zich op haar, toen zij hoorden, dat zij genezen was. Maar ze waren het station uit; de locomotief pufte in het steeds luider wordende geratel der wielen, en zuster Hyacinthe herhaalde, in haar handen klappend:

“Vooruit, vooruit, kinderen, het Magnificat!”

Terwijl de jubelzang te midden der schokken opsteeg, keek Pierre naar de kleine Sophie. Het was een boerinnetje, het dochtertje van een armen landbouwer uit de omstreken van Poitiers, dat haar ouders bedierven en als een jongejuffrouw behandelden, sedert zij door een wonder begenadigd, een uitverkorene was, die de geestelijken van het heele arrondissement kwamen bezoeken. Zij had een stroohoed met rose linten, een japonnetje van grijze wol, gegarneerd met een volant. Haar rond gezichtje was niet mooi, maar vriendelijk en frisch en werd opgevroolijkt door een paar heldere, sluwe oogen, die haar iets glimlachends en bescheidens gaven.

Toen het Magnificat uitgezongen was, kon Pierre geen weerstand bieden aan zijn verlangen Sophie te ondervragen. Een kind van dien leeftijd, dat er zoo oprecht uitzag en geen leugenaarster scheen te zijn, interesseerde hem ten zeerste. [57]

“Je hadt bijna den trein gemist, niet lieve kind?”

“O, mijnheer de abbé, dat zou verschrikkelijk geweest zijn. Ik was gisteren al aan het station. Toen zag ik mijnheer den pastoor van Sainte-Radegonde, die mij heel goed kent, en mij riep, om me een zoen te geven; hij zeide, dat het heel lief van me was weer naar Lourdes te gaan … Toen ging ineens de trein weg, ik had nog net den tijd, om hard te loopen … He, wat heb ik gevlogen!”

Zij lachte, nog een beetje buiten adem, en het speet haar tegelijk ook, dat zij uit onbedachtzaamheid bijna een zonde begaan had.

“En hoe heet je, kindlief?”

“Sophie Couteau, mijnheer de abbé.”

“Je bent toch niet uit Poitiers zelf?”

“O, neen … wij zijn uit Vivonne, zeven kilometer van Poitiers. Mijn vader en mijn moeder hebben daar een klein boerderijtje, en het zou ons zoo slecht niet gaan, als we niet met ons achten thuis waren. Ik ben de vijfde. Gelukkig, dat de vier oudsten langzamerhand kunnen gaan medewerken.”

“En wat doe jij, kind?”

“Ik ben niet van heel veel nut, mijnheer de abbé … Sedert ik verleden jaar genezen thuis gekomen ben, heeft men mij geen oogenblik met rust gelaten, omdat ze, zooals u begrijpen kunt, naar mij zijn komen kijken; ook hebben ze mij meegenomen naar monseigneur en naar de kloosters en zoo wat overal naar toe … En voor dien tijd ben ik lang ziek geweest; ik kon niet loopen zonder stok, en bij iederen stap, dien ik deed, gilde ik het uit van de pijn aan mijn voet.”

“Dus heeft de Heilige Maagd je van die pijn aan je voet genezen?”

Sophie kreeg geen gelegenheid om te antwoorden. Zuster Hyacinthe, die naar het verhaal geluisterd had, mengde zich in het gesprek.

“Ja, van een beeneter in de linkerhiel, die al drie jaar oud was. De voet was opgezwollen en misvormd, terwijl er zich ook fistels gevormd hadden, die steeds door etterden.”

Plotseling waren alle zieken in den wagon één en al belangstelling. Zij hadden geen blik af van het wondermeisje, zij zochten in haar het mirakel. Zij, die staan konden, stonden op, om haar beter te kunnen zien; de anderen, de zieken, die op hun matrassen lagen, trachtten zich op te richten. In hun lijden, dat hen, angstig als zij opzagen tegen de vijftien uur, die zij nog hadden te rijden, bij het vertrek uit Poitiers [58]opnieuw aangegrepen had, was de plotselinge komst van dit, door den hemel uitverkoren kind als een goddelijke troost, als een straal van hoop, waaruit zij de kracht zouden putten om de reis moedig vol te houden. Reeds hield het jammeren wat op, kwam er in de vurige begeerte om te gelooven, een ontspanning op aller gelaat.

Marie vooral was als door nieuwe krachten bezield; half opzittend vouwde zij haar bevende handen en vroeg fluisterend aan Pierre:

“Vraag haar meer, laat haar alles vertellen … Genezen, goede God! Genezen van een zoo afschuwlijke kwaal!”

Ontroerd had madame de Jonquière zich over het beschot gebogen, om het kind een zoen te geven.

“Zeker, ons klein vriendinnetje zal ons alles zeggen … Niet waar, schat, je wilt ons toch wel vertellen, wat de Heilige Maagd voor je gedaan heeft.”

“Natuurlijk, madame … Zooveel als u zelf maar wilt!”

Zij glimlachte vriendelijk en bescheiden, terwijl uit haar stralende oogen een helder verstand sprak. Onmiddellijk wilde zij reeds beginnen, stak haar rechterhand in de hoogte met een lief gebaar, dat aandacht scheen te vragen. Blijkbaar was zij er al heelemaal aan gewend in het openbaar te spreken.

Maar men kon haar niet overal in den wagon zien, waarom zuster Hyacinthe op het denkbeeld kwam te zeggen:

“Ga op de bank staan, Sophie, en spreek een beetje hard, anders kunnen ze je met dat lawaai niet verstaan.”

Daar had de kleine veel schik in; zij moest eerst weer ernstig worden, voor zij beginnen kon.

“Nu dan, mijn voet was zoo ziek, dat ik niet eens meer naar de kerk kon gaan, en ik moest hem altijd in een verband hebben, omdat er iets, dat minder frisch was, uit vloeide … Dokter Rivoire, die erin gesneden had, om beter te kunnen zien wat het was, zeide, dat hij genoodzaakt zou zijn een stuk van het been weg te nemen, waardoor ik heelemaal kreupel geworden zou zijn … En toen heb ik de Heilige Maagd vurig gebeden en heb ik mijn voet in het water gestoken met zoo’n innig verlangen om beter te worden, dat ik zelfs den tijd niet genomen heb, om het verband eraf te doen … En toen is alles in het water gebleven, mijn voet had niets meer, toen ik hem eruit haalde.”

Een gemompel van verrassing, verwondering en begeerte ontstond en plantte zich bij dit prachtige wonderverhaal, dat den wanhopigen zoo zoet in de ooren klonk, voort. Maar [59]de kleine was nog niet klaar. Zij wachtte even en begon dan weer, nadat zij met een nieuw gebaar stilte verzocht had.

“Toen dokter Rivoire te Vivonne mijn voet weer zag, zeide hij: “Of het de goede God of de duivel is, die dit kind genezen heeft, laat mij koud, maar genezen is zij.””

Ditmaal volgde er gelach op haar woorden. Zij declameerde te veel, daar zij het verhaal al zoo dikwijls gedaan had, dat zij het uit haar hoofd leerde. De woorden van den dokter misten hun uitwerking nooit; zij lachte, zeker als zij was, dat de anderen ook lachen zouden, er bij voorbaat zelf al om. Maar toch bleef zij naïef en ontroerend.

Toch scheen zij een bijzonderheid vergeten te hebben, want zuster Hyacinthe, die met een blik de toehoorders op het woord van den dokter opmerkzaam gemaakt had, fluisterde haar zachtjes in:

“En wat je tegen de gravin, de directrice van de zaal, gezegd hebt, Sophie?”

“O ja, dat is waar ook! Ik had niet veel linnen voor mijn voet meegebracht en toen heb ik tegen haar gezegd: “De Heilige Maagd is wel goed geweest, om mij dadelijk den eersten dag te genezen, want morgen zou mijn voorraad al op geweest zijn.””

Weer volgde een blij gelach. Men vond haar zoo schattig, dat zij op die manier genezen was! Op een vraag van madame de Jonquière moest zij nog het verhaal doen van de schoenen, mooie, splinternieuwe schoenen, die mevrouw de gravin haar gegeven had en waarin zij, in haar zalige verrukking, dadelijk geloopen, gesprongen en gedanst had. Stel je voor, schoenen, zij, die in geen drie jaar een pantoffel aan had kunnen hebben!

Pierre, van wien zich een onbehaaglijk gevoel meester gemaakt had, was ernstig geworden en bleef haar aankijken. Hij deed haar nog een paar andere vragen. Het kind loog beslist niet, doch wel vermoedde hij, dat zij langzamerhand de waarheid een beetje gewijzigd had, een zeer begrijpelijke opsiering bij haar vreugde, dat zij genezen en daardoor een persoon van gewicht geworden was. Wie kon nu met zekerheid zeggen, of er voor het volkomen toetrekken van de wond, wat volgens haar beweren in enkele seconden geschied was, niet dagen noodig geweest waren. Waar waren de getuigen?

“Ik was erbij,” vertelde juist madame de Jonquière. “Zij behoorde niet tot mijn zaal, maar ik had haar dien ochtend nog gezien; zij hinkte …” [60]

“Ah! Hebt u haar voet vóór en na de indompeling gezien?”

“Neen, dat niet, ik geloof niet, dat iemand dien heeft kunnen zien, want hij was heelemaal in verband … Zij heeft u toch zelf verteld, dat het verband in het water gevallen is.”

En zich tot het meisje wendend:

“Maar zij zal u haar voet laten zien, niet waar, Sophie?… Trek je laars uit.”

Sophie maakte haar schoen reeds los en trok haar kous uit met een handigheid en een gemak, die duidelijk bewezen, hoe gewend zij al was dat te doen. Zij stak haar heel zindelijken, blanken, ja zelfs gesoigneerden voet met de roze, zorgvuldig geknipte nagels uit en draaide hem met een zeker welbehagen om, opdat de jonge priester hem makkelijk zou kunnen onderzoeken. Boven den enkel was een groot litteeken, welks witachtige, duidelijk zichtbare naad heel duidelijk bewees, hoe ernstig de ziekte geweest was.

“O, mijnheer de abbé, u kunt den hiel gerust in uw handen nemen en er met alle kracht op drukken: ik voel niets meer!”

Pierre maakte een gebaar met zijn hand, waaruit men zou kunnen opmaken, dat hij verrukt was over de macht der Heilige Maagd. Maar twijfel bleef hem kwellen. Welke onbekende kracht was hier werkzaam geweest? Of liever, welke verkeerde geneeskundige diagnose, welke samenloop van dwalingen en overdrijvingen hadden tot dit mooie sprookje geleid?

Maar de zieken wilden allen den wondervoet zien, dit zichtbaar bewijs van goddelijke genezing, die zij allen gingen zoeken. Marie, die nu geheel rechtop zat en al minder pijn voelde, raakte hem het eerst aan. Dan gaf madame Maze, uit haar melancholie weggerukt, hem over aan madame Vincent, die hem had willen kussen voor de hoop, die hij haar teruggaf. Mijnheer Sabathier had met een van geluk stralend gezicht geluisterd; madame Vêtu, la Grivotte, ja zelfs broeder Isidore sloegen hun oogen weer open en toonden belangstelling; het gezicht van Elise Roquet had door haar geloof en vertrouwen een wonderbare verandering ondergaan, was bijna mooi geworden: wanneer een wond zoo verdwenen was, zou dan haar wond zich ook niet sluiten, zou haar gezicht dan ook niet een klein litteeken behouden en niet als het gezicht van alle menschen worden? Sophie, nog steeds op de bank staande, moest zich aan een der ijzeren stangen vasthouden en haar voet op den rand van het beschot leggen, nu rechts, dan links; zij werd niet [61]moede, integendeel zij was blij en trotsch over de uitroepen, die zij hoorde, over de sidderende bewondering, over den vromen eerbied, dien men bewees aan dat kleine stukje van haar persoon, aan dien kleinen voet, welke nu als gewijd en heilig was.

“Er is ongetwijfeld een groot geloof voor noodig,” dacht Marie hardop; “je moet er een volkomen reine ziel voor hebben …”

En zich tot mijnheer de Guersaint wendend:

“Vader, ik voel, dat ik genezen zou, als ik tien jaar was, als ik de volkomen reine ziel van een klein meisje had.”

“Maar je bent tien jaar, lieveling. Zeg zelf eens, Pierre, kunnen meisjes van tien jaar een reinere ziel hebben dan zij?”

Hij met zijn levendige verbeeldingskracht en zijn phantastischen geest, was dol op die wonderverhalen. En de priester, diep bewogen door de innige reinheid van het jonge meisje, ging er niet verder op in, liet haar zich geheel overgeven aan den ademtocht van de troostrijke illusie, die door den wagon ging.

Sedert het vertrek uit Poitiers was de temperatuur nog drukkender geworden; een onweer kwam op aan den koperkleurigen hemel; het was alsof de trein door een hoogoven reed. Droefgeestig en als uitgestorven onder de brandende zon, snelden de dorpen voorbij. Te Couhé-Verac werd de rozenkrans weer gebeden en een lied gezongen. Maar de geestelijke oefeningen verslapten eenigszins. Zuster Hyacinthe, die nog niet ontbeten had, was er eindelijk toe gekomen gauw een stukje brood en een paar vruchten te eten, zonder echter op te houden te letten op den man, wiens moeilijke ademhaling de laatste oogenblikken iets regelmatiger scheen te worden. En eerst te Ruffec, dat men om drie uur passeerde, werden de avondmetten van de Heilige Maagd gebeden.

Ora pro nobis, sancta Dei Genitrix.

Ut digni efficiamur promissionibus Christi7.

Toen het gebed geëindigd was, zeide mijnheer Sabathier, die naar de kleine Sophie gekeken had, toen zij haar schoenen en kousen weer aantrok, tegen mijnheer de Guersaint:

“Het geval van dit kind is buiten eenigen twijfel zeer interessant. Maar het is eigenlijk nog niets, er zijn nog veel [62]sterker gevallen … Kent u het verhaal van Pierre de Rudder, een Belgisch werkman?”

Allen waren weer gaan zitten om te luisteren.

“Die man had door een val zijn been gebroken. Na acht jaar waren de twee deelen van het been nog niet samengegroeid; je zag de beide einden diep in een open, steeds etterende wonde; het been hing slap en krachteloos en kon in alle richtingen gedraaid en gekeerd worden … Welnu, bij hem was het voldoende om een glas van het wonderdoende water te drinken en zijn been was plotseling genezen. Hij kon weer zonder krukken loopen en de dokter heeft tegen hem gezegd: “Je been is als dat van een pasgeboren kind!” Precies! Een heel nieuw been!”

Niemand sprak een woord; er werden slechts blikken van verrukking gewisseld.

“En zoo,” ging mijnheer Sabathier voort, “zoo is het ook met het verhaal van Louis Rouriette, een steenhouwer, een der eerste wonderen van Lourdes. Kennen jullie het niet?… Hij was bij een mijnontploffing gewond. Zijn rechteroog was heelemaal verloren, terwijl het linker ook die kans liep … Welnu, op een goeden dag laat hij zijn dochter een flesch van het modderige water uit de bron, die toen nog nauwlijks sprong, halen. Met dat modderige water waschte hij zijn oog en bad daarbij vurig. Hij stiet een gil uit, hij zag, mijnheer, hij zag even goed als u en ik … De dokter, die hem behandelde, heeft er een zeer uitvoerige verhandeling over geschreven, er is geen twijfel mogelijk.”

“Het is wonderbaar,” mompelde mijnheer de Guersaint in extase.

“Wilt u nog een ander voorbeeld, mijnheer? Ik bedoel dat heel bekende van François Macary, den schrijnwerker uit Lavaur. Achttien jaar lang had hij in het binnengedeelte van zijn linkerbeen een diep aderspatachtig gezwel met een belangrijke verstopping van het cellenweefsel. Hij kon zich niet meer bewegen, de wetenschap had hem geheel en al opgegeven … Daar sluit hij zich op een goeden avond op met een flesch water uit Lourdes. Hij neemt het verband weg, wascht zijn beide beenen en drinkt de rest van de flesch leeg. Dan gaat hij naar bed en valt in slaap; en wanneer hij wakker wordt, bevoelt hij zich, kijkt: niets meer! De aderspat, de gezwellen, alles verdwenen … De huid van de knie was zoo zacht en frisch geworden, als zij met twintig jaar zijn moet.” [63]

Ditmaal volgde er een uitbarsting van verbazing en bewondering. De zieken en de pelgrims betraden het tooverland van het wonder, waar het onmogelijke bij iedere kromming van den weg zich voltrekt, waar men van wonder tot wonder schrijdt. En ieder van hen had een geschiedenis te vertellen, brandde van verlangen zijn bewijs te geven, zijn hoop te rechtvaardigen door een voorbeeld.

Madame Maze, die tot nog toe geen woord gezegd had, geraakte zoo in geestdrift, dat zij het eerst vertelde.

“Ik heb een vriendin, die de weduwe Rezan gekend heeft, de vrouw, wier genezing indertijd zooveel opzien gewekt heeft … Sedert vier-en-twintig jaar was haar geheele linkerzijde verlamd. Alles wat zij at, gaf zij weer terug, zij was niet veel meer dan een levenlooze massa, die je in haar bed omkeeren moest, en langzamerhand had het wrijven van de lakens haar huid afgescheurd … Op een avond zeide de dokter, dat zij den volgenden ochtend niet meer halen zou. Twee uur later ontwaakt zij uit haar verdooving en vraagt zij met een zwakke stem aan haar dochter, voor haar een glas water uit Lourdes bij een buurvrouw te gaan halen. Maar eerst den volgenden ochtend kon zij het krijgen en riep: “Lief kind, ik drink het leven! Wasch mijn gezicht, mijn arm, mijn been, mijn heele lichaam!” En naar mate het kind dat deed, zag zij de groote gezwellen slinken, de verlamde ledematen hun lenigheid en hun natuurlijk aanzien terugkrijgen … Dat is echter niet alles: madame Rezan riep, dat zij genezen was, dat zij honger had, dat zij brood en vleesch wilde, zij, die in geen vier-en-twintig jaar gegeten had. En zij stond op en kleedde zich aan, terwijl haar dochter aan de buurvrouwen, die, toen zij haar zoo van streek zagen, dachten, dat zij een wees was, riep: “Neen, neen, moeder is niet dood, moeder is weer opgestaan!””

Tranen waren madame Vincent in de oogen gekomen. Lieve God! Als zij ook Rose zoo kon zien opstaan en eten en loopen! Een ander geval van een jong meisje, dat zij te Parijs gehoord had en dat veel bijgedragen had tot haar besluit, om met de kleine zieke naar Lourdes te gaan, kwam weer bij haar op.

“Ik ken ook de geschiedenis van een verlamde, Lucie Druon, die in een weeshuis was en zelfs in haar jeugd al niet meer kon knielen. Haar ledematen waren tot hoepels vergroeid; haar rechterbeen was veel korter en had zich ten slotte over het linker gerold; en wanneer een van haar vriendinnetjes [64]haar droeg, zag men haar voeten als dood in de lucht slingeren … En het mooie van het geval is, dat zij niet eens naar Lourdes geweest is. Zij heeft alleen een novene8 gehouden; maar zij heeft gedurende die negen dagen gevast en haar begeerte om beter te worden was zoo vurig, dat zij zelfs de nachten in gebed doorbracht … Toen zij eindelijk den negenden dag een weinig water uit Lourdes dronk, voelde zij eensklaps in haar beenen een hevigen schok. Zij stond op, viel neer, stond weer op en liep. Al haar vriendinnetjes riepen verbaasd, verschrikt bijna: “Lucie loopt! Lucie loopt!” En het was waar, haar beenen waren in enkele seconden recht, gezond en sterk geworden. Zij ging de binnenplaats over, toen naar de kapel, waar de geheele gemeente in dankbare geestdrift het Magnificat zong … Het lieve kind, wat zal zij gelukkig geweest zijn!”

Nu stroomden de tranen van haar wangen op het bleeke gezicht van haar dochtertje, dat zij met hartstochtelijke kussen bedekte.

De geestdrift nam nog steeds toe, de verrukte vreugde over deze mooie verhalen, waarin de hemel telkens weer over de menschelijke realiteit triompheerde, bracht die kinderzielen in zulk een extase, dat zelfs de ergste zieken zich op hun beurt oprichtten, om wat te vertellen. En achter ieder verhaal verborg zich het voortdurend bezig zijn met zijn eigen kwaal, het vertrouwen, dat die genezen zou, omdat een dergelijke ziekte door den goddelijken adem als een booze droom verdreven was.

“O,” stamelde madame Vêtu met een van pijn vertrokken mond; “er was er een, Antoinette Thardivail, wier maag evenals de mijne door kanker weggevreten werd. Je zoudt gedacht hebben, dat honden haar wegvraten en soms werd zij nog dikker dan een kinderhoofd. Gezwellen zoo groot als kippeneieren groeiden er in, zoodat zij acht maanden lang bloed gespuwd had … Zij was, omdat zij niets meer eten kon, gewoon vel over been, en zij was op het punt te sterven, toen zij water uit Lourdes dronk en zich daarmede de maagholte liet wasschen. Drie minuten later vond de dokter, die haar den vorigen avond stervend en bijna geen adem meer halend verlaten had, haar bij het vuur zitten, juist toen zij zich trakteerde op een malsch kippenvleugeltje. [65]Zij had geen gezwellen meer, zij lachte als op haar twintigste jaar, haar gezicht had weer den stralenden glans der jeugd … O, te kunnen eten waar je trek in hebt, weer jong te worden en geen pijn meer!”

“En de genezing van zuster Julienne dan!” zeide la Grivotte, die zich op haar elleboog had opgericht en wier oogen gloeiden van koorts. “Net als bij mij was het bij haar met een zware kou begonnen; daarna is zij begonnen bloed te spuwen. Ieder half jaar stortte zij weer in en moest zij het bed houden. De laatste maal was het heel duidelijk te zien, dat zij niet meer op zou staan. Tevergeefs had zij allerlei middelen geprobeerd: jodium, trekpleisters, brandpiqures enz. Kort en goed, een echte teringlijdster, zooals trouwens zes doktoren verklaard hadden … Enfin, zij komt te Lourdes, maar God weet onder welke pijnen! Te Toulouse dacht men een oogenblik, dat zij sterven zou. De zusters droegen haar in haar armen. Bij den vijver wilden de dames der Hospitalité haar niet baden. Het was een doode … Maar ten slotte hebben zij haar toch uitgekleed en haar bewusteloos en met zweet bedekt ondergedompeld; zij haalden er haar zoo bleek uit, dat men haar dadelijk op den grond legde, zoo vast was men er van overtuigd, dat het nu werkelijk met haar gedaan was. Plotseling kwam er een kleur op haar wangen, haar oogen gingen open en zij haalde krachtig adem. Zij was genezen, zij heeft zich alleen aangekleed, en, na in de Grot de Heilige Maagd gedankt te hebben, flink gegeten. Nu, dat was toch een teringlijdster, en toch in een handomdraaien radicaal genezen!”

Toen wilde broeder Isidore wat vertellen, maar hij kon niet; met de grootste moeite zeide hij tegen zijn zuster:

“Marthe, vertel jij het verhaal van zuster Dorothée eens, dat de pastoor van Saint-Sauveur ons gedaan heeft.”

“Zuster Dorothée,” begon de boerin verlegen, “stond op een ochtend met een gezwollen been op; van af dat oogenblik kon zij het been, dat koud en zwaar als een steen werd, niet meer gebruiken. Bovendien had zij vreeselijke pijnen in haar rug. De dokters begrepen er niets van. Zij heeft er wel een stuk of zes om raad gevraagd, die met naalden diep in haar vleesch prikten en haar allerlei geneesmiddelen gaven. Maar zij hadden net zoo goed niets kunnen doen … Zuster Dorothée begreep heel goed, dat alleen de Heilige Maagd haar zou kunnen genezen, en dus gaat zij naar Lourdes en laat zich in den vijver onderdompelen. Eerst dacht zij te [66]zullen sterven, zoo koud was het. Doch toen werd het zoo zacht, dat zij het lauwwarm begon te vinden en lekker als melk. Nooit had zij zoo iets heerlijks gevoeld; haar aderen gingen open en het water stroomde erin. U begrijpt, het leven keerde in haar terug van af het oogenblik, dat de Heilige Maagd zich over haar erbarmde … Zij had in het geheel geen pijn meer, wandelde, at ’s avonds een heele duif en sliep den heelen nacht als een roos. Lof aan de Heilige Maagd! Eeuwige dankbaarheid aan de machtige Moeder en haar goddelijken Zoon!”

Ook Elise Roquet had graag een wonder, dat zij kende, verteld, maar met haar misvormden mond sprak zij zoo slecht, dat zij nog niet aan de beurt had kunnen komen. Er volgde nu echter een stilte, waarvan zij gebruik maakte; zij schoof den sluier, die haar afzichtelijke wond verborg, wat ter zijde:

“O, wat ik weet is niet zoo zeer een ernstige ziekte, maar het is zoo grappig … Het betreft een zekere Célestine Dubois, die bij het inzeepen van de wasch een naald in haar hand gekregen had. Zeven jaar had zij dat ding er al in, geen dokter kon het eruit krijgen. Haar hand was heelemaal samengetrokken, zoodat zij die niet meer open kon maken … Zij gaat naar Lourdes en steekt haar hand in het water. Maar gillend trekt zij die er dadelijk weer uit. Met geweld doet men er die hand weer in, houdt die erin, terwijl zij maar blijft gillen en met zweet overdekt is. Driemaal dompelt men haar erin, en iederen keer zíet men de naald zich voortbewegen, tot hij door den duim naar buiten komt … Dat zij zoo gilde, kwam natuurlijk omdat die naald door het vleesch wandelde, alsof iemand eraan getrokken had, om hem eruit te halen … Célestine heeft nooit pijn meer gehad, alleen bleef er aan haar hand een klein litteeken, alleen om het werk der Heilige Maagd te kunnen laten zien.”

Deze anecdote had nog meer uitwerking dan de wonderen der groote genezingen. Een naald, die wandelde, alsof iemand hem voortgeduwd had. Dat bevolkte het onzienlijke, bewees, dat iedere zieke zijn eigen schutsengel achter zich had, bereid hem op een teeken des hemels te helpen. En dan, hoe aardig en kinderlijk was het, die naald, die, na zeven jaar te zijn blijven zitten, in het wonderwater wegging. En allen lachten van pleizier, straalden van geluk, dat voor den hemel niets onmogelijk was, dat zij allen, wanneer de hemel het wilde, weer gezond, jong en krachtig zouden worden. Geloof en vurige gebeden waren voldoende om de natuur het zwijgen [67]op te leggen en het ongelooflijke werkelijkheid te doen worden. Ten slotte hing het dus eigenlijk van het geluk af, want de hemel scheen te kiezen.

“O, vader, wat is dat alles mooi!” fluisterde Marie, die tot nog toe stom van aandoening geluisterd had. “Herinnert u zich nog, wat u mij zelf verteld hebt van die Joachine Dehaut, die uit België gekomen was en met haar lam en met zweren bedekt been, dat zoo kwalijk riekte, dat niemand het uithouden kon, heel Frankrijk doorgeloopen had … Eerst werden de zweren genezen: je kon in haar knie knijpen, zonder dat ze iets voelde, er bleef alleen maar een roode vlek achter. Dan kwam de ontwrichting aan de beurt. In het water gilde zij, het scheen haar toe, alsof men haar beenderen brak, haar been afrukte; en te zelfder tijd zagen zij en de vrouw, die haar baadde, den misvormden voet zich weer recht uitstrekken met de regelmaat van een wijzer, die over een wijzerplaat loopt. Het been stond weer goed, de spieren ontspanden zich, de knie strekte zich weer, en dat alles onder zoo hevige pijnen, dat Joachine in zwijm gevallen was. Maar toen zij weer tot zichzelf kwam, sprong zij recht en flink op, om haar krukken naar de Grot te brengen.”

Ook mijnheer de Guersaint lachte verrukt over het wonder en bevestigde met een gebaar dit verhaal, dat hij van een pater van Maria Hemelvaart had gehoord. Hij zou, zeide hij, twintig dergelijke gevallen, het een al treffender en wonderbaarlijker dan het andere, kunnen vertellen. Hij riep daarbij Pierre tot getuige, en deze, die niet geloofde, schudde alleen maar zijn hoofd. In den beginne had hij, daar hij Marie geen verdriet wilde doen, getracht afleiding te zoeken door te kijken naar de landerijen, de boomen en de huizen, die voorbij vlogen. Zij waren nu Angoulême voorbij, weiden en lange rijen populieren gleden in razende vaart langs hem heen. Ongetwijfeld had men geen vertraging, want de trein, die met volle stoom reed, verslond onder het onweer in den in vuur staanden hemel den eenen kilometer na den anderen. En ondanks zichzelf hoorde Pierre telkens brokstukken van een verhaal en interesseerde hij zich voor die extravagante geschiedenissen, die de harde schokken der wielen in slaap wiegden, alsof de locomotief, aan zichzelf overgelaten, hen allen gevoerd had naar het goddelijke land der droomen. Ze rolden voort, rolden steeds maar voort, en ten slotte keek hij niet meer naar buiten, maar gaf hij zich geheel over aan den invloed van de zware, slaapwekkende [68]atmosfeer in den wagon, waarin de extase, die ver weg was van de werkelijke wereld, die zij in zoo snelle vaart doorijlden, steeds grooter werd. Het met nieuw leven bezielde gezicht van Marie vervulde hem met groote vreugde. Hij liet zijn hand, die zij genomen had, om hem door een innigen druk al het vertrouwen, dat in haar herleefde, te zeggen, in de hare. Waarom zou hij, die toch haar genezing wilde, haar ontmoedigd hebben door zijn twijfel? Dan hield hij met eindelooze liefde de kleine klamme ziekenhand in de zijne; vervuld met broederlijk medelijden, wilde hij aan erbarming, aan een hoogere genade, die den radeloozen smarten bespaart, gelooven.

“O Pierre,” herhaalde zij, “wat is het mooi! En welk een glorie, als de Heilige Maagd zich verwaardigt zich over mij te ontfermen … Geloof je heusch, dat ik dat waardig ben?”

“Zeker,” riep hij uit, “jij bent de beste en de reinste, een sneeuwwitte ziel, zooals je vader daareven ook zeide, er zijn in het paradijs geen goede engelen genoeg, om je als eerewacht te dienen.”

Maar de verhalen waren nog niet ten einde. Zuster Hyacinthe en madame de Jonquière vertelden nu al de wonderen, die zij kenden, de lange reeks wonderen, die sedert meer dan dertig jaar te Lourdes opbloeiden als de ononderbroken rijkdom van rozen aan den mystieken rozenstruik. Men telde ze bij duizenden en ieder jaar ontloken er nieuwe in het weelderige groen van een wonderbaarlijken wasdom. De zieken, die in een toenemende koortsachtige opwinding naar die wonderen luisterden, waren de kleine kinderen, die, na het hooren van een mooi sprookje, er nog een willen, en nog een en nog een. Ja, nog meer, steeds meer verhalen, waarin de booze werkelijkheid bespot, de onrechtvaardige natuur afgeranseld wordt, waarin de goede God optreedt als de laatste en grootste genezer, die lacht om de wetenschap en naar zijn willekeur geluk geeft.

Eerst waren het de dooven en stommen, die weer hoorden en spraken: Aurélie Bruneau, die, daar haar trommelvlies gescheurd was, ongeneeslijk was, en plotseling verrukt werd door de hemelsche klanken van een harmonium; Louise Pourchet, die na vijf-en-twintig jaar stom geweest te zijn, plotseling, terwijl zij vóór de Grot bidt, uitroept: “Wees gegroet, Maria!”; en anderen, honderden anderen, die radicaal genezen werden, allen door een paar druppels water in hun oor of op hun tong te druppelen. Dan kwamen de blinden: [69]pater Hermann, die voelde, hoe de zachte hand der Heilige Maagd den sluier, dien hij voor zijn oogen had, wegnam; mademoiselle de Pontbriant, die beide oogen zoo goed als verloren had en die, ten gevolge van een eenvoudig gebed een beter gezichtsvermogen dan ooit krijgt; een ander nog, een jongen van tien jaar, wiens pupillen op marmeren knikkers geleken, en die in drie seconden weer heldere en diepe oogen kreeg, waarin de engelen schenen te glimlachen. Maar het meest kwamen toch lammen voor, de ongelukkigen, die het gebruik van hun beide beenen moesten missen en op hun ziekbed lagen, en tegen wie de Heer zeide: “Sta op en wandel!” Delaunoy, kreupel, geschroeid, gebrand, vijftien maal opgenomen in de Parijsche hospitalen, waaruit hij de overeenstemmende diagnosen van twaalf doktoren medebrengt, voelt, wanneer het Heilige Sacrament voorbijgedragen wordt, een kracht in zich, die hem opricht, en begint met gezonde beenen de processie te volgen. De veertienjarige Marie-Louise Delpon, wier verlamming haar beenen stijf gemaakt, haar handen krampachtig samengetrokken, haar mond misvormd had, ziet haar ledematen zich ontspannen, de misvorming van haar mond verdwijnen, alsof een onzichtbare hand de verschrikkelijke banden, die haar misvormden, doorsneed. Marie Vachier, die zeventien jaar lang door paraplegie9 aan haar fauteuil gekluisterd, loopt en springt niet alleen, als zij uit den vijver komt, maar ziet zelfs geen spoor meer van de wonden, waarmede haar lichaam door het lange, onbeweeglijke liggen overdekt was. Georges Hanquet, die aan ruggemergverweeking leed en totaal gevoelloos was, wordt plotseling van een met den dood worstelende een gezond man. Léonie Charton, die aan dezelfde ziekte leed en wier wervels een grooten vooruitspringenden hoek vormden, voelt de verlamming van haar ruggegraat als bij tooverslag verdwijnen, terwijl haar beenen, nieuwe en krachtige beenen, zich weer recht strekken.

Dan kwamen nog allerlei andere kwalen aan de beurt. In de eerste plaats ziekten van klierachtigen aard, waarbij eveneens beenen, die hun dienst geweigerd hadden, tot nieuw leven gewekt worden. Marguérite Géhier, die zeventien jaar lang aan heupjicht geleden had, wier heup door de ziekte geheel was weggevreten en wier rechterknie verlamd was, valt plotseling op haar knieën, om de Heilige Maagd voor [70]haar genezing te danken; Philomène Simonneau, een jong meisje uit de Vendée, wier linkerbeen drie verschrikkelijke open wonden had, waarin de aangevreten beenderen, die bloot lagen, splinters lieten vallen, zag plotseling haar beenderen, haar vleesch en haar huid als nieuw worden. Dan volgden de waterzuchtigen: madame Ancelin, wier voeten, handen en heele lichaam plotseling geslonken waren, zonder dat men wist waarheen dit water weggevloeid was; mademoiselle Montagnon, wie men meermalen twee-en-twintig liter water had afgetapt, en die, toen zij opnieuw opgezwollen was, weer slonk, door het aanbrengen van een in de wonderbron nat gemaakt compres, zonder dat men in het bed of op den grond water terugvond. Eveneens houdt geen enkele maagziekte stand, alle verdwijnen bij het eerste glas. Zoo kreeg Marie Souchet, die zwart bloed spuwde en die zoo uitteerde, dat zij ten slotte niet meer dan een geraamte was, in twee dagen haar vorig gewicht terug. Marie Jarland, die door het bij vergissing drinken van loog haar maag verbrand had, voelde de tumoren, die daar het gevolg van geweest waren, verdwijnen. Trouwens de grootste tumoren gaan in den vijver weg, zonder het minste spoor achter te laten. Maar wat nog wonderbaarlijker is: zweren, kankergezwellen, de meest afzichtelijke wonden worden door een ademtocht van boven genezen. Een Jood, een tooneelspeler, wiens hand door een zweer weggevreten werd, behoefde die slechts in het water te steken, om genezen te worden. Een jonge, schatrijke vreemdeling, aan wiens rechter polsgewricht zich een lupus, zoo groot als een kippenei, gevormd had, zag die verdwijnen. Rose Duval, die ten gevolge van een etterbuil in haar linkerelleboog een groot gat had, waarin men een noot kon leggen, zag het nieuwe vleesch, dat die wond heelde, aangroeien. De weduwe Fromond, wier lip half weggevreten was door een kankergezwel, behoefde zich slechts te laten afwasschen, en er was zelfs geen naad van het litteeken te zien. Marie Moreau, die vreeselijk leed door borstkanker, ging, nadat zij op de wond een in Lourdes-water gedrenkt compres gelegd had, slapen; en toen zij twee uur later wakker werd, was de pijn verdwenen, de wond toegetrokken.

Ten slotte vertelde zuster Hyacinthe de radicale genezingen van tering. Dat zette de kroon op het werk. De vreeselijke ziekte, die verwoestingen aanrichtte onder de menschheid, die de ongeloovigen de Heilige Maagd tartten [71]om te genezen, genas zij toch, zeide men, door één enkele beweging van haar pink. Honderden gevallen, het eene al wonderbaarlijker dan het andere, volgden elkaar op. Marguerite Coupel, die drie jaar aan tering leed, en wier longtoppen door de tuberkels waren weggevreten, staat op en gaat, stralend van gezondheid, weg. Madame de la Rivière, die bloed spuwt, steeds met koud zweet overdekt is, en wier nagels reeds een blauwe kleur aangenomen hebben, behoeft, wanneer zij op het punt staat haar laatsten adem uit te blazen, slechts een lepel vol water, dat men haar tusschen de tanden giet, te drinken, en onmiddellijk houdt het rochelen op; zij gaat zitten, bidt de litanieën mede en vraagt om bouillon. Julie Jadot had vier lepels noodig, maar zij kon haar hoofd ook niet meer recht houden, terwijl zij bovendien zoo’n zwak gestel had, dat de ziekte haar opgelost scheen te hebben; binnen enkele dagen was zij heel dik. Anna Catry, die tering in den ergsten graad had en wier linkerlong reeds half weggeteerd was, wordt, tegen alle regelen der kunst in, vijfmaal ondergedompeld in het koude water, en zij is genezen, de long weer gezond. Een andere, een jonge teringlijdster, die door vijftien geneesheeren was opgegeven, was toevallig in de Grot neergeknield en ten hoogste verbaasd zoo door een gelukkig toeval genezen te zijn; zij was ongetwijfeld juist gekomen op het oogenblik, dat de Heilige Maagd in haar erbarming het wonder uit hare onzichtbare handen vallen laat.

Wonderen, wonderen, steeds meer! Als droombloemen regenen zij uit een helderen, zachten hemel. Er waren er treffende, er waren er kinderlijke onder. Een oude vrouw, die haar verlamde hand in geen dertig jaar had kunnen bewegen, wascht zich en maakte het teeken des kruises. Zuster Sophie, die blafte als een hond, springt in het water en komt er uit, terwijl zij met een heldere stem een loflied zingt. Mustapha, een Turk, roept de Witte Vrouw aan en krijgt het gebruik van zijn linkeroog terug door er een compres op te leggen. Een officier der Turco’s werd bij Sedan beschermd, een kurassier uit Reichshoffen zou gesneuveld zijn door een kogel in zijn hart, als die kogel, welke zijn portefeuille reeds doorboord had, niet afgestuit was op een beeltenis van Notre-Dame de Lourdes. En de kinderen, de arme kleinen, die lijden, vinden ook genade in haar oogen; een jongetje van vijf jaar, dat lam was, werd ontkleed en vijf minuten onder den kouden straal der fontein [72]gehouden; hij staat op en loopt; een ander van vijftien jaar, die in zijn bed slechts dierlijke kreten uitstiet, springt uit den vijver en roept uit, dat hij genezen is; nog een ander van twee jaar, die nog nooit geloopen had, bleef een kwartier in het koude water, en doet dan vroolijk en glimlachend zijn eerste stappen. En allen, zoowel de grooten als de kleinen, leden hevige pijnen, terwijl het wonder zich voltrok, want het herstel kan niet geschieden zonder een geweldigen schok van de geheele menschelijke machine: de beenderen vernieuwden zich, het vleesch groeide aan, de kwaal werd in een laatste stuiptrekking uitgedreven. Maar welk een gevoel van welbehagen daarna! De geneesheeren geloofden hun oogen niet, de verwondering werd bij iedere genezing grooter, wanneer zij hun zieken zagen loopen, en met een waren geeuwhonger eten. Al die uitverkoren, al die genezen vrouwen liepen drie kilometer ver, zetten zich voor een kip aan tafel en sliepen dan twaalf uur aan één stuk door. Van een gewoon herstel geen sprake; het was een plotselinge sprong van den doodsstrijd in de volle gezondheid met nieuw gevormde ledematen, dichtgetrokken wonden, op hun plaats teruggebrachte organen, en dat alles met de snelheid van een bliksemstraal. Met de wetenschap werd gelachen, men nam zelfs de meest eenvoudige voorzichtigheidsmaatregelen niet in acht: vrouwen baadden in ieder gedeelte der maand, teringlijders werden, al waren zij met zweet bedekt, ondergedompeld in het ijskoude water, wonden liet men gewoon veretteren zonder eenige antiseptische behandeling. En welk een jubelgezang steeg op bij ieder wonder, welke kreten van dankbaarheid en liefde! De door het wonder geredde valt op haar knieën, alle omstanders weenen, bekeeringen vinden plaats, protestanten en joden omhelzen het Katholicisme, als nieuwe wonderen van het geloof, waarbij de hemel triompheert. De inwoners van het dorp wachtten in menigte de door het wonder geredde bij haar terugkomst op, terwijl de klokken haar jubeltoon doen hooren; en wanneer men haar lenig uit het rijtuig ziet springen, klinken luide vreugdekreten en vreugdesnikken, wordt het Magnificat aangeheven. Eer aan de Heilige Maagd! Eeuwige dankbaarheid en liefde aan de Moeder Gods!

Want van al die verwezenlijkte verwachtingen, van al die vurige dankzeggingen was de dankbaarheid jegens de zeer kuische Moeder, de bewonderenswaardige Moeder het voornaamste. Zij was de groote hartstocht van alle zieken, de [73]genadige Maagd, de Spiegel der rechtvaardigheid, de Troon der wijsheid. Aller handen strekten zich uit naar haar, de mystieke Roos in de schaduw der kapellen, den ivoren Toren aan den horizont der droom, de Poort des hemels, die uitkomt in de eeuwigheid. Van af het aanbreken van iederen nieuwen dag straalt zij, als de heldere Ster van den morgen, blijde door jonge hoop. En is zij niet de Gezondheid der zieken, de Toevlucht der zondaren, de Troosteresse der bedroefden? Frankrijk was steeds haar lievelingsland geweest, waar men haar vurig vereerde als vrouw en moeder en zij zich zoo gaarne openbaarde aan jonge herderinnetjes. Zij was zoo lief voor de kleinen! Zij hield zich voortdurend met hen bezig, men wendde zich daarom zoo graag tot haar, omdat men wist, dat zij de bemiddelaarster tusschen hemel en aarde was. Iederen avond weende zij gouden tranen voor de voeten van haar goddelijken Zoon, om van hem genade te verwerven; dat waren de wonderen, die Hij haar toestond te wrochten, dat mooie, in bloei staande veld van wonderen, welriekend als de rozen van het paradijs, zoo heerlijk van kleurenpracht en geur.

De trein rolde voort. Ze waren nu—het was zes uur—Coutras voorbij. Zuster Hyacinthe stond op, klapte in de handen en riep:

“Het Angelus, kinderen!”

Nooit waren de Ave’s in een vuriger geloof, dat nog aangewakkerd werd door de brandende begeerte om door den hemel vertroost te worden, opgestegen. En toen kreeg Pierre plotseling het ware inzicht in deze bedevaarten, in deze treinen, die door de geheele wereld rolden, in al die samenstroomende menschenmassa’s, in Lourdes, dat daar in de verte straalde als het heil voor lichaam en ziel. O, de jammerlijke ongelukkigen, die hij nu sedert van ochtend zag reutelen en steunen van pijn, hun armzalige lichamen zag blootstellen aan de vermoeienis van zoo’n reis. Zij waren allen veroordeeld en opgegeven door de wetenschap, waren het moede nog langer geneesheeren te raadplegen en zich te laten kwellen door niets uitwerkende geneesmiddelen! En hoe begrijpelijk was het, dat zij in hun vurige begeerte om nog verder te leven en zich niet kunnende onderwerpen aan de onrechtvaardige en voor hun lijden onverschillige natuur, zich overgaven aan den droom van een bovenaardsche macht, van een almachtige godheid, die misschien in hun belang de vastgestelde wetten zou opheffen, den loop der [74]sterren veranderen, terugkomen op zijn schepping. Hadden zij dan God niet, wanneer de aarde hen in den steek liet? De werkelijkheid was voor hen te vreeselijk, een oneindig verlangen naar illusie en leugen werd in hen wakker. O, te kunnen gelooven, dat er ergens een opperste gerechtsheer is, die de ongerechtigheden van menschen en dingen herstelt; te kunnen gelooven, dat er een verlosser bestaat, een trooster, die de heer en meester is, die de stroomen naar hun bron kan doen terugvloeien, jeugd kan teruggeven aan grijsaards, dooden kan opwekken! Te kunnen gelooven, wanneer je overdekt bent met wonden, je beenen verlamd zijn, je buik opgezwollen van tumoren, je longen door tuberkels weggevreten zijn, dan te kunnen gelooven, dat dat er niet op aan komt, dat dat alles kan verdwijnen en opnieuw ontstaan kan op een teeken der Heilige Maagd, en dat het voldoende is te bidden, haar te ontroeren, om van haar de genade te verkrijgen uitverkoren te worden. En dan, welk een hemelsche springbron van heerlijke verwachtingen, wanneer de wonderbare stroom begint te vloeien van die prachtige genezingsverhalen, van die bekoorlijke feeënsprookjes, die de koortsachtig opgewonden verbeeldingskracht van zieken en zwakken in slaap wiegen en bedwelmen. Hoe begreep men, sedert de kleine Sophie Couteau met haar blank, genezen voetje in dien wagon gekomen was en den grenzenloozen hemel van het goddelijke en bovennatuurlijke geopend had, hoe begreep men nu den ademtocht van wonderbare opstanding, die langzamerhand de meest radeloozen van hun jammerbed oprichtte, aller oogen deed stralen, daar het leven voor hen nog mogelijk was en zij het misschien opnieuw zouden beginnen!

Ja, zoo was het. Dat deze jammervolle trein voortrolde, steeds voortrolde, dat deze wagon vol was, dat de andere vol waren; dat Frankrijk en de wereld, van uit de verste hoeken der aarde, door dergelijke treinen doorstoomd werd; dat scharen van driehonderd duizend geloovigen, duizenden zieken met zich voerend, het eene jaar in, het andere uit zich in beweging zetten; dat alles geschiedde, omdat daar in de verte de Grot in haar glorie straalde als een vuurtoren van hoop en illusie, als de opstand en de triomf van het onmogelijk geachte over de onverbiddelijke materie. Nooit was een meer passionneerende roman geschreven om de zieken te verheffen boven den harden en wreeden levensstrijd. Dien droom te droomen was het groote, onuitsprekelijke [75]geluk. De paters van Maria Hemelvaart hadden slechts daarom jaarlijks het succes van hun bedevaarten grooter zien worden, omdat zij aan de toegestroomde volkeren troost en leugen verkochten, dat heerlijke brood der hoop, waarnaar de lijdende menschheid eeuwig hongert, een honger, dien nooit iets stillen kan. En niet alleen de lichamelijke wonden, die om genezing riepen, neen het geheele moreele en intellectueele zijn schreeuwde zijn leed uit in een onverzadigbare dorst naar genezing. Gelukkig zijn, de zekerheid van zijn leven stellen in het geloof, tot aan zijn dood steunen op dien krachtigen en betrouwbaren reisstaf, dat was de wensch, die uit aller harten opsteeg, die alle moreele smarten deed nederknielen in een smeeken om voortzetting der genade, om bekeering der dierbaren, om het geestelijk heil van zichzelf en van hen, die men liefheeft. De luide kreet plantte zich voort, rees op, vulde de ruimte: gelukkig zijn voor eeuwig, in het leven en in den dood.

En Pierre had wel gezien, hoe al die lijdenden, die hem omringden, het schokken van de wielen niet meer voelden, hun krachten terugvonden bij iederen verslonden kilometer, die hen dichter bij het wonder bracht. Madame Maze zelfs werd spraakzaam in de zekerheid, dat de Heilige Maagd haar haar man zou teruggeven. Madame Vincent wiegde glimlachend de kleine Rose, die zij heel wat minder ziek vond dan die half doode kinderen, welke men in het ijskoude water dompelde en die dan speelden. Mijnheer Sabathier schertste met mijnheer de Guersaint en zeide, dat hij in October, wanneer hij zijn beenen weer zou kunnen gebruiken, naar Rome zou gaan, een reis, die hij al vijftien jaar uitgesteld had. Madame Vêtu, die eveneens kalmer geworden was, ook al deed haar maag nog wat pijn, dacht, dat zij honger had en vroeg aan madame de Jonquière een paar beschuitjes voor haar in een glas melk te doopen, terwijl Elise Rouquet, haar open wond vergetend, haar sluier weggeslagen had en een tros druiven at. La Grivotte, die op was gaan zitten, en broeder Isidore, die niet langer kreunde, waren ten gevolge van die mooie verhalen nog zoo opgewonden, dat zij in hun ongeduldig verlangen naar genezing zich over ieder uur uitstel ongerust maakten. Zelfs de onbekende keerde, al was het dan ook maar voor één minuut, tot het leven terug. Toen zuster Hyacinthe weer eens het koude zweet van zijn voorhoofd veegde, sloeg hij zijn oogen op, terwijl een glimlach zijn gelaat deed oplichten. Nog eenmaal had hij gehoopt. [76]

Marie hield nog steeds in haar kleine klamme hand de hand van Pierre. Het was zeven uur, eerst om half acht zouden ze in Bordeaux zijn; en de trein, die te laat was, verhaastte, om de verloren minuten in te halen, meer en meer zijn vaart in een dolzinnige snelheid. Het onweer had uitgewoed, een zuivere, reine koelheid viel uit den wijden, helderen hemel.

“O, Pierre, wat is het mooi, wat is het mooi,” herhaalde Marie weer, terwijl zij vol teederheid en liefde zijn hand drukte.

En zich naar hem vooroverbuigend, fluisterde zij:

“Pierre, ik heb daareven de Heilige Maagd gezien en toen heb ik jouw genezing gevraagd en verkregen.”

De priester begreep haar en geraakte geheel van streek door de oogen vol goddelijk licht, die zij op de zijne richtte. Zij had zichzelf vergeten, zij had zijn bekeering gevraagd, en dit gebed om geloof, dat zoo rein uit dit lijdende en hem zoo dierbare wezen opgestegen was, roerde hem tot in het diepst van zijn ziel. De verstikkende hitte van den wagon had hem verdoofd, het zien van die daarin opgehoopte ellende deed zijn medelijdend hart bloeden. En de besmetting liet haar werking gevoelen; hij wist niet meer, waar het werkelijke en het mogelijke ophielden, was niet in staat te midden van die opeenhooping van verbijsterende feiten, de ware keuze te doen, sommige te verklaren, andere te verwerpen. Een oogenblik, juist toen weer een gezang hemelwaarts steeg, sleepte zijn obsessie hem mede, hij behoorde zichzelf niet meer toe, verbeeldde zich, in de duizelingwekkende vaart van dit onder vollen stoom rollende, steeds voortrollende hospitaal, weer geloovig te zijn.

[Inhoud]

V.

Na een oponthoud van enkele minuten, gedurende welke zij, die nog niet gegeten hadden, zich haastten om wat te koopen, verliet de trein Bordeaux. De zieken kregen telkens wat melk en hielden, evenals kleine kinderen, niet op steeds weer om melk te vragen. Zoodra de trein zich weer in beweging gezet had, klapte zuster Hyacinthe in haar handen.

“Kom, kinderen, voortgemaakt! Het avondgebed!”

Toen volgde bijna een kwartier lang een verward geprevel van Pater’s en Ave’s, een zelfonderzoek, een boetedoening, een algeheele overgave van zichzelf aan God, aan de Heilige Maagd en aan de Heiligen, een vurige dankzegging voor [77]den gelukkig doorgebrachten dag, die met een gebed voor de levenden en gestorven geloovigen eindigde.

“In den naam des Vaders, des Zoons, en des Heiligen Geestes … Amen!”

Het was tien minuten over achten, de avondschemering daalde reeds over het land, een uitgestrekte vlakte, die door de avondnevels nog grooter scheen en waarin in de verspreid staande huizen heldere vonkjes vriendelijk òplichtten. De pitten in den wagon flikkerden en wierpen een geel schijnsel op de stapels bagage en de pelgrims, die door de aanhoudende zigzagbeweging heen en weer geschud werden.

“Denkt eraan, kinderen,” begon zuster Hyacinthe, die was blijven staan, weer, “dat ik te Lamothe, ongeveer een uur verder, de nachtrust zal laten ingaan. Je hebt dus nog een uur om je aangenaam bezig te houden, maar weest verstandig en windt je niet te veel op. Maar goed begrepen, nietwaar? na Lamothe geen woord meer; ik wil, dat jullie allemaal slaapt.”

Zij moesten om die woorden lachen.

“Ja, dat is de regel, en jullie bent veel te verstandig, om niet te gehoorzamen!”

Werkelijk hadden zij vanaf den vroegen ochtend stipt het programma der godsdienstige oefeningen, die voor ieder uur vastgesteld waren, gevolgd. Nu alle gebeden opgezegd, de rozenkransen afgebeden, de liederen gezongen waren, was de dag geëindigd, bleef er nog een korte tijd van verpoozing voor de nachtrust. Maar zij wisten niet, wat zij doen moesten.

“Zuster,” zeide Marie, “zoudt u mijnheer den abbé niet willen toestaan ons wat voor te lezen. Hij leest prachtig, en ik heb toevallig een klein boekje bij mij, een mooi verhaal over Bernadette …”

Maar men liet haar niet uitspreken; allen schreeuwden door elkaar, onstuimig als kinderen, aan wie je belooft een mooi sprookje te vertellen.

“Hè ja, zuster! Hè ja, zuster!”

“Natuurlijk vind ik het goed,” zeide zuster Hyacinthe, “nu het een goed boek is.”

Pierre moest toestemmen, of hij wilde of niet. Maar hij wilde onder de lamp zitten en moest daarom van plaats omwisselen met mijnheer de Guersaint, die door de belofte van een verhaal al even verrukt was als de zieken. En toen de jonge priester eindelijk zat en het boekje opende, rekten aller halzen zich uit en spitsten zich aller ooren. Gelukkig [78]had hij een duidelijke, heldere stem, kon hij boven het gedreun der wielen uitkomen, dat trouwens in deze eindelooze vlakte niet zoo hinderlijk meer was.

Maar alvorens te beginnen, keek Pierre het boekje in. Het was een van die kleine colportageboekjes, die door de Katholieke pers gedrukt en in grooten getale over de geheele Christenheid verspreid werden. Het was slecht gedrukt op goedkoop papier en had op den blauwen omslag een Notre-Dame de Lourdes, een naïef plaatje van stijve, onbeholpen gratie. Hij zou het, zonder zich te overhaasten, in een half uur kunnen uitlezen.

En Pierre begon met zijn mooie heldere stem, die een prettigen, doordringenden klank had:

“Het was te Lourdes, een klein stadje in de Pyrenaeën, op Donderdag 11 Februari 1858. Het weer was koud, de lucht lichtbewolkt. In het huis van den armen, maar fatsoenlijken molenaar François Soubirous hadden ze geen hout meer om het eten op te koken. Zijn vrouw Louise zeide tegen haar tweede dochter, Marie: “Ga wat hout halen aan den Gave of in het bosch.” De Gave is een bergriviertje, dat door Lourdes stroomt.

“Marie had een oudere zuster, Bernadette geheeten, die pas van het land teruggekomen was, waar zij als herderin bij brave boerenlieden gediend had. Het was een zwak, teer, heel onschuldig kind, wier geheele wetenschap hierin bestond, dat zij den rozenkrans af kon bidden. Louise was wegens de koude bang haar met haar zuster naar het bosch te zenden, maar op aandrang van Marie en een buurmeisje, Jeanne Abadie, liet zij haar toch gaan.

“De drie vriendinnetjes, die langs het beekje liepen, om dor hout te sprokkelen, kwamen bij een grot, die uitgehold was in een groote rots, die de bewoners van die streek Massabielle noemen …”

Hier gekomen hield Pierre op en liet het boekje op zijn knieën vallen. De kinderlijkheid van het verhaal, de conventioneele, nietszeggende zinnen hinderden hem, hem, die het volledige dossier van deze buitengewone geschiedenis in handen gehad, die hartstochtelijk de kleinste bijzonderheden ervan bestudeerd had, en die in zijn hart een innige liefde, een grenzenloos medelijden voor Bernadette koesterde. Hij had zooeven nog tegen zichzelf gezegd, dat hij de enquête, waarvoor hij vroeger zoo graag naar Lourdes had willen gaan, morgen aan den dag zou kunnen beginnen. Het was [79]een van de redenen, die hem tot de reis hadden doen besluiten. En opnieuw ontwaakte zijn nieuwsgierigheid met betrekking tot de helderziende, die hij liefhad, omdat hij voelde, dat zij oprecht, waarheidlievend en ongelukkig was, maar wier geval hij had willen analyseeren en verklaren. Zeker, zij loog niet, zij had haar visioen gehad, zij had stemmen gehoord evenals Jeanne d’Arc, en evenals Jeanne d’Arc bevrijdde zij, volgens het zeggen der Katholieken, Frankrijk. Welke kracht was het nu, die haar en haar werk voortgebracht had? Hoe had het visioen bij dit ongelukkige kind kunnen ontstaan, hoe had zij alle geloovige zielen in zoo’n opwinding kunnen brengen, dat de wonderen der primitieve tijden zich hernieuwden en men bijna een nieuwen godsdienst stichtte in een heilige stad, plotseling met millioenen opgebouwd en overstroomd door menschenmassa’s, zóó in extase en zóó talrijk als men ze sedert de Kruistochten niet gezien had?

Toen hield hij op met lezen en vertelde hij, wat hij wist, wat hij geraden en opnieuw vastgesteld had van deze geschiedenis, nog altijd zoo duister ondanks de stroomen inkt, die zij reeds had doen vloeien. Hij kende het land, de zeden, de gewoonten door de lange gesprekken, die hij met zijn vriend, dr. Chassaigne gehad had. Hij bezat een prettige manier van vertellen, een heilige bezieling, opmerkelijke gaven van een gewijd redenaar, die hij in zijn seminarietijd al in zich gevoeld, maar nooit gebruikt had. Toen men in den wagon merkte, dat hij de geschiedenis heel wat beter en uitvoeriger kende dan het kleine boekje en dat hij haar op een zoo aandoenlijken en bezielden toon vertelde, steeg de aandacht nog meer, gaven die aan smart zoo rijke zielen zich, in haar honger naar geluk, geheel aan hem.

Eerst kwam de jeugd van Bernadette, te Bartrès, aan de beurt. Zij groeide daar op bij haar zoogmoeder, vrouw Lagües, die, toen zij een pas geboren kind verloren had, den armen Soubirous den dienst bewees hun kind te voeden en bij zich te houden. Dit gehucht van vierhonderd zielen lag, op ongeveer een mijl afstands van Lourdes, als in een woestijn, ver van alle verkeerswegen, verscholen tusschen het groen. De weg loopt steil naar beneden, de enkele huizen staan vrij ver uit elkaar op door hagen gescheiden grasvelden, die met note- en kastanjeboomen beplant zijn, terwijl heldere beekjes, die nooit zwijgen, de voetpaden der hellingen volgen; alleen de oude, kleine Romaansche kerk steekt omhoog op een heuveltje, dat verder door de graven van [80]het kerkhof ingenomen wordt. Aan alle kanten rijzen boschrijke hellingen golvend op: het dorpje is als een gat in het heerlijke diep-groene grastapijt. Bernadette, die, sedert zij een groot meisje was, haar kostgeld verdiende met het hoeden van schapen, weidde haar dieren maanden lang in dat groen, waarin zij nooit een levende ziel ontmoette. Een enkele maal echter zag zij van den top van een helling in de verte de bergen, den Pic du Midi, den Pic de Viscos, stralende of donkere rotsmassa’s al naar de kleur, die het weer hun gaf, en waarachter zich verder in nevelen gehulde Pics verhieven, onduidelijke verschijningen, zooals men die in een droom pleegt te zien. Het huisje der Laqûes, waar haar wieg nog steeds stond, lag eenzaam en was het laatste van het dorp. Er voor strekte zich een weide uit, beplant met appel- en pereboomen en van het vrije veld slechts gescheiden door een smal beekje, waar je makkelijk overheen kon springen. In het lage huisje waren rechts en links van de houten trap, die naar den zolder leidde, slechts twee groote met steenen tegels bedekte vertrekken, in elk waarvan vier of vijf bedden stonden. De meisjes sliepen bij elkaar en sluimerden iederen avond in onder het kijken naar de mooie platen aan den muur, terwijl te midden der diepe stilte de groote klok in zijn kast van dennenhout de uren aangaf.

O, in welk een zalige heerlijkheid had Bernadette die jaren in Bartrès geleefd! Zij groeide slechts langzaam op, altijd ziek, lijdend aan een nerveus asthma, dat haar bij den minsten wind dreigde te doen stikken; toen zij twaalf jaar was, kon zij nog niet lezen of schrijven, sprak slechts het patois van die streken, was nog een echt kind gebleven, zoowel geestelijk als lichamelijk haar leeftijd ver ten achter. Het was een lief, zacht, gehoorzaam meisje, maar verder een kind als ieder ander kind, alleen niet erg spraakzaam: zij luisterde liever dan dat zij sprak. Hoewel zij weinig geleerd had, bewees zij nu en dan gezond verstand te bezitten, had zelfs dikwijls een goed antwoord bij de hand, een aardig, schertsend woord, waarom men moest lachen. Het kostte daarentegen weer veel moeite haar den rozenkrans te leeren. Toen zij hem eindelijk uit haar hoofd opzeggen kon, scheen zij daartoe haar geheele kennis te willen beperken; zij bad hem van den vroegen ochtend tot den laten avond, zoodat men haar ten slotte bij haar schapen nog slechts zag met den rozenkrans in haar handen, de Pater’s en Ave’s afbiddend. Hoeveel uren had zij daar zoo doorgebracht op de groene helling van den heuvel, [81]gewiegd door het geheimzinnig ruischen der bladeren, terwijl zij bij oogenblikken niets van de wereld zag dan de toppen der verre bergen, ijl als een droom wegdoezelend in het licht. De dagen verliepen, en steeds vergezelde haar bij het rondzwerven die nauw-begrensde droom, het eenige gebed, dat zij telkens weer herhaalde en dat haar in die frissche, kinderlijk-naïeve eenzaamheid geen andere metgezelle en vriendin gaf dan de Heilige Maagd. En wat een heerlijke avonden bracht zij ’s winters door in het vertrek links, waar een groot vuur brandde! Haar zoogmoeder had een broer, die priester was en soms zulke prachtige verhalen voorlas, geschiedenissen van heilige mannen en vrouwen, wonder-heerlijke avonturen, die je deden beven van angst en pleizier, verschijningen uit het paradijs op de aarde, terwijl de half-geopende hemel den glans der engelen zien liet.

De boeken, die hij medebracht, stonden dikwijls vol mooie platen: den goeden God in zijn volle heerlijkheid en glorie, de zoo teere en vriendelijke gestalte van Jezus met zijn door licht omstraald gezicht, en vooral de Heilige Maagd, schitterend in het wit, azuur en goud gekleed en zoo liefderijk, dat zij haar dikwijls in haar droomen terugzag. Maar de Bijbel was toch het boek, dat men het meest las, een oude, door het gebruik vergeelde Bijbel, die reeds meer dan een eeuw in de familie was; iederen langen winteravond, dat er bezoek was, nam de pleegvader, de eenige, die had leeren lezen, een speld, stak die op goed geluk ergens in den Bijbel en begon dan boven aan de rechterbladzijde te lezen onder de diepe stilte van de vrouwen en de kinderen, die ten slotte den tekst van buiten kenden en, zonder zich in één woord te vergissen, door hadden kunnen gaan.

Bernadette gaf de voorkeur aan vrome boeken, waarin de Heilige Maagd met haar vriendelijk glimlachje voorkwam. Doch ook een ander verhaal vond zij erg mooi, de wonderlijke geschiedenis van de vier Heemskinderen. Op den gelen omslag van het kleine boekje, dat hier toevallig achter gelaten was door een rondreizend koopman, zag men op een kinderlijk plaatje de vier koene ridders, Reinoud en zijn broeders, alle vier op Bayard, hun beroemd strijdros dat de fee Orlanda hun ten geschenke gegeven had. Het waren die bloedige gevechten, belegeringen van vestingen, vreeselijke duels op den degen tusschen Roland en Reinoud, die ten slotte het Heilige Land ging bevrijden, den toovenaar Maugis met zijn wonderbaarlijke tooverkunsten niet te vergeten en [82]prinses Clarisse, de zuster van den koning van Aquitanië, die mooier was dan de dag. Wanneer haar phantasie zoo opgewekt was, kon Bernadette ’s nachts den slaap niet vatten vooral niet na avonden, waarop niet voorgelezen werd, maar iemand uit het gezelschap een heksengeschiedenis verteld had. Zij was zeer bijgeloovig, nooit zou men haar na zonsondergang langs een toren gekregen hebben, die door den duivel bezocht werd. Trouwens de geheele streek was heel eenvoudig van geest, was als bevolkt met geheimzinnigheden; boomen, die zongen, steenen, waar bloed uit parelde, kruiswegen, waarbij je drie Pater’s en drie Ave’s moest bidden, als je het woeste beest met de zeven hoorns niet wilde tegenkomen, dat de meisjes in het verderf sleepte. En welk een rijkdom van schrikaanjagende sprookjes! Er waren er honderden, je zoudt er op één avond niet mee klaar komen om ze te vertellen.

In de eerste plaats kwamen de avonturen van weerwolven, welke ongelukkige menschen, die door den duivel gedwongen werden in de huid van een van de groote witte berghonden te kruipen: wanneer je op den hond schiet en de eerste kogel hem raakt, dan is de mensch verlost; doch wanneer de kogel slechts de schaduw raakt, sterft de mensch onmiddellijk.

Dan volgden in een eindelooze rij de toovenaars en tooverheksen. Een van die verhalen viel bijzonder in Bernadette’s smaak, dat van een griffier te Lourdes, die den duivel wilde zien en daarom op Goeden Vrijdag om middernacht door een heks naar een eenzaam veld gebracht werd. De duivel kwam, prachtig in het rood gekleed.

Onmiddellijk stelde hij den griffier voor zijn ziel te koopen, op welk voorstel deze schijnbaar inging. Toevallig had de duivel onder zijn arm het register, waarin de menschen uit de stad, die zich reeds verkocht hadden, hun handteekening hadden gezet. Maar de sluwe griffier haalde uit zijn zak een fleschje, waarin volgens zijn zeggen inkt was, doch waarin zich in werkelijkheid wijwater bevond; hij besprenkelde den duivel daarmede, die verschrikkelijk begon te gillen, terwijl hij zelf op de vlucht ging en het register meenam. Toen begon er een dolle jacht, die den heelen avond kon duren, door bergen en dalen, door bosschen en over bergstroomen.

“Geef me mijn register!”

“Neen, je krijgt het niet!”

En telkens begon het weer opnieuw:

“Geef me mijn register!” [83]

“Neen, je krijgt het niet!”

De griffier, die reeds buiten adem was en op het punt stond neer te vallen, kreeg plotseling een ingeving: hij sprong op het kerkhof in gewijde aarde en lachte vandaar den duivel uit, terwijl hij spottend met het register heen en weer zwaaide; op die manier had hij de zielen van alle ongelukkigen, die geteekend hadden, gered.

Op zulke avonden bad Bernadette, voor zij slapen ging, een rozenkrans af, blij te zien, dat de hel zoo gehoond werd, maar toch rillend bij de gedachte, dat de duivel, zoodra men de lamp uitgeblazen had, zeker om haar zou komen rondsluipen.

Een heele winter lang hadden de gezellige avondbijeenkomsten in de kerk plaats. Pastoor Ader had er toestemming voor gegeven, en er kwamen veel families, om licht uit te sparen, terwijl je het bovendien veel warmer hadt, wanneer je met zoovelen bij elkaar zat. Men las uit den Bijbel voor en er werd gezamenlijk gebeden. De kinderen vielen er ten slotte bij in slaap. Alleen Bernadette streed er tot het einde tegen, gelukkig als ze zich gevoelde bij den goeden God te mogen zijn in het kleine schip der kerk, welks muren rood en blauw geverfd waren. Op den achtergrond verhief zich, eveneens geschilderd en verguld het altaar met zijn spiraalvormig gewonden zuilen en zijn altaarstukken, die Maria bij Anna en de onthoofding van den H. Johannes voorstelden. In de slaperigheid, die zich steeds meer van haar meester maakte, zag het kind het mystieke visioen van die schreeuwend gekleurde beelden oprijzen, het bloed uit de wonden vloeien, de aureolen stralen, de Heilige Maagd steeds weer terugkomen en haar aankijken met haar levende, hemelsblauwe oogen, terwijl het haar toescheen, alsof zij haar vermillioen-roode lippen wilde openen, om haar toe te spreken. Maandenlang bracht zij op die wijze haar avonden door, tegenover het half in schemer gehulde altaar, in dien halven slaap, waarin reeds de goddelijke droom begon, dien zij medenam naar huis, om hem in bed verder te droomen, terwijl zij rustig onder de bescherming van haar schutsengel sliep.

In diezelfde oude kerk, zoo nederig en zoo vol vurig geloof, ging Bernadette ter leering. Zij was toen bijna veertien jaar, zoodat het hoog tijd werd, dat zij haar eerste communie deed. Haar zoogmoeder, die voor gierig doorging, liet haar niet school gaan, maar haar van ’s morgens tot ’s avonds in het huishouden helpen. Mijnheer Barbet, de onderwijzer, [84]zag haar nooit in zijn klas. Maar op een dag, dat hij in plaats van pastoor Ader, die ziek was, catechesatie gaf, viel zij hem dadelijk op door haar vroomheid en haar bescheidenheid. De priester hield veel van Bernadette en sprak dikwijls met den onderwijzer over haar en zeide dan, dat hij haar nooit kon aankijken zonder aan de kinderen van la Salette denken, want die kinderen moesten eenvoudig, goed en vroom geweest zijn als zij, anders zou de Heilige Maagd hun niet verschenen zijn.

Op een morgen, dat de beide mannen haar buiten het dorp in de verte met haar kudde tusschen de groote boomen zagen, keerde de priester zich meermalen om en zeide:

“Ik weet niet, wat het is in mij, maar iederen keer, dat ik het kind zie, denk ik Mélanie, het kleine herderinnetje, de metgezellin van den kleinen Maximin te zien.”

Ongetwijfeld was hij als het ware bezeten door deze gedachte, die later een voorspelling zou blijken te zijn. En had hij niet op een dag na de catechesatie, of misschien op een avondbijeenkomst in de kerk, het wonderbaarlijke, nu reeds twaalf jaar oude verhaal verteld van de in schitterend en verblindend wit gekleede Vrouw, die over het gras liep, zonder het plat te trappen, van de Heilige Maagd, die op den berg aan den oever van een beekje aan Mélanie en Maximin verschenen was, om hun een groot geheim toe te vertrouwen en hun de toorn van haar zoon aan te kondigen?

Van af dien dag genas een bron, die uit de tranen der Heilige Maagd ontstaan was, alle ziekten, terwijl het geheim, dat aan een met drie waszegels gesloten perkament toevertrouwd was, te Rome rustte. Zeker had Bernadette in koortsachtige opwinding met haar zwijgend gezichtje van wakend droomstertje naar dit wonderbare verhaal geluisterd en het medegenomen naar de eenzaamheid der bosschen, waarin zij haar dagen doorbracht, om het achter haar schapen nog eens te herlezen, terwijl de kralen van haar rozenkrans één voor één tusschen haar teere vingertjes gleden.

Zoo verstreek haar jeugd te Bartrès. Wat in die tengere en achterlijke Bernadette vooral verrukte, dat waren haar dweepzieke oogen, de mooie oogen van een helderziende, waarin de vlucht der droomen, als vogels in een helderen hemel, voorbij streek. Haar mond was groot en sterk ontwikkeld en wees op goedheid; haar vierkant hoofd met het rechte voorhoofd en de dikke zwarte haren zou zonder de uitdrukking van beminlijke eigenzinnigheid niets bijzonders [85]gehad hebben. Maar wie haar niet in de oogen zag, merkte haar niet op; zij was dan niets meer dan een arm straatkind, dat lichamelijk en geestelijk achter was. En in die oogen had pastoor Ader ongetwijfeld alles gelezen, wat later in haar zou opbloeien: het lijden, dat haar arm lichaam in zijn ontwikkeling belemmeren zou, de eenzaamheid der bosschen, waarin zij opgegroeid was, de blatende zachtmoedigheid van haar lammeren, de engelengroet, dien zij op haar rondzwerving onder den vrijen hemel steeds weer herhaalde, de angstaanjagende verhalen, die zij bij haar zoogmoeder gehoord had, de avondbijeenkomsten, die zij voor de levende altaarstukken der kerk had medegemaakt, de geheele atmospheer van primitief geloof, die zij in dit verre, door bergen afgesloten land had ingeademd.

Den 7den Januari was Bernadette veertien geworden, en haar ouders, de Soubirous, die zagen, dat zij te Bartrès niets leerde, besloten haar weer voor goed thuis te Lourdes te nemen, waar zij de catechesatie geregeld volgen en zich ernstig voorbereiden moest voor haar eerste communie. En zoo was zij twee à drie weken te Lourdes, toen op 11 Febr. een Donderdag, bij koud weer en een bedekte lucht …

Maar hier moest Pierre ophouden, want zuster Hyacinthe was opgestaan en klapte hard in haar handen:

“Kinderen, het is al over negenen … Stilte! Stilte!”

Ze waren inderdaad Lamothe voorbij; de trein rolde met dof gesnor in een zee van donkerte door de eindelooze vlakten der Landes, die ondergedompeld lagen in den nacht. Eigenlijk had men de laatste tien minuten geen woord meer mogen hooren in den wagon, had men moeten slapen of rustig zijn pijnen verdragen. Maar toch kwam er verzet.

“Hè, lieve zuster!” riep Marie, wier oogen schitterden, uit; “een klein kwartiertje nog! We zijn nu juist bij het interessantste gedeelte.”

Tien, twintig stemmen vielen haar bij.

“Ja, als het u blieft, een kwartiertje nog!”

Allen wilden het vervolg hooren; zij brandden van nieuwsgierigheid, als hadden zij het verhaal nooit gehoord, zoo werden zij medegesleept door de bijzonderheden van ontroerende en vriendelijk glimlachende menschelijkheid, die Pierre gaf. Hun blikken waren niet van hem af; vreemd belicht door de walmende lampen, strekten hun hoofden zich naar hem uit. En het waren niet alleen de zieken, die in koortsachtige spanning luisterden, maar ook de tien vrouwen [86]van het achterste compartiment wendden haar arme, leelijke gezichten, die mooi werden door het naïeve geloof, naar Pierre, om toch maar geen woord te verliezen.

“Neen, ik mag niet,” zeide eerst zuster Hyacinthe. “Het programma zegt het duidelijk. Er moet nu rust zijn.”

Maar toch aarzelde zij al, zelf had zij in zoo groote spanning geluisterd, dat zij haar hart onder haar witte schort voelde kloppen. Op smeekenden toon drong Marie nog eens aan, terwijl mijnheer de Guersaint, die eveneens met aandacht geluisterd had, beweerde, dat ze ziek zouden worden, wanneer de geestelijke niet verder vertelde; en toen ook madame de Jonquière toegevend glimlachte, gaf de zuster ten slotte toe.

“Nu goed dan, een kwartiertje nog, maar ook niet meer dan een klein kwartiertje! Anders zou ik me aan plichts-verzuim schuldig maken.”

Pierre had kalm gewacht, zonder tusschenbeide te komen. Dan ging hij voort op denzelfden doordringenden toon, waarin de twijfel verzacht werd door zijn medelijden met hen, die lijden en hopen.

Nu ging het verhaal verder te Lourdes in de rue des Petits-Fossés, een sombere, nauwe en kronkelende straat, die tusschen armoedige huizen en ruw bepleisterde muren loopt. Op den rez-de-chaussée van een van die droefgeestige huisjes aan het einde van een donkere gang bewoonden de Soubirous één enkele kamer, waarin zeven menschen, vader, moeder en zeven kinderen bij elkaar hokten. Je kon er nauwelijks zien, in het kleine en vochtige binnenplaatsje viel slechts een groenachtig schemerlicht. Ze sliepen daar bij elkaar, aten er, wanneer ze brood hadden. Sedert eenigen tijd n.l. kon de vader, die molenaar van beroep was, heel moeilijk werk vinden. En uit dit donkere gat, uit die diepe ellende was Bernadette, de oudste, op dien kouden Februaridag hout gaan zoeken met Marie, haar jonger zusje, en Jeanne, een buurmeisje.

Een langen tijd ging het mooie verhaal zoo verder: hoe de drie kleine meisjes den oever van den Gave afgeloopen hadden aan den anderen kant van het kasteel, hoe zij ten slotte op het eiland du Chalet gekomen, waar tegenover de rots Massabielle, waarvan zij alleen gescheiden waren door den smallen waterloop van den molen van Sâvy. Het was een woeste plek, waarheen de gemeenteherder dikwijls zijn varkens bracht, die bij plotselinge regenbuien een schuilplaats [87]zochten onder de rots van Massabielle, aan den voet waarvan zich, onder wilde roze- en braamstruiken verborgen, een soort grot gevormd had. Er was niet veel droog hout te vinden geweest, zoodat Marie en Jeanne, toen zij aan den overkant een grooten hoop takken, dien de stroom daarheen had gebracht, zagen liggen, den waterloop overstaken, terwijl Bernadette, die veel teerder was en een beetje de jongejuffrouw speelde, voorloopig achterbleef, daar zij haar voeten niet nat durfde maken. Zij had wat uitslag aan haar hoofd, haar moeder had haar op het hart gedrukt toch vooral haar hoofddoek om te houden, een groote witte hoofddoek, die sterk vloekte tegen haar oud, zwartwollen jurkje. Toen zij zag, dat de twee anderen haar niet wilden helpen, vermande zij er zich eindelijk toe haar klompen en haar kousen uit te trekken. Het was ongeveer twaalf uur, de negen slagen van het Angelus zouden weldra van de kerk klinken en opstijgen naar den stillen, wijden winterhemel, die met een fijn wolkendons bedekt was.

Op dat oogenblik maakte een groote verwarrende opwinding zich van haar meester, in haar ooren suisde het met zoo’n stormgeweld, dat zij meende een orkaan, die van de bergen kwam, voorbij zich te hooren loeien; zij keek naar de boomen en was uiterst verbaasd, want geen blaadje verroerde zich. Dan dacht zij, dat zij zich vergist had, en zij wilde juist haar klompen oprapen, toen opnieuw een hevig suizen langs haar ging, doch ditmaal trof het niet haar ooren, maar haar oogen; zij zag de boomen niet meer, zij was verblind door een witten glans, een soort schel licht, dat zich boven de grot aan de rots scheen vast te hechten in een smalle, hooge spleet, die op den spitsboog van een kathedraal geleek.

Verschrikt viel zij op haar knieën. Wat was dat toch, mijn God? Soms, wanneer in slechte tijden haar asthma haar meer benauwde dan gewoonlijk, had zij dikwijls geheele nachten zware droomen, waarvan zij de angstaanjagende werking nog na het wakker worden voelde, ook al herinnerde zij zich van den droom zelf niets meer.

Vlammen omringden haar, de zon ging vlak langs haar gezicht voorbij. Had zij den afgeloopen nacht zoo zwaar gedroomd? Was het de voortzetting van een droom, dien zij zich niet meer herinnerde? Dan teekenden zich langzamerhand eenige omtrekken af, meende zij een gestalte te herkennen, die in het schelle licht geheel wit was. Uit angst, dat het de duivel zou kunnen zijn—zij werd dikwijls door [88]zulke gedachten bezeten—was zij haar rozenkrans gaan bidden. En toen zij, nadat het licht langzaam uitgegaan was, den waterloop overging en zich weer bij Marie en Jeanne voegde, vond zij het heel vreemd, dat dezen bij het hout rapen vóór de grot, geen van beiden iets gezien hadden. Toen de drie meisjes naar Lourdes terugliepen, praatten zij erover: had zij dan wat gezien? Maar, onrustig en zich een weinig schamend, wilde zij niet antwoorden; eindelijk bekende zij, dat zij iets gezien had, dat in het wit gekleed was.

Van af dat oogenblik verspreidde het gerucht zich en werd daarbij overdreven. De Soubirous, die het ook hoorden, waren boos geworden over die kinderpraatjes en verboden hun dochter naar de rots van Massabielle terug te gaan. Maar al de kinderen uit de buurt vertelden elkaar het verhaal reeds en zoo moesten de ouders dan ten slotte toestaan, dat Bernadette ’s Zondags met een flesch wijwater naar de grot ging, om beslist te weten, of men niet met den duivel te doen had. Zij zag het licht weer, evenals de gestalte, die nu echter duidelijker was en glimlachte, zonder bang te zijn voor het wijwater. Den volgenden Donderdag ging zij met anderen er weer heen; eerst dien dag nam de gestalte den vorm van een vrouw aan, die tot haar zeide:

“Doe mij het genoegen veertien dagen lang hier te komen.”

Langzamerhand had de gestalte zich nog meer gepreciseerd en was een Vrouw geworden, mooier dan een koningin, zooals men ze slechts op platen ziet. In den beginne had Bernadette zich tegenover de vragen, waarmede men haar van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat overstelpte, wat terughoudend getoond, als was zij nog door twijfel bevangen. Daarna was het haar toegeschenen, alsof onder de suggestie van al die vragen, de gestalte nog steeds duidelijker vormen kreeg, alsof zij een werkelijk leven, lijnen en kleuren aannam, in de beschrijving waarvan het kind zich nooit tegensprak. De oogen waren blauw en heel zacht, de mond rose en glimlachend, het ovaal van het gezicht had tegelijk een jeugdige bekoring en iets moederlijks. Nauwlijks zag men onder den rand van den sluier, die het hoofd bedekte en tot aan de voeten afviel, het bewonderenswaardige blonde haar. Het sneeuwwitte, glanzende kleed moest van een op aarde onbekende stof zijn, die uit zonnestralen scheen te zijn geweven. De losjes geknoopte hemelsblauwe sjerp liet twee lange einden hangen, fladderend in den ochtendwind. De rozenkrans, die om den rechterarm geslagen was, had melkwitte kralen, terwijl de [89]schakels en het kruis van goud waren. En op haar bloote voeten, op de aanbiddelijke voeten, die van een jonkvrouwelijke blankheid waren, bloeiden twee gouden rozen, de mystieke rozen van het onbevlekte lichaam der Godsmoeder.

Waar had Bernadette toch die Heilige Maagd gezien, wier eenvoudig uitzien zich door de overlevering voortplantte, zonder één sieraad, met de primitieve gratie van een nog in zijn kindsheid verkeerend volk? In welk boek van den broeder van haar zoogmoeder, den priester, die zoo mooi voorlezen kon? Op welk geschilderd raam der kerk, waarin zij opgegroeid was? En vooral, uit welken ridderroman, uit welke geschiedenis, door pastoor Ader op de catechesatie verteld, uit welken onbewusten droom, die zij op haar zwerftochten in de schaduw der bosschen van Bartrès gedroomd had, terwijl zij tot in het oneindige de tien verzen van den Engelengroet herhaalde, waaruit kwamen die gouden rozen op de bloote voeten, die heerlijke liefde-phantasie, die vrome opbloeiing van het vrouwenlichaam?

De stem van Pierre was nog ontroerender geworden, want al zeide hij al deze dingen niet aan de eenvoudigen van geest, die naar hem luisterden, toch verleende de menschelijke verklaring, die zijn twijfel diep in zijn ziel aan die wonderen trachtte te geven, aan zijn verhaal een huivering van broederlijk medegevoel. Hij hield van Bernadette nog meer om het bekoorlijke van haar hallucinatie, die zoo vriendelijk haar toesprekende Maagd, één en al beminnelijkheid bij haar verschijnen en verdwijnen.

Het groote licht liet zich eerst zien, dan vormde zich de verschijning, ging, kwam, boog zich, bewoog zich op een lichte, bijna onmerkbare wijze; wanneer zij verdween, bleef het licht nog eenigen tijd schijnen en ging dan uit als een ster, die sterft. Geen jonkvrouw dezer wereld kon een zoo blank en zoo rose gelaat hebben, dat zoo mooi was als de kinderlijke schoonheid van de plaatjes der eerste communie. De wilde rozestruik van de grot wondde zelfs haar bloote, aangebeden, met goud bebloeide voeten niet.

Pierre vertelde onmiddellijk de andere verschijning. De vierde of vijfde hadden Vrijdag of Zaterdag plaats; maar de door een stralenkrans omgeven Vrouwe, die haar naam nog niet genoemd had, vergenoegde zich met te glimlachen, zonder een woord te spreken. Zondag weende zij en zeide tegen Bernadette:

“Bid voor de zondaars.” [90]

Maandag deed zij het kind het groote verdriet niet te verschijnen, zeker om haar te beproeven. Maar Dinsdag vertrouwde zij haar een geheim toe, dat nooit geopenbaard mocht worden; dan eindelijk deelde zij haar de zending mede, die zij haar opdroeg:

“Ga en zeg aan de priesters, dat zij hier een kapel moeten bouwen!”

Woensdag prevelde zij verscheidene malen het woord: “Boete, boete, boete!” dat het kind, terwijl het den grond kuste, herhaalde. Donderdag zeide zij:

“Ga drinken uit de bron en wasch je daarin en eet het gras, dat ernaast staat!” woorden, die Bernadette eerst begreep, toen er onder haar vingers achter in de grot een bron ontsprong; dat was het mirakel der wonderbron. Toen volgde de tweede week: Vrijdag verscheen zij niet, wel echter de volgende vijf dagen, haar bevelen herhalend, vriendelijk glimlachend neerziende op het nederige meisje, dat zij verkoren had en dat bij iedere verschijning den rozenkrans bad, den grond kuste en op haar knieën naar de bron kroop, om te drinken en zich te wasschen.

Eindelijk, den 4den Maart, den laatsten dag der mystieke samenkomsten, vroeg zij dringend om de kapel te bouwen, opdat uit alle deelen der aarde de volkeren zich er in processie heen zouden begeven. Intusschen had zij op alle vragen geweigerd te antwoorden wie zij was; eerst Donderdag 25 Maart, drie weken later dus, zeide de Vrouwe, haar blikken hemelwaarts heffend: “Ik ben de Onbevlekte Ontvangenis!” Nog tweemaal, met een tusschenruimte van meer dan drie maanden, 7 April en 16 Juli verscheen zij: de eerste maal voor het wonder der kaars, waarboven het kind uit onachtzaamheid langen tijd haar hand hield, zonder die te branden; de tweede maal, om afscheid te nemen, voor een laatsten glimlach en een laatsten vriendelijken groet. Dat maakte dus achttien verschijningen in het geheel; daarna liet zij zich nooit meer zien.

Pierre had zich als het ware in tweeën gedeeld. Terwijl hij zijn mooi sprookje, dat de ongelukkigen zoo lieflijk in de ooren klonk, vertelde, riep hij zich die beklagenswaardige en hem zoo dierbare Bernadette voor den geest, wier lijdensbloem zoo schoon gebloeid had. Volgens de brutaal-ruwe uitspraak van een geneesheer was dit veertienjarige meisje, dat in haar achterlijken wasdom door pijnen gekweld werd en reeds door een asthma ten gronde gericht was, niets meer [91]dan een soort hysterica, een gedegenereerde, een kindsche. Dat zij geen heftige aanvallen had, dat er bij de kleinere aanvallen geen verstijving van spieren intrad, dat zij zich haar visioenen zoo goed en duidelijk herinnerde, was een gevolg van het feit, dat zij het merkwaardige bewijsstuk voor haar bijzonder geval zelf bracht; het onverklaarde vormt alleen het wonder, de wetenschap weet nog zoo weinig te midden van de eindelooze verscheidenheid der verschijnselen met betrekking tot de menschen.

Hoeveel herderinnetjes hadden reeds vóór Bernadette op dezelfde kinderlijke wijze de Heilige Maagd gezien? Was het niet altijd dezelfde geschiedenis: de in licht gekleede Jonkvrouw, het toevertrouwen van een geheim, het ontspringen van een bron, het vervullen van een zending, wonderen, wier betoovering de massa bekeeren moet? En altijd de droom van een arm kind, dezelfde kleurrijke beschrijving, het ideaal van traditioneele schoonheid, zachtheid en vriendelijkheid, dezelfde naïeve middelen en hetzelfde doel, de verlossing der volkeren, het bouwen van kerken, processies van geloovigen! Bovendien geleken ook al die uit den hemel gevallen wonderen op elkaar, aanmaningen tot boetedoening, beloften van goddelijke hulp; hier was nieuw de buitengewone verklaring: “Ik ben de Onbevlekte Ontvangenis!”, die klonk als de nuttige erkenning door de Heilige Maagd zelve van het dogma, dat drie jaar vroeger door Rome was afgekondigd. Het was niet de Onbevlekte Maagd, die verschenen was, maar de Onbevlekte Ontvangenis, de abstractie zelf, het ding, het dogma, zoodat men zich af kon vragen of de Heilige Maagd zoo gesproken kon hebben. De andere woorden had Bernadette mogelijk vroeger elders gehoord en onbewust in een hoekje van haar geheugen bewaard. Maar vanwaar kwam dat eene woord, vanwaar kwam het, om aan het nog betwiste dogma den wonderbaarlijken steun van de getuigenis der Moeder, die zonder zonde ontvangen was, te brengen?

Te Lourdes was de opwinding ontzaglijk; scharen stroomden toe, wonderen begonnen te geschieden, terwijl de onvermijdelijke vervolgingen, die den triomf van de nieuwe godsdiensten verzekeren, niet uitbleven. Abbé Peyramale, de pastoor van Lourdes, een geleerd, rechtschapen man met een goed gezond verstand, kon met het volste recht zeggen, dat hij dat kind niet kende, dat men het nog nooit op de catechesatie gezien had. Waar was dan de drijvende kracht, de geleerde [92]les? Er was alleen maar haar te Bartrès doorgebrachte jeugd, het eerste onderricht van abbé Ader, gesprekken misschien, godsdienstige plechtigheden ter eere van het nieuwe dogma of alleen maar een van die medailles, welke men bij die gelegenheid in zoo grooten getale verspreid had. Nooit kon abbé Ader verschijnen, hij, die de zending van Bernadette voorspeld had. Hij zou buiten deze geschiedenis blijven, na de eerste geweest te zijn, die deze kleine ziel in zijn vrome handen had voelen ontbloeien.

Maar al de onbekende krachten van het afgelegen dorpje, van dat groene, bekrompen en bijgeloovige plekje gronds bleven werken, verwarden de zinnen en verbreidden de besmetting van het mysterie. Men herinnerde zich, dat een herder uit Argelès, toen hij over de rots van Massabielle sprak, voorspeld had, dat daar groote dingen gebeuren zouden. Andere kinderen geraakten in extase, waarbij hun oogen wijd geopend waren en hun ledematen door krampen geschokt werden; maar zij zagen den duivel.

Een roes van waanzin scheen de geheele streek aangegrepen te hebben. Op de Place du Porche te Lourdes verklaarde een oude vrouw, dat Bernadette maar een tooverheks was en dat zij in haar oog den poot van een pad gezien had. Voor de anderen, voor de duizenden toegesnelde pelgrims was zij een heilige, wier kleeren zij kusten. Luid klonken de snikken òp, een dolle razernij maakte zich van de zielen meester, wanneer zij met een brandende kaars in haar rechterhand en met haar linker de kralen van haar rozenkrans door haar vingers glijden latend, voor de grot neerknielde. Zij was bleek, mooi; als verheerlijkt. Langzamerhand kwam er leven in haar trekken, kregen deze een uitdrukking van buitengewone gelukzaligheid, terwijl haar oogen zich vulden met een bovenaardschen glans en haar half-geopende mond zich bewoog, alsof zij woorden uitsprak, die men niet verstond. En het was wel zeker, dat zij geen eigen, vrijen wil had, dat haar droom geheel haar wezen vervulde, dat zij er in het bekrompen en bijzondere milieu, waarin zij leefde, zóó door bezeten werd, dat zij hem zelfs in wakenden toestand voortdroomde, dat zij hem aanvaardde als de eenige, onaanvechtbare werkelijkheid, bereid deze ten koste van haar bloed te belijden, haar steeds herhalend, er met alle onveranderlijke bijzonderheden aan vasthoudend. Zij loog niet, want zij wist niet anders, kon, wilde niets anders willen.

Pierre liet zich geheel gaan en ontwierp een behoorlijk [93]beeld van het oude Lourdes, dat kleine, vrome, aan den voet der Pyrenaeën slapende stadje. Vroeger was het Kasteel, dat op een rots aan een kruispunt der zeven dalen van Lavedan lag, de sleutel der bergen. Maar thans ontmanteld, was het nu nog slechts een oud, in puinhoopen vallend bouwwerk aan den ingang van een doodloopend dal. Hier stootte het moderne leven tegen de formidabele wallen der hooge, besneeuwde bergpieken; alleen de trans-pyrenaeïsche spoorweg zou, als hij aangelegd was, eenige beweging gebracht hebben in het maatschappelijk leven van dit afgelegen hoekje, waarin het stilstond als het water in een poel.

Aldus vergeten dommelde Lourdes, gelukkig en traag, te midden van zijn eeuwenouden vrede met zijn nauwe straatjes, zijn met kiezelsteenen geplaveide wegen, zijn zwarte huizen met marmeren omramingen. De oude huizen groepeerden zich nog alle om den oostelijken voet van het kasteel; de straat naar de Grot, de rue du Bois, was slechts een verlaten, onberijdbare, ja bijna onbegaanbare weg; geen enkel huis stond aan den oever van den Gave, die toen zijn schuimende golfjes voortstuwde door een volmaakte eenzaamheid van wilgen en hooge grassen. Op de place du Marcadal zag men in de week maar zelden voorbijgangers, moeders, die haast hadden, of kleine renteniers, die hun vrijen tijd met wandelen doodden; men moest wachten tot Zondagen of tot kermisdagen, om op het gemeenteplein de bevolking in haar Zondagsche plunje te zien, de van hun veraf gelegen bergplateaux met hun kudden naar beneden gedaalde veefokkers.

Gedurende het badseizoen gaf het doortrekken der badgasten van Cauterets en van Bagnères nog eenig verkeer: tweemaal daags reden de diligences door het stadje; zij kwamen over een afschuwelijk slechten weg van Peau en moesten den Lapaca, die dikwijls buiten zijn oevers trad, doorwaden; dan ging het de steile helling van de rue Basse op en langs het terras der in de schaduw van groote olmen staande kerk. En welk een rust en vrede heerschten in die oude, half-Spaansche kerk, vol oude beeldhouwwerken, zuilen, altaarstukken en beelden, bevolkt met gouden visioenen en geschilderde lichamen, die in den loop der tijden zoo verbleekt waren, dat men ze nog slechts zag als in het schemerlicht van mystieke lampen. De geheele bevolking ging geregeld ter kerke om zich te verdiepen in dien droom van het mysterie. [94]

Er waren geen ongeloovigen, het volk had het primitief geloof behouden; iedere corporatie schaarde zich om de vaan van haar heilige, broederschappen van allerlei aard vereenigden op feesttochten de geheele stad tot één enkele Christelijke familie. Er heerschte dan ook, als een wonder-mooie bloem in een uitgelezen vaas, een groote reinheid van zeden. De jongens zouden zelfs geen huis van ontucht hebben kunnen vinden, om zich ten gronde te richten; alle meisjes groeiden op in den geur en de schoonheid der onschuld, onder de oogen der Heilige Maagd, Toren van ivoor en Troon van wijsheid.

Hoe begrijpelijk dus, dat Bernadette, een dochter van deze vrome streek, opgebloeid was als een natuurroos, ontloken op de rozestruiken langs den weg. Zij was de bloesem zelf van dit oude land van geloof en oudvaderlijke rechtschapenheid; zij zou zeker nergens anders gedijd hebben, zij kon slechts ontstaan en zich ontwikkelen bij dit achterlijke volk, te midden van den ingesluimerden vrede van een nog in zijn kindsheid staand volk, onder de moreele tucht van den godsdienst. En welk een liefde was dadelijk om haar opgevlamd! Welk blind geloof in haar zending, welk een grenzenlooze troost en hoop dadelijk bij de eerste wonderen! Eén lange jubelkreet van verlichting had de genezingen van den ouden Bourriette, die zijn gezichtsvermogen terugkreeg, en van den kleinen Justin Bouhohorts, die in het ijskoude water der bron herleefde, begroet. Ja, de Heilige Maagd kwam tusschenbeide ten gunste van de radeloozen, dwong de ontaarde natuur rechtvaardig en barmhartig te zijn.

Het was de nieuwe heerschappij der goddelijke almacht, die de natuurwetten ondersteboven werpt voor het geluk der lijdenden en der armen. De wonderen vermenigvuldigden zich, werden van dag tot dag buitengewoner, als de onloochenbare bewijzen van Bernadette’s waarheidlievendheid. Zij was de roos van den goddelijken bloementuin, wier werk een heerlijken geur verspreidt en die om zich alle andere bloemen der genade en des heils ontluiken ziet.

Pierre was tot zoover gekomen, wilde opnieuw de wonderen vertellen en beginnen met den wonderbaarlijken triomf der Grot, toen zuster Hyacinthe, plotseling ontwakend uit de betoovering, waarin het verhaal haar hield, met een schrik ging staan.

“Dat is toch waarlijk al te gek … Het zal dadelijk elf uur slaan!” [95]

Het was zoo: zij waren Morcenx al voorbij en naderden Mont-de-Marsan.

“Stilte, kinderen, stilte!”

Ditmaal durfde men zich niet te verzetten, want zij had gelijk, het was eigenlijk te dwaas. Maar hoe verschrikkelijk, dat men het vervolg niet hooren kon, dat ze zoo midden in het verhaal bleven steken. De tien vrouwen in het achterste compartiment lieten zelfs een gemompel van teleurstelling hooren, terwijl de zieken met gezichten vol gespannen aandacht en hun oogen wijd geopend naar den straal van hoop, nog schenen te luisteren. Deze wonderen, die zonder ophouden terugkwamen, vervulden hen met een onmetelijke, bovenaardsche vreugde.

“En,” voegde zuster Hyacinthe er vroolijk aan toe, “laat ik nu geen woord meer hooren, anders moet ik straf uitdeelen!”

Madame de Jonquière glimlachte vriendelijk en zeide:

“Weest nu maar gehoorzaam, kinderen, en gaat goed slapen, om morgen de kracht te hebben met geheel je hart in de Grot te bidden.”

Pierre kon niet slapen. Naast hem snorkte mijnheer de Guersaint reeds zachtjes en glimlachte gelukkig ondanks de hardheid van de bank. Lang had de jonge priester de oogen van Marie nog wijd geopend gezien, vol van den glans der wonderen, die hij verteld had. Haar oogen rustten vurig op hem; dan had zij ze gesloten; en hij wist niet of zij sluimerde, of dat zij met gesloten oogleden het wonder nog eenmaal herleefde. Sommigen der zieken droomden hardop, nu eens lachten zij, dan weer schreeuwden zij onbewust. Misschien zagen zij, hoe de aartsengelen in hun lichaam sneden, om de kwaal eruit te rukken. Anderen, die den slaap niet konden vatten, lagen te woelen, onderdrukten een snik en staarden strak in de duisternis. En Pierre, huiverend van het mysterie, dat hij opgeroepen had, herkende zichzelf niet meer in dit dolle milieu van lijdende broeders, vervloekte zijn verstand, nam, zich in nauwe gemeenschap voelend met die nederigen van harte, het vaste besluit te gelooven als zij.

Waartoe diende die physiologische enquête over Bernadette, die zoo ingewikkeld en vol lacunes was? Waarom haar niet te aanvaarden als een boodschapster uit het hiernamaals, een uitverkorene van het goddelijke onbekende? De geneesheeren waren slechts ignoranten met ruwe handen, terwijl het zoo heerlijk zijn zou in te sluimeren in het geloof der [96]kleine kinderen, in de toovertuinen van het onmogelijke! Eindelijk had hij een kostelijk oogenblik van algeheele overgave, trachtte hij niet meer zich iets te verklaren, aanvaardde hij de helderziende met haar rijk gevolg van wonderen, vertrouwde hij zich geheel aan God om voor hem te denken en te willen. Hij keek door het raampje, dat men ter wille van de teringlijdsters niet open durfde zetten, naar buiten en zag den diepen nacht, die zich over het land uitstrekte, waardoor de trein voortsuisde.

Blijkbaar had hier het onweer gewoed, de hemel had een bewonderenswaardige, nachtelijke reinheid, als was hij door groote waterstroomen schoon gewasschen. Heldere sterren fonkelden op dit donkere fluweel en verlichtten alleen met mysterieuzen glans de verkwikte en zwijgende velden, die tot in het oneindige de donkere eenzaamheid van hun slaap ontrolden. Door de heiden, door de dalen en door de heuvelen rolde de wagon van ellende en lijden, rolde steeds voort, over-verhit, verpest, beklagenswaardig, zacht kreunend, te midden van de reinheid van dien heerlijken, zoo mooien en zoo zachten nacht.

Om een uur ’s ochtends waren zij Riscle gepasseerd. Benauwend en als met hallucinaties bevolkt bleef de stilte heerschen te midden van de schokken. Om twee uur, bij Vic de Bigorre hoorde men dof gesteun: de slechte toestand van den weg schokte de zieken in een ondraaglijke schommeling. Eerst na Tarbes om half drie verbrak men eindelijk de stilte en zeide men, nog midden in den donkeren nacht, de morgengebeden. Het waren het Pater en het Ave en het Credo, het was een smeekbede aan God om het geluk van een glorierijken dag. O mijn God, geef mij de kracht om het kwaad te vermijden, het goede te werken, alle smarten en pijnen te dragen!

Nu zou men aan één stuk doorrijden tot Lourdes. Geen drie kwartier meer en Lourdes met zijn onmetelijke hoop zou opvlammen in dezen zoo wreeden en zoo langen nacht. Bij het ontwaken maakte zich te midden van een algemeen gevoel van onbehagen, nu het lijden weer begon, een koortsachtige opwinding van allen meester.

Zuster Hyacinthe maakte zich ernstig ongerust over den man, wiens gelaat, dat nog steeds met zweet bedekt was, zij den geheelen nacht door had afgewischt. Hij had tot nog toe geleefd, zij was bij hem gebleven, zonder een oogenblik haar oogen te sluiten, luisterend naar zijn ademhaling, vurig [97]wenschend hem ten minste bij de Grot te kunnen brengen.

Plotseling werd zij angstig en vroeg aan madame de Jonquière:

“Ach, geef mij even de flesch vlugzout aan … Ik hoor hem niet meer ademhalen.”

Werkelijk had sedert een oogenblik het zachte ademhalen van den man opgehouden. Zijn oogen waren nog altijd gesloten, zijn mond half open; zijn kleur was echter niet toegenomen, hij was koud, zijn gelaat doodsbleek. En de wagon rolde voort met zijn lawaai van rommelend ijzer, de snelheid van den trein scheen grooter te worden.

“Ik zal zijn slapen wat wrijven,” zeide zuster Hyacinthe weer. “Wilt u mij even helpen.”

Bij een hevigen schok viel de man plotseling met zijn gezicht naar voren.

“Lieve God! help mij toch, om hem op te nemen.”

Zij namen hem op; hij was dood. Zij moesten hem met zijn rug tegen het beschot in zijn hoek zetten. Hij bleef rechtop zitten, zijn lichaam was reeds stijf geworden, alleen bewoog zijn hoofd bij iederen schok heen en weer. De trein bleef hem in hetzelfde donderend gerommel meevoeren, terwijl de locomotief, ongetwijfeld blij haar doel te bereiken, een scherp gefluit uitstiet, een oorverscheurende vreugdefanfare in den kalmen nacht

Een half uur, dat als het ware niet eindigen wilde, werd nog de reis met den doode voortgezet. Twee dikke tranen waren langs de wangen van zuster Hyacinthe gerold, dan vouwde zij haar handen en begon te bidden. De geheele wagon huiverde van ontzetting over dien verschrikkelijken reisgenoot, dien men te laat naar de Heilige Maagd bracht. Maar de hoop was krachtiger dan de smart; ook al mochten al de kwalen, die hier opgehoopt waren, weer ontwaken, toenemen en erger worden onder de uitputtende vermoeienis, toch klonk de jubelzang niet minder luid op bij het triomphantelijk betreden van het land des wonders. De zieken hadden het Ave maris stella10 aangeheven te midden van de tranen, die de pijn hun ontrukte; hun smartekreten namen toe, tot hun klagen zich oploste in een kreet van hoop.

Marie nam Pierre’s hand weer tusschen haar kleine, koortsachtige vingertjes.

“O, mijn God, die man is nu gestorven en ik was zoo [98]bang te sterven voor wij het doel bereikt hadden!… En nu zijn we er, zijn we er eindelijk!”

De priester beefde van een grenzenlooze ontroering.

“Je moet genezen, Marie, en ik zelf zal ook genezen, als jij voor me bidt.”

De locomotief floot scheller in de blauwe duisternis. Ze naderden, de lichten van Lourdes vlamden aan den horizont en de geheele wagon zong nog een lied, de geschiedenis van Bernadette, het eindelooze klaaglied van zestig coupletten, waarin de Engelengroet steeds weer als een refrein terugkwam, een krankzinnig makend gezang, dat den hemel der extase opende. [99]


1 Spaar, O Heer, spaar Uw volk … 

2 Ik geloof in den eenigen God. 

3 Heer, erbarm u … 

4 Christus, verhoor ons. 

5 Bid voor ons, heilige Moeder Gods. 

6 Moge God u door deze heilige zalving en door zijn zeer heilige genade u vergeven al wat gij gezondigd hebt door uw gezicht, uw gehoor, uw reuk, uw smaak, uw aanraking. 

7 Bid voor ons, heilige Moeder Gods, opdat wij de beloften van Christus waardig worden. 

8 Negendaagsche godsdienstoefening om zekere genade te verkrijgen. 

9 Verlamming van het onderste gedeelte van het lichaam. 

10 Wees gegroet, ster der zee. Beginwoorden van een kerklied. 

[Inhoud]

TWEEDE DAG

[Inhoud]

I.

De stationsklok, waarvan de wijzerplaat door een reflector verlicht werd, wees drie uur twintig minuten aan. Onder de kap, die over het ongeveer honderd meter lange perron liep, drentelden in geduldige afwachting schimmen op en neer. In de verte, in de zwarte vlakte, zag men niets dan een rood seinlicht.

Twee van die heen-en-weer drentelende schimmen bleven staan. De grootste, een pater van Maria Hemelvaart, de eerwaarde pater Fourcade, directeur van de nationale bedevaart, een zestiger en een flinke verschijning in zijn zwarte pelerine met de lange kap, was den vorigen dag te Lourdes aangekomen. Zijn mooie kop met de heldere, gebiedende oogen en den dikken, grijzenden baard deed denken aan dien van een veldheer, welke vastbesloten is te overwinnen. Lijdend aan jicht, trok hij wat met zijn been en leunde op den schouder van dr. Bonamy, den aan het bureau voor het constateeren van wonderen verbonden geneesheer, een klein, ineengedrongen mannetje met een kaalgeschoren gezicht, doffe en verwaterde oogen, en grove, kalme trekken.

Pater Fourcade vroeg aan den stationschef, die uit zijn bureau kwam loopen:

“Mijnheer, is de witte trein veel te laat?”

“Neen, eerwaarde, hoogstens tien minuten. Om half vier is hij binnen … Ik maak me meer ongerust over den trein uit Bayonne, die al door moest zijn.”

Hij liep weg om een bevel te geven, kwam dan weer terug, mager en zenuwachtig, in de koortsachtige opgewondenheid, die hem tijdens de groote bedevaart dagen en nachten op den been hield. Dien ochtend verwachtte hij buiten den gewonen dienst, achttien extra-treinen met meer dan vijftien duizend reizigers. De grijze en de blauwe trein, die het eerst van [100]Parijs vertrokken waren, waren op het vastgestelde uur binnen gekomen. Maar de vertraging van den witten trein was des te onaangenamer, omdat de expres uit Bayonne ook nog niet gemeld was, zoodat het te begrijpen was, dat het personeel iedere seconde op zijn qui-vive moest zijn.

“Over tien minuten, dus?”

“Ja, over tien minuten, wanneer we tenminste de lijn niet moeten afsluiten,” riep de chef, die zich naar de telegraaf spoedde.

Langzaam hervatten de geestelijke en de geneesheer hun wandeling. Het verbaasde hun, dat er te midden van al die koortsachtige drukte nooit een ernstig ongeluk gebeurd was. Vroeger vooral heerschte er een ongelooflijke wanorde. En onwillekeurig dacht de pater terug aan de eerste bedevaart, die hij in 1875 had georganiseerd en geleid: de verschrikkelijke, eindelooze reis, zonder kussens of matrassen, met half-doode zieken, die men niet wist hoe tot het leven terug te roepen; dan de aankomst te Lourdes, het ordelooze uitstappen, niet het minste transportmateriaal, geen draagbaren, geen brancards, geen rijtuigen. Thans echter was alles prachtig ingericht en georganiseerd; de hospitalen voor de zieken, die men nu niet meer op stroo in loodsen behoefde te leggen. Wat een ramp vroeger voor die ongelukkigen! Welk een wilskracht moest de geloovigen naar het wonder brengen. En de pater glimlachte zacht bij de gedachte aan het werk, dat hij gedaan had. Nog steeds op diens schouder leunend, vroeg hij aan den dokter:

“Hoeveel pelgrims hebt u verleden jaar gehad?”

“Ongeveer tweehonderd duizend. Dat is het gemiddelde, dat zich aardig blijft handhaven … Het jaar van de kroning der Heilige Maagd was het aantal vijfhonderd duizend. Maar dat was een uitzonderingsgeval en het gevolg van een groote propaganda. Zulke getallen bereik je niet meer.”

Er volgde een korte stilte, dan prevelde de pater:

“Ongetwijfeld … het werk wordt gezegend, neemt van dag tot dag in bloei toe. Dit jaar hebben we ongeveer tweehonderdvijftig duizend francs voor deze reis aan giften gekregen; en God zal met ons zijn, morgen zult u talrijke genezingen te constateeren hebben, daar ben ik vast van overtuigd.”

En zichzelf in de rede vallend:

“Is pater Dargelès er niet?”

Dr. Bonamy maakte een gebaar om te zeggen, dat hij het [101]niet wist. Pater Dargelès was belast met de redactie van den Journal de la Grotte. Hij behoorde tot de orde van de paters der Onbevlekte Ontvangenis, die door den bisschop te Lourdes waren gevestigd en daar onbeperkt heer en meester waren. Doch wanneer de paters van Maria Hemelvaart met de nationale bedevaart uit Parijs kwamen, waarbij zich de geloovigen uit de steden Kamerijk, Atrecht, Chartres, Troyes, Reims, Sens, Orleans, Blois en Poitiers voegden, was het net, alsof zij geheel en al verdwenen waren: men zag ze niet bij de Grot, niet bij de Basilica; zij schenen met het afgeven der sleutels tevens de verantwoordelijkheid van zich te werpen. Zelfs hun overste, pater Capdebarthe, een groot, krachtig en grof gebouwd man, een soort boer, wiens verweerd gezicht den roodbruinen en droefgeestigen weerschijn van den grond behouden had, vertoonde zich niet. Alleen den kleinen en vriendelijken pater Dargelès vond men overal, op zoek naar berichten voor zijn courant. Maar al verdwenen de paters der Onbevlekte Ontvangenis, toch voelde men hen achter dit groote decor als de verborgen en souvereine kracht, die overal geld uit slaat, die zonder ophouden werkt aan den bloei van het huis. Zelfs hun eigen nederigheid exploiteerden zij.

“Ik heb wel vroeg op moeten staan,” begon pater Fourcade het gesprek weer op vroolijken toon, “om twee uur al, maar ik wou hier zijn. Wat zouden mijn arme kinderen anders gezegd hebben?”

Zoo noemde hij de zieken, het vleesch voor de wonderen; en altijd was hij, welk uur het ook zijn mocht, tegenwoordig geweest bij de aankomst van den witten trein, dien jammervollen trein met de ernstige zieken.

“Vijf minuten voor half vier, nog vijf minuten,” zeide dr. Bonamy, die een geeuw onderdrukte, terwijl hij naar de klok keek, en ondanks zijn kruipend-onderdanige houding gruwlijk het land had, dat hij zoo vroeg uit zijn bed had moeten komen.

Op het perron, dat op een overdekten promenoir geleek, bleef te midden van de dichte duisternis, waarin de gaslantaarns geel plekten, het op-en-neer-drentelen voortduren. Niet duidelijk te onderscheiden menschen in kleine groepen, geestelijken, heeren in overjassen, een officier der dragonders liepen zacht fluisterend af en aan. Anderen zaten op de langs den muur staande banken eveneens te praten of staarden, strak voor zich uit kijkend, naar de donkere vlakte. In de schel [102]verlichte bureaux en wachtkamers teekenden de donkere deuren zich duidelijk af, terwijl ook de restauratiezaal, waarin men de marmeren tafels en het met brood en vruchten, flesschen en glazen beladen buffet zag, haar volle verlichting reeds had aangestoken.

Maar vooral aan het achtereinde van de kap heerschte een verward gedrang van menschen. Aan dien kant bracht men de zieken naar buiten. Een groot aantal brancards en kleine rijtuigjes, een formeele barricade van kussens en matrassen versperde het breede trottoir. Ook waren daar drie ploegen brancarddragers, mannen uit alle standen, maar voornamelijk jongelui uit de hoogere kringen, die op hun jassen het roode, oranjekleurig gerand kruis en de geellederen draagband droegen. Velen hadden de baret op, de makkelijke hoofddracht uit die streken. Sommigen, als toegerust voor een verre expeditie, droegen mooie slobkousen, die tot aan de knieën reikten. Enkelen rookten, anderen hadden het zich makkelijk gemaakt in hun kleine rijtuigjes en sliepen of lazen bij het licht der gaslantaarns een courant. Afgezonderd van de anderen stond een groepje over de inrichting van den dienst te praten.

Plotseling groetten de brancarddragers. Een vriendelijk heer met grijze haren, een goedhartig, dik gezicht en met groote blauwe kinderoogen kwam aangeloopen. Het was baron de Suire, een der grootste kapitalisten van Toulouse en voorzitter van de Hospitalité de Notre-Dame de Salut

“Waar is Berthaud?” vroeg hij druk doende aan iedereen. “Waar is Berthaud? Ik moet hem spreken.”

Iedereen antwoordde en ieder gaf een andere inlichting. Berthaud was de directeur der brancardafdeeling. Sommigen hadden den directeur zoo even nog met den eerwaarden pater Fourcade gezien, anderen beweerden, dat hij op de binnenplaats van het station de ambulancewagens inspecteerde.

“Als mijnheer de president wil, dat we den directeur halen …”

“Neen, neen, dank je wel. Ik zal hem zelf wel vinden.”

Intusschen zat Berthaud in afwachting van de aankomst van den trein aan het andere einde van het station op een bank te praten met zijn jongen vriend Gérard de Peyrelongue. Het was een veertiger met een knap, lang en regelmatig gezicht, die nog zijn welverzorgd magistraten-bakkebaardje had. Behoorende tot een militante legitimistische familie en zelf streng reactionnair, was hij sedert den 24sten Mei ambtenaar van het Openbaar Ministerie in een stad in het Zuiden, [103]toen hij na de afkondiging der decreten tegen de congregaties op luidruchtige wijze zijn ontslag genomen had in een beleedigenden brief aan den minister van Justitie. Daarbij had hij het echter niet gelaten, doch zich bij wijze van protest aangesloten bij de Hospitalité de Notre Dame de Salut en kwam dit ieder jaar te Lourdes in het openbaar manifesteeren, overtuigd als hij was, dat die bedevaarten onaangenaam en schadelijk waren voor de republiek en dat de Heilige Maagd alleen het koningschap kon herstellen door een van de wonderen, die zij in de Grot in zoo grooten getale wrocht. Verder had hij een goed helder verstand, lachte graag en was steeds even vriendelijk en hartelijk voor de arme zieken, voor wier transport hij gedurende de drie dagen van de nationale bedevaart zorgde.

“Dus dit jaar ga je trouwen, Gérard?” vroeg hij aan den jongen man, die naast hem zat.

“Zeker, als ik de vrouw vind, die ik noodig heb,” antwoordde deze. “Kom, neef, geef u mij eens een goeden raad.”

Gérard de Peyrelongue, een klein, mager, rosachtig mannetje met een sterk ontwikkelden neus en ingevallen wangen, kwam uit Tarbes en had kort geleden zijn ouders verloren, die hem een rente van. niet meer dan zeven of achtduizend francs hadden nagelaten. Zeer eerzuchtig, had hij in zijn provincie niet de vrouw, die hij wilde, kunnen vinden, een vrouw van goede familie, die door haar relaties in staat zou zijn hem hoogerop te brengen. Hij had zich dan ook bij de Hospitalité aangesloten en ging ieder jaar naar Lourdes met de vage hoop, dat hij daar onder de menigte geloovigen, onder den stroom van dames en jonge meisjes, de familie zou ontdekken, die hij noodig had, om zijn carrière in dit ondermaansche te maken. Maar tot nog toe had het hem niet mogen gelukken, want al had hij verschillende jonge meisjes op het oog, geen enkele viel geheel in zijn smaak.

“Ja werkelijk neef, u, die toch een man van ervaring bent, moest mij eens een raad geven … Daar is in de eerste plaats mademoiselle Lemercier, die hier met haar tante komt. Zij is schatrijk, meer dan een millioen beweert men. Maar zij behoort niet tot onze kringen en ik geloof, dat zij nog al excentriek is.”

Berthaud schudde zijn hoofd.

“Ik heb het je al meer gezegd, als ik jou was, nam ik de kleine Raymonde, mademoiselle de Jonquière.”

“Maar die bezit geen sou.” [104]

“Dat is zoo, nauwelijks genoeg om te leven. Maar zij is vrij knap, uitstekend opgevoed en heeft geen neiging tot verkwisting; en dat laatste doet de deur toe, want waartoe dient het een rijk meisje te nemen, als zij toch alles wat zij meebrengt weer uitgeeft? En dan, ik ken de dames heel goed, ik ontmoet ze ’s winters in de invloedrijkste salons van Parijs. En bovendien vergeet haar oom niet, den diplomaat, die den treurigen moed gehad heeft in dienst der republiek te blijven en ongetwijfeld heel wat voor zijn neef zal kunnen doen.”

Gérard, die een oogenblik aan het wankelen gebracht was, zeide echter weer:

“Geen sou, geen sou, neen, het is onmogelijk … Ik wil er nog wel eens over nadenken, maar heusch, ik zie er te erg tegen op.”

Ditmaal begon Berthaud hartelijk te lachen.

“Kom, je bent eerzuchtig, dan moet je durven. Ik verzeker je, je wordt er gezantschapssecretaris door … De dames komen met den witten trein, die dadelijk binnen zal stoomen. Wees een kerel en maak haar het hof!”

“Neen, neen … later! Ik wil er eerst nog eens over nadenken!”

Op dit oogenblik werden zij gestoord. Baron de Suire, die reeds langs hen gekomen was zonder hen te zien, zoo donker was het in dit afgelegen hoekje, had het hartelijke lachje van den voormaligen officier van justitie herkend. En onmiddellijk gaf hij hem met een ongelooflijke radheid van tong verschillende bevelen betreffende de ambulancewagens, waarbij hij zich beklaagde, dat men wegens het werkelijk al te vroege uur de zieken niet onmiddellijk na hun aankomst naar de Grot brengen kon. Ze zouden nu gebracht worden naar het Hôpital de Notre-Dame des Douleurs, zoodat zij na hun zoo moeilijke reis wat rust konden nemen.

Terwijl de baron en de leider van den brancarddienst de maatregelen, die genomen dienden te worden, bespraken, drukte Gérard een priester, die naast hem was komen zitten, de hand. De nauwlijks acht-en-dertigjarige abbé Des Hermoises had den knappen kop van een mondain geestelijke, friseerde en parfumeerde zich zorgvuldig en was de lieveling der dames. Hij kwam, zooals zoovele priesters voor hun genoegen gaan, uit eigen beweging naar Lourdes; uit zijn heldere oogen straalde een gezond verstand en om zijn lippen speelde het lachje van een scepticus, die zich boven [105]alle afgodendienst verheven voelt. Zeker, hij geloofde en boog nog in aanbidding zijn knie; maar de Kerk had zich over de wonderen niet uitgesproken en hij scheen bereid ze te betwisten. Hij had in Tarbes gewoond en kende Gérard.

“Nu,” zeide hij, “is dat wachten op de aankomst der treinen midden in den nacht niet iets indrukwekkends?… Ik ben hier voor een dame, een van mijn vroegere biechtkinderen uit Parijs; ik weet niet precies met welken trein zij komt, doch ik blijf maar, ik vind het zoo interessant.”

En toen een andere priester, een oude plattelandspastoor, naast hem was komen zitten, begon hij met hem te praten over de schoonheid der omstreken van Lourdes, over het prachtige gezicht straks, wanneer de bergen in de opgaande zon zichtbaar zouden worden.

Opnieuw ontstond er plotseling een koortsachtige drukte. De chef liep heen en weer, schreeuwde bevelen. Pater Fourcade liet ondanks zijn jichtig been den schouder van dr. Bonamy los en ging naar voren.

“Die expres van Bayonne komt maar niet,” antwoordde de chef op de verschillende vragen … Waarom melden ze ook niets? Ik ben er niets gerust op!”

Weer ging het signaal over, een witkiel ging, met een lantaarn zwaaiend, de donkerte in, terwijl in de verte met een seinlicht gemanoeuvreerd werd.

“Dat is de witte trein,” riep de chef. “Laten we hopen, dat we den tijd zullen hebben, om de zieken er uit te krijgen, voor de expres doorkomt.”

Hij liep weer verder en verdween. Berthaud riep Gérard, die leider van een brancard-afdeeling was; en beiden haastten zich naar hun menschen, aan wie baron Suire reeds orders gaf. De brancarddragers kwamen van alle kanten toeschieten, en begonnen kleine wagentjes over de lijn te brengen, naar de plaats, waar de witte trein zou stilstaan, een geheel onoverdekt gedeelte van het perron, dat in het donker lag. Er vormde zich ook daar weldra een opstapeling van kussens, matrassen en draagbaren, terwijl pater Fourcade, dr. Bonamy, de geestelijken, de heeren en de officier der dragonders ook de spoorbaan overstaken om bij het uitstappen der zieken behulpzaam te zijn. Heel in de verte, achter in de donkere vlakte zag men nog slechts de lantaarn der locomotief als een steeds grooter wordende ster. Schelle fluitsignalen verscheurden den nacht. Dan zwegen zij, hoorde men niets meer dan het snuiven van de machine, het doffe [106]rollen der wielen. Allengs onderscheidde men duidelijk het gezang, de litanie van Bernadette, die door den geheelen trein gezongen werd met de obsessies gevende Ave’s van het refrein. Dan reed die trein van jammer en geloof, die kreunende en zingende trein Lourdes binnen en stond stil.

Onmiddellijk werden de portieren geopend en stapte de menigte gezonde pelgrims en de zieken, die loopen konden, uit, en overstroomde het perron. De enkele lantaarns verlichtten slechts zwak die arme schare in hun povere kleeding, beladen en bepakt met allerlei bagage, manden, valiezen, houten kisten; en te midden van het gedrang, het gestoot met ellebogen van die opgewonden troep, die niet wist in welke richting zij gaan moest, om bij den uitgang te komen, stegen uitroepen op, geschreeuw van families, die elkaar verloren hadden, werden enkelen begroet door familieleden of vrienden, die hen kwamen halen. Met een blik van zalige tevredenheid verklaarde een vrouw: “Ik heb lekker geslapen!” Een pastoor ging met zijn valies weg, terwijl hij een manke dame: “Veel geluk!” toewenschte. De meesten hadden de verschrikte, vermoeide en blijde uitdrukking van menschen, die een pleiziertrein op een onbekend station uitwerpt. Ten slotte werden het gedrang en de verwarring zóó groot, dat de reizigers niet eens de beambten hoorden, die met hun “Hierheen! Hierheen!” hun keel schor schreeuwden, om de ontruiming van het station te bespoedigen.

Vlug was zuster Hyacinthe, die de zorg voor den doode aan zuster Claire des Anges overgedragen had, uitgestapt en liep nu naar den kantinewagen met het denkbeeld, dat Ferrand haar helpen zou. Gelukkig vond zij voor dien wagen pater Fourcade, aan wien zij zachtjes het voorgevallene vertelde. Hij wist een gebaar van ongeduld te bedwingen en hield baron de Suire, die juist voorbijkwam, aan. Een paar seconden fluisterden de beide mannen. Dan spoedde de baron zich voort, baande zich een weg door de menigte met twee dragers, die een overdekte baar droegen. En de man werd weggedragen, als ware hij een zieke, die een flauwte gekregen had, zonder dat de groote schare pelgrims zich in de drukte van de aankomst verder om hem bekommerde; de beide dragers, voorafgegaan door den baron, legden hem voorloopig achter tonnen in een der loodsen neer. Een van hen, de zoon van een generaal, bleef bij het lijk waken.

Na zuster Saint-François gevraagd te hebben op het stationsplein [107]bij het gereserveerde rijtuig, dat haar naar het Hôpital de Notre-Dame des Douleurs zou brengen, op haar te wachten, haastte zuster Hyacinthe zich weer naar haar wagon terug. Toen zij zeide, dat zij eerst de zieken behulpzaam wilde zijn bij het uitstappen, weigerde Marie dat op vriendelijken toon.

“Maak u maar niet druk om mij, zuster. Ik zal tot het laatst wachten … Vader en abbé Froment zijn in den bagagewagen het onderstel gaan halen; ik wacht hier wel, ze weten hoe ze alles in elkaar moeten zetten en me dan wegrijden.”

Ook mijnheer Sabathier en broeder Isidore wilden niet weggebracht worden, voor de drukte wat voorbij was. Madame de Jonquière, die la Grivotte voor haar rekening genomen had, beloofde er ook voor te zullen zorgen, dat madame Vêtu in een ambulancewagen vervoerd zou worden.

Toen besloot zuster Hyacinthe onmiddellijk weg te gaan, om alles in het ziekenhuis in orde te maken. Zij nam de kleine Sophie Couteau en Elise Rouquet, wier gezicht zij zorgvuldig bedekte, mede. Madame Maze ging haar voor, terwijl madame Vincent zich een weg door de menigte baande, alleen nog maar bezield door de gedachte haar kind, dat zij bewusteloos in haar armen droeg, in de Grot aan de voeten van de Heilige Maagd neer te leggen. Nu verdrong de menigte zich naar den uitgang. Men moest de deuren van de bagagezaal open zetten om het wegvloeien van den menschenstroom te vergemakkelijken; de employé’s, die niet meer wisten, hoe zij de plaatsbewijzen moesten innemen, hielden hun petten maar op, die zich weldra met de kleine stukjes karton vulden.

Op het stationsplein, een groot vierkant plein, dat aan drie zijden door de lage stationsgebouwen ingesloten was, heerschte eveneens een buitengewone drukte, een verwarring van allerlei soorten voertuigen door elkaar heen. De hotel-omnibussen, die tegen den trottoirband stonden, hadden op hun impériales de heiligste namen, die van Maria en Jezus, van den H. Michael, van den Rozenkrans, van het Heilige Hart. Dan volgde ambulancewagens, landauers, cabrioletten, meubelwagens, kleine ezelkarretjes, waarvan de koetsiers schreeuwden en vloekten te midden van het lawaai, dat nog toenam door de duisternis, waarin de lantaarns enkele lichte gaten boorden.

Het onweer had een gedeelte van den nacht geduurd, nattige modder spatte op onder de hoeven der paarden; de voetgangers waadden er tot aan hun enkels in. [108]

Mijnheer Vigneron, die door madame Chaise gevolgd werd, droeg zijn zoon met diens krukken in den omnibus van het Hôtel des Apparitions, waarin zijn dames en hij zelf dan ook plaats namen. Madame Maze wenkte angstig als een zindelijk poesje, dat bang is zijn pootjes vuil te maken, den koetsier van een oud vehikel, stapte in en verdween, terwijl zij als adres het klooster der Blauwe Zusters opgaf. Zuster Hyacinthe kon eindelijk met Elise Rouquet en Sophie Couteau plaats vinden in een ruimen char-à-bancs, waarin Ferrand en de zusters Saint-François en Claire des Agnes reeds zaten. De koetsiers legden de zweep over hun kleine, vurige paardjes en de rijtuigen schoten in groote vaart weg te midden van het geschreeuw der menschen en het opspatten van de modder.

Bij het zien van die geweldige menschenmassa durfde madame Vincent met haar dierbare last niet verder gaan. Om haar heen klonk hier en daar gelach. O, wat een modder! Allen hielden haar rokken op en gingen weg. Toen het plein wat leeger werd, waagde zij het eindelijk ook te gaan. Maar wat een angst, om in die modderplassen uit te glijden en in die pikdonkerte te vallen! Toen zij bij den weg, die naar beneden liep, kwam, zag zij groepjes vrouwen uit de omstreken staan, die op vreemdelingen loerden en hun kamers met of zonder pension, al naar hun beurzen, aanboden.

“Madame,” vroeg zij aan een oude vrouw, “zoudt u mij den weg naar de grot kunnen wijzen?”

Doch deze gaf geen antwoord op die vraag, bood haar een niet dure kamer aan.

“Alles is vol, u zult in de hotels niets meer vinden … Misschien nog wat te eten, maar zelfs het kleinste hoekje niet om te slapen.”

Eten, slapen, daar dacht madame Vincent nog al aan, die op reis gegaan was met dertig sous, alles wat zij na de uitgaven, die zij had moeten doen, nog bezat!

“Madame, hoe kom ik het makkelijkst bij de Grot?”

Onder de vrouwen, die daar stonden te loeren, bevond zich een flinke, groote meid in een helder dienstbodenpakje, met een frisch gewasschen gezicht en goed onderhouden handen. Zij haalde flauwtjes haar schouders op. En toen een priester met een breede borst en gezonde roode wangen voorbijkwam, vloog zij op hem af, bood hem een gemeubileerde kamer aan en bleef hem volgen, terwijl zij hem iets in het oor fluisterde. [109]

“Kijk,” zeide eindelijk een ander meisje, dat medelijden kreeg, tegen madame Vincent, “loop dezen weg af, sla dan rechts om en u bent bij de Grot!”

Op het perron, waarvoor de trein stilgehouden had, heerschte nog een groot gedrang. Terwijl de gezonde pelgrims en de zieken, die nog loopen konden, weggingen, waren de ernstige zieken, wier uitstappen en vervoer moeilijker ging, nog in de wagons. De brancarddragers raakten hun hoofd kwijt, liepen met hun draagbaren en wagentjes als dollen heen en weer, wisten bij de overstelpende hoeveelheid werk niet, waar zij beginnen moesten.

Toen Berthaud met Gérard, druk gesticuleerend, voorbijkwam, zag hij bij een lantaarnpaal twee dames en een jong meisje, die blijkbaar stonden te wachten. Hij herkende Raymonde en hield zijn vriend met een gebaar terug.

“O, mademoiselle, het is me een waar genoegen u te zien. Maakt uw moeder het goed en hebt u een goede reis gehad?”

En zonder op een antwoord te wachten:

“Mijn neef Gérard de Peyrelongue.”

Raymonde keek met haar heldere, glimlachende oogen den jongen man even goed aan.

“O, ik heb het genoegen mijnheer te kennen. Wij hebben elkaar reeds te Lourdes ontmoet.”

Gérard echter vond, dat zijn neef Berthaud wat te hard van stal liep, en maakte, vastbesloten, zich niet op die manier te laten binden, een zeer beleefde buiging.

“Wij wachten op mama,” begon het jonge meisje weer. “Zij heeft het met al die ernstige zieken zeer druk.”

De kleine madame Désagneaux met haar knap, blond gezichtje en haar weerspannige lokken, kwam daartegen in verzet en zeide, dat het madame de Jonquière’s eigen schuld was, dan had zij haar hulp maar niet moeten weigeren; zij stampte van ongeduld met haar voeten en brandde van verlangen om zich nuttig te maken, terwijl madame Volmar zich stil en bescheiden op den achtergrond hield en niet de minste belangstelling toonde; zij trachtte met haar prachtige oogen, die gewoonlijk als met een sluier bedekt waren, doch als kolen konden gloeien, de duisternis te doorboren, als zocht zij iemand.

Op dat oogenblik ontstond er een groot gedrang. Madame Dieulafay werd uit haar compartiment eerste klasse gedragen, en madame Désagneaux kon een uitroep van medelijden niet bedwingen. [110]

“Arme vrouw!”

Het was ook werkelijk een hartverscheurend schouwspel, die jonge vrouw te midden van haar grooten luxe, met haar kanten als in een doodkist liggend, zoo vermagerd, dat zij nog slechts een lap scheen te zijn. Zoo lag zij daar te wachten om weggedragen te worden. Haar man en haar zuster bleven bij haar staan, beiden zeer elegant en bedroefd, terwijl een knecht met de bagage wegging om te kijken of het telegraphisch bestelde rijtuig op het plein stond. Ook abbé Judaine hielp de zieke; en toen twee mannen haar oplichtten, boog hij zich over haar heen en sprak haar enkele bemoedigende woorden toe, die zij echter niet scheen te hooren. En terwijl hij haar nakeek, zeide hij tegen Berthaud, dien hij kende:

“Die arme menschen! Als zij de genezing konden koopen! Ik heb hun gezegd, dat het kostbaarste goud voor de Heilige Maagd het gebed is; en ik hoop zelf genoeg gebeden te hebben, dat de hemel zich over haar zal ontfermen … Maar toch brengen zij een prachtig geschenk mede, een gouden lantaarn voor de Basilica, een prachtwerk, met edelgesteenten bezet … Moge de Onbevlekte Maria zich een glimlach verwaardigen!”

Veel geschenken werden medegebracht, reusachtig groote bloemruikers voorbijgedragen, onder meer een driedubbele kroon van rozen op een houten voetstuk. De oude priester zeide, dat hij, alvorens het station te verlaten, nog een vaandel wilde gaan halen, een geschenk van madame Jousseur, de zuster van madame Dieulafay.

Inmiddels kwam madame de Jonquière naar hen toe en zeide, toen zij Berthaud en Gérard herkend had:

“Ach als het u blieft, heeren, gaat u zoo gauw mogelijk naar dien wagon hier vlak bij. Er zijn daar mannen noodig, er moeten drie of vier zieken uitgedragen worden … Mijn hoofd loopt om, ik kan niet meer.”

Gérard liep er reeds heen, na Raymonde gegroet te hebben, terwijl Berthaud madame de Jonquière aanraadde niet langer op het perron te blijven; hij verzekerde haar stellig en zeker, dat men haar volstrekt niet noodig had, dat hij voor alles zou zorgen en dat zij binnen drie kwartier haar zieken in het hospitaal zou hebben. Eindelijk liet zij zich overhalen en nam met Raymonde en madame Désagneaux een rijtuig. Op het laatste oogenblik was madame Volmar, als gaf zij toe aan een plotseling opgekomen ongeduld, verdwenen. Men had haar naar een onbekend heer zien gaan, zeker om hem [111]een inlichting te vragen. Enfin, ze zouden haar wel in het hospitaal terugvinden.

Berthaud voegde zich voor den wagon bij Gérard, juist toen deze met behulp van twee andere vrienden mijnheer Sabathier uit den coupé droeg. Het was een moeilijk werkje, want hij was dik en zwaar, en zij waren bang, dat zij hem niet door het portier zouden kunnen krijgen. Maar toch was hij erdoor binnengekomen ook. Twee andere dragers moesten nog door het andere portier naar binnen gaan, en op die wijze slaagde men er eindelijk in hem op het perron te krijgen. De dag begon aan te breken, een vaal, triest licht; het perron maakte met zijn uitstalling als van een geïmproviseerd lazaret een jammerlijken indruk. La Grivotte lag bewusteloos op een matras in afwachting van een draagbaar, terwijl men madame Vêtu, die zoo’n hevigen aanval had, dat zij bij den minsten schok gilde, tegen een lantaarnpaal had moeten neerzetten.

Heeren van de Hospitalité met handschoenen aan, reden in hun kleine wagentjes moeilijk arme, vuile vrouwen voort, die oude manden aan haar voeten hadden; weer anderen konden niet passeeren met hun draagbaren, waarop stijve lichamen lagen, jammerlijke, zwijgende lichamen met van angst uitpuilende oogen. Enkele zieken en kreupelen sleepten zich met moeite voort, zooals een jonge, hinkende priester en een kleine jongen met krukken, een bochel en een afgezet been, die zich als een aardmannetje door de menigte voortbewoog. Een groot gedrang was ontstaan om een man, die door een verlamming zóó krom gebogen was, dat men hem met zijn beenen en zijn hoofd naar beneden op een omgekeerden stoel vervoeren moest.

De verwarring bereikte echter zijn toppunt, toen de chef schreeuwend kwam aanstormen: “De expres van Bayonne is gemeld … Opschieten! Opschieten! Je hebt nog maar drie minuten!”

Pater Fourcade, die nog steeds op den arm van dr. Bonamy steunde, sprak den zieken moed in en wenkte Berthaud bij zich om hem te zeggen: “Laat ze er eerst allemaal uit komen, dan kunnen we ze later wel vervoeren.”

Het was een verstandige raad; het uitladen werd voortgezet In den wagon bevond zich nu nog slechts Marie, die geduldig wachtte. Mijnheer de Guersaint en Pierre waren eindelijk teruggekomen met de twee paar wielen; vlug hielp Pierre, alleen geholpen door Gérard, het jonge meisje eruit. [112]Zij was licht als een arm, rillend vogeltje, alleen de bak leverde eenige moeite op, dan zetten de beide mannen deze op twee paar wielen, die zij met klinknagels vastzetten.

“Opschieten! opschieten!” riep de chef weer.

Hij zelf hielp, steunde de voeten van een zieke, om hem uit een compartiment te krijgen. Hij duwde de kleine wagentjes voort en maakte den rand van het perron vrij. Maar in een wagon tweede klasse kreeg een vrouw, die het laatst uitgedragen zou worden, een hevig zenuwtoeval. Zij brulde, verzette zich; men kon er op dat oogenblik niet aan denken haar aan te raken. En de expres, die kwam, die door het onafgebroken gerinkel van het electrische seintoestel gemeld werd. Er moest een besluit genomen worden, n.l. het portier sluiten en den trein op het zijspoor brengen, waar hij in zijn tegenwoordige formatie drie dagen zou blijven staan om dan zijn lading pelgrims en zieken weer op te nemen. Terwijl de trein wegreed, hoorde men nog het gillen der ongelukkige, die er met een zuster in achter had moeten blijven, gillen, die steeds zwakker en zwakker werden, gillen van een krachteloos kind, dat men eindelijk tot bedaren brengt.

“Lieve God!” mompelde de chef, “het was hoog tijd!”

Inderdaad raasde de expres uit Bayonne aan en reed met bliksemsnelheid langs dit jammerlijke perron, waar de rampzalige ellende van een inderhaast ontruimd hospitaal door elkaar lag. De kleine wagentjes en draagbaren werden door elkaar geschud en geschokt; maar er gebeurde geen ongeluk, het stationspersoneel hield goed toezicht en verwijderde den half waanzinnigen troep, die naar den uitgang bleef dringen, van de spoorbaan. Nauwelijks was de trein voorbij, of de circulatie begon weer en de dragers konden voorzichtig het transport der zieken voortzetten.

Langzamerhand werd het lichter; een helder morgenrood kleurde den hemel, waarvan de weerschijn op de nog donkere aarde weerkaatste. Men begon menschen en dingen te onderscheiden.

“Neen, dadelijk!” zeide Marie tot Pierre, die zich een weg trachtte te banen. “Laten we wachten tot de stroom wat weggevloeid is.”

Intusschen werd haar aandacht getrokken door een ongeveer zestig-jarige man met een militair voorkomen, die tusschen de zieken doorwandelde. Met zijn vierkanten kop en zijn witte, kortgeknipte haren, zou men hem voor een kranigen ouden heer gehouden hebben, als hij niet getrokken had met [113]zijn linkervoet, dien hij bij iederen stap naar binnen gooide. Met zijn linkerhand steunde hij op een dikken wandelstok.

“Zoo, bent u het, Commandeur?” riep mijnheer Sabathier, die nu al voor de zooveelste maal in Lourdes kwam en hem blijkbaar kende.

Misschien heette hij mijnheer Commandeur. Maar, daar hij gedecoreerd was en een breed, rood lint droeg, gaf men hem mogelijk dien bijnaam om die decoratie, hoewel hij maar eenvoudig ridder was. Niemand kende precies zijn geschiedenis; hij moest nog ergens familie hebben, kinderen waarschijnlijk; maar al die dingen waren met een geheimzinnig waas omhuld. Sedert drie jaar was hij op het station belast met het toezicht op de bagageloodsen, een makkelijk en onbeteekenend baantje, dat men hem uit groote gunst gegeven had en met het magere salaris waarvan hij volmaakt gelukkig kon leven. Op zijn vijf-en-vijftigste jaar had hij een beroerte gehad, twee jaar later nog een, waardoor zijn linkerkant eenigszins verlamd was. Nu wachtte hij met volkomen kalmte op een derde. Zooals hij zeide, kon de dood hem krijgen, wanneer hij wilde, dien avond, morgen, op staanden voet. Iedereen in Lourdes kende hem om zijn manie tijdens de bedevaarten, wanneer hij de gewoonte had, om, al trekkend met zijn been en leunend op zijn stok, bij iederen trein, die aankwam, zich woedend te maken en de zieken hun vurig verlangen om te genezen voor de voeten te werpen.

Hij zag nu voor de derde maal mijnheer Sabathier; op dezen stortte hij de fiolen van zijn toorn uit.

“Ben je daar waarachtig al weer? Jij schijnt al erg aan dit vervloekte leven te hangen … Maar kerel, ga toch rustig thuis op je bed dood! Is dat niet het beste, wat je overkomen kan?”

Zonder boos te worden, lachte mijnheer Sabathier, hoewel hij toch gebroken was door de hardhandige wijze, waarop men hem uit den wagon had moeten dragen.

“Zeker niet, ik wil liever beter worden.”

“Beter worden, beter worden, dat vragen ze allemaal! Honderden mijlen afleggen, in stukken, en gillend van pijn aankomen, en dat om beter te worden, om alle pijn en alle beroerdigheid opnieuw te beginnen!… Kom, jij op jouw leeftijd en met jouw verwoest lichaam, jij zoudt een leelijke pijp rooken, als je Heilige Maagd je je beenen teruggaf. Wat zou je ermee uitvoeren, lieve Hemel? Welk plezier zou je ervan hebben om enkele jaren nog dien afschuwlijken [114]ouderdom te rekken?… Kom, sterf dadelijk, nou je eenmaal zoover bent! Dat is het eenige geluk!”

En hij zeide het, niet als een geloovige, die streeft naar de belooning in het hiernamaals, maar als een levensmoede, die vertrouwt in het Niets, in den grooten eeuwigen vrede van het niet meer zijn weg te zinken.

Terwijl mijnheer Sabathier zijn schouders optrok, alsof hij met een kind te doen had, bleef abbé Judaine, die eindelijk zijn vaandel teruggevonden had, in het voorbijgaan even staan, om den Commandeur, dien hij ook kende, een vriendelijk standje te geven.

“Geen godslasteringen, waarde heer; afstand doen van het leven en niet van je gezondheid houden is den hemel beleedigen. Als je mijn raad gevolgd hadt, zou je ook reeds de Heilige Maagd de genezing van je been gevraagd hebben.”

Toen werd de Commandeur boos.

“Mijn been! Daar kan zij niets aan veranderen! En laat de dood maar komen, laat het maar uit zijn, voor altijd!… Wanneer je moet sterven, draai je je hoofd naar den muur en sterft! Het is zoo eenvoudig mogelijk!”

Maar de oude priester viel hem in de rede. Hij wees hem op Marie, die, uitgestrekt in haar wagentje liggend, naar hen luisterde.

“Je wilt dus alle zieken naar huis terugsturen, om te sterven, niet waar? Zelfs mademoiselle, die nog zoo jong is en graag leven wil?”

In haar vurig begeerte om te leven, om haar deel te hebben van de groote wereld, opende Marie haar groote oogen; de Commandeur, die naar haar toe gekomen was, keek haar aan en werd plotseling aangegrepen door een diepe ontroering, die zijn stem deed beven.

“Als mademoiselle geneest, wensch ik haar een ander wonder toe, n.l. dat zij gelukkig wordt.”

Hij ging weg om als toornig philosoof zijn wandeling tusschen de zieken voort te zetten, trekkend met zijn been en met zijn dikken stok op de ijzeren steenen slaande.

Langzamerhand werd het perron leeg; madame Vêtu en la Grivotte waren weggedragen, Gérard reed mijnheer Sabathier in een wagentje naar zijn hôpital, terwijl baron Suire en Berthaud reeds bevelen gaven voor den volgenden trein, den groenen, die gauw binnen kon komen. Alleen Marie was er nog, voor wie Pierre niemand anders wilde laten zorgen. Hij had haar reeds naar het stationsplein gereden, [115]toen zij plotseling merkte, dat mijnheer de Guersaint verdwenen was. Onmiddellijk daarop zagen zij hem in druk gesprek met abbé Des Hermoises, met wien hij zoo even kennis gemaakt had. Een zelfde bewondering en liefde voor de natuur had hen samen gebracht. De dag was nu volkomen aangebroken; de bergen der omgeving toonden zich in hun volle majesteit. Mijnheer de Guersaint kon zijn verrukking niet inhouden.

“Wat een heerlijk land, mijnheer! Nu al dertig jaar lang loop ik rond met den wensch het keteldal van Gavarnie te zien. Maar dit is zoo ver en zoo duur, dat ik dat uitstapje zeker niet zal kunnen maken.”

“Maar dan vergist u zich, niets is makkelijker dan dat; als je en club gaat, is het zoo duur niet. Ik ga er van het jaar ook weer heen, zoodat, wanneer u u aansluiten wilt …”

“Wat u zegt, mijnheer!… Nu, we zullen er nog wel eens over praten.”

Zijn dochter riep hem, en na een hartelijken handdruk aan den priester ging hij naar haar toe. Pierre had besloten, dat hij Marie tot aan het hospitaal zou rijden, om het overbrengen in een ander voertuig te vermijden. De omnibus, landauers en meubelwagens kwamen reeds weer terug en vulden, in afwachting van den groenen trein, het stationsplein; het kostte hem eenige moeite om met het wagentje, waarvan de lage wielen tot aan de naven in de modder zakten, den weg te bereiken. Politieagenten, die belast waren met de regeling van het verkeer, vloekten tegen die beroerde plassen, die hun schoenen vuil maakten. Alleen de jonge en oude vrouwen, die niets liever wilden dan haar kamers verhuren, lachten om die modderpoelen en liepen er op haar klompen doorheen, om de pelgrims te achtervolgen.

Toen het wagentje op den dalenden weg wat makkelijker reed, lichtte Marie haar hoofd op, om aan mijnheer de Guersaint, die naast haar liep, te vragen:

“Vader, welken dag hebben we vandaag?”

“Zaterdag, lieveling!”

“Dat is waar ook, Zaterdag, de dag der Heilige Maagd!… Zal ze mij vandaag genezen?”

Achter haar droegen, op een overdekte baar, twee dragers heimelijk het lijk van den man weg, dat zij uit het kantoor gehaald hadden, om het naar een verborgen plek te brengen, die pater Fourcade hun had aangewezen, [116]

[Inhoud]

II.

Het Hôpital de Notre-Dame des Douleurs, dat door een vrijgevigen kanunnik gebouwd, maar uit gebrek aan geld onvoltooid gebleven was, is een groot, maar veel te hoog gebouw van vier verdiepingen, waarheen men de zieken slechts met moeite transporteeren kan. Gewoonlijk wordt het door een honderd zieke en arme oude mannen bewoond. Maar gedurende de drie dagen van de nationale bedevaart worden die grijsaards elders onder dak gebracht en wordt het Hôpital verhuurd aan de paters van Maria Hemelvaart, die er soms vijf à zeshonderd zieken herbergen. Maar hoeveel men er ook onder brengt, de ruimte blijft onvoldoende. Van de drie of vierhonderd zieken, die nog overblijven, gaan de mannen naar het Hôpital du Salut, de vrouwen naar het gemeentelijke ziekenhuis.

Dien ochtend was bij het opgaan der zon de verwarring op het met zand bestrooide binnenplein voor de deur, die door twee priesters bewaakt werd, zeer groot. Den vorigen avond had het personeel der tijdelijke directie met een reusachtige menigte registers, kaarten en gedrukte formulieren de bureaux in bezit genomen. Men wilde het veel beter inrichten dan het vorige jaar; de benedenzalen moesten gereserveerd blijven voor de meest hulpbehoevende zieken; verder zou de uitgifte der kaarten, die den naam van de zaal en het nummer van het bed droegen, zorgvuldig gecontroleerd worden, want er waren vergissingen wat betreft de identiteit voorgekomen. Maar alle goede bedoelingen leden schipbreuk bij den grooten stroom zieken, dien de witte trein aangevoerd had, en de nieuwe formaliteiten verwarden alles zóó zeer, dat men ertoe had moeten besluiten de ongelukkigen op het binnenplein neer te leggen, tot men ze later met wat meer orde zou kunnen binnenbrengen. En de uitlading begon opnieuw, evenals op het station, het jammerlijke legeren in de open lucht, terwijl de dragers en de beambten van het secretariaat, jonge seminaristen, van alle kanten kwamen toegesneld.

“Ze hebben het te goed willen doen,” riep baron Suire wanhopig uit.

En het was waar, nooit had men zooveel nuttelooze voorzorgsmaatregelen genomen. Men bemerkte, dat men ten gevolge van onverklaarbare vergissingen zieken, die het [117]moeilijkst te transporteeren waren, in de bovenzalen had ondergebracht.

Het was onmogelijk een nieuwe regeling te maken, alles moest nu maar op goed geluk af zijn gang gaan. De uitdeeling der kaarten begon, terwijl een jonge priester voor de controle de namen en de adressen in een register opteekende. Iedere zieke moest verder zijn kaart toonen, die de kleur van den trein had met zijn naam en volgnummer, en waarop men dan den naam der zaal en het nummer van het bed invulde. Daardoor duurde de toelating nog langer.

Dan begon in het groote gebouw van beneden naar boven over de vier verdiepingen een eindeloos heen en weer gedraaf. Mijnheer Sabathier was een der eersten, die toegelaten werd in een zaal op den rez-de-chaussée, de zoogenaamde salle des ménages, waar de mannen hun vrouwen bij zich mochten houden. Verder werden in het Hôpital de Notre-Dame des Douleurs slechts vrouwen opgenomen. En, hoewel broeder Isidore met zijn zuster was, wilde men hen toch als getrouwd beschouwen; hij kreeg een bed naast dat van mijnheer Sabathier.

De kapel, die nog wit van de kalk was en waarvan de ramen met planken waren toegespijkerd, bevond zich ernaast. Ook in andere zalen, die nog niet geheel af waren, had men matrassen gelegd, die weldra met zieken gevuld waren. Maar reeds verdrong zich de menigte vrouwen, die loopen konden, in het refectorium1, een lange overdekte galerij, die uitzag op het binnenplein en waar de zusters Saint-Frai, die voor de huishouding van het Hôpital zorgden en op haar post gebleven waren, koppen koffie en chocolade uitdeelden aan al die arme, door de verschrikkelijke reis uitgeputte vrouwen.

“Rust flink uit en verzamelt krachten,” herhaalde baron Suire, die zich overal tegelijk vertoonde. “Ge hebt nog een goede drie uur. Het is nu vijf en de eerwaarde paters hebben bevel gegeven niet voor acht uur naar de Grot te gaan, om te groote vermoeienissen te vermijden.”

Boven op de tweede verdieping had madame de Jonquière bezit genomen van de zaal Sainte-Honorine, waarvan zij directrice was. Zij had haar dochter Raymonde, die bij den dienst in het refectorium ingedeeld was, beneden moeten laten, daar volgens het reglement jonge meisjes niet in de zalen [118]mochten komen, waar zij te stuitende en afzichtelijke dingen zouden kunnen zien. Maar de kleine madame Désagneaux had de directrice niet verlaten, aan wie zij, gelukkig eindelijk ook zelf iets te kunnen doen, reeds bevelen vroeg.

“Madame, zijn alle bedden goed opgemaakt? Of wil ik het met zuster Hyacinthe nog eens overdoen?”

De lichtgeel geverfde zaal, die, daar het licht alleen van het binnenplein kwam, vrij donker was, bevatte vijftien bedden, welke in twee rijen langs de muren stonden.

“We zullen dadelijk wel eens kijken,” antwoordde madame de Jonquière, die blijkbaar met haar gedachten elders was.

Zij telde de bedden, keek de lange, nauwe zaal nog eens goed aan. Dan fluisterde zij: “Ik zal nooit genoeg plaats hebben. Ik zou drie-en-twintig zieken krijgen, we zullen dus matrassen op den grond dienen te leggen.”

Zuster Hyacinthe, die zuster Saint-François en zuster Claire des Anges in een klein als linnenkamer ingericht vertrekje ernaast had achtergelaten, sloeg intusschen de dekens op en keek naar de lakens en dekens. Zij stelde madame Désagneaux gerust.

“De bedden zijn goed opgemaakt en alles is helder en zindelijk. Je kan goed zien, dat de zusters Saint Frai er een oogje op gehouden hebben … Maar de reserve-matrassen liggen vlak bij, en wanneer madame me zou willen helpen, zouden we dadelijk een rij tusschen de bedden hier kunnen neerleggen.”

“Natuurlijk, heel graag!” riep de jonge vrouw, verrukt door de gedachte met haar mooie, blanke armen matrassen te dragen.

Madame de Jonquière moest haar wat kalmeeren.

“Voor het oogenblik heeft dat geen haast. Laten we maar wachten, tot de zieken er zijn … Ik mag deze zaal niet erg; je kunt zoo moeilijk luchten … Verleden jaar had ik de zaal Sainte-Rosalie op de eerste verdieping … Enfin, we zullen er ons wel door heen slaan.”

Nog meer hospitaliteitsdames kwamen, een dichte zwerm nijvere bijen, die van verlangen brandden om aan het werk te gaan. Ja zelfs werd dit te groot aantal verpleegsters, die grootendeels uit de hoogere kringen en den middenstand afkomstig waren en een vurigen ijver, waaraan zich ook wel een beetje ijdelheid paarde, aan den dag legden, een nieuwe oorzaak van verwarring. Zij waren met haar tweehonderden. Daar ieder bij haar toetreden tot de Hospitalité [119]de Notre-Dame de Salut een gift moest geven, durfde men er geen weigeren uit vrees, dat de bron van inkomsten anders uitdrogen zou; op die wijze groeide haar aantal jaarlijks aan. Gelukkig waren er bij, voor wie het voldoende was het kruis van rood laken op de borst te dragen, en die, dadelijk bij aankomst te Lourdes, uitstapjes gingen maken. Maar zij, die zich aan het werk wijdden, waren werkelijk zeer verdienstelijk, want dan waren het vijf dagen van verschrikkelijke inspanning, waarin zij nauwelijks twee uur per nacht sliepen, levend te midden van de vreeselijkste en afstootelijkste tooneelen. Zij waren getuigen van moeilijke doodsstrijden, zij verbonden stinkende wonden, leegden kommen en kannen, verschoonden vuile vrouwen, keerden de zieken om, een inspannend en afmattend werk, waaraan zij niet gewoon waren. Na afloop voelden zij zich dan ook als geradbraakt, half dood, en hadden koortsachtige oogen, waarin de vreugde over de barmhartigheid, die haar tot extase voerde, brandde.

“Waar is madame Volmar?” vroeg madame Désagneaux. “Ik dacht ze hier terug te vinden.”

Zachtjes sneed madame de Jonquière verdere vragen af, als was zij op de hoogte en wilde zij, als vrouw, die menschelijke zwakheid door de vingers ziet, daarover niet verder praten.

“Zij is niet sterk; zij rust wat in het hotel. We moeten haar laten slapen.”

Dan verdeelde zij de bedden onder de dames, gaf er ieder twee. En allen namen nu de ziekenzaal volkomen in bezit, liepen af en aan, van boven naar beneden, om te zien waar de administratiekantoren, de linnenkamers en de keukens waren.

“En waar is de apotheek?” vroeg madame Désagneaux weer.

Doch er was geen apotheek, zelfs geen medisch personeel aanwezig. Waartoe zou dat trouwens dienen? De zieken waren toch door de wetenschap opgegeven, radeloozen en wanhopigen, die aan God een genezing vragen kwamen, welke de onmachtige en machtelooze mensch hun niet beloven kon. Logischerwijze werd gedurende de bedevaart iedere medische behandeling onderbroken. Als bij een ongelukkige de doodsstrijd intrad, dan bediende men haar. Slechts de jonge geneesheer, die gewoonlijk met den witten trein medeging, was er met zijn klein kistje geneesmiddelen om een zieke, wanneer zij hem bij een hevigen aanval noodig mocht hebben, wat verlichting te kunnen geven. [120]

Juist bracht zuster Hyacinthe dr. Ferrand, die in een kabinetje naast de linnenkamer zijn tenten opgeslagen had, binnen.

“Madame,” zeide hij tot madame de Jonquière, “ik ben geheel tot uw beschikking. Wanneer u mij noodig heeft, behoeft u mij maar te laten roepen.”

Zij luisterde nauwlijks naar hem, had een woordenwisseling met een jongen priester der administratie, omdat er voor de geheele zaal maar zeven waterpotten waren.

“Heel graag, mijnheer, als we een kalmeerend drankje noodig hebben, zullen we …”

Maar zij voltooide haar zin niet, zette haar woordenwisseling voort.

“Tracht er nog minstens vier of vijf voor mij te krijgen, mijnheer de abbé … En dan is het nog behelpen.”

Ferrand luisterde en keek, stom-verbaasd over deze zeldzame wereld, waarin een toeval hem den vorigen dag gebracht had. Hij, die niet geloofde, die hier slechts was uit toewijding, verwonderde zich over het vreeselijke gedrang van ellende en lijden, dat zich onstuimig op de hoop op geluk wierp. Vooral de denkbeelden, die hij als jong geneesheer had, werden geschokt nu hij zag hoe alle voorzorgsmaatregelen, alle aanwijzigingen der wetenschap over boord geworpen werden in de zekerheid, dat, als de hemel het wilde, de genezing volgen zou met al den glans van een démenti aan de natuurwetten zelf. Maar waarom dan die laatste concessie aan de vrees voor het oordeel der wereld en een dokter meenemen, van wiens diensten men toch zoo goed als geen gebruik maakte? Met het onbehaaglijk gevoel zich te moeten schamen en nutteloos en eenigszins belachelijk te zijn, trok hij zich in zijn kabinet terug.

“Maak in ieder geval maar opiumpillen klaar,” zeide zuster Hyacinthe, die tot de linnenkamer met hem mede gegaan was, tegen hem. “Die zullen we wel noodig hebben; er zijn zieken bij, waarover ik mij ongerust maak.”

Zij keek hem met haar groote, blauwe, zachte, goede oogen, waarin steeds een goddelijk glimlachje speelde, aan. De beweging gaf haar van jeugd glanzende blankheid een gezond-rosen tint. En als een goede vriendin, die haar lievelingswerk wel met hem deelen wil, voegde zij er aan toe:

“En als ik iemand noodig heb, om een zieke op te richten of neer te leggen, wil je me zeker wel een handje helpen.”

Toen was ook hij blij gekomen te zijn, aanwezig te zijn, nu [121]hij wist, dat hij haar zou kunnen helpen. Hij zag haar weer terug aan zijn ziekbed, toen hij bijna gestorven was, hem verplegend met de handen als van een broeder, met de vriendelijk-opgewekte bekoorlijkheid van een geslachtslooze engel, waarin zoowel iets kameraadschappelijks als vrouwelijks lag.

“Maar net zooveel als u wilt, zuster. Ik ben geheel tot uw dienst, niets zal mij liever zijn dan u behulpzaam te kunnen zijn. U weet, welk een schuld van dankbaarheid ik u nog te betalen heb.”

Vriendelijk legde zij haar vinger op zijn mond, om hem het zwijgen op te leggen. Niemand was haar iets schuldig. Zij diende slechts de lijdenden en de armen.

Op dat oogenblik kwam de eerste zieke in de zaal Sainte-Honorine. Het was Marie, die liggende in haar bak door Pierre en Gérard naar boven gedragen was. Het laatst van het station vertrokken, was zij er nu het eerst dank zij de eindelooze verwikkelingen, die allen opgehouden hadden en haar nu vrijer toegang gaven, zooals de verdeeling der kaarten het toevallig met zich bracht. Voor de deur van het Hôpital had mijnheer de Guersaint zijn dochter op haar verzoek moeten verlaten; zij maakte zich ongerust, dat de hotels overvol zouden zijn, en wilde, dat hij onmiddellijk voor twee kamers ging zorgen, één voor hemzelf en één voor Pierre. Zij was zoo moe, dat zij, nu zij toch alle hoop om dadelijk naar de Grot gebracht te worden, had moeten opgeven, er in toegestemd had een oogenblik op bed te gaan liggen.

“Luister toch eens, kind,” zeide madame de Jonquière; je hebt nog drie uur voor je. We zullen je op je bed leggen, dan kan je veel beter uitrusten dan in dien bak.”

Zij nam de zieke bij de schouders, terwijl zuster Hyacinthe haar voeten vasthield. Het bed stond midden in de zaal, dicht bij een raam. Een oogenblik bleef Marie met dichte oogen, als uitgeput door die overbrenging, liggen. Dan moest Pierre weer binnen komen, zij voelde zich zwakker worden en had hem nog veel te zeggen.

“Ga niet weg, lieve vriend,” begon zij. “Neem den bak mee naar de gang, maar blijf daar, want ik wil, zoodra ik mag, naar beneden gebracht worden.”

“Lig je nu niet beter in dat bed?” vroeg de jonge priester.

“Ja zeker … Maar ik weet het niet ook … Lieve God, ik verlang zoo aan de voeten der Heilige Maagd te liggen.” [122]

Toch werd zij, toen Pierre den bak medegenomen had, wat afgeleid door de komst van andere zieken. Madame Vêtu, die, onder haar armen gesteund door twee dragers, naar boven gebracht was, werd door hen geheel gekleed op het bed ernaast gelegd; zij bleef daar roerloos en bijna zonder adem te halen met haar geel gezicht van kankerlijdster liggen. Geen enkele trouwens werd uitgekleed, men legde ze neer, zooals ze kwamen, met den raad, als zij dat eenigszins konden, wat te slapen. Zij, die niet in bed lagen, gingen op den rand van haar matras liggen, praatten wat met elkaar en brachten het weinige, dat zij bij zich hadden, in orde. Reeds maakte Elise Rouquet, die links van Marie op een matras zat, haar mandje los en haalde er een schoon halsdoekje uit; zij beklaagde er zich over, dat er geen spiegel was. In minder dan tien minuten waren alle bedden bezet, zoodat toen la Grivotte kwam, half gedragen door zuster Hyacinthe en zuster Claire des Anges, er matrassen op den grond bijgelegd moesten worden.

“Hier is er een,” riep madame Désagneaux. “Hier zal ze heel goed liggen, buiten de tocht van de deur.”

Weldra lagen er nog zeven matrassen naast, die het geheele middenpad innamen. Men kon niet meer heen of weer en moest met de grootste voorzichtigheid de nauwe paadjes volgen, die om de zieken heen vrijgelaten waren. Ieder hield haar eigen pakje, haar eigen doos of haar eigen valies bij zich; aan het voeteneind der geïmproviseerde bedden vormde zich weldra een hoop armzalige dingen en lompen, die tusschen de lakens en dekens slingerden. Het leek een jammerlijke ambulance, die inderhaast opgericht was na de een of andere groote catastrophe, een brand of een aardbeving, die honderden gewonden dakloos gemaakt had.

Madame de Jonquière liep van het eene einde der zaal naar het andere en herhaalde telkens weer:

“Kom, kinderen, windt je niet zoo op, tracht een beetje te slapen.”

Maar het lukte haar niet de zieken te kalmeeren; zij zelf en de onder haar bevelen geplaatste hospitaliteitsdames maakten door haar drukdoenerij de koortsachtige opwinding nog grooter. Verscheidene zieken moesten verschoond worden, andere weer aan een natuurlijke behoefte voldoen. Een, die een gezwel aan haar been had, jammerde en gilde zoo, dat madame Désagneaux een nieuw verband wilde leggen; maar zij was onhandig en viel, ondanks al haar moed van [123]geestdriftige verpleegster, bijna flauw, zoo walgde haar de onverdragelijke stank. Zij, die zich het minst ziek voelden, vroegen bouillon, de koppen gingen van de eene hand in de andere te midden van uitroepen en antwoorden en tegenstrijdige bevelen, die men niet wist hoe uit te voeren. De kleine Sophie Couteau, die bij de zusters bleef en vond, dat zij op een uitstapje was, liep, danste en sprong op één been tusschen al die zieken door; zij werd door allen geroepen, gestreeld en geliefkoosd in de hoop op het wonder, die zij in ieder wekte.

Toch verliepen de uren in deze opgewonden drukte. Het sloeg zeven uur, toen abbé Judaine binnenkwam. Hij was de geestelijke van de zaal Sainte-Honorine en alleen door de moeilijkheid om een vrij altaar te vinden, waar hij de mis kon lezen, was hij zoo laat. Hij was nog niet binnen of een kreet van ongeduld steeg uit alle bedden op.

“Laten we gaan, mijnheer de pastoor, laten we dadelijk gaan!”

Een brandende begeerte, die van minuut tot minuut sterker en onstuimiger werd, alsof een steeds brandender wordende dorst haar kwelde, die alleen door de wonderbron gelescht kon worden, richtte haar allen op. Met name la Grivotte, die op haar matras zat, vouwde haar handen en smeekte, dat men haar naar de Grot brengen zou. Was dit ontwaken van haar wilskracht, die koortsachtige drang naar genezing, welke haar oprichtte, niet reeds een begin van het wonder? Bewusteloos en niet in staat zich te bewegen hier gekomen, zat zij nu rechtop, keek met haar donkere oogen naar alle kanten, loerend naar het gelukzalige oogenblik, dat men haar zou komen halen. Op haar vaal gezicht kwam een kleur; zij herleefde reeds weer.

“Zeg toch, mijnheer de pastoor, dat ze me wegdragen. Ik voel, dat ik genezen zal worden.”

Met zijn vriendelijk gezicht en zijn vaderlijk glimlachje hoorde hij de zieken aan en verdreef met liefdevolle woorden haar ongeduld. Nog even wachten, en dan gingen zij. Maar zij moesten verstandig zijn en de dingen niet overhaasten; en dan—de Heilige Maagd hield niets van dat gedrang, zij wachtte haar uur af en schonk haar goddelijke genade aan de verstandigsten.

Toen hij voorbij het bed van Marie kwam en hij haar met gevouwen handen een deemoedige smeekbede zag stamelen, bleef hij weer even staan.

“Jij hebt ook zoo’n haast, mijn dochter! Wees kalm, er zal genade zijn voor allen.” [124]

“Eerwaarde vader,” fluisterde zij, “de liefde verteert me. Mijn hart is zoo vol van gebed, dat het mij bijna doet stikken.”

Hij werd zeer ontroerd door deze hartstochtelijke gemoedsbeweging van dat arme, uitgeteerde kind, dat zoo zwaar getroffen werd in haar schoonheid en in haar jeugd. Hij wilde haar kalmeeren en wees haar op madame Vêtu, die zich niet bewoog, hoewel zij toch haar starende blikken niet af had van de menschen, die langs haar kwamen.

“Kijk eens, hoe rustig madame zich houdt. Zij bidt in stilte, zij geeft zich als een klein kind geheel over aan Gods handen.”

Maar met een stem, die men niet hoorde, met een zucht nauwlijks, stamelde madame Vêtu:

“Ik heb zoo’n pijn! Ik heb zoo’n pijn!”

Eindelijk om kwart voor acht waarschuwde madame de Jonquière de zieken, dat zij verstandig zouden doen zich gereed te maken. Geholpen door zuster Hyacinthe en madame Désagneaux, deed zij zelf de japonnen dicht, trok zieken, die het zelf niet konden, kousen en schoenen aan. Het werd een echt toiletmaken, want allen wilden zoo voordeelig mogelijk voor de Heilige Maagd verschijnen. Velen hadden de fijngevoeligheid haar handen te wasschen; anderen trokken schoon linnengoed aan.

Elise Rouquet had eindelijk bij een vrouw, die naast haar lag, een dikke waterzuchtige vrouw, die erg met zichzelf ingenomen was, een zakspiegeltje ontdekt, zij vroeg het even te leen en zette het tegen haar hoofdkussen aan; geheel verdiept in haar bezigheid knoopte zij den doek elegant om haar hoofd, om haar afstootend gezicht met de bloedende, open wond te bedekken. De kleine Sophie stond vol belangstelling naar haar te kijken.

Eindelijk gaf abbé Judaine het teeken van vertrek naar de Grot. Hij wilde er zijn lieve lijdende dochters in God, zooals hij zeide, heen brengen, terwijl de dames der Hospitalité en de zusters achter zouden blijven, om de zaal wat op te knappen. Onmiddellijk was de zaal leeg; de zieken werden te midden van een nieuw tumult naar beneden gebracht. Pierre, die den bak, waarin Marie lag, weer op het onderstel gezet had, ging aan het hoofd van de stoet, die gevormd werd door een twintigtal kleine wagentjes en brancards. De andere zalen liepen ook leeg, het plein was vol, het vertrek geschiedde in een groote verwarring. Weldra had zich een zóó lange queue gevormd, die de vrij sterk hellende avenue de la Grotte afging, dat Pierre reeds op het Plateau [125]de la Merlasse was, toen de laatste draagbaren het plein van het Hôpital verlieten.

Het was acht uur, de zon, een triomphantelijke Augustuszon, stond en vlamde reeds hoog aan den wonderbaren, helderen hemel. Het scheen, alsof het blauw der lucht, schoongewasschen door het nachtelijke onweer, geheel nieuw en jeugdig-frisch was. En het verschrikkelijke défilé rolde voort op den hellenden weg in de schittering van den glorierijken ochtend. Er kwam geen einde aan: de stoet van afschuwlijkheden werd steeds langer. Geen enkele orde was erin; het was een mengelmoes van alle kwalen, de ontruiming van een hel, waarin men de monsterachtigste ziekten, de zeldzame gevallen, de unica, die je doen huiveren, bijeengebracht zou hebben. Het waren door eczeem weggevreten hoofden, met uitslag bezaaide gezichten, neuzen en monden, waarvan de elephantiasis2 afzichtelijke snuiten gemaakt had. Ziekten, die men uitgestorven waande, stonden weer op, een oude vrouw had lepra, een tweede was overdekt met huidmos, als een boom, die in de schaduw staat weg te rotten. Dan kwamen waterzuchtigen voorbij, opgeblazen als volle waterzakken, de opgezwollen buik onder de kleeren uitstekend; handen, misvormd door rheumatiek, hingen buiten de draagbaren; voeten, opgezet door water, staken er onherkenbaar en als met lompen volgestopte zakken uit.

Een vrouw met een waterhoofd, die in een klein wagentje zat, trachtte haar reuzenhoofd, dat bij iederen schok naar achteren viel, in evenwicht te houden. Een groot meisje, dat aan St. Vitusdans leed, sprong aan één stuk door met haar ledematen, terwijl de linkerhelft van haar gezicht door allerlei grijnzen vertrokken werd. Een jongere, die achter haar kwam, stiet een geblaf uit, een soort dierlijk gejammer, wanneer de gezichtspijn, waarmede zij behept was, haar mond vertrok. Dan kwamen de teringlijdsters, rillend van koorts, uitgeput door dysenterie, mager als geraamten, met de kleur van de aarde, waarin zij weldra zouden rusten; onder dezen was er een met een wasbleek gezicht en koortsig gloeiende oogen, zoodat zij deed denken aan een doodshoofd, waarin men een fakkel had aangestoken. Dan volgden alle door verlamming of verstijvingen veroorzaakte wanstaltigheden, krom gegroeide lichamen, omgedraaide armen, scheef staande nekken, gebroken en verbogen arme wezens, onbeweeglijk in [126]haar houdingen van tragische ledepoppen; een vooral viel bijzonder op met haar rechterhand, die achter haar heup gegroeid was, en haar linkerwang, die als vastgeplakt aan haar schouder zat.

Dan stelden arme rachitische meisjes haar waskleurige tint en haar magere, door klieren weggevreten nekken ten toon; gele vrouwen hadden de pijnlijke verstijving van ongelukkigen, wier borsten door den kanker verwoest worden; nog anderen, die met droeve oogen naar den hemel lagen te staren, schenen in zich het op elkaar stooten der gezwellen te hooren, gezwellen, zoo groot als kinderhoofden, die haar organen verstopten. En steeds nog waren er meer, steeds nog volgden er meer verschrikkelijkheden, waarvan de een je nog meer deed rillen dan de andere.

Een meisje van twintig jaar, met een platgedrukt, gedrochtelijk hoofd, had een zoo groot kropgezwel, dat het tot aan haar middel afhing. Op haar volgde een blinde vrouw met een marmerbleek gezicht, waarin op de plaats van haar oogen uit twee ontstoken en bloederige gaten steeds door etter vloeide. Een oude, kindsche vrouw, wier neus door de een of andere venerische ziekte was weggevreten, lachte met haar leegen, zwarten mond een afschuwlijken lach. Plotseling kreeg een epileptica een aanval en schuimbekte op haar draagbaar, zonder dat de stoet, die als door een stormwind voortgezweept werd, zijn gang verminderde in de koortsachtige opwinding van den hartstocht, die hen naar de Grot dreef.

De baardragers, de priesters, de zieken zelfs hadden een lied aangeheven, de litanie van Bernadette, en alles rolde voort te midden van de obsessies der tot walgens toe herhaalde Ave’s; de wagentjes, de baren, de voetgangers gingen den hellenden weg af als een buiten haar oevers getreden beek, die haar golven met groot lawaai voortstuwt. Op den hoek van de rue Saint-Joseph, dicht bij het Plateau de la Merlasse bleef een groepje pleizierreizigers, die van Cauterets of Bagnères kwamen, in diepe verbazing op den rand van het trottoir staan. Het moesten gezeten burgers zijn, vader en moeder zeer correct gekleed, de beide dochters in lichte japonnetjes en met de lachende gezichten van gelukkige menschen, die zich vermaken.

Maar op hun eerste verbazing volgde een steeds toenemende afschuw, alsof zij een leprozenhuis uit de oude tijden, een van die legendarische ziekenhuizen, na de een of andere [127]vreeselijke epidemie, hadden zien leegloopen. De twee meisjes werden bleek, vader en moeder stonden als versteend bij dit onafgebroken défilé van verschrikkingen, waarvan zij den verpesten stank in het gezicht kregen. God! Wat een leelijkheid, wat een vuilheid, wat een lijden! Hoe was dat mogelijk onder deze mooie, zoo stralende zon, onder dezen wijden hemel vol licht en vreugde, waarin de koelte van den Gave opsteeg, waarin de ochtendwind den zuiveren geur der bergen bracht.

Toen Pierre, die aan het hoofd van den stoet ging, op het Plateau de la Merlasse kwam, werd hij als gebaad door die lichtende zon, door de prikkelende, met balsemgeur vervulde lucht. Hij keerde zich om en lachte Marie vriendelijk toe; en toen zij in de stralende pracht van dien morgen op het midden van de place du Rosaire kwamen, werden zij beiden betooverd door den bewonderenswaardigen horizont, die zich voor hen ontrolde.

Naar het Oosten lag het oude Lourdes, op de andere zijde van zijn rots, in een breede terreinplooi. De zon rees op achter de verre bergen, en zijn schuine stralen kleurden die alleenstaande rots, die gekroond werd door den toren en de instortende muren van het oude Kasteel, eertijds den sleutel der zeven dalen, met donker lila tinten. In het stof van dansend en opvliegend goud zag men slechts de trotsche tinnen, muurbrokken van het cyclopische bouwwerk, dan daarboven vage vormen van daken, de verkleurde en verweerde daken van de oude stad, terwijl aan deze zijde van het kasteel, rechts en links uitstekend, te midden van het groen de nieuwe stad lachte met haar witte hotelgevels, haar mooie huizen, haar prachtige winkels, een rijke en luidruchtige stad, die daar als door een wonder in enkele jaren opgerezen was.

De Gave stroomde langs den voet der rots en stuwde het gebruis van zijn heldere, groene en blauwe golven voort, diep onder de oude brug, huppelend onder de nieuwe, die door de paters gebouwd was, om de Grot met het station en den pas in gebruik genomen boulevard te verbinden. En als achtergrond voor dit heerlijk schilderij, voor dat frissche water, voor dat lachende groen, voor die verjongde, wijd uit elkaar gebouwde, vroolijke stad verhieven zich de Kleine en de Groote Gers, twee groote kale bergruggen met kort gras, die in de schaduw, waarin zij baadden, teere tinten aannamen, een bleek mauve en een bleek groen, die in rose verliepen. [128]

Dan in het Noorden, op den rechteroever van den Gave, aan gene zijde van de heuvels, waarlangs de spoorlijn loopt, rezen de hoogten van den Buala op, boschrijke, door het morgenlicht overstroomde hellingen. Daar, aan dien kant, lag Bartrès. Meer naar links verhief zich de door den Miramont beheerschte dalengte van Julos. Heel in de verte verdampten andere toppen in den aether. Op het eerste plan, aan den anderen oever van den Gave lagen etagegewijze tusschen de grazige dalen talrijke kloosters, die dit gedeelte van den horizont opvroolijkten. Zij schenen op dezen wonderbodem als natuurlijke, snel groeiende planten opgeschoten te zijn.

In de eerste plaats had men er het door de zusters van Nevers gestichte weeshuis, waarvan de uitgebreide gebouwen in de zon schitterden. Dan tegenover de Grot, op den weg naar Pau, het Karmelietenklooster, vervolgens, wat hooger op, aan den weg naar Poueyferré dat der paters van Maria Hemelvaart, verder dat der Dominicanen, waarvan slechts een gedeelte van het dak zichtbaar was; en eindelijk de zusters der Onbevlekte Ontvangenis, de zoogenaamde Blauwe Zusters, die aan het eind van het dal een retraitehuis gesticht hadden, waarin zij ongetrouwde dames, rijke bedevaartgangsters, die naar de eenzaamheid verlangden, opnamen. Op dit uur des gebeds luidden de klokken van al die kloosters haar jubelzang uit in de kristalheldere lucht, terwijl aan het andere einde van den horizont, in het Zuiden, de klokken van andere kloosters met dezelfde zilverstemmige vreugdeklanken antwoordden.

Bij den Pont-Vieux met name deed de klok van het klooster der Clarissinnen duidelijk een gamma van zoo heldere noten hooren, dat men zou denken aan het vriendelijke gesnap van een vogel. Ook aan die zijde van de stad holden zich dalen uit en hieven bergen hun kale helling in de hoogte: het was als een onder haar kwalen lachende natuur, een eindelooze deining van heuvels, waaronder de fijn met karmijn en teerblauw gevlamde heuvels van Visens opvielen.

Maar toen Marie en Pierre naar het Westen keken, werden zij als verblind. Het volle zonlicht viel op den grooten en kleinen Bêout met hun koepels van ongelijke hoogte. Het was als een achtergrond van purper en goud, als een verblindende berg, waarop men slechts den weg onderscheidde, die, tusschen de boomen, opkronkelt naar den Calvariënheuvel. En daar, op dien bezonden, als een aureool schitterenden [129]achtergrond, teekenden zich de drie boven elkaar gebouwde kerken af, welke de zwakke stem van Bernadette tot roem en eer der Heilige Maagd uit de rots had doen oprijzen.

Onderaan de Rozenkranskerk, plat en rond, half in de rots uitgehouwen; zij lag op den achtergrond van het vrije voorplein, dat ingesloten werd door onmetelijke armen, de kolossale hellingen, die zacht glooiend tot aan de Crypt opstegen. Het was een ontzaglijk werk, een geheele steengroeve van losgewoelde en afgehouwen steenen, gewelfde bogen hoog als kerkschepen, twee reusachtige toegangswegen, opdat de pracht der processies zich zou kunnen ontvouwen en het kleine wagentje van een ziek kind zonder moeite zou kunnen opstijgen naar God. Vervolgens de Crypt, de onderaardsche kerk, waarvan men alleen, boven de Rozenkranskerk uit, de lage deur zien kon. En eindelijk rees, wat mager en ijl, te nieuw en te wit, de Basilica op in den slanken stijl van een kostbaar edelgesteente, uit de rotsen van Massabielle opstijgend als een gebed, als de vlucht van een reine duif. De kleine torenspits leek, boven de reusachtige hellingen, niet meer dan het kleine, rechte vlammetje van een kaars te midden van den onmetelijken horizont en de eindelooze deining van dalen en bergen.

Naast het massieve groen van den Calvariënheuvel scheen zij breekbaar te zijn en de trouwhartigheid van kinderlijk geloof te bezitten. En ook dacht men erbij aan het blanke armpje, aan het blanke handje van een ziek meisje, dat in haar onderaardsche ellende naar den hemel wijst. De Grot, welker ingang links, aan den voet der rots lag, was niet zichtbaar. Achter de Basilica zag men nog slechts de woning der paters, een log, vierkant gebouw, en, veel verder, in het donkere, zich verbreedende dal, het paleis van den bisschop. De drie kerken vlamden in de ochtendzon, welker gouden stralenregen op het geheele landschap nederdaalde, terwijl de klankrijke vlucht der klokken de siddering zelf scheen te zijn van het licht, het melodisch ontwaken van dezen jongen mooien dag.

Toen Pierre en Marie de place du Rosaire overstaken, wierpen zij een blik op de Esplanade, den tuin met een lang grasperk in het midden, omzoomd door twee breede, parallel loopende lanen en zich uitstrekkend tot de nieuwe brug. Daar stond, naar de Basilica gekeerd, de groote, gekroonde Maagd. Alle zieken, die er voorbij kwamen, maakten het teeken des kruises. Nog steeds rolde de schrikaanjagende [130]stoet, opgaande in zijn lied, voort door de feestelijke natuur. Onder den stralenden hemel, tusschen de bergen van purper en goud, in de eeuwige koelte van het kabbelende water, stuwde de stoet zijn tot huidziekten vervloekten met hun weggevreten vleesch, zijn opgeblazen waterzuchtigen, zijn jichtlijders, zijn door pijn verkromde verlamden voort; voorbij trokken de vrouwen met waterhoofden, de lijdsters aan St. Vitusdans, de teringlijdsters, de door Engelsche ziekte aangetasten, de epilepticae, de kankerlijdsters, de krankzinnigen en de idioten. Ave, ave, ave Maria! De hardnekkig volgehouden litanie zwol steeds aan en stuwde den afschuwelijken stroom van menschelijke ellende en menschelijken jammer naar de Grot onder den afschuw en de walging van de voorbijgangers, die verstijfd door deze voorbijvliegende nachtmerrie, als aan den grond genageld bleven staan.

Pierre en Marie waren de eersten, die onder het hooge booggewelf doorgingen. Toen zij daarop den dam van den Gave volgden, stonden zij plotseling voor de Grot. Marie, die door Pierre zoo dicht mogelijk bij het hek gereden werd, kon zich slechts in het wagentje oprichten en prevelen:

“O, allerheiligste Maagd … Veelgeliefde Maagd!”

Zij had niets gezien, noch de hostiekastjes der vijvers, noch de fontein met haar twaalf bekkens, waar zij langs gekomen was; en evenmin zag zij links den winkel met gewijde voorwerpen of rechts den steenen preekstoel, die reeds door een geestelijke beklommen was. Slechts de schittering der Grot verblindde haar, honderd duizend kaarsen schenen daar achter het hek te branden en de lage opening met den gloed van een hoogoven te vullen, terwijl zij het beeld der Maagd, dat hooger op den rand van een nauwe, boogvormig uitgeholde ruimte stond, met een stralenkrans van een ster omgaven. En behalve die glorierijke verschijning zag Marie niets, noch de krukken, waarmede men een gedeelte van het gewelf behangen had, noch de bij stapels neergeworpen ruikers, die er lagen te verwelken tusschen klimopplanten en wilde rozestruiken, noch het altaar zelf, dat in het midden geplaatst was naast het kleine, verplaatsbare met een hoes overdekte orgel.

Maar toen zij haar oogen opsloeg, vond zij weer op den top der rots, in den hemel, de slanke, witte Basilica, die met haar fijne torenspits, welke zich als een gebed in het blauw der oneindigheid verloor, zich thans en profil aan haar toonde. [131]

“O, machtige Maagd … Koningin der Maagden … Heilige Maagd der Maagden …”

Intusschen was het Pierre gelukt het wagentje van Marie naar den eersten rang te schuiven, voor de eikenhouten banken, die zich, als in het schip eener kerk, in grooten getale in de open lucht naast elkander rijden. Reeds waren deze banken geheel en al bezet door zieken, die zitten konden. De tusschenruimten werden gevuld door draagbaren, welke men op den grond gezet had; door kleine wagentjes, waarvan de wielen in elkaar grepen, en door een ontelbare menigte kussens en matrassen, waarop alle kwalen in een bonte mengeling naast elkaar huisden.

Toen Pierre in de Grot kwam, had hij de Vignerons met hun ongelukkigen Gustave in een der banken herkend, terwijl hij op den vloer het met kant gegarneerd bed van madame Dieulafay gezien had, aan het hoofdeinde waarvan haar man en haar zuster geknield lagen te bidden. Verder waren er alle zieken van den wagon: mijnheer Sabathier en broeder Isidore naast elkaar, madame Vêtu lag uitgeput in haar wagentje, Elise Rouquet zat, la Grivotte richtte zich in haar extase op haar beide vuisten op. Zelfs vond hij madame Maze terug, die, afgezonderd van de anderen, in een vurig gebed verzonken was, terwijl madame Vincent, die in haar knielende houding de kleine Rose toch nog in haar armen had, het wichtje aan de Maagd voorhield met het gebaar van een radelooze moeder, opdat de Moeder der goddelijke genade zich erover zou erbarmen. De menigte pelgrims om die gereserveerde ruimte groeide steeds aan, een dringende, rumoerige hoop, die zich langzamerhand tot aan de borstwering van den Gave uitstrekte.

“O, barmhartige Maagd,” prevelde Marie door; “o trouwe Maagd … o zonder zonde ontvangen Maagd …”

En half bezwijmend, terwijl haar lippen nog door een innerlijk gebed bewogen, keek zij Pierre vol verlangen aan. Deze dacht, dat zij hem iets te zeggen had en boog zich over haar heen.

“Wil je, dat ik bij je blijf, om je straks naar de vijvers te rijden?”

Toen zij zijn bedoeling begrepen had, knikte zij van neen. Dan koortsachtig:

“Neen, neen, ik wil dezen ochtend niet in den vijver … ik geloof, dat je zoo rein, zoo heilig moet zijn, alvorens het wonder te beproeven. Den heelen morgen wil ik daar met [132]gevouwen handen, met al mijn kracht, met mijn geheele ziel voor bidden …”

Zij moest even ophouden. Dan ging zij voort:

“Kom me niet voor elf uur halen, om me naar het ziekenhuis te rijden.”

Pierre echter verwijderde zich niet, maar bleef bij haar. Een oogenblik viel hij op zijn knieën neer; ook hij had willen bidden met dat brandende geloof, aan God de genezing willen vragen van dat zieke kind, dat hij met zoo’n broederlijke teederheid liefhad, maar sedert hij voor de Grot was, voelde hij een vreemden tegenzin zich van hem meester maken, een heimelijk verzet, dat de vrome geestdrift van zijn gebed stoorde. Hij wilde gelooven, hij had den geheelen nacht gehoopt, dat het geloof weer in zijn ziel zou ontluiken als een mooie bloem van onwetendheid en argeloosheid, zoodra hij zou neerknielen op den gewijden grond van het wonder.

Hij voelde nu niets dan verlegenheid en onrust bij het zien van al dit decor, van het harde en vale beeld in het valsche licht der kaarsen, tusschen den rozenkransenwinkel, waarin de koopsters zich verdrongen, en den grooten steenen preekstoel, waaruit een pater van Maria Hemelvaart met luider stem zijn Ave’s slingerde. Was zijn ziel zoo verdord? Kon dan geen hemelsche dauw haar drenken met onschuld, haar gelijk maken aan de zielen van kleine kinderen, die zich geheel overgeven aan de minste liefkoozing der legende?

Dan herkende hij in den geestelijke op den preekstoel pater Massias. Hij had hem vroeger al ontmoet en voelde zich onaangenaam getroffen door diens sombere onstuimigheid, dat magere gezicht met de fonkelende oogen en den grooten, welsprekenden mond, die den hemel scheen te willen dwingen om op aarde neder te dalen. En terwijl hij er zich over verwonderde, dat hij zich zoo heel anders voelde, zag hij aan den voet van den preekstoel pater Fourcade in een levendig gesprek met baron Suire. Deze laatste scheen in tweestrijd te zijn; toch stemde hij eindelijk met een goedkeurend hoofdschudden toe. Ook abbé Judaine was er, die den pater nog een oogenblik staande hield; ook zijn breed, vaderlijk gezicht drukte een soort ontsteltenis uit; doch dan knikte hij op zijn beurt goedkeurend.

Plotseling verscheen pater Fourcade op den kansel; hij stond rechtop en richtte zijn hooge gestalte op, die door den aanval van jicht, waaraan hij leed, eenigszins gebogen [133]was. Hij wilde niet, dat pater Massias, zijn veelgeliefde, onder allen uitverkoren broeder, den kansel geheel verliet; hij liet hem op een trede van de nauwe trap blijven en leunde op zijn schouder.

Dan begon hij met een volle, diepe stem en met een gebiedende autoriteit, die dadelijk de diepste stilte deed heerschen, te spreken.

“Geliefde broeders en zusters, ik vraag u om vergeving, dat ik u in uw gebeden stoor, maar ik heb een mededeeling te doen, ik moet de hulp van al uw trouwe zielen inroepen … Vanochtend hebben wij een zeer droevig voorval te betreuren, een onzer broeders is in een der treinen, die u hier gebracht hebben, gestorven, juist toen hij het beloofde land betrad …”

Hij hield enkele seconden op. Hij scheen nog grooter te worden. Zijn knap gelaat begon te stralen. Dan ging hij verder:

“Welnu, geliefde broeders en zusters, ondanks alles is het denkbeeld bij mij opgekomen, dat wij niet moeten wanhopen … Wie weet of God dezen dood niet gewild heeft, om de wereld het bewijs van zijn almacht te geven?… Een inwendige stem heeft mij aangedreven om dezen kansel te bestijgen om uw gebeden voor dien man te vragen, voor hem, die niet meer is en wiens heil desniettemin ligt in de handen der allerheiligste Maagd, die altijd haar goddelijken Zoon kan aanroepen … Ja, de man is hier, ik heb zijn lijk hier laten brengen, en het hangt misschien van u af, dat een schitterend wonder de oogen der heele wereld verblindt, indien gij bidt met genoeg vuur om den hemel te roeren … Wij zullen het lijk in den vijver onderdompelen, wij zullen den Heer, den gebieder der wereld, smeeken hem op te wekken, om dat buitengewone bewijs van zijn souvereine goedheid te geven …”

Een ijskoude ademtocht, die uit het onzienlijke gekomen was, beroerde de verzamelden. Allen waren bleek geworden; zonder dat iemand de lippen geopend had, scheen een gemompel van schrik door de menigte te loopen.

“Maar,” ging pater Fourcade, dien een waarachtig geloof bezielde, heftig voort, “met welk een vuur moet gij bidden! Geliefde broeders en zusters, uw geheele ziel wil ik; het moet een gebed zijn, waarin gij uw hart, uw bloed, uw leven, met alles wat het edels en liefderijks in zich heeft, leggen moet … Bidt uit al uw kracht, bidt tot gij niet meer weet [134]wie gij zijt, noch waar gij zijt; bidt, zooals gij sterft, want wat wij gaan vragen is een zoo kostbare, zoo zeldzame, zoo wonderbare genade, dat alleen de onstuimigheid onzer aanbidding God er toe brengen kan om te antwoorden … En opdat onze gebeden uitwerking kunnen hebben, opdat zij den tijd hebben op te stijgen tot de voeten van den Eeuwige, zullen we eerst hedenmiddag om drie uur het lijk in den vijver onderdompelen … Geliefde broeders en zusters, bidt, bidt de Heilige Maagd, de Koningin der Engelen, de Troosteresse der bedroefden!”

En medegesleept door zijn geestvervoering, begon hij de rozenkrans weer te bidden, terwijl pater Massias in snikken uitbarstte. De diepe, angstig-benauwende stilte werd verbroken; de menigte stiet kreten uit, kon haar tranen niet bedwingen, stamelde vurige smeekbeden. Het was als woei er een delirium, dat de wilskracht ophief, dat van al die wezens slechts één enkel wezen maakte, dat buiten zichzelf was van hartstochtelijke opwinding, losgelaten op een dolzinnig, vurig verlangen naar het onmogelijke wonder.

Een oogenblik had Pierre gedacht, dat de aarde onder hem wegzonk, dat hij in zwijm vallen zou. Met moeite stond hij op en verwijderde zich.

[Inhoud]

III.

Toen Pierre, van wien zich een niet te overwinnen weerzin om langer te blijven had meester gemaakt, zich uit de Grot verwijderde, zag hij vlak bij den uitgang mijnheer de Guersaint in een diep gebed, waarin hij geheel zijn ziel legde, verzonken, op zijn knieën liggen. Hij had hem sinds dien ochtend niet meer teruggezien, wist niet of het gelukt was twee kamers te huren; zijn eerste opwelling was dan ook naar hem toe te gaan. Doch dan aarzelde hij, wilde hem niet storen in zijn stille overpeinzingen: hij vermoedde, dat hij bad voor zijn dochter, van wie hij, ondanks de voortdurende verstrooidheid van zijn onrustige phantasie, veel hield. Dan liep hij door en ging onder de boomen loopen. Het sloeg negen uur; hij had dus nog twee uur voor zich.

Daar buiten had men van den woesten, hoogen oever, waarop vroeger varkens weidden, ten koste van veel geld een prachtige avenue gemaakt, die langs den Gave liep. Om terrein te winnen en een monumentalen dam te kunnen bouwen met een door een borstwering afgezet trottoir, had [135]men het bed der rivier wat achteruit moeten leggen. De avenue liep een twee of driehonderd meter verder dood tegen een heuvel, zoodat het een afgesloten, met banken voorziene en door prachtige boomen beschaduwde wandelweg geworden was. Niemand liep er thans; de menigte, die in de Grot geen plaats vinden kon, lag er dichtopeen neergeknield. Er waren nog enkele eenzame hoekjes tusschen den met gras begroeiden muur, die de avenue in het Zuiden afscheidde, en de uitgestrekte velden, die zich aan den anderen oever van den Gave uitbreidden, met bosch bedekte hellingen, die door de witte gevels der kloosters opgevroolijkt werden. In de warme Augustusdagen kon men daar in de schaduw op den oever van het stroomende water genieten van een heerlijke koelte.

Onmiddellijk voelde Pierre zich kalmer als bij het ontwaken uit een benauwenden droom. Hij ging zijn eigen gewaarwordingen na en maakte er zich ongerust over. Was hij ’s ochtends niet in Lourdes aangekomen met den vurigen wensch om te gelooven, met de meening, dat hij reeds weer begon te gelooven zooals in de volgzame jaren van zijn jeugd, toen zijn moeder hem zijn handen deed vouwen en hem leerde God te vreezen? En zie, zoodra hij voor de Grot gekomen was, hadden de afgodische eeredienst, de verkrachting van het geloof, de stormloop op zijn gezond verstand hem vervuld met zulk een walging en weerzin, dat hij bijna flauw gevallen was. Wat moest er toch van hem worden? Zou hij zelfs niet meer kunnen trachten zijn twijfel te bestrijden, door zijn reis te benutten en te zien en zich te overtuigen? Het was een ontmoedigend begin, dat hem wanhopig maakte; en hij had die mooie boomen, dien helderen stroom, die zoo kalme en koele avenue noodig, om zich van den schok te herstellen.

Toen Pierre aan het einde van de avenue kwam, had hij een onverwachte ontmoeting. Reeds enkele oogenblikken was zijn aandacht getrokken door een langen ouden heer, die in een getailleerde gekleede jas en met een platgeranden hoed op, zijn richting uitliep. Hij trachtte dat bleeke gezicht met den arendsneus en de donkere, doordringende oogen thuis te brengen, maar de lange witte baard en de grijze haarlokken brachten hem op een dwaalspoor. De oude heer, zelf ook verbaasd, bleef staan.

“Wat, Pierre, jij te Lourdes?”

En plotseling herkende de jonge priester dr. Chassaigne, den vriend van zijn vader, zijn eigen ouden vriend, die hem [136]genezen en daarna getroost had in de vreeselijke lichamelijke en geestelijke crisis, die hij na den dood van zijn moeder doorgemaakt had.

“Beste dokter, wat ben ik blij u te zien!”

Diep ontroerd omarmden zij elkaar. En nu bij het zien van die sneeuw van haren en baard, van dien langzamen gang, van dat oneindig droevig uiterlijk herinnerde Pierre zich het bittere ongeluk, dat dezen man oud gemaakt had. Nauwelijks enkele jaren geleden was hij uit Parijs vertrokken en nu vond hij hem, verpletterd door den bliksemstraal van het noodlot, terug.

“Je wist niet, dat ik in Lourdes gebleven was, wel? Ja, jongen, ik schrijf niet meer, ik behoor niet meer tot de levenden, want ik woon in het land der dooden.”

Tranen kwamen in zijn oogen en met gebroken stem ging hij voort:

“Kom, laten we wat op die bank gaan zitten; het zal me goed doen, zooals vroeger, nog eens met je te praten.”

Op zijn beurt voelde de priester een brok in zijn keel. Hij vond geen antwoord, kon slechts stamelen:

“Beste dokter, oude vriend, ik heb zoo innig met je te doen gehad.”

Een ramp was het, de schipbreuk van een leven. Dr. Chassaigne en zijn dochter Marguerite, een lief meisje van twintig jaar, waren met madame Chassaigne, hun aangebeden vrouw en moeder, over wier gezondheid zij zich ongerust maakten, naar Cauterets gegaan. Na een dag of veertien voelde zij zich al een boel beter en zij maakte reeds plannen voor uitstapjes, toen men haar op een ochtend dood in haar bed vond. Verpletterd onder dien vreeselijken slag, waren vader en dochter als verdoofd door het verraad van het noodlot. De dokter, die te Bartrès geboren was, had op het kerkhof te Lourdes een familiegraf, waarin zijn ouders reeds rustten. Hij wilde dan ook, dat het lijk van zijn vrouw rusten zou naast de ledige afdeeling, waar hij hoopte weldra bij haar te liggen.

Een week lang bleef hij nog met Marguerite daar, toen deze plotseling een koortsaanval kreeg, naar bed ging en twee dagen later stierf, zonder dat haar tot wanhoop gebrachte vader zich rekenschap had kunnen geven van haar ziekte. En nu werd de dochter in den bloei van haar jeugd, stralend van schoonheid en gezondheid, op het kerkhof neergelegd in het ledige vak naast haar moeder. De gelukkige man van [137]gisteren, de geliefde, aangebeden man, die twee dierbare wezens, wier liefde zijn hart zoo verwarmde, de zijnen mocht noemen, was niet meer dan een rampzalige, stotterende en verloren oude man, dien het alleen zijn tot ijs verstarde. Al zijn levensvreugde was ineengestort; hij benijdde de wegwerkers, die langs de wegen steenen bikten, wanneer hij zag, hoe vrouwen en kinderen blootsvoets hun soep brachten. Hij had Lourdes niet meer willen verlaten, had alles opgegeven, zijn studies, zijn praktijk te Parijs, om dicht bij het graf te kunnen leven, waarin zijn vrouw en zijn dochter haar laatsten slaap sliepen.

“Wat heb ik met u te doen gehad!” herhaalde Pierre. “Wat een vreeselijke slag voor u! Maar waarom hebt u niet een beetje gerekend op hen, die van u houden? Waarom u hier in uw verdriet opgesloten?”

De dokter maakte een gebaar, dat den horizont omvatte.

“Ik kan niet weg; de dooden zijn daar en houden mij vast … Het is uit, ik wacht nu maar, tot ik naar haar toe gaan kan.”

En weer viel een stilte in. Achter hen, in de struiken van het grastaluud, fladderden de vogels, terwijl zij voor zich het luide murmelen van den Gave hoorden. Op de hellingen der heuvels rustte traag in haar goudachtig stof het zware zonlicht. Maar onder de mooie boomen, op die afgezonderde bank, bleef het heerlijk koel; zij waren daar, op tweehonderd pas van de menigte, als in een woestijn, zonder dat iemand zich van de Grot losscheurde, om tot hen af te dwalen.

Langen tijd praatten zij. Pierre had hem verteld onder welke omstandigheden hij ’s ochtends te Lourdes met de nationale bedevaart en in gezelschap van mijnheer de Guersaint en zijn dochter aangekomen was. Bij sommige uitdrukkingen van den dokter had hij zijn verwondering niet kunnen bedwingen.

“Wat, dokter, acht u thans het wonder mogelijk? U, groote God, u, dien ik gekend heb als een ongeloovige, nu ja, in ieder geval als volmaakt onverschillig!”

Hij keek hem aan, diep verwonderd over wat hij hem omtrent de Grot en Bernadette hoorde zeggen. Hij, een zoo helderen kop, een geleerde met zoo’n scherp verstand, wiens uitstekende analyseerende eigenschappen hij vroeger had leeren kennen! Hoe was een geest van die kracht, opgevoed op streng logische wijze en vrij van iederen geloofsdwang, er toe kunnen komen de wonderbare genezingen, die bewerkt [138]werden door die goddelijke bron, welke de Heilige Maagd onder de vingers van een kind had doen ontspringen, te aanvaarden?

“Maar, beste dokter, herinner u toch eens goed. U zelf hebt mijn vader aanteekeningen over Bernadette, uw klein landgenootje, zooals u ze toen noemde, verschaft; u hebt later, toen die heele geschiedenis mij een oogenblik interesseerde, lang met mij over haar gesproken. Voor u was zij slechts een zieke, die aan hallucinaties leed, een half-onbewust kind, dat niet tot willen in staat was. Herinner u onze gesprekken, mijn twijfel en dat u mij geholpen hebt mijn gezond verstand terug te krijgen.”

Hij geraakte in opwinding. Was dit niet het allerzonderlingste avontuur? Hij, priester; die zich eens aan het geloof onderworpen en het ten slotte weer verloren had door den omgang met dezen toen ongeloovigen geneesheer, dien hij nu bekeerd en gewonnen voor het bovennatuurlijke terugvond, terwijl hij zelf gefolterd werd door de kwellende kwaal niet meer gelooven te kunnen.

“U, die slechts de exacte feiten aanvaardde, u, die alles baseerde op de zinnelijke waarneming!… Is de wetenschap dan niets meer voor u?”

Toen maakte Chassaigne, die tot dat oogenblik met een droefgeestig glimlachje geluisterd had, een ongeduldig gebaar van souvereine minachting.

“Wetenschap! Weet ik iets? Kan ik iets?… Daareven heb je me gevraagd, waaraan mijn arme Marguerite gestorven is. Maar ik weet er niets van. Ik, dien men voor zoo geleerd aanziet, voor zoo goed gewapend tegen den dood, ik heb er niets van begrepen, ik heb niets gekund, zelfs het leven van mijn dochter niet met één uur kunnen verlengen. En mijn vrouw, die ik reeds koud in haar bed gevonden heb, terwijl zij zich den vorigen avond zooveel beter voelde en zoo opgewekt was, ben ik ook maar in staat geweest om te voorzien wat er had moeten gebeuren?… Neen, voor mij heeft de wetenschap bankroet geslagen. Ik wil niets meer weten, ik ben maar een dom mensch en een arme kerel.”

Hij zeide het in een hartstochtelijken opstand tegen zijn geheele verleden van trots en geluk. Toen hij wat kalmer geworden was, ging hij voort:

“Ik heb nog slechts één verschrikkelijke gewetenswroeging. Ja, die laat mij niet los en drijft mij steeds weer hierheen, om rond te dwalen tusschen al die biddende menschen … [139]En die is, dat ik mij niet eerst ben komen vernederen voor deze Grot door er mijn twee lievelingen heen te brengen. Zij zouden dan op haar knieën gevallen zijn, zooals al de vrouwen, die je daar ziet, en ik zou hetzelfde gedaan hebben, en de Heilige Maagd zou ze misschien genezen en voor mij gespaard hebben … Ik, zwakkop, heb niet anders gekund dan ze voor goed verliezen. Het is mijn schuld.”

Tranen stroomden nu over zijn wangen.

“Ik herinner me nog, dat mijn moeder, een eenvoudige boerin, mij in mijn jeugd te Bartrès mijn handen liet vouwen, om iederen ochtend Gods hulp te vragen. Dat gebed is, toen ik weer zoo heelemaal alleen, zoo zwak en hulpeloos als een kind was, in mijn geheugen teruggekomen. Wat zal ik je zeggen, vriendlief, mijn handen hebben zich weer gevouwen als vroeger; ik was te rampzalig, te verlaten, ik voelde te zeer de behoefte aan een bovenmenschelijke hulp, aan een goddelijke macht, die voor mij dacht en wilde, die me wiegen en in haar eeuwige voorkennis van deze aarde wegnemen zou. O, die eerste dagen, wat een verwarring en verbijstering in mijn arm hoofd onder den zwaren slag, dien erop neergekomen was. Twintig nachten achter elkaar heb ik niet geslapen in de hoop, dat ik op die manier gek zou worden. Allerlei gedachten streden in mijn hoofd; ik had oogenblikken van opstand en verzet, waarin ik mijn vuist balde tegen den hemel, dan weer vernederde ik mij voor God en smeekte hem mij op mijn beurt tot zich te nemen …

“Ten slotte heeft de zekerheid, dat er een gerechtigheid, dat er een liefde heerschen moest, mij rust geschonken en mij het geloof teruggegeven. Kijk eens, je hebt mijn dochter gekend, was ze niet mooi en heerlijk en stralend van jeugd en leven: welnu, zou het niet de meest schreeuwende onrechtvaardigheid zijn, als er voor haar, die het leven niet genoten heeft, niets was aan gene zijde van het graf? Zij moet opnieuw herleven, daar ben ik tot in het diepst van mijn ziel van overtuigd, want soms hoor ik haar nog, en zegt ze mij, dat we elkaar zullen terugvinden, elkaar zullen terugzien. O degenen, die je verloren hebt—mijn lieve dochter, mijn lieve vrouw weer terug zien, elders weer met haar verder teven, dat is de eenige hoop, dat is de eenige troost van al de smarten dezer wereld!… Ik heb mij aan God gewijd, omdat God alleen ze me teruggeven kan.”

Een rilling als van een zwak, krachteloos grijsaard doorhuiverde [140]hem, en eindelijk begreep Pierre deze bekeering: de geleerde, de oud geworden intellectueel, die, onder de heerschappij van het gevoel tot het geloof terugkeerde. In de eerste plaats ontdekte hij, wat hij tot dat oogenblik niet had kunnen vermoeden, een soort geloofsatavisme bij dezen zoon der Pyrenaeën, den afstammeling van bergboeren, opgevoed in het geloof van legenden en die nu door de legenden weer ingepalmd werd, zelfs nadat vijftig jaren van positieve studiën verloopen waren. Daarbij kwam de menschelijke moeheid, de moeheid van den man, wien de wetenschap het geluk niet gegeven heeft en die tegen de wetenschap in opstand komt, zoodra zij hem beperkt, onmachtig om tranen te verhinderen, voorkomt. En ten slotte nog de ontmoediging, een twijfel aan alle dingen, die bij een oud, door het leven murw gemaakt man, uitloopt op een behoefte aan zekerheid, waardoor hij het geluk vindt in te slapen in zijn geloof.

Pierre dacht er niet aan hem tegen te spreken of hem te bespotten, want de aanblik van dien grooten, door het lot zoo zwaar getroffen grijsaard met zijn smartelijke kindschheid, verscheurde zijn hart. Is het niet treurig de sterkste en knapste mannen onder dergelijke slagen weer kinderen te zien worden?

“Ach!” zuchtte hij, “mocht ik ook maar zooveel lijden, om ook mijn verstand het zwijgen op te leggen, op mijn knieën te vallen en aan al die sprookjes te gelooven!”

Het glimlachje, dat soms nog om dr. Chassaigne’s lippen speelde, verscheen weer.

“De wonderen bedoel je zeker, hè? Jij bent priester, beste jongen, en ik ken je lijden … Wonderen schijnen jou onmogelijk. Wat weet je ervan? Zeg toch tegen jezelf, dat je niets weet en dat het volgens ons oordeel onmogelijke zich iedere minuut verwezenlijkt … Maar kom, we hebben al zoo lang gepraat, het zal dadelijk elf uur zijn en je moet naar de Grot terug. Maar ik verwacht je om half vier, dan zal ik je meenemen naar het bureau van medische constateeringen, waar ik je dingen hoop te laten zien, waarover je je handen in elkaar zult slaan … Vergeet het niet, om half vier!”

Hij liet hem gaan en bleef alleen op de bank zitten. De warmte was nog toegenomen, de heuvels in de verte brandden in den ovengloed der zon. En hij gaf zich over aan zijn gepeinzen, droomde in het groene schemerlicht der schaduw, luisterde naar het aanhoudend gemurmel van den Gave, alsof [141]een stem uit het hiernamaals, een dierbare stem tot hem sprak.

Pierre haastte zich naar Marie. Het kostte hem niet al te veel moeite: de menigte was zoo groot niet meer; velen gingen reeds dejeuneeren. Hij vond bij het meisje haar vader, die hem dadelijk zijn lange afwezigheid willen uitleggen. Meer dan twee uur had hij ’s ochtends heel Lourdes afgeloopen, wel in twintig hotels kamers gevraagd, zonder ook maar het kleinste slaapvertrekje te kunnen vinden: de dienstbodenkamers zelf waren verhuurd; je kon zelfs geen matras machtig worden, om in de gang op te slapen. Toen hij de wanhoop al nabij was, had hij nog twee kamertjes ontdekt, heel kleine wel, maar in een goed hotel, het Hôtel des Apparitions, een der drukste van de stad. De menschen, die de kamertjes besproken hadden, hadden juist getelegrapheerd, dat haar zieke gestorven was. In het kort een groot buitenkansje, waarover hij erg in zijn schik scheen.

Het sloeg elf uur; de jammerlijke stoet zette zich weer in beweging over de pleinen en door de bezonde straten. Toen zij bij het Hôpital de Notre-Dame des Douleurs was, drong Marie er bij haar vader en den jongen priester op aan, dat zij kalm in het hotel zouden gaan dejeuneeren en dan verder wat rust nemen, alvorens haar om twee uur, wanneer men de zieken naar de Grot zou brengen, weer te komen halen. Na het dejeuner in het hotel gingen de beide mannen naar hun kamer, waar mijnheer de Guersaint, uitgeput van moeheid, onmiddellijk in zoo’n diepen slaap viel, dat Pierre niet over zich kon verkrijgen hem wakker te maken. Waartoe ook eigenlijk? Zijn aanwezigheid was niet bepaald noodzakelijk. Zoo ging hij alleen naar het Hôpital terug, de stoet ging de avenue de la Grotte weer af, het plateau de la Merlasse langs, de place du Rosaire over te midden van de steeds grooter wordende menigte, die rillend het teeken des kruises maakte in de vreugde van den heerlijken Augustusmiddag. Het was het glorierijke uur van een mooien middag.

Nadat Marie weer voor de Grot gebracht was, vroeg zij:

“Komt vader dadelijk?”

“Ja, hij rust wat uit.”

Zij maakte een gebaar als om te kennen te geven, dat hij gelijk had. En met bevende stem zeide zij:

“Luister eens Pierre, je moet me niet voor over een uur komen halen, om me naar den vijver te brengen. Ik ben nog niet in een toestand om de genade Gods deelachtig te worden, ik wil bidden, bidden nog.” [142]

Nadat zij zoo vurig verlangd had daar te zijn, werd zij op het oogenblik, dat zij het wonder wilde beproeven, door een angst bevangen, maakten gewetensbezwaren haar aarzelend; en toen zij vertelde, dat zij niets had kunnen eten, kwam een jong meisje naar haar toe.

“Wanneer u u te zwak voelt, mademoiselle, dan hebben we hier bouillon.”

Zij herkende Raymonde. In de Grot waren n.l. jonge meisjes aangewezen, om koppen bouillon en melk onder de zieken uit te deelen. De vorige jaren hadden echter sommigen haar coquetterie met fijne zijden, met kant afgezette schorten zoo ver gedreven, dat er thans een uniform-schort van blauw en wit geruit linnen voorgeschreven was. Desniettemin zag Raymonde er in al dien eenvoud met haar jeugd en haar druk als een jong huisvrouwtje in de weer zijn bekoorlijk uit.

“U geeft me maar even een wenk, dan breng ik u wat.”

Marie bedankte echter, zeide, dat zij zeker niets gebruiken zou; dan wendde zij zich tot den priester:

“Een uur, een uur nog, lieve vriend!”

Pierre wilde bij haar blijven. Maar het geheele plein moest gereserveerd blijven voor de zieken; zelfs dragers werden er niet toegelaten. Meegevoerd door den beweeglijken stroom der menigte, kwam Pierre bij den vijver, waar een buitengewoon schouwspel hem staande hield. Vóór de drie als hostiekastjes gebouwde kapelletjes, in ieder waarvan zich drie badkuipen bevonden, drie voor mannen en zes voor vrouwen, was onder de boomen een groote ruimte, die door een aan de takken vastgemaakt touw afgesloten en geopend werd; daar wachtten in kleine rijtuigjes of op draagbaren de zieken in een rij hun beurt af, terwijl aan den anderen kant zich een ontzaglijke, tot extase opgezweepte menigte bevond. Op dat oogenblik leidde een capucijner, die midden in de vrije ruimte stond, de gebeden. De Ave’s, die de menigte in een luid verward geprevel herhaalden, volgden elkaar op. Plotseling, juist toen madame Vincent, die sedert langen tijd vol angst stond te wachten, eindelijk met haar dierbaren last, haar op een Jezus van was gelijkend dochtertje, naar binnen ging, liet de capucijner zich op de knieën vallen en riep, zijn armen in den vorm van een kruis ten hemel geheven:

“Heer, genees onze zieken!” En hij herhaalde dien kreet tien, twintigmaal in steeds stijgende geestvervoering, terwijl de menigte, zich bij iederen kreet meer opwindend, dien [143]herhaalde, in snikken uitbarstte en de aarde kuste. Als een storm van waanzin gierde het over allen heen. Pierre bleef staan, geheel van streek door het snikken van lijden, dat uit het diepst der ziel van dat volk omhoog rees, eerst een gebed, dat steeds luider werd, doch waarin weldra een eisch doorklonk, een klank van ongeduld, van verdoovende en verbitterde woede, als om den hemel geweld aan te doen, te willen dwingen. “Heer, genees onze zieken … Heer, genees onze zieken!…” De kreet hield niet op.

Doch er deed zich een incident voor. La Grivotte weende heete tranen, omdat men haar niet wilde laten baden.

“Zij zeggen, dat ik een teringlijdster ben, en dat zij teringachtigen niet in het koude water kunnen dompelen … Maar vanochtend hebben ze het wel gedaan, ik heb het zelf gezien. Waarom ik dan niet? Ik bezweer ze nu al een half uur lang, dat ze de Heilige Maagd verdriet doen. Ik zal genezen worden, ik voel het, ik zal genezen worden …”

Daar het er op ging lijken alsof zij een schandaal wilde maken, ging een der geestelijken naar haar toe, trachtte haar te kalmeeren. Ze zouden dadelijk wel eens zien, ze zouden het oordeel der eerwaarde paters vragen. Als zij zich nu kalm hield, zou men haar misschien wel laten baden.

De kreet: “Heer, genees onze zieken!… Heer, genees onze zieken!…” bleef doorklinken. Pierre zag nu ook madame Vêtu voor den vijver wachten en hij kon zijn blikken niet meer afwenden van dit door angstige hoop vertrokken gezicht met de op de deur, waaruit de uitverkorenen genezen terugkwamen, starende oogen.

Te midden van de steeds luider opstijgende gebeden en de tot waanzin aanwakkerende geestvervoering, kwam madame Vincent terug met haar kind op de armen, haar jammerlijk, aangebeden kind, dat men bewusteloos in het koude water ondergedompeld had en welks nog niet geheel afgedroogd gezichtje met de gesloten oogen even bleek, even pijnlijk, even lijkkleurig bleef. De moeder, gemarteld door dien langen doodsstrijd, wanhopig door de weigering der Heilige Maagd, die ongevoelig was voor het lijden van haar kind, snikte. En toen op haar beurt madame Vêtu met de opgewonden haast van een stervende, die het leven drinken wil, binnenging, barstte weer, zonder ontmoediging en zonder moeheid, de kreet uit: “Heer, genees onze zieken!… Heer, genees onze zieken!…”

De capucijner was met zijn gezicht op den grond gevallen, [144]en de menigte brulde, de armen in den vorm van een kruis ten hemel geheven, en verslond de aarde met kussen.

Pierre wilde naar madame Vincent gaan, om haar moed in te spreken, maar een nieuwe stroom van pelgrims belette hem door te loopen en wierp hem terug naar de bron, die een andere menigte belegerde. De bron bestond uit een laag bouwwerk, een langen, steenen muur met een uitgehouwen kapversiering; niettegenstaande de twaalf kranen, die het water in het kleine bassin vloeien deden, had men ook daar een queue moeten vormen. Velen vulden daar hun flesschen, kruiken van tin of van aardewerk. Om te groot waterverlies te voorkomen, werd iedere kraan slechts opengezet, wanneer men op een knop drukte. Zij, die geen kruiken te vullen hadden, kwamen drinken of haar gezicht wasschen. Pierre zag een jongen man, die zeven kleine glaasjes dronk en zevenmaal zijn oogen bette, zonder zich af te drogen. Anderen weer dronken uit schelpen, tinnen bekers of lederen zakken.

Vooral werd zijn aandacht getrokken door Elise Rouquet, die het niet noodig oordeelde voor de vreeselijke wonde, waardoor haar gezicht weggevreten werd, naar de vijvers te gaan en zich er sinds den ochtend mee vergenoegde, zich ieder uur aan de bron te wasschen. Zij knielde neer, sloeg den sluier weg en drukte lang op de wond een zakdoek, die zij als een spons met het wonderbare water drenkte; om haar heen verdrong de menigte zich in zoo koortsachtige opwinding, dat de menschen haar gezicht niet meer zagen en zich waschten en dronken aan dezelfde kraan, waaraan zij haar zakdoek bevochtigde.

Op dat oogenblik kwam Gérard voorbij, die mijnheer Sabathier naar den vijver sleepte en, nu hij Pierre daar zag staan, dezen riep. Hij vroeg hem met hem mede te gaan, om hem wat te helpen; want het zou niet makkelijk zijn dezen verlamden zieke in het water te krijgen. Zoo bleef Pierre bijna een half uur bij den vijver der mannen, terwijl Gérard in de Grot een andere ging halen.

Pierre vond de inrichting van dezen vijver uitstekend. Er waren drie afdeelingen, drie hokjes, waaruit men met trapjes naar beneden ging en die door tusschenschotten van elkaar gescheiden waren: de ingang tot iedere afdeeling was voorzien met een klein gordijn, dat men dicht kon trekken, om den zieke af te zonderen. Van voren bevond zich een gemeenschappelijke zaal, een met tegels voorziene ruimte, waarin [145]een bank en twee stoelen stonden en die als wachtkamer diende; de zieken kleedden zich daar aan en uit met een onbeholpen haast en een onrustig gevoel van schaamte. Er was op het oogenblik een nog ontkleed man, die zich half in het gordijn gewikkeld had en met bevende handen zijn verband weer aanlegde. Een andere, een ontzettend magere teringlijder, rilde en reutelde; zijn huid was met violette vlekken beplekt. Pierre doorhuiverde een rilling, toen hij broeder Isidore uit een der vijvers zag halen; hij was bewusteloos, men dacht reeds, dat hij dood was, maar dan begon hij weer te kreunen: het was om diep medelijden te krijgen met dat groote, door het lijden uitgeteerde lichaam, dat denken deed aan een op een slagershakblok geworpen stuk menschenvleesch, waarin een wonde aan de zijde een groot gat vormde. Het kostte den twee mannen, die hem gebaad hadden, de grootste moeite, om hem zijn hemd aan te trekken, bang als zij waren, dat hij een te plotselingen schok niet zou kunnen doorstaan.

“U wilt mij zeker wel even helpen, mijnheer de abbé?” vroeg de helper, die mijnheer Sabathier uitkleedde.

Onmiddellijk was Pierre bereid; en toen hij den verpleger, die deze zoo nederige functies vervulde, eens aankeek, herkende hij in hem markies de Salmon-Roquebert, dien mijnheer de Guersaint hem bij het verlaten van het station aangewezen had. Het was een veertiger met een grooten neus en een lang gezicht. Als laatste afstammeling van een der oudste en aanzienlijkste Fransche families bezat hij een reusachtig fortuin, een koninklijk paleis in de rue de Lille te Parijs en uitgestrekte goederen in Normandië. Ieder jaar kwam hij zoo uit Christelijke liefde, maar zonder godsdienstig fanatisme, want hij nam zijn plichten slechts waar, omdat het een man van de wereld paste, gedurende de drie dagen van de nationale bedevaart naar Lourdes. Hij wilde volstrekt niets bijzonders zijn, slechts een gewoon helper, die dit jaar met van moeheid geradbraakte armen de zieken hielp baden, terwijl zijn handen van den vroegen ochtend tot den laten avond bezig waren lompen op te rapen, verbanden af te nemen en weer aan te leggen.

“Pas op!” zeide hij, “trek zijn kousen langzaam uit. Bij den armen kerel, dien ze daar weer aan het aankleeden zijn, hebben ze de huid meegetrokken.”

En toen hij een oogenblik mijnheer Sabathier verliet, om den ongelukkige zijn schoenen aan te trekken, voelde hij met [146]zijn vingers, dat de linkerschoen van binnen nat was. Hij keek en zag dat er etter in de neus van den schoen geloopen was; hij moest die eerst gaan leeggooien, voor hij hem den zieke weer kon aantrekken, waarbij hij zeer zorgvuldig vermeed het been aan te raken, dat door een gezwel weggevreten werd.

“Laten we nu samen de onderbroek uittrekken,” zeide hij tegen Pierre, toen hij weer naar mijnheer Sabathier terugkwam; “dan gaat het makkelijker.”

In het kleine vertrek waren alleen de zieken en de met den dienst belaste verplegers. Ook was er een geestelijke, die steeds door Pater’s en Ave’s bad, want het bidden mocht geen oogenblik ophouden. Een eenvoudig, fladderend gordijn sloot de deur, welke uitkwam op de breede, door touwen beschermde ruimte; het vurige bidden der menigte drong er in een aanhoudend geprevel door, terwijl men de doordringende stem van den capucijner zonder onderbreking hoorde herhalen: Heer, genees onze zieken!… Heer, genees onze zieken!…” Door hooge ramen viel een koud licht binnen; er hing steeds een vochtige atmospheer, een muffe, vieze kelderlucht.

Eindelijk was mijnheer Sabathier ontkleed; voor de welvoeglijkheid had men hem een smal schortje om zijn buik gebonden.

“Dompel mij langzamerhand onder, wat ik u verzoeken mag,” zeide hij.

Hij was bang voor het koude water. Hij vertelde nog, dat hij de eerste maal zoo’n vreeselijke rilling gekregen had, dat hij zich plechtig voorgenomen had niet weer te beginnen. Als men hem hoorde, was er geen erger marteling denkbaar. Verder, zeide hij, had het water niets aantrekkelijks; want uit vrees, dat het door de bron geleverde water niet voldoende zijn zou, laten de paters der Grot het water slechts tweemaal per dag ververschen; en daar er in hetzelfde water meer dan honderd zieken gingen, kan men zich voorstellen, welk een verschrikkelijke brei het ten slotte werd.

Alles vond men erin, bloeddraden, stukken huid, korsten, pluksel en verbanden, een afschuwlijk consommé van alle kwalen, alle wonden, alle besmetting: een echte kweekplaats van vergiftigende kiemen; een essence van de vreeselijkste giffen; het wonder scheen daarin te bestaan, dat men levend uit die menschelijke modder kwam.

“Zachtjes aan, zachtjes aan!” herhaalde mijnheer Sabathier [147]tegen Pierre en den markies, die hem onder de dijen genomen hadden, om hem naar het bad te dragen.

Hij keek met kinderlijken angst naar het water, dat dikke, loodkleurige water, waarop verdacht glimmende plekken dreven. Links aan den rand lag een roode bloedklonter, alsof een abces op die plek doorgebroken was. Stukken linnen zwommen rond als dood vleesch. Maar zijn schrik voor het koude water was zoo groot, dat hij toch die vuile baden van den namiddag liever had, omdat alle lichamen, die er zich in onderdompelden, het water ten slotte wat warmer maakten.

“Wij zullen u langs de treden laten afglijden,” fluisterde de markies.

Dan verzocht hij Pierre hem stevig onder de oksels vast te houden.

“Wees maar niet bang,” zeide de priester; “ik zal hem niet loslaten.”

Langzaam werd mijnheer Sabathier neergelaten. Men zag nog slechts zijn rug, een armzaligen, pijnlijken rug, die slingerde en opzwol en vlammende kleuren kreeg. Toen hij ondergedompeld werd, viel zijn hoofd krampachtig achterover, hoorde men iets als het kraken van beenderen, terwijl hij benauwd adem haalde, als zou hij stikken.

De geestelijke, die voor het bad stond, begon weer met nieuwen geestdrift:

“Heer, genees onze zieken!… Heer, genees onze zieken!”…

Mijnheer de Salmon-Roquebert herhaalde het gebed, dat voor de helpers bij iedere onderdompeling voorgeschreven was. Pierre moest het ook doen en zijn medelijden bij het zien van al dat lijden was zóó groot, dat hij iets van zijn geloof terugvond; in langen tijd had hij niet zoo gebeden; hij wenschte vurig, dat er een God in den hemel was, wiens almacht de lijdende menschheid verlichting zou kunnen schenken. Maar toen zij na drie of vier minuten mijnheer Sabathier doodsbleek en rillend van koude uit het bad optrokken, overviel hem een nog troosteloozer droefheid bij het zien van dien ongelukkigen verlamde, die geen enkele verlichting voelde: nog een nuttelooze poging! De Heilige Maagd had zich ook de zevende maal niet verwaardigd hem te verhooren. Hij sloot de oogen, twee dikke tranen druppelden uit zijn oogleden, terwijl men hem weer aankleedde.

Daarna zag Pierre den kleinen Gustave Vigneron, die met zijn kruk binnenkwam, om zijn eerste bad te nemen. Bij de [148]deur waren zijn vader, zijn moeder en zijn tante, madame Chaise, op hun knieën gevallen. In de menigte werd gemompeld; men fluisterde, dat het een hoofdambtenaar van het ministerie van Financiën was. Juist toen het kind zich begon te ontkleeden, ontstond er een opwindende beweging; pater Fourcade en pater Massias kwamen aanloopen en gaven bevel de onderdompelingen te staken. Het groote wonder zou beproefd worden, de buitengewone genade, waarom sedert den ochtend zoo vurig gesmeekt werd, de herrijzenis van den man.

Buiten bleef het bidden aanhouden, een razend aanroepen van stemmen, die zich, in den warmen zomermiddag, in den hemel verloren. Een overdekte baar werd binnengedragen en midden in het vertrek neergezet. Baron Suire, de voorzitter der Hospitalité, en Berthaud volgden, want het avontuur bracht het geheele personeel in beweging. Tusschen deze twee en de beide paters van Maria Hemelvaart werd een fluisterend gesprek gevoerd. Dan vielen dezen op hun knieën, met hun armen in den vorm van een kruis ten hemel geheven, en baden, hun gezicht straalde, verheerlijkt door hun vurigen wensch om Gods almacht zich te zien openbaren.

“Heer, verhoor ons!… Heer, verhoor ons!”

Men had mijnheer Sabathier weggevoerd; er waren geen andere zieken meer dan de kleine Gustave, die half ontkleed op een stoel vergeten was. De lakens van de baar werden weggetrokken, het lijk van den man werd zichtbaar, stijf reeds, als ingeschrompeld en vermagerd, de groote oogen, die zich niet sluiten wilden, wijd open. Maar men moest hem ontkleeden, want hij had zijn kleeren nog aan: dit vreeselijke werk deed de helpers een oogenblik aarzelen. Pierre zag, dat markies de Salmon-Roquebert, die zich met zooveel toewijding aan de levenden gaf, ter zijde was gaan staan en ook neerknielde, om het lijk niet aan behoeven te raken. Hij volgde zijn voorbeeld en knielde, om zich een houding te geven, naast hem neer.

Langzamerhand geraakte pater Massias in geestdrift en bad met zoo luide stem, dat zij die van zijn superieur, pater Fourcade, overstemde.

“Heer, geef ons onzen broeder terug!… Heer, doe het tot Uw roem!”

Reeds had een der helpers zich vermand de broek van den man uit te trekken, maar de beenen gaven niet mede, het lijk moest opgelicht worden; de andere helper, die de [149]oude jas losknoopte, maakte half fluisterend de opmerking, dat het eenvoudiger zou zijn alles met een schaar los te knippen, anders zou men nooit klaar komen.

Berthaud kwam vlug naar hem toe. Hij had even baron Suire geraadpleegd. In den grond van zijn hart keurde hij, als ervaren man, het af, dat pater Fourcade een dergelijk avontuur beproefd had. Maar het was nu niet mogelijk meer de zaak geen voortgang te doen hebben; de menigte wachtte, smeekte sedert den ochtend den hemel. Het was het verstandigst de zaak zoo spoedig mogelijk en met den grootst mogelijken eerbied voor den doode tot een einde te brengen. Berthaud vond het dan ook beter, om hem geheel gekleed onder te dompelen dan met hem te sollen tot hij ontkleed zou zijn. Het zou nog altijd vroeg genoeg zijn om hem van kleeren te doen verwisselen, wanneer hij tot het leven terugkeerde; was dat niet het geval, wat kwam het er dan eigenlijk op aan? Vlug zeide hij dat alles tegen de mannen, waarna hij hen hielp riemen onder de dijen en de schouders van den man te doen.

Pater Fourcade had met een hoofdknikje zijn toestemming gegeven, terwijl pater Massias zijn gebeden nog hartstochtelijker ten hemel zond:

“Heer, blaas op hem en hij zal herleven!… Heer, geef hem zijn ziel terug, opdat hij u love!”

De twee helpers lichtten den man aan de riemen op, droegen hem boven het bad en lieten hem dan, gekweld door vrees, dat hij uit de riemen schieten zou, langzaam in het water neer. En Pierre, door afschuw aangegrepen, zag hoe het lijk onderdompelde met zijn afgedragen kleeren, die tegen het lichaam plakten en het geraamte duidelijk afteekenden. Hij bleef drijven als een verdronken drenkeling. Het afschuwlijkste was, dat het hoofd, ondanks de stijfheid, achterover viel; het bleef onder water, hoezeer de helpers ook trachtten den riem van de schouders op te trekken. Een oogenblik scheelde het weinig of de man was uit de riemen gegleden. Hoe zou hij zijn adem terug kunnen krijgen, nu hij zijn mond onder water had, terwijl zijn groote open oogen onder dezen sluier voor de tweede maal schenen te breken.

Gedurende de drie eindelooze minuten, die men hem onder hield, trachtten de twee paters van Maria Hemelvaart en de andere geestelijke, in een paroxysme van hoop en geloof, den hemel als het ware te dwingen.

“Heer, zie hem slechts aan, en hij zal uit den doode herrijzen!… [150]Heer, dat hij opsta op Uw woord, om de wereld te bekeeren!… Heer, U hebt slechts één woord te zeggen, en de geheele wereld zal Uw lof verkondigen!”

Alsof een bloedvat in zijn keel gesprongen was, viel pater Massias rochelend op zijn ellebogen, had nog slechts de kracht, om de tegels te kussen. En van buiten drong nog steeds het geschreeuw der menigte, de steeds weer herhaalde kreet, dien de capucijner nog altijd uitstiet: “Heer, genees onze zieken!…” Het klonk zoo vreemd, dat Pierre een kreet van verzet moest onderdrukken. Naast zich voelde hij den markies beven. Het was dan ook een algemeene opluchting, toen Berthaud, die beslist boos was over dit avontuur, met iets barsch in zijn stem tegen de helpers zeide:

“Haalt hem eruit! Haalt hem er toch uit!”

Ze haalden den man op en legden hem in de lompen, welke als die van een drenkeling aan zijn ledematen plakten, op de baar. Uit zijn haren dropen kleine beekjes, die den vloer overstroomden. En de doode bleef dood.

Allen waren opgestaan en keken te midden van een benauwende stilte naar hem. Toen men hem weer bedekte en hem wegdroeg, volgde pater Fourcade hem, leunend op den schouder van pater Massias, trekkend met zijn jichtig been, waarvan hij de pijnlijke stijfheid een oogenblik vergeten had. Hij vond onmiddellijk zijn kalme sterkte terug en tijdens een stilte hoorde men hem tegen de menigte zeggen:

“Geliefde broeders en zusters, God heeft hem ons niet terug willen geven. Zeker omdat Hij hem in Zijn oneindige goedheid onder Zijn uitverkorenen heeft opgenomen.”

Dat was alles; van den man was geen sprake meer. Weer werden zieken aangebracht, de twee andere hokjes waren nu ook bezet. Intusschen kleedde de kleine Gustave, die het tooneel zonder angst, met nieuwsgierig-scherpen blik gevolgd had, zich verder uit. Zijn jammerlijk, klierachtig kinderlichaam met zijn vooruitspringende ribben en den doornvormigen ruggegraat, kwam bloot. Het was zoo mager, dat zijn beenen op stokken geleken, het linker vooral, dat heelemaal uitgeteerd, de beenderen liet zien; bovendien had hij twee wonden, een aan de dij en een aan de heup, deze laatste afzichtelijk met het vleesch, dat geheel bloot lag.

Toch glimlachte hij: het lijden had hem zóó gelouterd, dat hij ondanks zijn vijftien jaar, die hem nauwlijks tien deden schijnen, het verstand en de dappere philosophie van een man scheen te hebben. [151]

Markies de Salmon-Roquebert, die hem voorzichtig in zijn armen genomen had, weigerde Pierre’s hulp.

“Dank u, hij is niet zwaarder dan een vogeltje … Wees maar niet bang, jongen, ik zal het langzaam aan doen.”

“O, mijnheer, ik ben niet bang voor koud water, u kunt me gerust kopje onder doen.”

Zoo werd hij in het bad gebracht, waarin men het lijk gedompeld had. Bij de deur waren madame Vigneron en madame Chaise, die niet konden binnenkomen, weer neergeknield en baden vurig, terwijl de vader, die in het vertrek toegelaten was, telkens weer het teeken des kruises maakte.

Pierre ging, nu hij niet meer helpen kon, weg. De plotseling in hem opkomende gedachte, dat het reeds lang drie uur geslagen had en Marie dus op hem wachten moest, deed hem zich haasten. Maar terwijl hij trachtte door de menigte heen te komen, zag hij het jonge meisje reeds komen, voortgereden door Gérard, die steeds meer zieken naar de vijvers bracht. Zij was ongeduldig geworden; plotseling had zij de zekerheid gekregen, dat zij zich nu in een staat, waarin zij de genade waardig was, verkeerde. Vriendelijk verwijtend zeide zij:

“Hadt je me vergeten, vriendlief?”

Hij wist niet wat te antwoorden, zag haar in den ingang van den vrouwenvijver verdwijnen en viel doodelijk bedroefd op zijn knieën. Zóó, in die houding, wilde hij op haar wachten, om haar, ongetwijfeld genezen en lofzangen zingend, naar de Grot terug te brengen. Moest zij, nu zij zeker was van haar genezing, niet genezen worden? Maar vergeefs zocht hij naar woorden des gebeds in het diepst van zijn geschokt gemoed. Hij bleef onder den indruk der verschrikkelijke dingen, die hij gezien had. Hij voelde zich uitgeput van physieke vermoeidheid en zoo geestelijk terneergedrukt, dat hij niet meer wist, wat hij zag of geloofde. Alleen zijn overgroote teedere liefde voor Marie bleef, deze liefde, die in hem een behoefte wakker riep aan smeeken en vernedering, overtuigd als hij was, dat de kleinen, wanneer zij werkelijk lief hadden en de machtigen smeeken, ten slotte genade verkrijgen. En tot zijn eigen verbazing hoorde hij zichzelf met een door angst beklemde stem, die uit het diepst van zijn wezen kwam, met de menigte instemmen:

“Heer, genees onze zieken!… Heer, genees onze zieken!…”

Dat duurde tien minuten, een kwartier misschien. Toen kwam Marie in haar wagentje terug. De wanhoop stond op [152]haar bleek gelaat; haar mooie haren waren opgenomen in een zwaren, gouden wrong, dien het water niet aangeraakt had. Zij was niet genezen. Eene ontzetting van oneindige moedeloosheid sloot haar mond, terwijl haar oogen zich afwendden als om niet de blikken te ontmoeten van den priester, die, diep ontroerd en met een tot ijs verstijfd hart zich vermande om haar weer voor de Grot terug te rijden.

En de kreet der geloovigen, die, hun armen in den vorm van een kruis ten hemel heffend, den grond kusten, rees weer op in den toenemenden waanzin, die door de scherpe stem van den capucijner aangezweept werd.

“Heer, genees onze zieken!… Heer, genees onze zieken!…”

Toen Pierre weer met haar voor de Grot stilhield, kreeg zij een flauwte. Gérard, die er ook bij was, zag Raymonde met een kop bouillon toeschieten; en van dat oogenblik af was het tusschen die twee als het ware een wedstrijd, om de zieke te helpen. Raymonde deed al het mogelijke om haar den bouillon te doen drinken: vriendelijk en met de liefkoozende gebaartjes van een verpleegster hield zij haar den kop voor, zoodat Gérard dit meisje zonder vermogen, dat reeds zoo ervaren in de dingen des levens was en geheel voorbereid scheen te zijn met krachtige en toch liefderijke hand een huishouden te besturen, wel bekoorlijk vinden moest. Berthaud had gelijk: dit was de vrouw, die hij noodig had.

“Wil ik haar misschien wat oprichten, mademoiselle?” vroeg hij.

“Dank u, mijnheer, ik ben sterk genoeg … Trouwens ik zal haar met den lepel wat ingieten, dat gaat makkelijker.”

Maar Marie, die in haar schuw zwijgen volhardde, kwam weer bij en weigerde met een gebaar den bouillon. Zij wilde dat men haar met rust laten en niet tegen haar spreken zou. Eerst toen de anderen, tegen elkaar glimlachend, zich verwijderden, zeide zij met doffe stem tegen den priester:

“Vader is dus niet gekomen?”

Pierre aarzelde even, doch moest dan de waarheid bekennen:

“Ik heb je vader laten slapen; hij zal niet wakker geworden zijn.”

Toen viel Marie in haar moedeloosheid terug en zond ook hem met een gebaar, waarmede zij alle hulp afwees, weg. Onbeweeglijk bleef zij liggen, zij bad niet meer, staarde slechts met haar groote strakke oogen naar de marmeren Maagd, het witte beeld in den lichtglans der Grot. En daar het vier uur sloeg, ging Pierre, die zich zijn afspraak met [153]dr. Chassaigne herinnerde, diep bedroefd naar het bureau, waar de wonderen geconstateerd worden.

[Inhoud]

IV.

Dr. Chassaigne wachtte Pierre vóór het bureau, waarin de genezingen geneeskundig vastgesteld worden, op. Doch er stond daar een dichte, koortsachtig opgewonden menigte, welke de zieken, die binnengingen, afwachtte en ondervroeg, en ze, wanneer ze er weer uit kwamen, toejuichte, als het nieuws van het wonder zich verspreidde: een blinde die zag; een doove, die weer hoorde; een lamme, die weer loopen kon.

“Nu?” vroeg hij aan den dokter; “zullen we een wonder zien, maar een echt, een onbetwistbaar?”

Toegeeflijk in zijn nieuw geloof, glimlachte de dokter.

“Wat zal ik je zeggen, vriendlief? Een wonder geschiedt niet maar zoo op commando. God grijpt in, als Hij wil!”

Heeren der Hospitalité bewaakten streng de deur. Allen kenden den dokter; zij gingen eerbiedig ter zijde en lieten hem met Pierre binnengaan. Dit bureau, waarin de genezingen geconstateerd werden, was zeer ongerieflijk ondergebracht in een jammerlijke planken hut van twee vertrekken, een kleine voorkamer en een gewone, onvoldoend ingerichte vergaderzaal. Er was sprake van dezen tak van dienst te verbeteren, door hem onder te brengen in een groot lokaal onder een der hellingen van de Rozenkranskerk, waar men reeds met de voorbereidende maatregelen bezig was.

In de wachtkamer zag Pierre op de eenige houten bank twee zieken zitten, die onder toezicht van een der heeren van de Hospitalité haar beurt afwachtten. Doch toen hij in het groote vertrek kwam, vond hij daar tot zijn verbazing een groot aantal personen bijeen, terwijl de verstikkende hitte, die tusschen de houten muren, waarop de zon stond te branden, opgehoopt was, hem op zijn keel sloeg. Het was een vierkant, licht geel geschilderd, kaal vertrek met één venster, waarvan de ruiten gewit waren, opdat de menigte, die zich buiten verdrong, niet naar binnen zou kunnen zien. Men durfde zelfs het raam niet openzetten, om wat versche lucht binnen te laten, want dan werden onmiddellijk verschillende nieuwsgierige hoofden naar binnen gestoken.

Het meubilair was al even primitief als de rest: twee vuurhouten tafels van ongelijke hoogte, die tegen elkaar aan [154]geplaatst waren en die men zelfs niet met een kleed had bedekt; een soort groote loketkast vol slecht gerangschikte paperassen, dossiers, registers en brochures; een dertig stoelen met stroozittingen, die ongeveer de geheele ruimte innamen, en eindelijk twee oude versleten fauteuils voor de zieken.

Onmiddellijk ging dr. Bonamy dr. Chassaigne, die een der laatste en roemrijkste veroveringen der Grot was, tegemoet. Hij haalde onmiddellijk een stoel voor hem, en ook uit eerbied voor diens soutane, voor Pierre. Dan zeide hij op zijn meest hoffelijken toon:

“U wilt me zeker wel vergunnen, door te gaan, waarde collega … We waren juist bezig mademoiselle daar te onderzoeken.”

Het betrof een doove, een boerenmeisje van twintig jaar, dat in een der fauteuils zat. Maar in plaats van te luisteren, vergenoegde Pierre, die doodmoe was en wiens ooren nog suisden, er zich mee rond te kijken en te zien wie zich eigenlijk in dit vertrek bevonden. Er waren er ongeveer een vijftig, waarvan er velen tegen den muur stonden te leunen. Voor de twee tafels zaten vijf personen; in het midden het hoofd van den dienst der vijvers, die over een dik register gebogen zat; verder een pater van Maria Hemelvaart en drie jonge seminaristen, die als secretarissen dienst deden, schreven, de dossiers doorliepen en na ieder onderzoek weer ordenden. Pierre keek een oogenblik belangstellend naar een pater der Onbevlekte Ontvangenis, pater Dargelès, hoofdredacteur van den Journal de la Grotte, dien men hem ’s ochtends aangewezen had. Zijn klein mager gezicht met de knippende oogen, den spitsen neus en den fijnbesneden mond, glimlachte steeds. Hij zat bescheiden aan het laagste einde der tafel aanteekeningen te maken voor zijn courant. Hij was de eenige van zijn orde, die zich gedurende de drie dagen der nationale bedevaart vertoonde. Maar achter hem voelde men de anderen, die als een langzaam toegenomen en verborgen kracht, alles organiseerden en bijeenbrachten.

Verder bestond het gezelschap bijna uitsluitend uit nieuwsgierigen, getuigen, een twintigtal doktoren en vier of vijf priesters. De doktoren, die vrijwel uit alle deelen van Frankrijk gekomen waren, bewaarden voor het grootste gedeelte een volkomen stilzwijgen; sommigen waagden het vragen te stellen. Zij wisselden meer dan eens wantrouwende blikken en letten meer op elkaar dan dat zij de aan hun onderzoek [155]onderworpen feiten vaststelden. Wie konden het zijn? Geheel onbekende namen werden genoemd. Een enkele, die van een beroemd professor van een Katholieke universiteit, had sensatie verwekt.

Dien dag bewaarde dr. Bonamy, die, wanneer hij de zitting leidde en de zieken ondervroeg, nooit ging zitten, zijn hoffelijkheid voornamelijk voor een klein blond heertje, een talentvol schrijver en invloedrijk redacteur van een der meest gelezen Parijsche bladen, welk een toeval dien ochtend naar Lourdes gebracht had. Was dat niet een ongeloovige, om te bekeeren, een invloed en een publiciteit, om gebruik van te maken? Dr. Bonamy had hem in den tweeden fauteuil laten plaats nemen, was uiterst voorkomend en vriendelijk en verklaarde herhaaldelijk, dat men niets te verbergen had daar alles in het volle daglicht geschiedde.

“We vragen slechts licht,” herhaalde hij steeds weer. “Wij zien niets liever dan dat menschen van goeden wil de feiten onderzoeken.”

Daar het met de beweerde genezing der doove niet erg vlotten wilde, sprak hij haar wat ruw toe:

“Kom, meisje, het is nog pas een begin van genezing … Je moet nog maar eens terugkomen …”

En half luid voegde hij er aan toe:

“Als je ze gelooven wou, zouden ze allen genezen zijn. Maar wij aanvaarden slechts de bewezen genezingen, die zoo helder zijn als de zon … Let wel, ik zeg genezingen en niet wonderen; want wij, doktoren, veroorloven ons geen interpretatie, wij zijn hier slechts om te constateeren of de zieken, die aan ons onderzoek onderworpen worden, geen spoor van ziekte meer vertoonen.”

Hij zette een hooge borst op, zorgde wel, dat zijn rechtschapenheid buiten spel bleef, en was geen grooter huichelaar of leugenaar dan een ander; hij was geloovig, zonder te gelooven, wist dat de wetenschap zóó duister, zóó vol verrassingen was, dat het onmogelijke steeds werkelijkheid worden kon; en zoo had hij zich, in het laatst van zijn geneeskundige loopbaan, in de Grot een positie verschaft, die haar voor- en nadeelen had, maar over het geheel toch aangenaam en prettig was.

Nu verklaarde hij op een vraag van den Parijschen journalist de manier, waarop hij te werk ging. Iedere zieke der bedevaart kwam met een dossier, waarin zich bijna altijd een certificaat van den behandelenden geneesheer bevond; [156]ja soms waren er zelfs verscheidene certificaten van verschillende doktoren, rapporten van ziekenhuizen, kortom een heele beschrijving van den loop der ziekte. Wanneer er nu een genezing had plaats gehad en de genezene zich hier aanmeldde, behoefde men slechts zijn dossier te vragen en de certificaten te lezen, om de kwaal, waaraan hij leed, te kennen, en door een onderzoek uit te maken, of die kwaal werkelijk verdwenen was.

Pierre luisterde aandachtig. Sedert hij daar zoo rustig zat, werd hij wat kalmer, kreeg hij zijn denkvermogen terug. Alleen de warmte hinderde hem. Geïnteresseerd als hij werd door de verklaringen en zich gaarne een meening willende vormen, zou hij dan ook zeker, als hij het geestelijke kleed niet gedragen had, vragen gesteld hebben. Die soutane dwong hem zich steeds op den achtergrond te houden. Tot zijn groote vreugde hoorde hij dan ook het kleine blonde heertje, den invloedrijken schrijver, de tegenwerpingen ten berde brengen, die onmiddellijk ook bij hem opgekomen waren. Was het niet een verkeerd principe, dat de eene geneesheer de diagnose van een ziekte vaststelde en de tweede de genezing constateerde? Dat was toch zeker een steeds stroomende bron van mogelijke vergissingen. Het beste zou zijn, dat een medische commissie alle zieken bij hun aankomst te Lourdes onderzocht en daarvan processen verbaal opmaakte, waaraan dezelfde commissie zich zou kunnen houden in geval van genezing.

Maar daar kwam dr. Bonamy tegen op; terecht zeide hij, dat geen enkele commissie tegen zoo’n reusachtige taak opgewassen zou zijn: ga u zelf eens na! Duizend verschillende gevallen op één ochtend onderzoeken! En dan hoeveel verschillende opvattingen, hoeveel discussies, hoeveel tegenstrijdige diagnoses, die de onzekerheid nog deden toenemen, zouden er niet zijn! Het voorafgaande, bijna onmogelijk te verwezenlijken onderzoek gaf inderdaad tot even groote vergissingen aanleiding. In de praktijk moest men zich houden aan die door de doktoren afgegeven certificaten, die dan een groot, beslissend gewicht kregen. Men bladerde in de dossiers op een der tafels en liet den Parijschen journalist certificaten lezen. Sommige waren akelig kort, andere, die beter opgesteld waren, specificeerden de ziekte nauwkeurig. Enkele handteekeningen van doktoren waren zelfs door de burgemeesters der betreffende gemeenten gelegaliseerd. Doch er bleef genoeg twijfel over, die niet ter zijde te zetten was: wie waren die geneesheeren? Bezaten zij de noodige wetenschappelijke [157]autoriteit? Hadden zij zich niet laten beïnvloeden door onbekende omstandigheden of zuiver persoonlijke belangen? Men zou geneigd zijn omtrent ieder van hen een onderzoek in te stellen. Van af het oogenblik, dat alles zich baseerde op het door den zieke medegebrachte dossier, was een zeer zorgvuldige controle der daarin vervatte documenten noodig, want alles stortte in, wanneer niet een strenge kritiek de absolute zekerheid der feiten vastgesteld had.

Met een kleur van opwinding en transpireerend liep dr. Bonamy heen en weer.

“Maar dat doen we juist, dat doen we juist!… Zoodra een geval van genezing ons langs natuurlijken weg onverklaarbaar voorkomt, gaan wij over tot een minutieus onderzoek, verzoeken wij de genezene terug te komen, om zich nogmaals te laten onderzoeken … En u ziet wel, dat wij ons met deskundigen omringen. De heeren, die u hier ziet, zijn bijna allen doktoren, die uit alle deelen van Frankrijk hierheen gekomen zijn. Wij bezweren ze ons hun twijfel mede te deelen en de gevallen met ons te bespreken. Bovendien wordt van iedere zitting een gedetailleerd verslag opgemaakt … U begrijpt mij goed, niet waar heeren? Protesteert wanneer er hier iets gebeurt, waarmede u het niet eens kunt zijn.”

Geen der aanwezigen echter zeide iets. Het meerendeel der doktoren was Katholiek en boog zich natuurlijk voor de feiten. En wat de anderen, de ongeloovigen, de geleerden betrof, zij kwamen slechts om te kijken, interesseerden zich voor zekere verschijnselen, maar vermeden uit beleefdheid in, trouwens nuttelooze, discussies te treden. Wanneer het hun als verstandige menschen te bar werd en zij voelden boos te zullen worden, gingen zij weg.

Nu niemand een woord zeide, triumpheerde dr. Bonamy. En toen de journalist hem vroeg, of hij alleen voor zoo’n groote taak stond, antwoordde hij:

“Absoluut alleen; trouwens mijn functie als geneesheer der Grot is niet zoo heel ingewikkeld, want, ik herhaal het, ik heb niets anders te doen dan de genezingen, die zich voordoen, te constateeren.”

Doch dan verbeterde hij zich en voegde er lachend aan toe:

“Dat zou ik bijna vergeten. Ik heb Raboin, die me helpt de boel hier wat in orde te brengen.”

En hij wees op een gezetten, reeds grijzenden veertiger met een dik buldoggengezicht. Hij was een fanatieke geloovige, een geëxalteerde, die niet dulden kon, dat men de [158]wonderen in twijfel trok, waardoor hij leed onder zijn functie aan het bureau der medische constateeringen en steeds van woede knorde, zoodra men deze betwistte. Het beroep op de doktoren had hem dan ook razend gemaakt, zoodat dr. Bonamy hem kalmeeren moest.

“Kom, Raboin, houd je toch kalm en zwijg! Alle oprechte meeningen hebben het recht zich te laten hooren.”

Maar de zieken kwamen weer. Er werd een man gebracht, wiens geheele rug door een eczeem bedekt was; en toen hij zijn hemd uittrok, vielen er grijze schilfers van zijn huid. Hij was niet genezen, hij beweerde alleen, dat hij ieder jaar naar Lourdes kwam en het ieder jaar verlicht verliet. Dan volgde een dame, een afschuwlijk magere gravin met een buitengewoon ziektegeval: zeven jaar geleden voor de eerste maal door de Heilige Maagd genezen van tuberculose, had zij vier kinderen gehad, daarop had zij weer tering gekregen en was zij verslaafd aan morphine geraakt; het eerste bad had haar echter reeds zooveel goed gedaan, dat zij zich sterk genoeg voelde, om met de zeven-en-twintig familieleden, die zij medegebracht had, deel te nemen aan de fakkelprocessie. Vervolgens kwam er een vrouw, die aan een nerveus spraakverlies leed en nu, na maanden lang absoluut stom geweest te zijn, plotseling bij de processie van vier uur, toen het Heilige Sacrament voorbijgedragen werd, haar stem teruggekregen had.

“Heeren,” zeide dr. Bonamy met zijn geaffecteerde stem van geleerde met breede opvattingen, “u weet, dat wij gevallen, die met zenuwstoringen gepaard gaan, ter zijde laten. Toch wil ik er u op wijzen, dat deze vrouw zes maanden in de Salpétrière verpleegd is en dat zij hier is moeten komen, om het gebruik van haar tong weer terug te krijgen.”

Inmiddels begon hij toch eenig ongeduld te toonen, want hij had gaarne den mijnheer uit Parijs een mooi geval willen laten zien, zooals die soms voorkwamen gedurende die processie van vier uur, het oogenblik van genade en extase, waarop de Heilige Maagd ingreep voor haar uitverkorenen. Tot nu toe waren de genezingen, die hier onderzocht waren, twijfelachtig of onbeteekenend geweest. Buiten hoorde men het getrappel en gebrom der menigte, die, opgezweept door lofliederen en in koortsachtig verlangen naar het wonder, door dat wachten steeds opgewondener werd.

Maar toen duwde glimlachend en bescheiden, een meisje met heldere en verstandige oogen de deur open. [159]

“Ha,” riep de dokter vroolijk uit, “daar heb je onze kleine Sophie … Een merkwaardige genezing, mijne heeren, die verleden jaar heeft plaats gehad en waarvan ik u gaarne de resultaten zou willen laten zien.”

Pierre had Sophie Couteau, de begenadigde, die te Poitiers in zijn compartiment gekomen was, herkend. En hij woonde een herhaling bij van het tooneel, dat reeds voor hem afgespeeld was. Dr. Bonamy gaf nu aan het blonde heertje, dat zeer aandachtig luisterde, de meest uitvoerige inlichtingen: een beeneter aan den linkerhiel, een begin van beenderversterf, dat afzetting noodzakelijk maakte, een afzichtelijke, etterende wond, die in een minuut bij de eerste onderdompeling in den vijver genezen was.

“Vertel het eens aan mijnheer, Sophie.”

Het meisje maakte haar vriendelijk gebaartje, dat de aandacht vroeg.

“Nu dan, mijn voet was zoo ziek, dat ik niet eens meer naar de kerk kon gaan, en ik moest hem altijd in verband hebben, omdat er iets, dat minder frisch was, uitvloeide … Dr. Rivoire, die erin gesneden had, om beter te kunnen zien wat het was, zeide, dat hij genoodzaakt zou zijn een stuk van het been weg te nemen, waardoor ik heelemaal kreupel geworden zou zijn. En toen heb ik de Heilige Maagd innig gebeden en heb ik mijn voet in het water gestoken met zoo’n innig verlangen om beter te worden, dat ik zelfs den tijd niet genomen heb, om het verband eraf te doen … En toen is alles in het water gebleven, mijn voet had niets meer, toen ik hem eruit haalde.”

Dr. Bonamy knikte goedkeurend bij ieder woord.

“En vertel nu nog eens wat de dokter gezegd heeft.”

“Toen dr. Rivoire thuis mijn voet weer zag, zeide hij: “Of het de Goede God of de duivel is, die het kind genezen heeft, laat mij koud, maar genezen is zij.”

Er werd om gelachen; de woorden van den dokter misten hun uitwerking nooit.

“En wat je tegen de gravin, de directrice van je zaal, gezegd hebt.”

“O, ja, dat is waar ook … Ik had niet veel linnen voor mijn voet meegebracht en toen heb ik tegen haar gezegd: “De Heilige Maagd is wel goed geweest, om mij dadelijk den eersten dag te genezen, want morgen zou mijn voorraad al op geweest zijn.”

Weer werd er gelachen, allen vonden het een aardig [160]meisje, dat weliswaar haar verhaal, dat zij van buiten kende, wat te veel reciteerde, maar toch onmiskenbaar de waarheid sprak.

“Sophie, trek je schoenen en kousen eens uit en laat je voet eens aan de heeren zien … Men moet hem aanraken, niemand mag twijfelen.”

Vlug kwam het zindelijke, slanke, ja zelfs gesoigneerde voetje met het litteeken boven den enkel te voorschijn, welks witachtige, duidelijk zichtbare naad bewees hoe ernstig de ziekte geweest was. Enkele doktoren waren dichterbij gekomen en keken zwijgend. Anderen, wier overtuiging ongetwijfeld reeds vast stond, vonden het blijkbaar de moeite niet waard. Een van de eersten, iemand met een zeer beleefd uiterlijk, vroeg waarom de Heilige Maagd, nu zij zich toch met het geval bemoeid had, haar niet een geheel nieuwen voet gegeven had, wat haar toch niet meer moeite gekost zou hebben. Maar dr. Bonamy antwoordde onmiddellijk, dat de Heilige Maagd dat litteeken ongetwijfeld achtergelaten had, opdat er een bewijs van het wonder zou zijn. Daarop ging hij nog op technische bijzonderheden in en toonde aan, dat een deel van het been en van het vleesch in een allerkortst oogenblik nieuw gemaakt moest zijn, iets wat langs natuurlijken weg onverklaarbaar bleef.

“Lieve hemel!” viel het kleine, blonde heertje hem in de rede; “zooveel omslag is niet noodig. Laat men mij alleen maar een vinger laten zien, waarin een zakmesje een diepe snede gegeven heeft en die met een litteeken uit het water komt. Het wonder is dan even groot en ik zal mij er voor buigen.”

En dan voegde hij er aan toe:

“Als ik een bron bezat, welke op die wijze wonden sloot, dan zou ik de wereld ondersteboven keeren. Ik weet niet precies, hoe ik het doen zou; maar ik zou de volkeren roepen en de volkeren zouden komen. Ik zou de wonderen met zulk een onomstootelijke zekerheid laten vaststellen, dat ik de meester der wereld werd. Denk slechts aan die souvereine, waarachtig goddelijke macht!… Maar er zou geen twijfel mogen overblijven, de waarheid zou even helder moeten stralen als de zon. De geheele aarde zou zien en gelooven.”

En met den dokter besprak hij de controlemiddelen. Hij had toegegeven, dat het onmogelijk was alle zieken bij hun aankomst te onderzoeken. Maar waarom zou men niet aan het Hôpital een afzonderlijke, voor de open wonden gereserveerde [161]afdeeling kunnen verbinden? Men zou daar hoogstens een dertig gevallen krijgen, die aan het voorafgaand onderzoek van een commissie zouden worden onderworpen. Processen-verbaal moest men opmaken, ja zelfs de wonden photographeeren. En in al die gevallen zou het niet meer gaan om een inwendige ziekte, waarvan de diagnose toch altijd moeilijk en betwistbaar is. Dan zou het bewijs geleverd zijn.

Eenigszins van zijn stuk gebracht, herhaalde dr. Bonamy:

“Ongetwijfeld, ongetwijfeld! Wij willen niets liever dan licht … De grootste moeilijkheid zou echter zijn die commissie samen te stellen … U weet niet, hoe weinig men het eens is … Maar het is in ieder geval een denkbeeld …”

De binnenkomst van een nieuwe zieke hielp hem uit zijn verlegenheid. Terwijl de kleine Sophie, reeds vergeten, haar kousen en schoenen weer aantrok, verscheen Elise Rouquet met haar monsterachtig gezicht, dat zij door haar sluier weg te slaan, liet zien. Sedert den ochtend waschte zij zich aan de bron met linnen doeken, en zij meende, naar zij zeide, op te merken, dat haar wond wat opdroogde en samentrok. En inderdaad moest Pierre tot zijn groote verbazing constateeren, dat de wond niet zoo afzichtelijk meer was. Het geval gaf nieuw voedsel aan de discussie over open wonden, want het blonde heertje was niet af te brengen van zijn denkbeeld, om daarvoor een afzonderlijke afdeeling op te richten: immers, welk een triomf zou het voor de Grot zijn een lupus genezen te hebben, indien men ’s ochtends den toestand van het meisje geconstateerd had en zij genas! Het wonder zou dan niet meer te ontkennen zijn.

Tot dat oogenblik had dr. Chassaigne zich onbeweeglijk en zwijgend op den achtergrond gehouden, alsof hij de feiten alleen op Pierre wilde doen inwerken. Nu boog hij zich plotseling naar hem voorover en zeide zacht:

“Open wonden, open wonden. Die mijnheer schijnt absoluut niet te weten, dat tegenwoordig onze grootste geleerden van oordeel zijn, dat vele van die wonden van nerveusen oorsprong zijn. Ja zeker, men heeft ontdekt, dat het niets anders zijn zou dan een slechte voeding der huid. Die voedingsquaesties zijn nog zoo slecht onderzocht!… En men komt tot de slotsom, dat het geloof, dat genezingen bewerkt, zeer goed open wonden, o. a. zekere schijnbare lupusgevallen genezen kan. Nu vraag ik je, welke zekerheid die mijnheer met zijn afdeeling voor open wonden krijgen zou! Een beetje meer verwarring en ruzie nog in de eeuwige [162]twist … Neen, neen, de wetenschap is niets, dat is een zee van onzekerheid!”

Hij glimlachte pijnlijk, terwijl dr. Bonamy Elise Rouquet aanried de wasschingen voort te zetten en zich iederen dag te laten onderzoeken. Dan zeide hij op zijn voorzichtige manier:

“Enfin, heeren, er is een begin, daaraan valt niet te twijfelen.”

Maar nu werd het bureau in opschudding gebracht. Als een wervelwind stormde la Grivotte naar binnen en schreeuwde:

“Ik ben genezen … Ik ben genezen …”

Zij vertelde, dat men haar eerst niet had willen baden, dat zij had moeten bidden en smeeken, dat men het eindelijk na formeele toestemming van pater Fourcade gedaan had. En zij had het van te voren wel gezegd: nog geen drie minuten was zij, zweetend en reutelend, in het water geweest, of zij had haar krachten voelen terugkomen als onder een zwaren zweepslag, die haar geheele lichaam striemde. Zij was door zoo’n geestdriftige opwinding bezield, dat zij, van blijdschap stralend, geen seconde stil kon staan.

“Ik ben genezen, lieve heeren, ik ben genezen.”

Stom van verbazing keek Pierre haar aan. Was dat het meisje, dat hij, vannacht nog, uitgeput op de bank van den wagon had zien liggen, hoestend en bloed opgevend? Hij herkende haar niet meer, zooals zij daar recht en flink stond met een blos op haar wangen en schitterende oogen, één levenskracht en levensgeest.

“Heeren,” zeide dr. Bonamy, “het geval lijkt mij zeer interessant … Wij zullen zien …”

Hij vroeg het dossier van la Grivotte. Maar het was onder de paperassen op de twee tafels niet te vinden. De secretarissen, de jonge seminaristen, doorzochten alles; het hoofd van den dienst der vijvers, die in het midden zat, moest ten slotte opstaan en in de loketkast gaan kijken. Toen hij weer was gaan zitten, vond hij het eindelijk onder het groote register, dat hij opengeslagen voor zich had. Het bevatte drie geneeskundige verklaringen, die hij zelf voorlas. Alle drie concludeerden tuberculose in een vergevorderd stadium, die gepaard ging met zenuwtoevallen.

Dr. Bonamy maakte een gebaar als om te kennen te geven, dat zulk een overeenstemming allen twijfel buitensloot. Dan beluisterde hij de zieke lang en prevelde:

“Ik hoor niets … ik hoor niets …”

Dan verbeterde hij zichzelf: [163]

“Of zoo goed als niets …”

Eindelijk wendde hij zich tot de vijf-en-twintig of dertig doctoren, die zwijgend toekeken:

“Als enkelen van de heeren mij met hun wetenschap zouden willen bijstaan … We zijn hier om te bestudeeren en te onderzoeken.”

Eerst bleven zij allen roerloos staan. Dan kwam er eindelijk een naar voren. Op zijn beurt ausculteerde hij de jonge vrouw, maar zeide niets, schudde nadenkend en twijfelend zijn hoofd. Eindelijk stotterde hij, dat men, volgens zijn oordeel, moest afwachten. Een andere nam dadelijk zijn plaats in; deze was zeer positief in zijn verklaring: hij hoorde niets, deze vrouw was nooit tuberculeus geweest. Nog anderen volgden, eindelijk waren allen aan de beurt geweest op vier of vijf na, die met een fijn glimlachje een afwachtende houding aannamen. De verwarring bereikte haar toppunt; ieder gaf zijn sterk afwijkende meening te kennen, zoodat men in het geroezemoes der stemmen zijn eigen stem niet meer hoorde.

Alleen pater Dargelès bleef zijn uiterlijke kalmte bewaren, want hij had een van die gevallen geroken, welke de hartstochten opwekken en den roem van Notre-Dame de Lourdes uitmaken. Op een hoekje van de tafel maakte hij reeds zijn aanteekeningen.

Dank zij het luide stemmengegons konden eindelijk Pierre en dr. Chassaigne praten, zonder dat men ze hoorde.

“O, die vijvers, die ik zooeven gezien heb!” zeide de jonge priester. “Die vijvers, waarvan het water zoo zelden ververscht wordt! Wat een smerigheid, wat een kweekplaats voor microben! De manie, die we tegenwoordig hebben voor antiseptische voorzorgsmaatregelen, krijgt een leelijke klap in haar gezicht. Hoe is het mogelijk, dat een zelfde pest al die zieken niet wegrukt? De tegenstanders der microbentheorie zullen wel in hun vuistje lachen!”

De dokter viel hem in de rede.

“Geen quaestie van, jongen … Al zijn de baden niet erg zindelijk, gevaar leveren zij niet op. Bedenk, dat het water nooit warmer wordt dan tien graden en eerst bij vijf-en-twintig microben gekweekt kunnen worden. Bovendien komen er geen besmettelijke ziekten naar Lourdes, geen cholera, geen typhus, geen pokken, geen mazelen, geen roodvonk. Wij zien hier slechts bepaalde organische ziekten: verlammingen, klieren, tumoren, gezwellen, abcessen, kanker, tering; en deze laatste wordt door het water der baden niet [164]overgebracht. De oude wonden, die erin gebaad worden, leveren geen gevaar op voor besmetting … Ik verzeker je, dat, wat dit betreft, de Heilige Maagd niet behoeft in te grijpen.”

“Maar dokter, u zoudt toch, toen u nog praktijk uitoefende, al uw zieken, vrouwen in ieder gedeelte van de maand, jichtlijders, menschen met een hartkwaal en teringlijders niet zoo in ijskoud water gestopt hebben … Zoudt u dat ongelukkige, half doode, transpireerende meisje hebben laten baden?”

“Zeer zeker niet!… Er zijn van die paardenmiddelen, die je gewoonlijk niet durft toe te passen. Een ijskoud bad kan ongetwijfeld een teringlijder dooden, maar weten wij, of het, in sommige omstandigheden, hem niet genezen kan?… Ik, die er ten slotte toe gekomen ben aan te nemen, dat hier een bovennatuurlijke kracht werkzaam is, ik geef heel graag toe, dat er genezingen zijn, die dank zij die onderdompeling in koud water, welke ons dwaas en barbaarsch toeschijnt, langs natuurlijken weg geschieden … O, er is zooveel, dat wij nog niet weten … zooveel, dat we nog niet weten.”

De haat tegen de wetenschap, die hij verachtte, sedert zij hem tegenover den dood van zijn vrouw en van zijn dochter in den steek gelaten had, maakte zich weer van hem meester.

“Je verlangt zekerheid; nu, de geneeskunde zal je die zeker niet geven … Luister een oogenblik naar die heeren en je zal gesticht worden!… Is zoo’n volkomen verwarring, waarin de eene meening lijnrecht in strijd is met de andere, niet uiterst leerzaam? Zeker, er zijn ziekten, die men uitstekend kent, tot in de kleinste phasen van haar ontwikkeling; er zijn geneesmiddelen, waarvan men de uitwerking met de zorgvuldigste nauwgezetheid bestudeerd heeft; maar wat men niet weet, wat men nooit weten kan, is de verhouding, de betrekking van het middel tot den zieke; want zooveel zieken, zooveel gevallen, en iederen keer moet weer een nieuwe proef genomen worden. Dat is de reden, waarom de geneeskunde een kunst blijft: zij kan geen op strenge ervaring berustenden regel bezitten; steeds weer hangt de genezing van een toeval, van een gelukkige omstandigheid, of van een talentvolle vondst van den geneesheer af … En dan kan je wel begrijpen hoe ik lachen moet om al die menschen, die hier komen discussieeren, wanneer zij spreken in naam van de absolute wetten der wetenschap. Waar zijn die wetten in de geneeskunde? Ik wou, dat ze ze mij eens lieten zien.” [165]

Hij wilde er niet verder over praten, maar zijn geestdrift sleepte hem mee.

“Ik heb je verteld, dat ik geloovig geworden ben … Maar ik begrijp heel goed, dat die brave dr. Bonamy zich volstrekt niet opwindt en dat hij de geneesheeren uit de heele wereld samenroept, om de wonden te bestudeeren. Hoe meer geneesheeren, des te minder komt bij dezen strijd over diagnoses en behandelingswijzen, de waarheid aan het licht. Als ze het al niet eens zijn over een open wond, hoe kan je dan overeenstemming verwachten omtrent een inwendige afwijking, die sommigen ontkennen, terwijl de anderen haar bevestigen? En waarom zou dan per slot van rekening niet alles een wonder worden? Want in den grond der zaak staan de geneesheeren, hetzij dan dat de natuur of een bovennatuurlijke macht werkzaam is, meestal perplex bij het zien van den afloop eener ziekte, dien zij zelden voorzien hebben … Ongetwijfeld zijn de dingen hier slecht georganiseerd. Die certificaten van doktoren, welke men niet kent, hebben geen waarde. Een zeer strenge controle der documenten zou noodig zijn. Maar zelfs aangenomen, dat er een absolute wetenschappelijk-strenge regel te stellen was, dan nog zou het heel naïef zijn te gelooven, dat er een voor allen geldende overtuiging mogelijk zou zijn. Dwaling is nu eenmaal het kenmerk der menschen, en er bestaat geen heldhaftiger werk dan het vaststellen van ook maar de kleinste waarheid.”

Toen begon Pierre te begrijpen wat Lourdes eigenlijk was, Lourdes, het buitengewone schouwspel, dat de wereld sedert jaren te midden van de vrome aanbidding van sommigen en den beleedigenden spot van anderen aanschouwde. Blijkbaar waren hier nog slecht bestudeerde, ja zelfs ongekende krachten werkzaam: auto-suggestie, lang van te voren voorbereide schokken, de overspanning der reis, der gebeden en der liederen, een toenemende extase, en vooral de genezende adem, de ongekende kracht, welke in die hevige geloofscrisis van de menigte uitstroomde. Het scheen hem ook dan van dat oogenblik af zeer onredelijk toe aan bedrog te gelooven. De feiten waren van veel hooger orde en eenvoudiger tevens. De paters der Grot behoefden hun geweten niet te bezwaren met leugens, zij behoefden slechts de verwarring wat in de hand te werken, gebruik te maken van de algemeene onwetendheid. Zelfs kon men aannemen, dat allen te goeder trouw waren: de doktoren, die de geneeskundige verklaringen [166]afgaven; de getrooste zieken, die zich genezen waanden; de hartstochtelijk opgewonden getuigen, die meenden gezien te hebben. En uit dat alles rees zeer duidelijk de onmogelijkheid op om te bewijzen dat het wonder bestond of niet bestond. Werd van dat oogenblik af voor de meesten, voor allen, die leden en behoefte hadden aan hoop, het wonder geen werkelijkheid?

Toen dr. Bonamy, die hen in een hoekje zag praten, naar hen toekwam, vroeg Pierre:

“Hoeveel percent genezingen komen er voor?”

“Ongeveer tien,” antwoordde de dokter.

En toen hij verbazing in Pierre’s oogen zag, voegde hij eraan toe:

“O, wij zullen wel meer krijgen … Maar u moet goed begrijpen, ik ben hier eigenlijk alleen maar om als het ware politietoezicht op de wonderen te houden. Mijn werk is al te grooten ijver wat te temmen, te beletten, dat heilige dingen belachelijk gemaakt worden … Per slot van rekening is mijn bureau slechts een afstempelingsbureau, wanneer de geconstateerde genezingen inderdaad belangrijk schijnen.”

Een dof gebrom van Raboin, die boos begon te worden, viel hem in de rede.

“Geconstateerde genezingen, geconstateerde genezingen … Wat is dat allemaal voor onzin? Het wonder duurt ononderbroken voort. Waartoe dient het voor geloovigen te constateeren? Zij hebben hun hoofd te buigen en te gelooven. En voor de ongeloovigen? Die overtuig je toch niet … Het zijn niets dan dwaasheden, die we hier uithalen!”

Streng beval dr. Bonamy hem te zwijgen.

“Raboin, je bent een rebel … Ik zal aan pater Capdebarthe zeggen, dat ik niets meer van je weten wil, daar je ongehoorzaamheid zaait.”

En toch had hij gelijk, die jongen, die zijn tanden liet zien en steeds gereed was om te bijten, als men aan zijn geloof raakte. Pierre voelde dan ook sympathie voor hem. Al dat werk van het constateeringsbureau, dat bovendien nog slecht gedaan werd ook, was nutteloos: beleedigend voor de geloovigen, onvoldoende voor de ongeloovigen. Is het wonder te bewijzen? Men moet eraan gelooven. Er valt niets te begrijpen, wanneer God ingrijpt. In de eeuwen van waar en oprecht geloof gaf de wetenschap zich geen moeite God te verklaren. Wat kwam zij hier doen? Zij legde het geloof kluisters aan en verlaagde zichzelf. Neen, neen, zich [167]ter aarde werpen, den grond kussen en gelooven. Of weggaan. Een compromis was niet mogelijk. Zoodra men met onderzoekingen begon, kon men daarmede niet ophouden, eindigden ze onvermijdelijk in twijfel.

Maar vooral hinderden Pierre de gesprekken, die hij om zich heen hoorde. De geloovigen, die in het vertrek waren, spraken met een ongehoord gemak en een ongehoorde kalmte over de wonderen. De verbijsterende feiten lieten hen eigenlijk volkomen koud. Nog een wonder, nog een wonder! En met een glimlach vertelden zij de waanzinnigste phantasieën zonder dat hun verstand er maar ook even tegen in verzet kwam. Zij leefden blijkbaar in een milieu van zoo visionaire opwinding, dat zij zich over niets meer verwonderden. En dat waren niet alleen de eenvoudigen van geest, de kinderlijken, de ongeletterden, de aan hallucinaties lijdenden, zooals Raboin, maar ook intellectueelen en geleerden, zooals dr. Bonamy en anderen. Het was onbegrijpelijk. Pierre voelde dan ook een steeds sterker wordend gevoel van onbehagen in zich opkomen, een doffe woede, die ten slotte tot uitbarsting gekomen zou zijn. Zijn verstand verzette zich, spartelde tegen als een arm kind, dat men in het water gegooid heeft en dat voelt, hoe de golven het bijna doen stikken. En hij dacht, dat heldere koppen, als van dr. Chassaigne bijvoorbeeld, die tot blind geloof overgaan, eerst toch dien strijd en dat gevoel van onbehagen moeten doormaken, voor zij voor goed schipbreuk lijden.

Hij keek hem aan en zag, hoe oneindig triest hij was, verpletterd door het noodlot, zwak als een huilend kind, nu hij voor zijn verder leven alleen was. En toch kon hij den kreet van verzet, die naar zijn lippen drong, niet onderdrukken.

“Neen, neen; indien men niet alles weet, zelfs indien men nooit alles weten kan, dan is dat nog geen reden, dat men ophoudt met leeren. Het zou verkeerd zijn, dat het ongekende alleen dáárdoor, dat wij niet weten, ongekend zou blijven. Integendeel, onze eeuwige hoop moet zijn eens het onverklaarde te verklaren, en redelijkerwijze zouden wij geen ander ideaal mogen hebben dan die opmarsch naar het ongekende, om het te leeren kennen, dan die langzame overwinning van ons verstand te midden van de zwakheden van ons lichaam en van onzen geest … O, door mijn verstand lijd ik het meest, maar daarvan verwacht ik ook al mijn kracht. Als dat ten gronde gaat, gaat het geheele wezen ten gronde. En al moge het ook de genadeslag zijn voor mijn [168]geluk, ik heb slechts de brandende begeerte om dat steeds meer te bevredigen.”

Tranen kwamen in dr. Chassaigne’s oogen. Ongetwijfeld kwam de herinnering aan zijn lieve dochter bij hem boven. En op zijn beurt fluisterde hij:

“Het verstand, het verstand! Ja, zeker is dat een trotsch en verheven iets, ja zelfs iets, dat het leven het leven waard maakt … Maar de almachtige kracht des levens is de liefde, het eenige, dat men heroveren wil, als men het verloren heeft.”

Zijn stem brak af in een verstikt snikken. Hij bladerde onwillekeurig in de dossiers op de tafel en vond daarbij dat, hetwelk in groote letters den naam: Marie de Guersaint droeg. Hij sloeg het open en las de certificaten der twee geneesheeren, die tot een verlamming van het ruggemerg concludeerden. En hij ging voort:

“Je weet, jongen, dat ik een groote genegenheid voel voor mademoiselle de Guersaint … Wat zou jij zeggen, als zij hier genezen werd? Ik zie daar certificaten, die door zeer eervolle namen geteekend zijn, en je weet, dat dergelijke verlammingen ongeneeslijk zijn … Welnu, wanneer dat jonge meisje plotseling sprong en danste, zooals ik dat van zooveel anderen gezien heb, zou je dan niet heel gelukkig zijn, zou je dan niet eindelijk het ingrijpen van een bovennatuurlijke macht moeten toegeven?”

Pierre wilde antwoorden, toen hij zich plotseling het consult met zijn neef Beauclair herinnerde, die het wonder voorspeld had, dat als een bliksemstraal door een exaltatie van het geheele wezen zou plaats grijpen. Hij voelde zijn onbehaaglijke stemming sterker worden en zeide slechts:

“Dat zou mij inderdaad zeer gelukkig maken … En ik ben het volkomen eens, dat al de onrust van deze wereld niets anders dan wil is om gelukkig te zijn.”

Maar hij kon daar niet langer blijven. De hitte werd zoo, dat het zweet van de gezichten stroomde. Dr. Bonamy dicteerde aan een der seminaristen het resultaat van het onderzoek van la Grivotte, terwijl pater Dargelès, die op de uitdrukkingen lette, hem tusschenbeide iets influisterde, om hem een zin te laten veranderen. Het lawaai om hen heen bleef aanhouden, de discussie der doktoren liep nu over technische punten, die voor het onderhavige geval van geen enkel belang waren. Men kon tusschen die planken muren geen adem meer halen. Het kleine blonde heertje uit Parijs, [169]de invloedrijke schrijver, was weggegaan, ontevreden geen echt wonder gezien te hebben.

“Laten we gaan, ik kan het hier niet meer uithouden, ik word onpasselijk,” zeide Pierre tegen dr. Chassaigne.

Zij gingen tegelijk met la Grivotte, die door dr. Bonamy weggezonden werd. Dadelijk bij de deur stieten zij op een dichte menigte, die zich verdrong, om de door het wonder genezene te zien. Het nieuws van het wonder had zich blijkbaar reeds verbreid, het was een strijd wie de uitverkorene het eerst zou naderen, vragen, aanraken. En zij kon met haar vuurroode wangen, haar fonkelende oogen en haar dansenden gang niet anders antwoorden dan:

“Ik ben genezen … Ik ben genezen …”

Geroep overstemde haar; zij werd in den wervelstroom der menigte opgenomen en medegevoerd. Een oogenblik verloor men haar uit het oog, alsof zij onder water geraakt was, doch dan kwam zij plotseling weer boven, vlak bij Pierre en den dokter, die zich uit het gedrang trachtten te bevrijden. Zij hadden den Commandeur gevonden, van wien het een manie geworden was naar den vijver en naar de Grot te gaan, om zich boos te kunnen maken. In een nauwsluitende jas leunde hij op zijn wandelstok met zilveren knop, terwijl hij een weinig trok met zijn linkerbeen, dat na zijn tweede beroerte wat stijf gebleven was. Zijn gezicht werd vuurrood en zijn oogen schoten vlammen, toen la Grivotte hem op zij stiet en te midden van het ontketende enthousiasme der menigte uitriep:

“Ik ben genezen!… Ik ben genezen!”

Door een plotselinge woede aangegrepen, schreeuwde hij: “Des te erger voor jou, meid!”

De woorden verwekten een luid gelach, want men kende hem, vergaf hem zijn maniak-achtigen hartstocht voor den dood. Maar toen hij verward begon te stamelen en zeide, dat het om medelijden mede te krijgen was, wanneer je nog langer wilde leven, als je niet mooi was en geen fortuin hadt, en dat het meisje liever had moeten bidden dadelijk te sterven, toen begon men toch een vijandige houding tegen hem aan te nemen. Tot zijn geluk kwam juist abbé Judaine voorbij, die hem uit zijn minder aangename positie redde door hem mede te nemen.

“Houd je mond toch! Het is een schandaal … Waarom kom je toch in opstand tegen de goedheid van God, die zich dikwijls zoo genadig betoont voor onze ellenden, door ze te [170]verlichten?… Je moest zelf op je knieën vallen en hem smeeken je je been terug te geven en je nog tien jaar te laten leven.”

Toen stikte de Commandeur bijna van woede.

“Wat, ik vragen mij nog tien jaar te laten leven, ik, die den dag, dat ik in mijn kist lig, als den mooisten van mijn leven beschouw! Ik even gemeen, even laf zijn als die duizenden zieken, die ik hier in een minne vrees voor den dood zie voorbijtrekken, in hun zwakheid hun schandelijken hartstocht voor het leven uitbrullend! Neen, dan zou ik op mezelf moeten spuwen!… Laat mij maar crepeeren, en direct ook! Het zal zoo heerlijk zijn niet meer te bestaan!”

Hij was nu weer dicht bij dr. Chassaigne en Pierre, die zich eindelijk bij den oever van den Gave uit het gedrang hadden kunnen vrijmaken. Hij begon tegen den dokter, dien hij dikwijls sprak:

“Hebben ze zooeven niet geprobeerd een man in het leven terug te roepen! Ze hebben het me daarnet verteld, ik dacht dat ik stikken zou … Begrijpt u nu zoo iets, dokter? Een man, die het geluk had dood te zijn en dien zij zich de vrijheid genomen hebben in hun water te dompelen in de misdadige hoop hem te doen herleven! Maar als het hun gelukt was, als hun water dien ongelukkige weer in het leven geroepen had—je weet immers nooit wat er in deze potsierlijke wereld gebeuren kan—gelooft u dan niet, dat de man groot gelijk zou hebben, als hij dien lijken-opflikkers zijn woede in hun gezicht gespuwd had?… Had die doode hun gevraagd hem weer op te wekken? Het minste wat je toch doet in zulke gevallen is de menschen raadplegen … Stel je voor, dat ze met mij zoo’n grap zouden uithalen, als ik eenmaal eindelijk mijn langen slaap slaap! Ik zou ze leeren. “Bemoei je met je eigen bemoeisels!” Wat zou ik een haast maken, om weer uit te knijpen.”

Hij was in zijn opwinding zoo komisch, dat abt Judaine en de dokter een glimlach niet konden onderdrukken. Maar Pierre bleef ernstig. De rilling, die hem doorhuiverde, maakte hem koud. Waren het niet de radelooze verwenschingen van Lazarus, die hij daareven gehoord had? Dikwijls had hij zich ingebeeld, dat Lazarus, toen hij uit het graf verrees, Jezus toeriep: “O, Heer, waarom hebt gij mij in dit verschrikkelijke leven teruggeroepen? Ik sliep zoo heerlijk den eeuwigen, droomloozen slaap, ik genoot eindelijk in de verrukkingen van het niet zoo’n heerlijke rust. Ik had al de [171]ellenden en al de smarten gekend, de ontrouw en de valsche hoop, rampen en ziekten; ik had aan het lijden mijn vreeselijke schuld van een levende betaald, want ik was geboren zonder te weten waarom, ik had geleefd zonder te weten waarom; en nu, Heer, laat gij mij mijn schuld dubbel betalen door mij te veroordeelen mijn straftijd nog eens te beginnen … Heb ik dan zoo’n onverzoenbare zonde begaan, dat u mij zoo wreed straft? Wat toch is dat herleven anders dan iederen dag weer iets van zijn vleesch te voelen afsterven, dan verstand te bezitten, alleen maar om te twijfelen, dan een wil te hebben, alleen om niets te vermogen, dan een liefderijk gemoed te bezitten, alleen om zijn smarten te beweenen? En het was uit; ik had den moeilijken stap naar den dood gedaan, ik had die zóó vreeselijke seconde, dat zij voldoende is om het heele leven te vergiftigen, achter den rug. Ik had gevoeld, hoe het zweet van den doodsstrijd mijn voorhoofd nat maakte, hoe het bloed uit mijn aderen wegvloeide, hoe de adem in een laatsten hik mij ontvlood. Wilt u dan, dat ik die verschrikking tweemaal leer kennen; wilt u dan, dat ik tweemaal sterf en dat mijn menschelijke ellende die van alle anderen overtreft?… O, Heer, laat het dan dadelijk gebeuren. O, ik smeek u, doe dat andere groote wonder, leg mij weer in dat graf en laat mij weer insluimeren, zonder dat ik in mijn eeuwigen onderbroken slaap lijden moet. O, heb genade en leg mij niet de kwelling op nogmaals te moeten leven, die vreeselijke kwelling, waartoe u nog geen een enkel ander wezen hebt durven veroordeelen. Ik heb u altijd liefgehad en gediend, maak van mij nu niet het vreeselijkste voorbeeld van uw toorn, dat alle geslachten schrik zou aanjagen. Wees goed en genadig, Heer, geef mij den slaap terug, dien ik zoo ruimschoots verdiend heb, laat mij weer insluimeren in de zaligheid van uw niets.”

Intusschen had abbé Judaine den Commandeur, dien hij eindelijk wat had kunnen kalmeeren, meegetroond; Pierre drukte dr. Chassaigne de hand, daar hij zich herinnerde, dat hij Marie beloofd had haar om vijf uur te zullen halen. Toen hij eindelijk naar de Grot terugkeerde, zag hij abbé des Hermoises in een druk gesprek met mijnheer de Guersaint, die, opgeknapt door een goeden slaap, pas uit zijn hotel gekomen was. Beiden bewonderden de buitengewone schoonheid, die de extase van het geloof aan sommige vrouwen geeft, en praatten over hun plan, om een uitstapje naar het keteldal van Gavarnie te maken. [172]

Zoodra mijnheer de Guersaint echter vernam, dat Marie zonder resultaat een eerste bad genomen had, ging hij onmiddellijk met Pierre mede. Zij vonden het jonge meisje nog steeds in dezelfde pijnlijke verdooving, strak starend naar de Heilige Maagd, die haar niet verhoord had. Zij antwoordde niet op de liefdevolle woorden van haar vader; zij keek hem alleen maar aan met haar groote, diep-droeve oogen, die zij dan weer richtte op het marmeren, in den glans der kaarsen witte beeld. En terwijl Pierre stond te wachten, om haar naar het Hôpital terug te rijden, was mijnheer de Guersaint neergeknield. Eerst bad hij vurig voor het herstel van zijn dochter. Dan smeekte hij voor zichzelf de genade af een compagnon te vinden, die hem het millioen zou geven, dat noodig was voor zijn studies over bestuurbare ballons.

[Inhoud]

V.

’s Avonds tegen elf uur kwam Pierre, die mijnheer de Guersaint in zijn kamer in het Hôtel des Apparitions alleen liet, op het denkbeeld, alvorens zelf zich ter ruste te begeven, nog even naar het Hôpital de Notre-Dame des Douleurs te gaan. Hij had Marie zoo wanhopig en zoo volhardend in een schuw zwijgen achtergelaten, dat hij zich ongerust maakte. En nadat hij madame de Jonquière even aan de deur van de zaal Sainte-Honorine had laten komen, werd zijn ongerustheid nog grooter, want de berichten waren allesbehalve goed: de directrice vertelde hem, dat het jonge meisje nog geen woord gezegd had, niemand wilde antwoorden en zelfs weigerde te eten. Zij stond er dan ook op, dat Pierre binnenkwam. De vrouwenzalen waren ’s nachts wel voor mannen gesloten; maar een priester is geen man.

“Zij houdt slechts van u, zij zal slechts naar u luisteren. Kom toch binnen, ga bij haar bed zitten en wacht hier op abbé Judaine. Die zou tegen één uur de communie komen toedienen aan de ergste zieken, die niet meer getransporteerd kunnen worden en zoodra het dag is, eten. U zoudt hem kunnen helpen.”

Pierre volgde madame de Jonquière en ging aan het bed van Marie zitten.

“Kindlief, ik breng iemand mee, die veel van je houdt … Je zult nu zeker wel verstandig worden en eens met hem praten.”

Toen de zieke Pierre zag, keek zij hem echter met een [173]uitdrukking van verbitterd lijden aan; haar trekken waren hard.

“Wil je, dat hij je wat voorleest, één van die mooie verhalen, die troost geven, zooals hij er een in den wagon gedaan heeft? Maar daar heb je misschien nu geen lust in. Enfin, straks zullen we wel verder zien … Ik laat je nu maar met hem alleen, en ik weet zeker, dat je dadelijk heel lief zal zijn.”

Vergeefs praatte Pierre zacht met haar en zeide haar alles wat zijn liefdevolle toegenegenheid voor haar hem ingaf; hij smeekte haar zich niet zoo over te geven aan haar wanhoop. Wanneer de Heilige Maagd haar niet den eersten dag genezen had, dan was dat alleen, omdat zij haar voor het een of ander eclatante wonder uitverkoren had. Maar zij had haar hoofd afgewend, zij scheen zelfs niet naar hem te luisteren, om haar mond lag een bittere trek, haar vertoornde oogen staarden in het niet. Hij moest wel zwijgen; keek nu de zaal rond.

Het was een afschuwlijk schouwspel. Nog nooit was hij zoo onpasselijk geworden van een walging, die medelijden en afschuw in hem opwekten. Het middagmaal was reeds lang gebruikt, maar nog steeds lagen er porties op de lakens; en tot aan het lichten van den nieuwen dag waren er, die nog aten, terwijl anderen lagen te jammeren of smeekten, dat men ze omdraaide of op den pot zette. Naarmate het later werd, maakte een soort ijlkoorts zich van allen meester.

Maar heel enkelen sliepen rustig, sommigen lagen uitgekleed onder de dekens, maar de meesten eenvoudig er bovenop uitgestrekt; het was zoo moeilijk haar uit te kleeden, dat zij zelfs gedurende de vijf dagen, die de bedevaart duurde, niet verschoond werden. In het halfdonker leek de zaal nog voller: de vijftien bedden, die langs de muren stonden, de zeven matrassen, die in den hoofddoorgang gelegd waren, andere, die er later nog waren bijgevoegd, een ophooping van tallooze lompen, waartusschen de bagage, de oude manden, de kisten, de valiezen opgestapeld stonden. Men wist niet meer waar men zijn voet moest zetten. Twee walmende lantaarns verlichtten ternauwernood dit kampement van stervenden; ondanks de twee half openstaande ramen, waardoor trouwens slechts de zwoele warmte van den Augustusnacht binnenkwam, was de stank ondragelijk. Schimmen en gillen bevolkten deze hel in den nachtelijken doodsangst van zooveel lijden.

Pierre herkende Raymonde, die, nu haar dienst afgeloopen [174]was, nog even haar moeder een zoen kwam geven, voor zij ging slapen in een der voor de zusters gereserveerde dakkamertjes. Madame de Jonquière, die haar taak als directrice zeer ernstig opnam, deed die drie nachten geen oog dicht. Zij had wel een fauteuil, waarin zij makkelijk kon liggen, maar zij kon er geen oogenblik in gaan zitten, zonder onmiddellijk weer gestoord te worden. Overigens werd zij dapper bijgestaan door de kleine madame Désagneaux, die zich zoo vol toewijding aan haar taak gaf, dat zuster Hyacinthe haar lachend gevraagd had: “Waarom wordt u geen pleegzuster?” Waarop zij eenigszins verschrikt en verbaasd geantwoord had: “Dat gaat niet, ik ben getrouwd en ben dol op mijn man!” Madame Volmar had zich niet meer laten zien. Men vertelde, dat zij zoo’n vreeselijke hoofdpijn had, dat zij naar bed had moeten gaan, wat madame Désagneaux verontwaardigd had doen vragen, waarom je hierheen kwam, om zieken te verplegen, als je zelf zoo zwak was. Maar langzamerhand begon zij zich ook geradbraakt aan armen en beenen te voelen, hoewel zij het zich zelf niet wilde bekennen en bij de minste klacht dadelijk bereid was om te helpen. Zij, die in haar appartementen te Parijs liever een knecht gescheld zou hebben dan zelf een lamp te verzetten, liep hier rond met potten en kannen, ledigde kommen, richtte de zieken op, terwijl madame de Jonquière een kussen achter haar schoof. Doch om elf uur kon zij niet meer. Zij was zoo onvoorzichtig zich even uit te strekken in den fauteuil en sliep toen dadelijk in. Haar aardig kopje met de mooie, blonde, weerspannige haren was op haar schouder afgezakt. En noch het gejammer, noch het roepen, noch eenig ander geluid kon haar wakker maken.

Zachtjes was madame de Jonquière weer naar den jongen priester gekomen en zeide tegen hem:

“Ik had er wel aan gedacht om mijnheer Ferrand, u weet wel den dokter, te laten halen; misschien had hij het arme kind wat kunnen geven om te kalmeeren, maar hij is beneden bezig met broeder Isidore. En bovendien we laten hier niemand geneeskundig behandelen, wij komen hier slechts, om onze lieve zieken in de handen der Heilige Maagd te leggen.

Zuster Hyacinthe, die dezen nacht met de directrice wilde waken, voegde zich bij hen.

“Ik kom zoo juist uit de mannenzaal; ik had mijnheer Sabathier een paar sinaasappelen beloofd. Het is mijnheer Ferrand gelukt broeder Isidore weer tot het leven terug te [175]roepen … Wilt u misschien, dat ik hem even ga halen?”

Maar Pierre verzette zich ertegen.

“Wel neen, Marie zal wel verstandig zijn. Ik zal haar wel kalmeeren.”

Maar Marie bleef nog steeds hardnekkig zwijgen. Een van de twee lantaarns hing vlak bij haar bed, en Pierre zag heel duidelijk haar mager gezicht, waarin geen spier vertrok. In het bed ernaast zag hij het hoofd van Elise Rouquet, die in een diepen slaap verzonken was. Zij lag zonder sluier met haar gezicht naar boven, waarin de afzichtelijke wond toch bleef toetrekken. Links van zich zag hij de uitgeputte madame Vêtu, die, geschokt als zij werd door een onophoudelijk reutelen, den slaap niet vatten kon. Hij zeide een paar bemoedigende woorden tot haar. Zij dankte hem met een hoofdknikje en voegde er zwakjes aan toe:

“Er hebben vandaag verschillende genezingen plaats gehad, dat maakt me zoo gelukkig.”

La Grivotte, die aan het voeteneinde van het bed op een matras lag, hield maar niet op, zich in haar drukke opgewondenheid op te richten en tegen ieder, die kwam, te herhalen:

“Ik ben genezen!… Ik ben genezen!”

En zij vertelde, dat zij een halve kip verorberd had, zij, die in geen twee maanden gegeten had. Daarna had zij bijna twee uur lang medegeloopen in de fakkelprocessie. Zij zou zeker tot vroeg in den ochtend gedanst hebben, als de Heilige Maagd een bal gegeven had.

“Ik ben genezen, o, heelemaal genezen!”

En met een kinderlijke vroolijkheid, met een glimlachende zelfverzaking kon madame Vêtu nog zeggen:

“De Heilige Maagd heeft er goed aan gedaan, deze te genezen, die zoo arm is. Dat maakt mij gelukkiger dan wanneer ik het zelf was. Ik heb immers mijn winkel en kan nog best wat wachten … Ieder op zijn beurt, ieder op zijn beurt!”

Bijna allen toonden die Christelijke liefde, die ongelooflijke blijdschap over de genezing van anderen. Slechts hoogst zelden waren zij jaloersch, allen gaven zich over aan een soort gelukkige epidemie, de aanstekelijke hoop den volgenden dag ook genezen te worden, als de Heilige Maagd het wilde. Je moest haar niet verdrietig maken, je niet ongeduldig betoonen, want zij had er natuurlijk haar goede redenen voor, wist waarom zij liever met deze dan met gene [176]begon. De ergste zieken baden dan ook, in die broederschap van lijden en hoop, voor haar, die naast haar lagen. Ieder nieuw wonder was een onderpand voor het volgende. Onwrikbaar kwam haar geloof steeds weer boven. Men vertelde de geschiedenis van een verlamd boerenmeisje, dat met een buitengewone wilskracht in de Grot eenige passen geloopen had. In het Hôpital teruggekeerd, had zij zich weer naar beneden laten brengen, daar zij naar de voeten van Notre-Dame de Lourdes wilde teruggaan, maar op de helft van den weg was zij hijgend en doodsbleek neergevallen. Op een brancard had men haar toen weer naar het Hôpital teruggebracht, waar zij gestorven was; genezen, zeiden degenen, die in de zaal naast haar lagen. Ieder op zijn beurt, de Heilige Maagd vergat geen van haar geliefde dochters, indien het tenminste niet in haar bedoeling lag een van haar uitverkorenen onmiddellijk de genade van het paradijs deelachtig te doen worden.

Plotseling, juist toen Pierre zich over haar heen boog, om nogmaals te vragen, of hij haar wat wilde voorlezen, barstte Marie in een wild snikken uit. Zij had haar hoofd laten neervallen op den schouder van haar vriend en zeide hem met een zachte, maar angstaanjagende stem te midden van de vage schaduwen dier vreeselijke zaal haar woede. Het was bij haar, iets, wat zoo zelden voorkomt, een verliezen van het geloof, een plotseling wegzinken van den moed, een opstand van het lijdende schepsel, dat niet langer wachten kan. Ja, het werd bij haar een godslastering.

“Neen, neen, zij is slecht, zij is onrechtvaardig. Ik was er zoo zeker van, dat zij mij vandaag zou verhooren, en ik had haar zoo gesmeekt! Nooit zal ik genezen, nu deze eerste dag ten einde loopt. Het was een Zaterdag, ik was zoo overtuigd, dat zij mij op een Zaterdag genezen zou … O, Pierre, ik wilde niet meer spreken, belet mij om te spreken, want mijn hart is zóó vol, dat ik te veel zeggen zou!”

In een broederlijke omarming had hij haar hoofd tegen zich aangedrukt, trachtte dien kreet van haar verzet te smoren.

“Marie, zwijg toch! Ze mogen je niet hooren … Jij, zoo vroom! Wil je dan al deze zielen ergeren?”

Maar zij kon niet zwijgen.

“Ik zou stikken, ik moet spreken … Ik heb haar niet meer lief, ik geloof niet meer in haar. Alles wat men hier vertelt zijn leugens: er is niets, zij bestaat zelfs niet; zij luistert immers niet, als je haar roept en als je weent. Als je alles [177]eens wist, wat ik tot haar gezegd heb … Neem me mee, dan kan ik op straat sterven, waar de voorbijgangers ten minste medelijden zullen hebben met mijn lijden.”

Haar stem was allengs zwakker geworden, stamelend als een kind viel zij op haar kussen terug.

“En niemand houdt ook van me. Vader was er zelfs niet. En jij, arme jongen, hadt me ook in den steek gelaten. Toen ik zag, dat een ander mij naar den vijver reed, voelde ik in mijn hart zoo’n bittere koude. Ja, die koude van den twijfel, dien ik in Parijs zoo dikwijls gevoeld heb. Een ding is zeker: dat zij mij niet genezen heeft, komt, omdat ik getwijfeld heb. Ik zal slecht gebeden hebben, ik ben niet heilig genoeg …”

De godslasteringen hadden reeds opgehouden, zij vond reeds verontschuldigingen voor den hemel. Maar haar gezicht bleef verbitterd in dien strijd tegen de hoogere macht, die zij zoo lief gehad en gebeden had, maar die haar niet verhoord had. Wanneer er een enkele maal zoo’n aanval van woede losbrak en het in de bedden tot dergelijke opstanden tegen God, tot wanhoop en snikken, ja zelfs tot vloeken kwam, dan trokken de dames en de zusters, eenigszins schuw en bang, eenvoudig de gordijnen dicht. De genade had zich teruggetrokken en men moest wachten, tot zij terugkeerde. Dan trad langzamerhand een kalmte in en na enkele uren was alles te midden van de diepe, treurige stilte gestorven.

“Blijf toch kalm, blijf toch kalm, ik smeek het je,” zeide Pierre, die zag, dat een andere crisis, een van twijfel aan zich zelf, van angst de goddelijke genade onwaardig te zijn, zich van Marie dreigde meester te maken.

Ook zuster Hyacinthe was bij haar bed komen staan.

“Maar je zult straks de heilige communie niet kunnen ontvangen, kindlief, als je in zoo’n opgewonden toestand blijft. En waarom wil je niet, dat mijnheer de abbé je wat voorleest, nu wij het ook goed vinden?”

Zij maakte een moe gebaar als om te zeggen, dat zij het goed vond en onmiddellijk haalde Pierre uit het valies, dat aan het voeteneinde van het bed stond, het kleine boekje met blauwen omslag, waarin zoo naïef de geschiedenis van Bernadette verteld werd. Maar evenmin als den vorigen nacht in den voortrollenden trein hield hij zich aan den besnoeiden tekst van het boekje, maar improviseerde hij, waarbij hij de feiten op zijn wijze weergaf, terwijl de denker en de analyst in hem geen weerstand bieden konden aan de verleiding om de waarheid te herstellen, deze legende, [178]wier eeuwig wonder tot de genezing der zieken medewerkte, meer menschelijk te maken. En weldra richtten zich van alle matrassen naast hem vrouwen op, die het vervolg van het verhaal wilden hooren, want het smachtend verlangen naar de communie belette bijna allen om te slapen.

Zoo verhief Pierre, zittend in het bleeke schijnsel van de lantaarn, die boven hem hing, langzamerhand zijn stem, om zich voor de geheele zaal verstaanbaar te maken.

“Dadelijk na de eerste wonderen begonnen de vervolgingen. Bernadette werd als een leugenaarster en een krankzinnige behandeld, en men dreigde haar in de gevangenis te zetten. Abbé Peyramale, pastoor van Lourdes en monseigneur Laurence, bisschop van Tarbes, benevens de geheele geestelijkheid hielden zich op den achtergrond en wachtten met de grootste voorzichtigheid de dingen af, terwijl de burgerlijke autoriteiten, de prefect, de officier van justitie, de burgemeester, de commissaris van politie zich in hun overmatigen ijver tot betreurenswaardige excessen tegen den godsdienst lieten verleiden …”

Terwijl hij zoo voortging, zag Pierre, hoe de ware geschiedenis met een onweerstaanbare kracht voor hem oprees. Hij ging nog wat in de geschiedenis terug en vond Bernadette weer terug op het oogenblik van de eerste verschijningen. Zij was zoo rein, zoo kinderlijk-oprecht, zoo aanbiddelijk van onschuld en goede trouw in haar lijden. Zij was de helderziende, de heilige, wier gelaat in de oogenblikken van extase een uitdrukking van bovenmenschelijke schoonheid kreeg: haar voorhoofd straalde, haar trekken schenen verheerlijkt te worden, haar oogen baadden in licht, terwijl de half geopende mond van liefde brandde. Haar geheele persoon was dan vol van een verheven majesteit, zij maakte langzame en verheven teekenen des kruises, die als het ware den geheelen horizont omvatten. De aangrenzende dalen, de dorpen, de steden spraken over niets dan over Bernadette. En hoewel de Heilige Maagd zich nog niet bekend gemaakt had, herkende men haar, zeide men: “Dat is de Heilige Maagd!” Den eersten marktdag kwamen er zooveel menschen, dat Lourdes wel overstroomd leek. Allen wilden het gebenedijde kind zien, de uitverkorene van de Koningin der Engelen, die zoo mooi werd, wanneer de hemelen zich voor haar verrukte oogen openden. Iederen ochtend werd de menigte aan den oever van den Gave grooter; duizenden verdrongen er zich om toch maar niets van het schouwspel te [179]verliezen. Zoodra Bernadette zich vertoonde, liep een geprevel door de schare: “Daar is de heilige, de heilige, de heilige!” Men snelde naar haar toe, kuste haar kleeren. Zij was de Messias, de eeuwige Messias, dien de volkeren verwachten en naar wien door alle eeuwen heen alle geslachten smachten. En steeds weer herhaalde zich hetzelfde: een openbaring der Maagd aan een herderin; een stem, die de wereld vermaande tot boetedoening; een bron, die ontsprong; wonderen, die de in steeds grooter getale samenstroomende menigte met verbazing sloegen en verrukten.

O, die eerste wonderen van Lourdes! Welk een heerlijke lentebloesempracht van troost in het hart der ellendigen, die door armoede en ziekte verteerd werden! Het genezen oog van den ouden Bourriette; de jonge Bouhohorts, in het koude water weer tot het leven teruggeroepen; dooven, die weer hoorden; lammen, die weer liepen; en zoovele anderen, Blaise Maumus, Bernade Soubies, Auguste Bordes, Blaisette Soupenne, Benoite Cazeaux, die van de ergste ziekten verlost werden, vormden het onderwerp van eindelooze gesprekken, verlevendigden de hoop weer van allen, die geestelijk of lichamelijk leden. Donderdag, den vierden Maart, den laatsten dag van de door de Heilige Maagd verlangde bezoeken, waren er meer dan twintigduizend personen voor de Grot, was het geheele gebergte afgedaald. En die ontzaglijke menigte vond daar waarnaar zij hongerde: het voedsel van het goddelijke, het feestmaal van het wonderbaarlijke, genoeg van het onmogelijke, om haar geloof te bevredigen aan een hoogere macht, die zich verwaardigde zich in te laten met de armen, die op opzienbarende wijze ingreep in de ellendige toestanden hier op aarde, om er een weinig gerechtigheid en goedheid te brengen. De roep der goddelijke liefde weerklonk, de onzichtbare en hulpvaardige hand strekte zich uit, verbond de eeuwige wonde der menschheid. O, met welk een onverwoestbare kracht schoot deze droom, dien ieder geslacht op zijn beurt opnieuw droomde, weer wortel bij de onterfden, zoodra hij een gunstigen, door de omstandigheden voorbereiden bodem gevonden had. En misschien hadden in geen eeuwen de feiten zich zoo samengevoegd, om, zooals in Lourdes, den mystieken haard van het geloof te doen ontvlammen.

Een nieuwe godsdienst begon zich te grondvesten, en onmiddellijk kwamen de vervolgingen los, want de godsdiensten gedijen slechts onder martelingen en verzet. Evenals [180]vroeger te Jeruzalem, toen het gerucht zich verspreidde, dat wonderen opbloeiden onder de stappen van den verwachten Verlosser, geraakten ook hier de burgerlijke autoriteiten in opwinding, de officier van justitie, de vrederechter, de burgemeester en vooral de prefect van Tarbes. Deze was toevallig een streng geloovig Katholiek, een rechtschapen man, die zijn godsdienstige plichten steeds waarnam, maar bovendien een echte bestuursambtenaar, een hartstochtelijk verdediger van de goede orde, een verklaard tegenstander van alle fanatisme, waaruit oproer en godsdienstige ontaarding voortvloeit. Te Lourdes had hij onder zijn bevelen een commissaris van politie, die den zeer begrijpelijken wensch koesterde zijn gaven van helder doorzicht te bewijzen.

En zoo begon de strijd: den eersten Vastenzondag, vlak na de eerste verschijningen, liet deze commissaris Bernadette voor zich komen, om haar te ondervragen. Vergeefs trad hij in den beginne liefderijk, dan opvliegend en dreigend op: hij kreeg van het meisje steeds dezelfde antwoorden. De geschiedenis, die zij met de langzamerhand toegenomen bijzonderheden vertelde, had zich van lieverlede onherroepelijk in haar kinderlijk brein vastgezet. En bij deze arme hysterica was dat geen leugen; het was een onbewust opgedrongen gedachte, een ongeneeslijk gebrek aan wilskracht om zich los te maken van de eerste hallucinatie. Het ongelukkige kind, het lieve, zachte kind! Van dat oogenblik af was zij voor het leven verloren, werd zij gekruisigd door haar idée fixe, waaruit men haar slechts zou hebben kunnen losrukken door haar in een andere omgeving te brengen, door haar terug te geven aan de vrije buitenlucht in een streek van licht en menschenliefde! Maar zij was de uitverkorene, zij had de Heilige Maagd gezien, daarom zou zij haar geheele leven lijden en ten slotte sterven.

Pierre, die Bernadette zoo goed begreep en aan haar nagedachtenis een broederlijk medelijden, de warme toegenegenheid, die men voor een menschelijke heilige, een eenvoudig, rechtschapen en in de marteling voor haar geloof bekoorlijk wezen heeft, bewaarde, kon zijn ontroering niet verbergen: zijn oogen waren vochtig, zijn stem beefde. Marie, die tot dusverre met haar door verzet hard gelaat, strak voor zich uit had liggen staren, maakte nu een gebaar van medelijden.

“De arme kleine,” prevelde zij, “zoo alleen tegen die magistraten, en zoo onschuldig, zoo fier, zoo zeker van haar zaak!” [181]

Uit alle bedden steeg dezelfde lijdende sympathie op. De hel van deze zaal in haar nachtelijke ellende, met haar vergiftigde atmosfeer, haar opeenhooping van smartelijke ziekbedden, haar spookachtig heen en weer geloop van door moeheid uitgeputte zusters, scheen verlicht te worden door een glans van goddelijke liefde. Arme, arme Bernadette! Allen waren verontwaardigd over de vervolgingen, die zij, om de werkelijkheid van haar visioen te verdedigen, had moeten verduren.

Voortgaande, vertelde Pierre wat Bernadette te lijden had gehad. Na het verhoor door den commissaris had zij nog voor de chambre du Tribunal moeten verschijnen. De geheele magistratuur wilde haar met alle geweld tot een herroeping dwingen. Maar het hardnekkig vasthouden aan haar droom was sterker dan al de redeneeringen van al de burgerlijke overheden te zamen. Twee doktoren, door den prefect gezonden, om haar te onderzoeken, concludeerden te goeder trouw, zooals trouwens ieder geneesheer gedaan zou hebben, tot zenuwstoringen, waarvan het asthma een zekere aanwijzing was en die onder bepaalde omstandigheden hallucinaties in het leven hadden kunnen roepen. Op die conclusie was zij bijna in een ziekenhuis te Tarbes opgesloten. Maar men durfde haar niet uit Lourdes te verwijderen, bang als men was voor de volksverbittering. Een bisschop was gekomen om zich voor haar op zijn knieën te werpen. Dames wilden haar genade met goud koopen. Steeds grooter wordende scharen van geloovigen overstelpten haar met bezoeken. Zij had een toevlucht gezocht bij de zusters van Nevers, die de zieken in het gemeentelijke ziekenhuis verpleegden; daar had zij haar eerste communie gedaan, daar leerde zij met moeite lezen en schrijven. Daar de Heilige Maagd haar slechts voor het geluk van anderen uitverkoren scheen te hebben en haar zelf niet van haar chronische benauwdheden genas, besloot men haar naar de zoo nabij gelegen baden van Cauterets te brengen, die haar echter in het geheel geen goed deden.

Onmiddellijk na haar terugkeer te Lourdes begon de kwelling van verhooren en van aanbidding door een geheel volk opnieuw in nog erger mate, zoodat zij een afschuw van de wereld kreeg. Het was nu voor goed uit: zij kon nu geen vroolijk kind meer zijn; geen jong meisje worden, dat droomt van een echtgenoot; geen jonge vrouw, die de wangen van mollige kinderen kust. Zij had de Heilige Maagd gezien, zij [182]was de uitverkorene en de martelares. De Heilige Maagd, zeiden de geloovigen, had haar slechts drie geheimen toevertrouwd en haar aldus gewapend met die driedubbele wapenrusting, om haar te midden van haar beproevingen te steunen.

Lang had de geestelijkheid, zelf vol twijfel en ongerustheid, zich van het uitspreken van een oordeel onthouden. De pastoor van Lourdes, abbé Peyramale, was een ruw, maar buitengewoon goed, rechtschapen en verwonderlijk energiek man, wanneer hij meende op den rechten weg te zijn. De eerste maal, dat hij Bernadette bij zich kreeg, ontving hij bijna even ruw als de commissaris van politie dit te Bartrès opgevoede kind, dat men nog niet op de leering gezien had; hij weigerde haar verhaal te gelooven en beval haar met eenige ironie de Vrouwe te bidden vóór alles de wilde rozenstruik, die aan haar voeten stond, te doen ontluiken, wat de Vrouwe niet deed. Dat hij later als een goede herder, die zijn kudde verdedigt, het kind onder zijn bescherming nam, was alleen, omdat, toen de vervolgingen begonnen, men erover dacht dat ziekelijke meisje met haar zoo heldere en vrijmoedige oogen gevangen te nemen. En bovendien waarom zou hij het wonder blijven ontkennen, nadat hij er als voorzichtig priester, die weinig lust heeft den godsdienst in een verdacht avontuur te werpen, slechts aan getwijfeld had? De Heilige Boeken staan vol wonderen, het geheele dogma is op het mysterie gebaseerd.

Vanaf dat oogenblik verzette, in de oogen van een priester, niets er zich tegen, dat de Heilige Maagd dit godvruchtige kind belast had met de opdracht voor hem, om een kerk te bouwen, waar de geloovigen zich in processie heen zouden begeven. Op die wijze begon hij Bernadette om haar charme lief te krijgen en te verdedigen, ook al hield hij zich, in afwachting van de beslissing van zijn bisschop, bescheiden op den achtergrond.

Deze bisschop, Mgr. Laurence, scheen zich in zijn paleis te Tarbes achter driedubbele grendels opgesloten te hebben en bewaarde, alsof er te Lourdes niets gebeurde, dat hem kon interesseeren, het meest volmaakte stilzwijgen. Hij had aan zijn geestelijkheid strenge bevelen gegeven, en geen priester had zich nog onder de groote scharen, die geheele dagen voor de Grot doorbrachten, laten zien. Hij wachtte; hij liet in administratieve circulaires den prefect weten, dat de burgerlijke overheid in overeenstemming met de geestelijke [183]overheid was. In den grond der zaak geloofde hij blijkbaar niet aan de verschijningen, zag hij daarin, evenals de geneesheeren, slechts de hallucinaties van een ziekelijk kind. De gebeurtenis, die het geheele land in beweging bracht, was echter belangrijk genoeg, om het van dag tot dag nauwkeurig te laten onderzoeken, en de wijze, waarop hij er zoo langen tijd zoo’n geringe belangstelling voor toonde, bewijst hoe weinig geloof hij aan het beweerde wonder sloeg. Zijn eenige zorg was de Kerk niet te compromitteeren met een geschiedenis die voorbestemd was slecht te eindigen. Mgr. Laurence, een zeer vroom man met een koel en nuchter verstand, had voor het bestuur van zijn diocese een groote dosis gezond verstand medegebracht. De ongeduldigen en de vurige ijveraars gaven hem toendertijd den bijnaam van “Heilige Thomas”, omdat hij in zijn twijfel bleef volharden tot den dag, dat hij door de feiten gedwongen werd. Hij weigerde te hooren en te zien, vast besloten niet toe te geven dan wanneer de godsdienst er niets meer bij verliezen kon.

Maar de vervolgingen werden ernstiger en scherper. De minister van Eeredienst, die op de hoogte gebracht was, eischte, dat alle wanordelijkheden zouden ophouden, waarop de prefect de toegangen tot de Grot door militairen had laten bezetten. Reeds hadden de geloofsijver der getrouwen en de dankbaarheid der genezenen die met bloemvazen versierd. Men wierp geldstukken in de Grot, geschenken voor de Heilige Maagd stroomden toe. Ook waren er reeds primitieve inrichtingen gemaakt: steenhouwers hadden een soort reservoir uitgehouwen, om het wonderwater op te vangen; anderen ruimden de groote rotsblokken weg en schiepen op die wijze een toegang langs den heuvel. En tegenover den steeds aangroeienden stroom der menigte nam de prefect, na van Bernadette’s inhechtenisneming te hebben afgezien, het ernstige en bedenkelijke besluit om den toegang tot de Grot door een zwaar staketsel af te sluiten.

Er hadden zich ergerlijke dingen voorgedaan: kinderen beweerden den duivel gezien te hebben; sommigen maakten zich daarbij aan leugens schuldig, anderen deden het onder den invloed van ziekelijke hallucinaties, die veroorzaakt werden door zenuwstoringen, welke als een besmettelijke ziekte om zich heen grepen. Maar wat een werk bracht de opruiming van de Grot met zich. De commissaris kon eerst tegen den avond een meisje vinden, dat hem een kar wilde verhuren; twee uren later brak dat meisje bij een val een [184]rib. Eveneens werd den volgenden dag een man, die een bijl geleend had, door een steen een voet verpletterd. Eerst bij het invallen der schemering kon de commissaris onder het hoongelach der menigte de bloempotten, de enkele brandende kaarsen, de geldstukken en de zilveren harten, die in het zand lagen, medenemen. De menschen balden hun vuisten, scholden hem tusschen hun tanden uit voor dief en moordenaar. Dan werden de palen van het staketsel geslagen, de planken vastgespijkerd, een heel bouwwerk, dat het mysterie afsloot, den toegang tot het onbekende versperde en het wonder gevangen zette. En de burgerlijke overheden waren zoo naïef om te gelooven, dat het nu uit was, dat die enkele planken de armen, die dorstten naar illusie en hoop, zouden tegenhouden.

Zoodra de nieuwe godsdienst in den ban gedaan en door de wet als een misdaad vervolgd werd, laaide hij met een onuitbluschbare vlam in de zielen op. De geloovigen bleven in nog grooter getale komen, knielden op eenigen afstand van de Grot neder en snikten bij het zien van den hun verboden hemel. De zieken, de zieken vooral, aan wie een barbaarsch besluit genezing ontnam, stroomden ondanks het verbod toe, kropen door gaten, klommen, allen gedreven door de vurige begeerte om water te stelen, over alle hindernissen. Wat, er was daar wonderdadig water, dat het gezicht teruggaf aan de blinden, lammen weder deed loopen, alle ziekten onmiddellijk verlichtte, en nu waren er hooggeplaatste ambtenaren, wreed genoeg om dat water achter slot en grendel te zetten, opdat het niet langer de armen zou genezen? Het was monsterachtig wreed! Een kreet van vervloeking rees op uit het arme volk, uit de onterfden, die om te leven evenveel behoefte hadden aan het wonderbaarlijke als aan brood.

Volgens het overheidsbesluit moest tegen de overtreders proces-verbaal worden opgemaakt, en zoo zag men voor de rechtbank een rij van oude vrouwen en kreupele mannen trekken, die beschuldigd werden uit de levensbron geput te hebben. Zij stamelden, smeekten en begrepen het niet, wanneer ze een geldboete kregen. Maar buiten knorde en gromde de menigte, steeds grooter werd de volkswoede tegen die magistraten, die zoo hardvochtig waren voor de ellende hier beneden, die heeren zonder erbarmen, die eerst allen rijkdom aan zichzelf getrokken hadden en nu den armen zelfs hun droom van het hiernamaals, hun geloof, dat een hoogere en [185]meedoogende macht zich met moederlijke liefde hun lot aantrok, niet gunden. Op een triesten morgen begaf zich een troep ellendigen en zieken naar den burgemeester; zij knielden neer op het plein en bezwoeren hem snikkend de Grot weer te laten openen; en wat zij zeiden was zoo ontroerend, dat iedereen weende.

Een moeder liet haar halfdood kind zien; moest men dat zoo in haar armen laten sterven, terwijl er een bron was, die de kinderen van andere moeders van den dood gered had? Een blinde wees op zijn omfloerste oogen, een bleeke, klierachtige jongen liet zijn beenwonden zien, een verlamde vrouw trachtte haar kromme handen te vouwen; wilde men hun dood, weigerde men hun de laatste goddelijke kans om te leven, nu de menschelijke wetenschap hen in den steek liet? En even groot was de verontwaardiging der geloovigen, van hen, die overtuigd waren, dat in de duisternis van hun droef bestaan een hoekje van den hemel opengegaan was, die er tegen op kwamen, dat men hun die hersenschimmige vreugde ontnam, de laatste troost in hun menschelijk en maatschappelijk lijden, om te gelooven, dat de Heilige Maagd eindelijk neergedaald was om hun het oneindige erbarmen van haar tusschenkomst te brengen. De burgemeester had niets kunnen beloven, en de menigte was weenend teruggegaan, bereid tot rebellie, als onder den invloed van een groote onrechtvaardigheid, van een dwaze wreedheid tegenover de kleine luiden en de eenvoudigen van geest, die de Hemel wreken zou.

Ettelijke maanden lang duurde de strijd. Het was een buitengewoon schouwspel die mannen van gezond verstand, den minister, den prefect, den commissaris van politie, allen ongetwijfeld door de beste bedoelingen bezield, zich te zien verzetten tegen de steeds aangroeiende menigte radeloozen, die niet wilden, dat men de poort van den droom voor hen sloot. De overheid eischte orde en rust, eerbied voor een verstandigen godsdienst en den triomf van het verstand, terwijl het volk in zijn overspannen begeerte naar heil in deze en in de wereld hiernamaals medegesleept werd door zijn drang naar geluk. O, niet meer te lijden, de gelijkheid van het geluk te veroveren, slechts leven onder de bescherming van een rechtvaardige en algoede Moeder, slechts sterven, om in den hemel weer te ontwaken! En noodzakelijkerwijze moest die brandende begeerte der scharen, die heilige waan van algemeen geluk en algemeene vreugde de starre [186]opvatting wegvagen van een goed geregelde maatschappij, waarin de epidemisch terugkeerende aanvallen van religieuze hallucinaties als aanslagen op de rust van gezonde geesten veroordeeld worden.

Op dat oogenblik kwam de zaal Sainte-Honorine in opstand. Weer moest Pierre een oogenblik zijn verhaal onderbreken door de half gesmoorde uitroepen, die den commissaris voor Satan en Herodes uitmaakten. La Grivotte had zich op haar matras opgericht en stotterde:

“De monsters!… En de goede Heilige Maagd, die mij genezen heeft!”

Madame Vêtu, die ondanks haar onbewuste zekerheid, dat zij sterven zou, toch weer door hoop bezield werd, maakte zich woedend bij het denkbeeld, dat, als de prefect de overwinning behaald had, de Grot thans niet bestaan zou.

“Dan zouden er geen bedevaarten zijn, zouden wij hier niet zijn, zouden er niet ieder jaar honderden genezen!”

Een benauwdheid deed haar half stikken; zuster Hyacinthe moest haar komen oprichten. Madame de Jonquière maakte van de onderbreking gebruik, om aan een jonge vrouw, die aan ruggemergstering leed, den pot te geven. Twee andere vrouwen, die door de ondraaglijke hitte niet in haar bed konden blijven, liepen met kleine, zachte pasjes als witte schimmen in de walmende donkerte heen en weer; van het eind der zaal kwam uit de duisternis een moeilijke ademhaling, die het geheele verhaal van Pierre met een reutelend geluid begeleid had. Alleen Elise Rouquet sliep rustig; zij lag op haar rug en liet haar afzichtelijke wonde, die aan het opdrogen was, zien.

Het was kwart over twaalf; ieder oogenblik kon abbé Judaine binnenkomen voor de communie. De genade keerde weer in het hart van Marie terug; zij was nu overtuigd, dat de schuld bij haar lag, bij haar, die, toen zij in den vijver afdaalde, getwijfeld had, of de Heilige Maagd haar wel genezen zou. En zij had berouw over haar opstand als over een misdaad; zou zij ooit vergiffenis kunnen krijgen? Haar bleek gelaat was tusschen haar mooie, blonde haar weggezonken, haar oogen stonden vol tranen en zij keek Pierre met een wanhopige droefheid aan.

“O, vriendlief, wat ben ik slecht geweest! Toen ik naar de uit trots begane misdaden van dien prefect en de andere overheidspersonen luisterde, heb ik mijn schuld begrepen … Je moet gelooven, Pierre, er bestaat geen geluk buiten geloof en liefde.” [187]

Toen Pierre wilde ophouden, kwamen allen daartegen in verzet, eischten het vervolg. En Pierre moest beloven, dat hij zou vertellen tot den triomf der Grot.

Het staketsel versperde nog steeds den toegang, men moest heimelijk in den nacht komen, als men wilde bidden en een flesch gestolen water medenemen. Intusschen werd de vrees voor oproer steeds grooter, men vertelde, dat al de dorpen uit het gebergte naar beneden zouden komen om God te bevrijden. Het was de levée en masse der kleine luiden, een zoo onweerstaanbare drang van dorstenden naar het wonder, dat het eenvoudige gezonde verstand, de eenvoudige goede orde op het punt stond als kaf voor den wind weggevaagd te worden. Mgr. Laurence in zijn bisschoppelijk paleis te Tarbes was de eerste die zich overgeven moest. Al zijn gereserveerdheid, al zijn twijfel was niet bestand tegen de volksbeweging. Vijf volle maanden had hij zich op den achtergrond kunnen houden, zijn geestelijkheid kunnen beletten de geloovigen naar de Grot te volgen, de Kerk kunnen verdedigen tegen den storm van bijgeloof. Maar waartoe diende het nog verder te strijden? Hij voelde, dat de ellende van zijn schare geloovigen zoo groot was, dat hij er zich bij nederlegde hun den afgodendienst te geven, waarnaar zij zoo smachtten.

Maar toch vaardigde hij uit een restje van voorzichtigheid een bevel uit, waarbij een commissie benoemd werd, die een onderzoek moest instellen: dat was de aanvaarding van het wonder op korter of langer termijn. Kan men niet begrijpen, wat een moeite het Mgr. Laurence, een man van gezonde denkbeelden en helder verstand, kostte om dat bevel te onderteekenen? Hij moest neerknielen in zijn bidvertrek en God, den beheerscher der wereld, smeeken hem voor te schrijven, wat hij doen moest. Hij geloofde niet aan de verschijningen, had een hoogere, meer intellectueele opvatting omtrent manifestaties der godheid. Maar was het niet barmhartig en liefderijk aan de bezwaren van zijn verstand en aan zijn fijnere opvatting van godsvereering het zwijgen op te leggen tegenover de noodzakelijkheid om het brood der leugen, dat de arme menschheid noodig heeft om gelukkig te kunnen leven, uit te reiken.

“O, mijn God, vergeef mij, indien ik U laat afdalen van den troon van Uw eeuwige macht, waarop Gij gezeten zijt, wanneer ik U verneder tot dit kinderlijke spel met nuttelooze wonderen. Maar, o, mijn God, zij lijden zoo, zij hongeren [188]zóó naar het wonderbaarlijke en naar sprookjes, om hun levenssmart te verzachten. Gij zelf zoudt, indien zij Uw schapen waren, helpen hen te misleiden. Laten zij op deze wereld getroost worden, ook al moet de idee van Uw goddelijkheid daarbij lijden!”

En zoo had de bisschop in tranen het offer aan zijn God gebracht in zijn herderlijke liefde voor de ellendige menschelijke kudde.

Dan gaf de keizer, de gebieder, zich over. Hij was toen te Biarritz, dagelijks werd hij op de hoogte gehouden over die zaak der verschijningen, waarmede alle Parijsche bladen zich bezighielden; want de vervolging zou niet volmaakt geweest zijn, indien de inkt der Voltairiaansche journalisten er zich niet mede bemoeid had. En terwijl zijn minister, zijn prefect, zijn commissaris van politie zich afmatten voor het gezond verstand en de goede orde, bewaarde de keizer zijn diep stilzwijgen van wakend droomer, dat niemand ooit doorgrond had. Dagelijks kwamen er petities; en hij zweeg. Bisschoppen waren met hem komen spreken, hooge personnages, hooge dames uit zijn omgeving namen hem ter zijde; en hij zweeg. Eén onafgebroken gevecht werd geleverd om zijn beslissing, eenerzijds de geloovigen of eenvoudigen des geestes vol herschenschimmen, die zich hartstochtelijk voor het mysterieuze interesseerden; anderszijds de ongeloovigen, de regeeringspersonen, die al deze overdrijvingen der phantasie met leede oogen aanzagen; en hij zweeg. Plotseling sprak hij in zijn bedeesd besluit. Het gerucht liep, dat de smeekbeden der keizerin hem tot een beslissing gebracht hadden. Ongetwijfeld had zij ingegrepen, maar het voornaamste was toch, dat in den keizer zijn oude humanitaire droom was opgeleefd, zijn oprecht medelijden met de onterfden teruggekomen was. Evenmin als de bisschop, wilde hij de poort der illusie sluiten voor de ongelukkigen door het impopulaire besluit van den prefect, waarbij verboden werd uit de heilige bron te gaan drinken, te handhaven. En hij zond een telegraphisch bevel het staketsel af te breken, opdat de bron vrij zoude zijn.

Dat was het Hosanna! Dat was de triomf. Onder tromgeroffel en trompetgeschal werd het nieuwe besluit op de pleinen te Lourdes voorgelezen. De commissaris van politie moest in hoogst eigen persoon tot het wegnemen van het staketsel overgaan. Evenals de prefect werd hij verplaatst. Van alle kanten stroomden de menschen toe en in de Grot [189]werd de eeredienst geregeld. Een kreet van goddelijke vreugde steeg op: God had overwonnen. God? Neen, helaas! Maar de menschelijke ellende, de eeuwige behoefte aan de leugen, de hoop van den verdoemde, die, om heil en redding te vinden, zich overgeeft aan de handen van een onzichtbare almacht, die, sterker dan de natuur, alleen in staat is de onverbiddelijke natuurwetten te verbreken. En ook nog had overwonnen het souverein medelijden van de herders der kudden, den bisschop en den keizer, die in hun groote barmhartigheid den grooten zieken kinderen hun fetisch lieten, die de meesten troostte en sommigen zelfs wel genas.

In het midden van November begon de bisschoppelijke commissie met het haar opgedragen onderzoek. Zij ondervroeg Bernadette nog eenmaal en bestudeerde een groot aantal wonderen. Toch hield zij slechts dertig genezingen, waaraan absoluut niet te twijfelen viel, over. Mgr. Laurence beweerde nu overtuigd te zijn. Toch gaf hij nog een bewijs van zijn uiterste voorzichtigheid: hij wachtte nog drie jaar vóór hij in een mandement verklaarde, dat de Heilige Maagd werkelijk in de Grot van Massabielle verschenen was en daarna verschillende wonderen hadden plaats gegrepen. Hij had uit naam van het bisdom, van de stad Lourdes de Grot met het uitgestrekte omliggende terrein gekocht.

Vervolgens werden er verschillende werken uitgevoerd, eerst op bescheiden voet, maar weldra belangrijkere al naar mate het geld van de geheele Christenheid toestroomde. Men richtte de Grot in en sloot hem af met een hek. De Gave werd achterwaarts in een nieuwe bedding geleid, om breede toegangswegen, gazons, lanen en boulevards te kunnen aanleggen. Eindelijk begon de kerk, die de Heilige Maagd gevraagd had, de Basilica op den top van de rots zelf uit den grond te verrijzen. Van af den eersten steek der spade leidde de pastoor van Lourdes, abbé Peyramale, alles met een buitengewonen geloofsijver, want de strijd had van hem den vurigsten, den oprechtsten geloovige van het werk gemaakt. Op zijn ietwat ruw-vaderlijke manier was hij begonnen Bernadette te vereeren; hij gaf zich met lichaam en ziel aan de uitvoering der bevelen, die hij door den mond van deze onschuldige van den hemel ontvangen had. Hij wijdde al zijn krachten aan den bouw, wilde, dat alles mooi en grootsch was, de Koningin der Engelen, die zich verwaardigd had dit hoekje der bergen te bezoeken, waardig.

De eerste godsdienstige plechtigheid had eerst zes jaar na [190]de verschijningen plaats op den dag, dat men met groote pracht en praal in de Grot een beeld der Heilige Maagd plaatste op de plek, waar zij het eerst verschenen was. Dien ochtend had Lourdes zich bij prachtig weer in feestdos gestoken; alle klokken luidden. Vijf jaar later, in 1869, werd de eerste mis gelezen in de crypt der Basilica, wier spits nog niet af was. De geschenken werden steeds talrijker, een stroom van goud vloeide naar de Grot, een geheele stad schoot uit den grond op. Dat was de voltooiïng der stichting van den nieuwen godsdienst. De wensch om te genezen genas, de dorst naar het wonder bewerkte het wonder. Een God van medelijden en hoop kwam voort uit het lijden der menschheid, uit die behoefte aan troostende illusie, welke door alle menschengeslachten heen, de wondervolle paradijzen van het hiernamaals geschapen heeft, waarin een almacht gerechtigheid oefent en het eeuwige geluk uitdeelt.

De zieken van de zaal Sainte-Honorine zagen dan ook in de overwinning der Grot slechts den triomf van de hoop op genezing. En langs de bedden streek een rilling van vreugde, toen Pierre, wiens hart door al die arme, naar zekerheid smachtende gezichten geroerd werd, herhaalde:

“God had overwonnen, en sedert dien dag hebben de wonderen niet opgehouden.”

Hij legde het boekje neer. Abbé Judaine kwam binnen, de communie zou beginnen. Maar Marie, bij wie de koorts van het geloof weer opkwam, en wier handen brandden, boog zich naar hem toe.

“Vriendlief,” fluisterde zij, “bewijs mij den grooten dienst de bekentenis van mijn schuld aan te hooren en mij absolutie te geven. Ik heb God gelasterd en ben in een staat van doodzonde. Als jij me niet helpt, zal ik de heilige hostie niet kunnen ontvangen, en ik heb zoo’n behoefte aan troost en opbeuring!”

De jonge priester weigerde met een gebaar. Nooit had hij deze vriendin, de eenige vrouw, die hij in haar vroolijke en gezonde jeugdjaren lief gehad en begeerd had, de biecht willen afnemen. Maar zij drong aan.

“Ik smeek je erom. Je zult daardoor medewerken aan het wonder van mijn genezing.”

Hij gaf toe, hoorde haar schuldbelijdenis aan, de bekentenis van den goddeloozen opstand van haar lijden tegen de Heilige Maagd, die doof gebleven was voor haar smeekbeden; dan gaf hij haar met de sacramenteele woorden de absolutie. [191]

Reeds had abbé Judaine de hostievaas op een klein tafeltje tusschen twee brandende waskaarsen, twee sombere sterren in het halfdonker der zaal, gezet. Men had de ramen eindelijk wijd opengezet, zoo ondragelijk was de stank van die lijdende lichamen en die opgehoopte lompen geworden; maar er kwam geen frissche lucht binnen: de nauwe, donkere binnenplaats leek wel een gloeiende mijnput. Pierre bood zich aan als misdienaar en zeide het Confiteor. Dan hief de aalmoezenier in zijn miskleed, na het Misereatur en het Indulgentiam uitgesproken te hebben, de hostievaas op:

“Ziet het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt!”

Ieder der vrouwen, die vol ongeduld de communie verwachtten, zooals de stervende het leven verwacht van een nieuwe drank, die maar uitblijft, herhaalde driemaal met gesloten mond de acte van deemoediging: “Heer, ik ben niet waardig, dat Gij ingaat in mijn lichaam, spreek echter slechts één woord, en mijn ziel zal genezen worden!” Abbé Judaine was intusschen, gevolgd door Pierre, zijn tocht langs de ziekbedden begonnen, terwijl madame de Jonquière en zuster Hyacinthe, beiden met een kaars in de hand, met hen meeliepen.

De zuster wees de zieken aan, die de communie moesten ontvangen, dan boog de priester zich over haar heen en legde, eenigszins op goed geluk af, onder het prevelen van Latijnsche woorden, de hostie op haar tong. Allen richtten zich op met wijd-geopende, schitterende oogen te midden van de door een al te haastige inrichting van de zaal ontstane wanorde. Toch moest men er nog twee, die vast sliepen, wakker maken. Velen kreunden, zonder zich ervan bewust te zijn, begonnen, zoodra zij God ontvangen hadden, weer te kreunen. Achter in de zaal bleef het rochelen van de vrouw, die men niet zag, nog steeds aanhouden. Men kon zich moeilijker iets melancholiekers denken dan die kleine stoet in het half-donker, waarin de twee gele lichten van de brandende kaarsen als sterren plekten.

Het gezicht van Marie, die weer in extase verzonken was, leek wel een goddelijke verschijning. Aan la Grivotte, die ’s ochtends in de Rozenkranskerk de heilige communie ontvangen moest, werd de heilige hostie geweigerd, hoewel zij hongerde naar het brood des levens; madame Vêtu had in een hik de hostie op haar zwarte tong ontvangen. Thans was Marie aan de beurt, onder het bleeke licht der kaarsen zoo mooi tusschen haar blonde haren, met haar wijd geopende [192]oogen, haar door het geloof verheerlijkte trekken, die allen bewonderden. Zij vierde het avondmaal met groote innigheid, de hemel daalde zichtbaar neer in haar arm, jong, tot een zoo physieke ellende vermagerd lichaam. Een oogenblik hield zij Pierre met haar hand terug.

“O, lieve vriend, zij zal mij genezen, zij heeft het mij gezegd …. Ga wat rust nemen. Ik zal ook lekker slapen gaan!”

Toen hij met abbé Judaine wegging, zag hij de kleine madame Désagneaux languit liggen in den fauteuil, waarin zij van vermoeidheid neergevallen was. Niets had haar wakker kunnen maken. Het was half twee. Madame de Jonquière, geholpen door zuster Hyacinthe, liep nog steeds heen en weer, draaide de zieken om, verschoonde en verbond ze. Maar toch was er eenige kalmte in de zaal gekomen, sedert Bernadette er met haar bekoring door gekomen was. De kleine schim der helderziende dwaalde thans triomphantelijk rond tusschen de bedden, nu zij haar werk gedaan had door aan iedere onterfde, iedere wanhopige van deze aarde een stukje van den hemel te geven. En terwijl allen langzamerhand in slaap gleden, zagen zij, hoe zij, ook zoo ziekelijk en zoo zwak, zich voorover boog en haar glimlachend kuste. [193]


1 Eetzaal. 

2 Een soort lepra. 

[Inhoud]

DERDE DAG

[Inhoud]

I.

Op dien mooien, warmen, helderen Augustusochtend was mijnheer de Guersaint reeds om zeven uur op en gekleed in een der twee kamertjes, die hij het geluk gehad had nog te kunnen huren op de derde verdieping van het Hôtel des Apparitions in de rue de la Grotte. Hij was om elf uur naar bed gegaan en nu heerlijk uitgerust wakker geworden; onmiddellijk ging hij naar het kamertje van Pierre. Maar deze, die pas om twee uur met door slapeloosheid verhit bloed in het hotel gekomen was, had eerst tegen het aanbreken van den dag den slaap kunnen vatten en sliep nog. Zijn over een stoel geworpen soutane en zijn andere overal verspreid liggende kleeren verrieden zijn moeheid en zijn opwinding.

“Wat is dat, luilak?” riep mijnheer de Guersaint vroolijk. “Hoor jij de klokken niet luien?”

Pierre schrok wakker, kon niet dadelijk dit kleine, door het zonlicht overstroomde hotelkamertje thuis brengen. Inderdaad drong door het open gebleven raam het vroolijk gelui der klokken naar binnen, het was alsof de geheele stad in haar geluk luide.

“We zullen nooit voor acht uur in het Hôpital kunnen zijn, om Marie te halen, want we zullen toch zeker eerst ontbijten.”

“Natuurlijk, bestel dadelijk twee kop chocolade. Ik sta onmiddellijk op en heb niet veel tijd noodig om mij aan te kleeden.”

Toen hij alleen was, sprong Pierre, ondanks zijn stijve ledematen, die hem pijn deden, dadelijk uit zijn bed. Hij had zijn gezicht nog in de kom, om zich in het koude water op te frisschen, toen mijnheer de Guersaint, die niet alleen blijven kon, alweer terug kwam. [194]

“Ik heb het besteld, ze zullen het boven brengen … O, dit hotel! Heb je den heelemaal in het wit gekleeden en zoo deftigen eigenaar, mijnheer Majesté, in zijn bureau gezien? Het schijnt, dat het hotel overvol is, nog nooit hebben ze zooveel menschen gehad … Het is me dan ook een heidensch kabaal. Driemaal hebben ze me vannacht wakker gemaakt. Ik begrijp niet, wat ze in de kamer naast de mijne uitspoken: daarnet nog werd er tegen den muur gestooten, en daarna hoorde ik fluisteren en zuchten.

Hij viel zichzelf in de rede, om te vragen:

“Heb jij goed geslapen?”

“Heelemaal niet,” antwoordde Pierre. “Ik was doodop van moeheid en het was me niet mogelijk een oog dicht te doen. Zeker door al dat lawaai, waarvan u spreekt.”

Op zijn beurt sprak hij nu over de dunne beschotten, het propvolle hotel, dat onder den last van al die menschen, die men erin ophoopte, kraakte. Den heelen nacht door had hij onverklaarbare schokken gehoord, woest loopen in de gang, zware stappen en zware stemmen, die, je wist niet waarvandaan, opstegen; ongerekend nog het steunen der zieken en het hoesten, het verschrikkelijke hoesten, dat van alle kanten uit de muren scheen te komen. Blijkbaar kwamen er den geheelen nacht door menschen thuis en liepen dan weer uit, stonden op en gingen weer naar bed, want men vroeg niet meer naar uren, leefde in het ongeregelde van hartstochtelijke opwindingen.

“En hoe was het gisterenavond met Marie?” vroeg mijnheer de Guersaint weer.

“Veel beter,” zeide de priester. “Na een vreeselijken aanval van wanhoop heeft zij al haar moed en al haar geloof weer teruggevonden.”

Er volgde een korte stilte.

“O, ik maak me heelemaal niet ongerust,” begon de vader weer met zijn rustig optimisme. “Je zult zien, dat het goed afloopen zal … Ik ben in den zevenden hemel … Ik had van de Heilige Maagd haar bijstand voor mijn eigen zaken ook afgesmeekt, je weet wel, mijn groote uitvinding van de bestuurbare ballons. En wil je wel gelooven, dat zij mij hare genade reeds getoond heeft? Ja, waarachtig, gisterenavond heeft abbé des Hermoises mij aangeboden te Toulouse een geldschieter voor mij te vinden, een schatrijken vriend van hem, die zich voor de werktuigkunde interesseert. Ik heb er dadelijk den vinger Gods in gezien.” [195]

Hij lachte zijn gewoon kinderlijk lachje. Dan voegde hij eraan toe:

“Een charmante man, die abbé des Hermoises! Ik zal toch eens informeeren, of wij samen niet voor een koopje dat uitstapje naar het keteldal van Gavarnie kunnen maken.”

Pierre, die alles, het hotel en de rest, betalen wilde, moedigde hem aan.

“Natuurlijk moet u die gelegenheid om de bergen te bezoeken niet ongebruikt voorbij laten gaan, nu u er zoo naar verlangt. Uw dochter zal gelukkig zijn, als zij weet, dat u gelukkig bent.”

Maar zij werden gestoord; een kamermeisje bracht hun de twee koppen chocolade met kadetjes op een met een servet bedekt blad; daar zij de deur open had laten staan, kon men een gedeelte van de gang in de lengte zien.

“Zoo, wordt de kamer van mijn buurman al gedaan?” vroeg mijnheer de Guersaint nieuwsgierig. “Hij is getrouwd, niet?”

Het kamermeisje keek verbaasd.

“Wel neen, hij is heelemaal alleen!”

“Wat, heelemaal alleen? En den heelen nacht heb ik hem hooren loopen. En vanmorgen werd er gepraat en gefluisterd!”

“Dat kan niet; hij is heelemaal alleen … Daar net is hij naar beneden gegaan, nadat hij eerst order gegeven had, dat men onmiddellijk zijn kamer schoon moest maken. En hij heeft maar één kamer met een groote kast in de muur, waarvan hij den sleutel meegenomen heeft … Daar bewaart hij zeker zijn geld in.”

Zij bleef praten, terwijl zij de twee koppen chocolade op de tafel zette.

“Het is een heele deftige mijnheer … Het vorige jaar had hij een van de afzonderlijk liggende zomerhuisjes, die mijnheer Majesté in de straat hiernaast verhuurd. Maar van het jaar was hij te laat en heeft hij zich tot zijn groote spijt tevreden moeten stellen met deze kamer … Daar hij niet met Jan en alleman wil eten, laat hij zijn diner boven brengen. Nou, hij drinkt een goed wijntje!”

“Dan begrijp ik het al!” zeide mijnheer de Guersaint vroolijk. “Hij zal gisterenavond in zijn eentje een beetje te goed gedineerd hebben.”

Pierre had nieuwsgierig geluisterd.

“En logeeren naast mij niet twee dames met een mijnheer en een kind op krukken?” [196]

“Ja, mijnheer de abbé, ik ken ze heel goed … De tante, madame Chaise, heeft een van de kamers, terwijl mijnheer en mevrouw Vigneron met hun zoon Gustave de andere hebben … Het is al voor het tweede jaar, dat ze komen. Ook heel deftige lui!”

Inderdaad had Pierre gemeend ’s nachts de stem van mijnheer Vigneron, die blijkbaar last van de warmte had, te herkennen. Het meisje, eenmaal op haar praatstoel, vertelde nu verder welke andere logés er op deze verdieping waren: links, een geestelijke, een moeder met drie dochters, een oud getrouwd paar; rechts, nog een ongetrouwd heer, een dame alleen, en een heele familie met vijf kleine kinderen. Het hotel was tot onder de dakpannen vol. De kamermeisjes, die haar kamertjes aan de logé’s hadden afgestaan, sliepen allen bij elkaar in het waschhuis. Gisterennacht had men op de portalen van iedere verdieping kermisbedden opgeslagen. Zelfs had een geestelijke, omdat er nergens anders plaats meer was, op een biljart moeten slapen.

Toen het kamermeisje eindelijk weg was en de heeren ontbeten hadden, ging mijnheer de Guersaint, die erg op reinheid stond, weer naar zijn eigen kamer, om zijn handen te wasschen. Pierre ging, aangetrokken door het heerlijke zonnetje buiten, even op het kleine balcon staan. Alle kamers der zesde verdieping hadden aan dien kant van het hotel een balcon, dat met een balustrade van uitgesneden hout voorzien was. Maar tot zijn groote verbazing zag hij, dat op een balcon ernaast, dat behoorde tot de door den ongetrouwden heer gehuurde kamer, een vrouw, in wie hij madame Volmar herkende, even haar hoofd naar buiten stak. Er was geen twijfel aan of zij was het met haar lang gezicht, haar fijnbesneden trekken, haar groote mooie oogen, die wel gloeiende kolen geleken, waarover soms als een sluier, een vlammige weerschijn kwam, die ze scheen uit te dooven. Toen zij hem herkende, sprong zij van schrik terug. En hij zelf ook ging, verlegen, in zijn kamer terug. Onmiddellijk begreep hij alles: de mijnheer had niets anders kunnen huren dan deze kamer en verborg daarin zijn maîtresse voor aller oogen door haar, terwijl de kamer gedaan werd, in de groote muurkast op te sluiten; samen aten zij het middagmaal, dat boven gebracht werd, en dronken uit hetzelfde glas; ook de geluiden van ’s nachts waren nu te verklaren. Op die wijze waren het voor haar in dit afgesloten vertrek drie dagen van volkomen gevangenschap in dollen hartstocht. [197]

Blijkbaar had zij, toen de kamer opgeruimd was, het gewaagd de kast van binnen weer open te maken en even haar hoofd naar buiten te steken, om te zien, of haar vriend nog niet terugkwam. Daarom had men haar dus niet in het ziekenhuis gezien, waar de kleine madame Désagneaux telkens naar haar vroeg. Pierre stond onbeweeglijk, zijn hart kromp ineen en hij verzonk in een onrustige droomerij, terwijl hij nadacht over het bestaan van deze vrouw, die hij kende, aan de marteling van haar huwlijksleven tusschen een barsche schoonmoeder en een onwaardig echtgenoot, en dan aan deze drie enkele dagen van volkomen vrijheid per jaar, dit hooge oplaaien van de liefdesvlam, onder het heiligschennend voorwendsel te Lourdes God te willen dienen. Tranen, die hij zichzelf niet verklaren kon, tranen, die uit het diepst van zijn innerlijk wezen, uit zijn vrijwillige kuischheid opstegen, vulden in een gevoel van eindelooze droefheid zijn oogen.

“Nou, ben je klaar?” riep mijnheer de Guersaint, die met zijn handschoenen aan weer binnenkwam.

“Ja, ja, we gaan!” zeide Pierre, die, terwijl hij zijn hoed zocht, zich omkeerde, om zijn tranen af te vegen.

Toen zij weggingen, hoorden zij links van zich een brommende stem, welke zij als die van mijnheer Vigneron herkenden, die hardop zijn ochtendgebed deed. Op de gang hadden zij een ontmoeting, die hen interesseerde: zij kwamen n.l. een flinken, eenigszins gezetten heer van een veertig jaar met bakkebaarden tegen. Hij liep wat gebogen en zoo gauw, dat zij zijn gezicht niet konden zien. In zijn hand had hij een zorgvuldig omwikkeld pakje. Hij stak den sleutel in het slot, opende de deur en verdween zacht en geruischloos als een schim.

Mijnheer de Guersaint keek om.

“Kijk, daar heb je den ongetrouwden mijnheer. Hij heeft zeker op de markt wat lekkers gekocht.

Pierre deed alsof hij het niet hoorde, want hij vond mijnheer de Guersaint te lichtzinnig, om hem ten opzichte van een geheim, dat niet het zijne was, in vertrouwen te nemen. Bovendien voelde hij een verlegenheid, een soort kuischen schrik in zich opkomen bij het denkbeeld aan die wrekende bevrediging van vleeschelijke lusten te midden van de mystieke extase, waardoor hij zich omringd voelde.

Juist op het oogenblik, dat de zieken naar beneden gebracht werden, om ze naar de Grot te rijden, kwamen zij bij het [198]Hôpital. Zij troffen Marie, die goed geslapen had, in een opgewekte stemming aan. Zij gaf haar vader een zoen en, toen zij hoorde, dat hij nog niet tot zijn uitstapje naar Gavarnie besloten was, een standje. Als hij niet ging, zou hij haar een groot verdriet doen. Bovendien zou zij, zooals zij met haar uitgerust en glimlachend gezichtje zeide, toch vandaag niet genezen worden. Eindelijk verzocht zij Pierre dringend te trachten verlof voor haar te krijgen, om den volgenden nacht voor de Grot te mogen doorbrengen: dit was een gunst, die door allen vurig gewenscht, doch slechts zelden aan enkele bevoorrechten toegestaan werd. Pierre, die er zich, ongerust als hij zich maakte over haar gezondheid, wanneer zij zoo’n heelen nacht in de open lucht zou doorbrengen, eerst tegen verzette, moest, toen hij plotseling een trek van groote teleurstelling op haar gezicht zag komen, wel beloven het te zullen doen. Ongetwijfeld dacht zij, dat de Heilige Maagd haar slechts onder vier oogen in den onbeperkten vrede van de duisternis, zou aanhooren. Dien ochtend voelde zij zich, na de mis in de Grot gehoord te hebben, zoo verloren gaan onder de vele zieken, dat zij onder voorwendsel, dat haar oogen zoo’n pijn deden van het felle gaslicht, reeds om tien uur naar het Hôpital teruggebracht wilde worden.

Toen haar vader en de priester haar weer in de zaal Sainte-Honorine gedragen hadden, gaf zij hun voor den verderen dag verlof.

“Neen, je behoeft me niet te komen halen, ik ga vanmiddag niet naar de Grot terug, het is onnoodig … Maar vanavond om negen uur breng je me ernaar toe, niet waar, Pierre? Dat is afgesproken, je hebt me je woord gegeven!”

Hij beloofde, dat hij zou trachten verlof te krijgen, dat hij het, als het noodig was, aan pater Fourcade zelf zou vragen.

“Tot vanavond dan, lieveling!” zeide op zijn beurt mijnheer de Guersaint, terwijl hij haar een zoen gaf.

Zij lieten haar alleen, rustig liggend, met haar groote, peinzende en glimlachende oogen in het niet starend.

Toen zij weer in het Hôtel des Apparitions terugkwamen, was het pas half elf. Mijnheer de Guersaint wilde onmiddellijk dejeuneeren, om dan met het mooie weer een wandeling door Lourdes te maken. Toch wilde hij eerst naar zijn kamer; Pierre volgde hem en samen vielen zij boven midden in een drama. De deur der Vignerons stond wijd open; ze zagen den kleinen Gustave languit liggen op een canapé, [199]die als bed dienst deed. Hij zag lijkkleurig en had juist een flauwte gehad, die zijn vader en zijn moeder een oogenblik had doen gelooven, dat het het einde was. Madame Vigneron was, verbijsterd van angst, op een stoel neergevallen, terwijl mijnheer Vigneron alles door elkaar gooide om een glas suikerwater te maken, waarin hij enkele droppels van een elixer goot. Maar hoe was het mogelijk? Een zoo sterke jongen flauw vallen en zoo wit worden als een jong meisje? Hij keek madame Chaise aan, die voor den canapé stond; zijn handen begonnen nog erger te beven bij de gedachte, dat de erfenis der tante, wanneer zijn jongen in die idiote flauwte gebleven was, nu niet meer aan hen zou ten deel vallen. Hij was buiten zichzelf, maakte de lippen van het kind open en liet hem het geheele glas leegdrinken. Maar toen hij hem hoorde zuchten, kwam zijn vaderlijke goedhartigheid dadelijk weer boven; hij huilde en noemde hem zijn lief kereltje. Met een gebaar van plotselingen haat, alsof hij de moreele ontaarding begrepen had, waartoe het geld van die vrouw zijn ouders, zonder dat zij het zelf wisten, bracht, stiet de kleine Gustave madame Chaise, die wat dichter bij wilde komen, terug. Beleedigd ging de oude dame afzonderlijk zitten, terwijl de vader en de moeder, gerustgesteld nu, de Heilige Maagd dankten, dat zij hun lieveling, die hen aankeek met zijn teer en droevig glimlachje van jongen, die alles begrijpt en op zijn vijftiende jaar al zijn levenslust reeds verloren heeft, gered had.

“Kunnen we u misschien ergens mee helpen?” vroeg Pierre dienstvaardig.

“Heel vriendelijk, heeren, maar het is niet noodig,” antwoordde mijnheer Vigneron, die even op de gang kwam. “Het is me anders een schrik geweest. Het is ook ons eenig kind en we houden zooveel van hem.”

Het dejeuner-uur bracht het geheele hotel in beweging. Deuren sloegen dicht, de gangen en de trappen dreunden van het voortdurend heen en weer gevlieg. Drie jonge meisjes stormden met ruischende rokken langs hen heen. In een kamer naast hen huilden kleine kinderen. Oude menschen wisten niet hoe zij zich het best haasten konden, geestelijken vielen geheel uit hun rol en lichtten hun soutanes met beide handen op, om maar hard te kunnen loopen. Van boven tot beneden zwiepten de planken onder den te zwaren last der opeengehoopte menschen. Een kamermeisje, dat op een blad een volledig dejeuner droeg, had aan de deur van den ongetrouwden [200]mijnheer geklopt. Toen zij eindelijk op een kiertje openging, zagen zij de opgeruimde kamer, waarin de heer met zijn rug naar de deur zat.

“Ik hoop, dat het nu voorbij is en dat de Heilige Maagd hem zal genezen,” zeide mijnheer Vigneron, die de twee anderen niet meer losliet. “Wij gaan nu dejeuneeren, want ik heb honger als een paard.”

Toen Pierre en mijnheer de Guersaint beneden kwamen, vonden zij tot hun groote teleurstelling geen enkel tafeltje in de eetzaal vrij. Het was er ontzettend vol, de enkele tafeltjes, die nog leeg stonden, waren besproken. Een kellner vertelde hun, dat onder de bestorming van den eetlust, die door de scherpe berglucht nog meer geprikkeld werd, de zaal van tien tot een uur geen minuut minder leeg was. Zij moesten, of zij wilden of niet, wachten en verzochten den kellner hen te waarschuwen, wanneer er twee plaatsen vrij waren. En daar zij niet wisten wat zij anders doen moesten, gingen zij wat wandelen in de vestibule van het hotel, die op de straat uitkwam.

Maar de eigenaar van het Hôtel des Apparations, de in het wit gekleede mijnheer Majesté, kwam in hoogst eigen persoon naar hen toe en vroeg met de grootste hoflijkheid:

“Als de heeren soms in den salon willen wachten?”

Het was een dikke man van een vijf-en-veertig jaren, die alle moeite deed om zijn naam op koninklijke wijze te dragen. Kaal en gladgeschoren, met ronde blauwe oogen in een waskleurig gezicht en met een driedubbele onderkin deed hij hoogst gewichtig en deftig. Hij was met de zusters, die het weeshuis bestuurden, van Nevers gekomen en had een kleine, donkere vrouw uit Lourdes getrouwd. Samen hadden zij in nog geen tien jaar van hun hotel een der aanzienlijkste en drukst bezochte inrichtingen der stad gemaakt. Enkele jaren geleden had hij er een handel in religieuze artikelen aan verbonden, die een groot magazijn besloeg en onder toezicht van madame Majesté door een jong nichtje bestuurd werd.

“Als de heeren misschien in den salon willen wachten?” herhaalde de hôtelier, dien de soutane van Pierre zeer voorkomend maakte.

Maar beiden gaven zij er de voorkeur aan wat op en neer te loopen, waarop Majesté, die, zooals hij gewoonlijk deed met gasten, welke hij met bijzondere onderscheiding behandelde, met hen een praatje wilde maken, zich bij hen voegde. Het [201]gesprek liep eerst over de fakkelprocessie van dien avond, welke met dit prachtige weer schitterend beloofde te worden. Er waren meer dan vijftigduizend vreemdelingen te Lourdes. Uit alle badplaatsen in den omtrek waren wandelaars gekomen, wat de overbelasting der tables-d’hôte verklaarde. Misschien zou er wel brood te kort zijn in de stad, evenals verleden jaar.

“U ziet hoe vol het is, wij weten waarachtig niet, hoe we iedereen bedienen moeten. Het is heusch mijn schuld niet, als wij u wat moeten laten wachten.”

Op dat oogenblik kwam de brievenbesteller met een groot pak couranten en brieven, die hij op een tafeltje in het bureau neerlegde. Een brief hield hij in zijn hand, terwijl hij vroeg:

“Logeert hier ook een madame Maze?”

“Madame Maze, Madame Maze?” herhaalde de hôtelier. “Neen, neen, ik weet zeker van niet.”

Pierre had de vraag ook gehoord en zeide:

“Er moet een madame Maze logeeren bij de zusters van de Onbevlekte Ontvangenis, de Blauwe Zusters, zooals ze hier, geloof ik, genoemd worden.”

De brievenbesteller dankte voor de inlichting en ging weg. Maar een bitter glimlachje was op de lippen van mijnheer Majesté gekomen.

“De Blauwe Zusters,” mompelde hij; “ja, de Blauwe Zusters …”

Hij keek schuins naar de soutane van Pierre en hield dan plotseling op, alsof hij bang was te veel te zullen zeggen. Zijn hart was echter te vol, hij moest het lucht geven, en deze jonge priester, die er niet uitzag, alsof hij bekrompen van geest was, behoorde blijkbaar niet tot de “bende”, zooals hij al degenen, die in de Grot dienst deden en geld sloegen uit Notre-Dame de Lourdes, noemde. Langzamerhand liet hij zich gaan.

“Ik zweer u, mijnheer de abbé, dat ik een goed Katholiek ben. Dat zijn we hier trouwens allemaal. Ik neem mijn plichten waar en houd mijn Paschen. Maar dat moet ik toch zeggen, de nonnen moesten er geen hotel op nahouden. Dat is niet goed.”

Hij liet zijn wrok van zakenman, die door oneerlijke concurrentie schade lijdt, den vrijen teugel. Hadden die zusters van de Onbevlekte Ontvangenis, die Blauwe Zusters, zich niet moeten houden aan haar eigenlijke taak, de vervaardiging van hosties en het strijken en onderhouden van de wasch [202]der geestelijken? Maar neen, zij hadden haar klooster veranderd in een groot hotel, waarin ongetrouwde dames afzonderlijke kamers vonden en gemeenschappelijk konden eten, wanneer zij niet liever apart bediend werden. Alles was heel zindelijk, heel goed ingericht en door de ontelbare voordeelen, die zij genoten, niet duur. Geen enkel hotel te Lourdes wierp zooveel rente af.

“Maar zegt u zelf eens, komt het te pas, dat nonnen zoo iets doen? Daarbij komt nog, dat de overste een flinke vrouw is. Toen zij het geld zag vloeien, wilde zij het alleen voor haar huis hebben en heeft zij zich geheel en al losgemaakt van de paters der Grot, die trachtten den baas over haar te spelen. Ja, mijnheer de abbé, zij is naar Rome gegaan en heeft haar proces gewonnen; nu steekt zij al het geld van de rekeningen in haar zak. Nonnen, lieve Hemel, nonnen, die gemeubileerde kamers verhuren en een table-d’hôte houden!”

Hij hief zijn armen ten hemel en stikte bijna van woede.

“Maar,” merkte Pierre kalm op, “waar zoudt u, nu uw hotel propvol is en u geen bed of geen bord meer vrij hebt, de reizigers, die nog zouden kunnen komen, onder dak willen brengen?”

Maar Majesté had onmiddellijk zijn antwoord klaar.

“O, mijnheer de abbé, men kan wel zien, dat u het land niet kent. Zeker, tijdens de nationale bedevaart hebben we het allemaal druk, mogen we niet klagen. Doch dat duurt maar vier of vijf dagen; en in gewone tijden is het lang zoo druk niet … O, ik heb Goddank altijd logeergasten genoeg. Het hotel is bekend en staat gelijk met het Hôtel de la Grotte, waarmede reeds twee eigenaars rijk geworden zijn … Maar dat neemt niet weg, dat het vervelend is om te zien, hoe die Blauwe Zusters de clientèle afroomen, de dames uit de beste kringen, die dikwijls veertien dagen en drie weken in Lourdes blijven, van ons wegnemen; en dat vooral in stille tijden, wanneer er niet veel gasten zijn! U begrijpt wel wat ik bedoel, mijnheer de abbé: rijke ongetrouwde dames, die het land hebben aan lawaai en heele dagen lang alleen in de Grot gaan bidden, en die goed betalen zonder af te dingen!”

Op dat oogenblik mengde madame Majesté, die Pierre en mijnheer de Guersaint nog niet gezien hadden, daar zij, over een register heen gebogen, rekeningen zat op te tellen, zich in het gesprek. [203]

“Verleden jaar, heeren, hebben wij gedurende twee maanden zoo’n dame in ons hotel gehad. Zij ging naar de Grot, kwam terug, ging er weer heen, at en sliep. En nooit één aanmerking, altijd hetzelfde tevreden glimlachje. Zij heeft haar rekening betaald, zonder die zelfs in te kijken … Om zulke gasten kan het je wel eens spijten.”

De kleine, magere, geheel in het zwart gekleede brunette stond op.

“Als de heeren een paar kleine herinneringen aan Lourdes willen meenemen, moeten zij ons niet vergeten. Wij hebben hiernaast een magazijn, waarin zij een groot aantal van de meest gevraagde artikelen zullen vinden … De personen, die bij ons logeeren, zijn gewoonlijk zoo vriendelijk hun souvenirs nergens anders te koopen.”

Weer schudde Majesté zijn hoofd.

“Zeker,” zeide hij, “zou ik niet graag in eerbied tegenover de eerwaarde paters te kort schieten, maar toch mag ik niet ontkennen, dat zij te gulzig zijn … U hebt natuurlijk hun winkel bij de Grot gezien, die altijd stampvol is en waar ze religieuze artikelen en kaarsen verkoopen. Verschillende priesters zeggen, dat het een schande is en dat men opnieuw de wisselaars uit de tempels moest jagen … En naar men beweert, zijn de paters ook deelgenoot in het groote magazijn hier recht tegenover, waaruit de kleinere winkels hun artikelen betrekken. In het kort, wanneer je de praatjes gelooven mag, dan zouden zij de hand hebben in den geheelen handel in religieuze artikelen en zouden zij vooruit zoo en zooveel percent nemen van de millioenen rozenkransen, beeldjes en medailles, die jaarlijks te Lourdes verkocht worden.”

Hij was fluisterend gaan spreken, want met zijn beschuldigingen wees hij nu bepaalde personen aan, en ten slotte begon hij toch angstig te worden, dat hij zich zoo vrij uitliet tegenover vreemdelingen. Het zachte en vriendelijke gezicht van Pierre stelde hem echter gerust; en nu besluitend alles te vertellen, ging hij in zijn verontwaardiging van benadeeld concurrent, door:

“Nu wil ik heel graag gelooven, dat er veel overdreven wordt. Maar het feit blijft toch bestaan, dat het een groot nadeel voor den godsdienst is, wanneer de eerwaarde paters, als de eerste de beste leek, een winkel houden …. Ik wil toch het geld voor hun missen niet met hen deelen en ik vraag toch niet zoo en zooveel procent van de cadeaux, die zij krijgen? Maar waarom gaan zij dan verkoopen, wat [204]ik verkoop? Door hen is mijn laatste jaar alles behalve schitterend geweest. Er zijn er toch al te veel van ons, iedereen te Lourdes handelt in den goeden God, zoodat je er ten slotte geen droog brood meer mee verdient … Ja, mijnheer de abbé, de Heilige Maagd mag bij ons zijn, maar toch zijn het dikwijls slechte tijden.”

Hij werd even door een gast weggeroepen, maar hij kwam weer terug, juist toen een jong meisje madame Majesté kwam halen. Het was een knap, klein, mollig jong ding uit Lourdes met mooi, zwart haar en een rond, vroolijk gezicht.

“Onze nicht Appoline,” stelde Majesté voor. “Sedert twee jaar beheert zij ons magazijn. Zij is de dochter van een armen broer van mijn vrouw en hoedde te Bartrès schapen, toen wij, aangetrokken door haar lieftalligheid, besloten haar bij ons te nemen; en wij hebben er geen berouw van, want ze is een uitstekend verkoopster.”

Wat hij niet vertelde was, dat er nog al rare praatjes over Appoline liepen. Men had haar ’s avonds met jongelui langs den Gave zien dwalen. Maar zij was voor Majesté veel waard, want zij trok, misschien door haar groote zwarte oogen, die graag lachten, veel klanten. Het vorige jaar was Gérard de Peyrelongue niet uit den winkel weg te krijgen geweest, en alleen zijn huwlijksplannen beletten hem nu terug te komen. Hij scheen vervangen te zijn door den galanten abbé Des Hermoises, die er veel dames bracht om te koopen.

“U sprak daar over Appoline,” zeide madame Majesté, toen zij weer uit het magazijn terug kwam. “Heeren, hebt u niet opgemerkt hoe sprekend zij op Bernadette lijkt … Kijk, daar hangt een portret van Bernadette op haar achttiende jaar …”

Pierre en mijnheer de Guersaint kwamen wat dichter bij, terwijl Majesté uitriep:

“Bernadette, precies! Net Appoline, maar minder mooi, en melancholieker en armer.”

Eindelijk kwam de kellner zeggen, dat er een klein tafeltje vrij was. Tweemaal was mijnheer de Guersaint al eens in de eetzaal gaan kijken, want hij brandde van verlangen om te dejeuneeren en met het mooie weer naar buiten te gaan. Hij haastte zich dan ook weg zonder verder te luisteren naar Majesté, die met een beminlijk glimlachje opmerkte, dat de heeren toch niet zoo heel lang hadden behoeven te wachten. Het tafeltje stond heelemaal achteraan, zoodat zij de geheele zaal door moesten loopen. [205]

Het was een lange, in eikenhout geschilderde zaal, waarvan het schilderwerk echter reeds vol vlekken was. Men voelde er de slijtage en het vuil worden tengevolge van het aanhoudend af en aan loopen van hongerige menschen, die even aan een tafeltje neervielen. De geheele luxe bestond uit een schoorsteengarnituur: een druk-vergulde pendule met twee kandelabers. Ook hingen er voor de vijf ramen, die op het Zuiden uitzagen, kanten gordijnen. Door de neergelaten jaloezieën schoten toch brandende zonnepijlen naar binnen. In het midden zaten dicht op elkaar veertig menschen om de acht meter lange table-d’hôte, waaraan er eigenlijk nauwlijks dertig konden plaats nemen, terwijl aan de kleine tafeltjes rechts en links aan den muur nog een veertig andere gasten samengedrukt zaten. Bij het binnenkomen werd men als het ware verdoofd door een buitengewoon lawaai, een geroezemoes van stemmen en een rinkelen van borden en vorken. Het scheen, alsof men in een vochtigen oven kwam: een benauwende damp, bezwangerd met een benauwende etenslucht, sloeg je in het gezicht.

Pierre kon in den beginne niets onderscheiden. Maar toen hij eindelijk aan hun tafeltje zat, een tuintafeltje, dat voor deze gelegenheid binnen gezet was en waarop de twee couverts elkaar aanraakten, werd hij eenigszins misselijk bij het zien van de groote tafel, die hij met één blik overzag. Sedert een uur werd eraan gegeten, twee afdeelingen gasten hadden hun beurt reeds gehad; de couverts stonden schots en scheef door elkaar, wijn- en jusvlekken plakten op het tafellaken. Om de symmetrie der compote-schalen, die als tafelversiering dienden, bekommerde men zich sedert lang niet meer.

Maar meer dan dat nog hinderde Pierre de druk doende menigte gasten: dikke priesters, magere jonge meisjes, moeders met hangborsten en hangbuiken, opgeblazen, ongetrouwde heeren, heele families, waarvan de leden naar den leeftijd zaten en waarvan de een er al slechter en treuriger uitzag dan de ander. En al die menschen zweetten, slokten gulzig hun maal naar binnen, hun armen tegen hun lichamen aangeplakt, terwijl zij hun handen bijna niet verroeren konden. En in die groote, door de vermoeienis vertiendubbelde eetlust, in die haast, om zich vol te proppen, ten einde des te vlugger naar de Grot te kunnen terugkeeren, zat in het midden van de tafel een corpulente geestelijke, die volstrekt geen haast had en van iederen schotel met een bedachtzame langzaamheid, met een ononderbroken, voorzichtig kauwen at. [206]

“Bliksems,” zeide mijnheer de Guersaint, “koud is ook anders! Maar toch wil ik graag wat eten, want, hoe het komt weet ik niet, maar sedert ik in Lourdes ben, voel ik mijn maag jeuken … Heb jij ook zoo’n honger?”

“Ja, ik zal ook wat eten,” zeide Pierre, die niet den minsten trek had.

Het was een overvloedig menu: zalm, omelette, côteletten met gestoofde aardappelen, gestoofde nieren, bloemkool, koud vleesch en abrikozentaart; alles te veel gekookt, verdrinkend in de jus en onsmakelijk als de opgewarmde restjes. Doch op de fruitschalen lagen goede vruchten, o.a. prachtige perziken. Bovendien schenen de gasten niet veeleischend te zijn en weinig smaak te hebben. Een tenger jong meisje met mooie oogen en een als zijde glanzende huid, die tusschen een ouden priester en een vuilen mijnheer met een langen baard zat, smulde blijkbaar van de nieren, die in het grijze water, waarin zij gestoofd waren, lagen te zwemmen.

“Waarachtig,” zeide mijnheer de Guersaint, “die zalm is zoo kwaad niet … Als je er wat zout bij doet, smaakt ze uitstekend.”

Pierre moest, om zich op den been te houden, wel eten. Aan een klein tafeltje naast het hunne, had hij madame Vigneron en madame Chaise gezien, die, het eerst naar beneden gekomen, tegenover elkaar zaten te wachten; weldra verschenen ook mijnheer Vigneron en Gustave, bleek nog en zwaar leunend op zijn kruk.

“Ga naast je tante zitten,” zeide hij. “Voor mij is er nog plaats naast je moeder!”

Toen hij zijn buren zag, ging hij even naar hen toe.

“Ja, hij is weer heelemaal opgeknapt. Ik heb hem eens goed met eau-de-Cologne gewreven, en straks zal hij zijn bad in den vijver nemen.”

Hij ging aan tafel zitten en at gulzig. Maar wat een schrik was het geweest! Ondanks zichzelf praatte hij er nog luid over, zoo had de schrik, zijn zoon vóór zijn tante te zien sterven, hem aangegrepen. Deze laatste vertelde, dat zij, toen zij den vorigen dag voor de Grot geknield lag, zoo’n verlichting gevoeld had; zij vleide zich reeds van haar hartkwaal genezen te zijn, gaf allerlei kleine bijzonderheden, waarnaar haar zwager met groote, onwillekeurig ongeruste oogen luisterde. Zeker, hij was een goede kerel, hij zou nooit iemands dood gewenscht hebben; maar hij voelde een verontwaardiging en een verzet in zich opkomen bij het denkbeeld, dat [207]de Heilige Maagd die oude vrouw zou genezen, terwijl zij zijn nog zoo jongen zoon vergeten zou. Hij was reeds aan de côteletten en slokte vorken vol aardappelpurée naar binnen, toen hij meende op te merken, dat madame Chaise tegen haar neef mokte.

“Gustave,” zeide hij plotseling, “heb je je tante al excuus gevraagd?”

Verwonderd zette de jongen zijn heldere oogen in zijn uitgeteerd gezichtje wijd open.

“Ja, je bent ondeugend geweest, je hebt ze weggestooten, toen ze boven dicht bij je kwam.”

In het volle bewustzijn van haar waardigheid zweeg madame Chaise en wachtte, terwijl Gustave, die zonder eenigen eetlust aan zijn in kleine stukjes gesneden côtelette bezig was, met zijn oogen op zijn bord bleef staren en ditmaal stijfhoofdig weigerde zich aan dat treurige werkje, om lief te zijn, te onderwerpen.

“Kom, Gustave, wees nou lief; je weet hoe goed tante altijd voor je is en wat ze van plan is voor je te doen.”

Neen, neen, hij zou niet toegeven. Hij verwenschte op dit oogenblik deze vrouw, die niet gauw genoeg dood ging en de liefde van zijn ouders zoo leelijk voor hem maakte, dat hij, wanneer hij hen zich zoo druk om haar zag maken, niet meer wist, of zij hem wilden redden dan wel de erfenis, die zijn leven vertegenwoordigde.

Doch madame Vigneron kwam haar man te hulp.

“Je doet me veel verdriet, Gustave. Vraag dadelijk vergiffenis aan je tante, als je me niet heelemaal boos wil maken!”

Nu gaf hij toe. Waarom ook nog zich verzetten? Was het niet beter, dat zijn ouders dat geld hadden? Zou hij zelf op zijn beurt niet sterven, al was het ook later, daar dit de zaken van zijn familie in orde bracht? Hij wist dat, begreep alles, zelfs die dingen, welke men voor hem verzweeg; zijn ziekte had hem zoo’n scherp gehoor gegeven, dat hij zelfs gedachten hoorde.

“Tante, ik vraag u excuus, dat ik daarnet niet lief tegen u ben geweest.”

Twee groote tranen rolden uit zijn oogen, terwijl hij glimlachte op de manier van een liefderijk, ontgoocheld iemand, die veel meegemaakt heeft.

“Al zijn de nieren niet zoo bijster lekker,” zeide mijnheer de Guersaint tegen Pierre, “de bloemkool smaakt uitstekend.”

In de geheele zaal duurde het ontzettende kauwen voort. [208]Nog nooit had Pierre zoo zien eten, in zoo’n zweet, in zoo’n benauwende warmte als waren zij in een gloeiend waschhuis. De etenslucht verdichtte zich langzaam tot een damp. Om zich verstaanbaar te maken, moest men schreeuwen, want alle gasten praatten hardop, terwijl de kellners met de borden en schalen rinkelden; ongerekend nog het lawaai van de kaken, dat je duidelijk hooren kon en dat als het schuren van molensteenen klonk. Wat echter den jongen priester het meest hinderde was het buitengewoon gemengde gezelschap aan de tafel, waar de mannen, de vrouwen, de jonge meisjes en de geestelijken pêle-mêle door elkaar zaten en hun honger verzadigden als een losgelaten troep jachthonden, die hun brokken naar binnen slokken. De broodbakjes gingen rond en waren onmiddellijk leeg. Onder het koude vleesch en het overgebleven vleesch van den vorigen dag, lams- en kalfsvleesch en ham werd een ware slachting aangericht. Men had reeds te veel gegeten en toch wekten die vleezen de eetlust weer op, daar men meende, dat men niets over moest laten. De priester aan het midden der tafel, die een goede eter scheen te zijn, was nu reeds aan zijn derde perzik, enorme perziken, die hij langzaam schilde en met een ernstig, nadenkend gezicht in kleine stukjes naar binnen werkte.

Dan ontstond er plotseling een heele beweging in de zaal, een kellner deelde de post, die mevrouw Majesté uitgezocht had, uit.

“Kijk!” zeide mijnheer Vigneron, “een brief voor mij. Ik begrijp het niet, ik heb niemand mijn adres gegeven.”

Dan bedacht hij zich.

“O ja, dat is waar ook, hij zal van Sauvageot zijn, die zoolang aan Financiën voor mij waarneemt.”

Toen hij den brief open gemaakt had, begonnen zijn handen te beven en riep hij uit:

“De chef is dood.”

Madame Vigneron was zoo van streek, dat zij onwillekeurig zeide:

“Dan zal jij benoemd worden!”

Het was een heimelijke, lang gekoesterde droom: de dood van den chef de bureau, opdat hij, sedert tien jaar onderchef, eindelijk zou kunnen opklimmen tot den hoogsten graad, zijn maarschalkstaf. En ook zijn blijdschap was zóó groot, dat hij er alles uit gooide.

“O, lieve vrouw, de Heilige Maagd is beslist met ons … Vanochtend nog heb ik haar mijn promotie gevraagd, en zij verhoort mij!” [209]

Doch toen hij de blikken van madame Chaise op zich gevestigd voelde en zijn zoon zag glimlachen, begreep hij plotseling, dat hij niet op die manier juichen moest. Ongetwijfeld vroeg iedereen in de familie aan de Heilige Maagd de gunsten, die hij persoonlijk het meest noodig had. En als een braaf mensch verbeterde hij zichzelf dan ook:

“Ik bedoel, dat de Heilige Maagd van ons allen veel houdt en dat zij ons allen heel tevreden van hier zal laten gaan … Wat spijt me dat van mijn armen chef. Ik zal zijn weduwe een kaartje zenden.”

Hoe hij het ook probeerde, hij kon zijn vreugde niet inhouden. Hij twijfelde er niet meer aan, of hij zou zijn geheimste wenschen, zelfs die, welke hij zichzelf niet bekennen durfde, in vervulling zien gaan. Aan de abrikozentaart werd groote eer bewezen, Gustave kreeg verlof er een klein stukje van te eten.

“Het is verwonderlijk,” zeide mijnheer de Guersaint, die nog een kop koffie genomen had, tegen Pierre, “het is verwonderlijk, dat je hier niet meer zieken ziet. Al die menschen hier schijnen een flinke eetlust te hebben.”

Intusschen had hij behalve Gustave, die als een klein kuikentje kruimeltjes at, ontdekt, dat er tusschen twee vrouwen, waarvan er een ongetwijfeld een kankerlijdster was, een man met een groot kropgezwel aan de table-d’hôte zat. Verderop was een zoo mager en bleek meisje, dat men wel aannemen moest, dat zij een teringlijdster was. Tegenover haar zat een idiote vrouw, die, gesteund door twee bloedverwanten, binnengekomen was en nu, met wezenlooze oogen starend, met haar lepel zat te eten, waarbij zij het grootste gedeelte op haar servet morste. Misschien waren er ook nog andere zieken, die men te midden van dat lawaaierige, druk etende gezelschap niet opmerkte, zieken, die door de reis opgewonden waren en nu aten, alsof zij in geen jaren gegeten hadden. De abrikozentaart, de kaas en de vruchten verdwenen naar binnen, en in de groote wanorde der couverts bleef niets meer over dan de jus- en wijnvlekken, die zich op het tafellaken uitbreidden.

Het was bijna twaalf uur.

“We gaan zeker dadelijk naar de Grot terug?” vroeg mijnheer Vigneron.

Men hoorde trouwens niets anders dan: “Naar de Grot! Naar de Grot!” De volle monden haastten zich, keerden terug naar de gebeden en de lofzangen. [210]

“Nu we toch den heelen middag voor ons hebben,” zeide mijnheer de Guersaint weer, “zou ik je wel willen voorstellen de stad eens te gaan bekijken, dan kan ik tegelijk zien een rijtuig te krijgen voor mijn uitstapje naar Gavarnie, waar mijn dochter zoo op staat.”

Pierre, die het vreeselijk benauwd had, was blij de eetzaal te kunnen verlaten. In den vestibule haalde hij verruimd adem. Maar daar hoopte zich een nieuwe troep gasten op, die, in afwachting van een plaats, queue maakte; men betwistte elkaar de kleine tafeltjes; het minste open gaatje aan de table-d’hôte was onmiddellijk weer bezet. Een uur lang nog zou de bestorming aanhouden, het menu defileeren en naar binnen geslokt worden, te midden van het geschuur der kaken, van de steeds benauwder wordende warmte en de toenemende walging.

“Pardon, ik moet nog even naar boven,” zeide Pierre; “ik heb mijn beurs vergeten.”

Boven in de stilte van de trap en de verlaten gangen hoorde hij, toen hij bij de deur van zijn kamer kwam, een zacht geluid. In het vertrek ernaast klonk een kirrend lachje, dat op den te harden stoot met een vork gevolgd was. Dan kwam ongrijpbaar, meer vermoed dan inderdaad gehoord, de zucht van een kus, het beven van lippen, die zich op andere lippen drukten, om ze te doen zwijgen. De ongetrouwde mijnheer dejeuneerde ook.

[Inhoud]

II.

Buiten liepen Pierre en mijnheer de Guersaint langzaam te midden van den steeds aangroeienden stroom der Zondagsmenigte. De hemel was helderblauw, de zon zette de stad in vlammen; in de lucht was een feestelijke vroolijkheid, de levendige vroolijkheid, die op groote marktdagen heerscht, welke het leven van een geheel volk in het volle daglicht plaatsen. Toen zij het stampvolle trottoir der avenue de la Grotte afgeloopen waren, werden zij op den hoek van het plateau de la Merlasse tegengehouden, zoo stroomde de menigte tusschen het onophoudelijk heen en weer rijden der rijtuigen terug.

“We behoeven ons niet te haasten,” zeide mijnheer de Guersaint. “Ik wou naar de place du Marcadal in de oude stad, want het kamermeisje heeft mij verteld, dat daar een kapper woont, wiens broer goedkoop rijtuigen verhuurt … Heb je lust om mee te gaan?” [211]

“Ik,” riep Pierre uit, “ik vind alles goed.”

“Prachtig! Dan zal ik me tegelijk even laten scheren!”

Zij kwamen op de place du Rosaire voor de grasperken, die zich tot den Gave uitstrekken, toen een nieuwe ontmoeting hen weer stil deed staan. Madame Désagneaux en Raymonde de Jonquière stonden daar vroolijk met Gérard de Peyrelongue te praten. Beiden hadden zij lichte japonnetjes, dunne strand-japonnetjes, aan en haar wit zijden parasols schitterden in de volle zon. Zij vormden daar een aardig groepje, een leuk hoekje van mondain gebabbel met frisch, jong gelach.

“Neen, neen!” herhaalde madame Désagneaux; “wij kunnen uw “popote” niet zoo bezoeken, terwijl al uw vrienden aan het eten zijn.”

Gérard drong zeer galant aan en wendde zich daarbij vooral tot Raymonde, wier eenigszins vol gezicht dien dag door een stralenden charme van gezondheid verhelderd werd.

“Maar het is heusch heel interessant om te zien en u zult schitterend ontvangen worden … U kunt u gerust aan mij toevertrouwen, mademoiselle, en bovendien zullen wij er zeker mijn neef Berthaud vinden, die het zich tot een groote eer zal rekenen om de honneurs in onze installatie waar te nemen.

Raymonde glimlachte en zeide met haar levendige oogen, dat zij wel wilde. Op dat oogenblik gingen mijnheer de Guersaint en Pierre de dames begroeten. Onmiddellijk werden zij op de hoogte gebracht. “Popote” noemden zij een soort restaurant, een soort table-d’hôte, die de leden der Hospitalité de Notre Dame de Salut, de brancarddragers en zij, die in de Grot, bij de vijvers en in de ziekenhuizen, behulpzaam waren, opgericht hadden, om gemeenschappelijk en goedkoop te eten. Daar verschillende van hen niet rijk waren, omdat de Hospitalité leden telde onder alle klassen, waren zij overeengekomen, om drie goede maaltijden te gebruiken tegen een storting van drie francs daags; daarvan hielden zij dan nog eten over, dat zij onder de armen verdeelden. Maar zij bestuurden alles zelf, kochten zelf de levensmiddelen en huurden een kok en een paar jongens, terwijl zij er niet tegen op zagen zelf een handje mede te helpen om het lokaal in orde te houden.

“Dat moet heel interessant zijn,” riep mijnheer de Guersaint uit. “Dat zou ik wel eens graag willen zien, als wij tenminste niet te veel zijn.”

Toen stemde ook madame Désagneaux toe. [212]

“Nu we met een troepje gaan, wil ik ook wel. Ik was bang, dat het niet passen zou.”

En toen zij lachte, begonnen al de anderen ook te lachen. Zij had den arm van mijnheer de Guersaint aangenomen, terwijl Pierre, die werkelijk sympathie voelde voor het opgewekte vrouwtje, dat zoo bekoorlijk was met haar blonde kroesharen en haar melkblanken tint, links van haar liep.

Achter hen kwam Raymonde aan den arm van Gérard, met wien zij met haar ernstig stemmetje als een heel verstandig jongmeisje, dat er nog zoo zorgeloos-jeugdig uitzag, liep te praten. En nu zij eindelijk den zoo lang gedroomden echtgenoot in haar nabijheid had, nam zij zich ernstig voor hem ditmaal te veroveren. Zij bedwelmde hem dan ook met haar geur van mooi, gezond meisje en wekte tevens zijn bewondering door haar verstand van het huishouden en haar spaarzaamheid in kleine dingen, want zij liet hem bijzonderheden vertellen over hun inkoopen en toonde hem aan, dat zij hun uitgaven nog meer konden beperken.

“U bent zeker heel moe?” vroeg mijnheer de Guersaint aan madame Désagneaux.

Zij protesteerde onmiddellijk in edele woede.

“Wel neen! Stel u voor, dat ik vannacht in het Hôpital van moeheid in een fauteuil neergevallen ben. En toen zijn de dames zoo lief geweest mij te laten slapen.”

Opnieuw begon men te lachen. Maar zij bleef woedend.

“Zoodat ik acht uur achter elkaar als een blok geslapen heb. En ik had me nog al voorgenomen den heelen nacht te waken.”

Eindelijk kon zij haar lachen ook niet meer bedwingen.

“Een mooie ziekenverpleegster, hé?… Die arme madame de Jonquière heeft nu tot het begin van den dag gewaakt. Ik heb daareven getracht haar over te halen met ons mee te gaan, maar zij wilde niet.”

Raymonde, die het gehoord had, verhief haar stem:

“O, die arme mama, ze kon bijna niet meer staan. Ik heb haar gedwongen wat naar bed te gaan, en haar verzekerd, dat zij gerust kon slapen, dat alles goed marcheeren zou.”

En zij wierp Gérard een lachenden blik toe. Hij meende zelfs een onmerkbaren druk van haar frisschen, ronden arm te voelen, dien hij in den zijne hield, alsof zij te kennen wilde geven, dat zij het prettig vond zoo alleen met hem te zijn en zij, zonder door iemand gestoord te worden, hun kleine aangelegenheden konden regelen. Hij vond het verrukkelijk, [213]en hij vertelde haar, waarom hij dien dag niet met zijn kameraden gegeten had. Een familie, die hij goed kende, was vandaag vertrokken en had hem van tien uur af aan het buffet van het station uitgenoodigd, zoodat hij pas na het vertrek van den trein van half één vrij geweest was.

“Hoort u wel hoe vroolijk zij zijn?” vroeg hij.

Ze waren vlak bij de “popote” en hoorden inderdaad het luide lachen van jongelui, dat uit een groepje boomen kwam, waaronder het oude uit gips en zink opgerichte gebouw zich verborg, waarin zij de “popote” ondergebracht hadden. Eerst liet hij hen de keuken doorgaan, een groote, goed ingerichte ruimte, waarin een groot fornuis en een lange tafel stonden en een aantal reusachtige pannen aan den muur hingen. Hij wees hen erop, dat de kok, een dikke, vroolijke kerel, ook het roode kruis op zijn witte jas droeg, want hij nam deel aan de bedevaart. Dan deed hij een deur open en bracht hen in de gemeenschappelijke zaal.

Het was een lange zaal, waar een dubbele rij eenvoudige vuurhouten tafels naast elkaar stond. Behalve een andere tafel voor de overgeschoten spijzen en café-stoelen met zittingen van stroo waren er geen andere meubelen. Maar de witgekalkte muren en de glimmend roode vloer leken in deze gewilde kaalheid van een monnikenrefectorium zeer zindelijk. Doch wat vooral bij het eerste binnenkomen al aangenaam aandeed was de kinderlijke vroolijkheid, die er heerschte: honderdvijftig gasten van alle leeftijden zaten er met een heerlijke eetlust te eten, te schreeuwen, te zingen en te applaudiseeren. Een weinig voorkomende broederzin verbond hen, die van overal, uit alle standen, uit alle klassen, uit alle provincies saamgekomen waren. Velen kenden elkaar niet, zaten ieder jaar gedurende drie dagen naast elkaar, leefden als broeders, vertrokken weer en hoorden dan het verdere gedeelte van het jaar niets meer van elkaar. Er stak een eigenaardige bekoring in, om elkaar in de uitoefening der barmhartigheid terug te vinden in die drie dagen van groote inspanning, maar ook van jongensachtige vreugde met elkaar te leven; het deed eenigszins denken aan een buitenzijn van groote, aan zichzelf overgelaten jongens, die zich gelukkig voelen, wanneer zij diensten bewijzen en lachen kunnen. En alles, de eenvoudige maaltijden, de trots voor zich zelf te zorgen, te eten wat ze zelf gekocht en gekookt hadden, droeg bij tot de algemeene vroolijkheid.

“U ziet,” zeide Gérard, “dat we niet melancholiek zijn [214]ondanks het harde werk, dat wij doen. De Hospitalité telt meer dan driehonderd leden, maar er zijn er hier thans niet meer dan honderdvijftig, want we eten in twee ploegen, om den dienst in de Grot en in de ziekenhuizen te vergemakkelijken.”

Het zien van het kleine groepje bezoekers, die op den drempel waren blijven staan, scheen de vroolijkheid verdubbeld te hebben. Berthaud, de leider der brancarddragers, die aan het hoofd der tafel zat, stond op, om de dames te begroeten.

“Maar het ruikt hier heel lekker!” riep madame Désagneaux op haar onbezonnen manier uit. “Inviteert u ons niet om morgen eens van uw keuken te komen proeven?”

“Neen, de dames niet!” antwoordde Berthaud lachend. “Maar als de heeren morgen onze gasten willen zijn, dan zullen ze ons daarmee een groot pleizier doen.”

Met één oogopslag had hij de goede verstandhouding tusschen Gérard en Raymonde opgemerkt; hij was er zeer mee ingenomen, want hij zou graag een huwelijk tusschen die twee zien.

“Is dat markies de Salmon-Roquebert niet,” vroeg het jonge meisje, “daar tusschen die twee jongelui, die je voor winkelbedienden zoudt houden?”

“Het zijn inderdaad de zoons van een klein papierhandelaartje uit Tarbes,” antwoordde Berthaud. …“En de andere is uw buurman uit de rue de Lille, de eigenaar van dat koninklijke hotel en een der rijkste mannen van Frankrijk … Kijk eens, hoe hij van onzen schapenragout smult!”

Het was inderdaad zoo. De markies met zijn millioenen scheen zich heel gelukkig te gevoelen voor zijn drie francs per dag te eten en democratisch aan tafel te zitten met kleine middenstanders, ja zelfs werklieden, die hem op straat niet zouden hebben durven groeten. Was dit toevallig naast elkaar zitten eten niet de sociale gemeenschap in volle Christelijke liefde? Hij had dien ochtend des te meer trek, omdat hij in de vijvers een zestig zieken, al de afzichtelijke kwalen der treurige menschheid, had helpen baden. En om zich heen kon hij de verwezenlijking der evangelische gemeenschap zien; maar zonder twijfel was zij daarom zoo aantrekkelijk en vroolijk, omdat zij slechts drie dagen duurde.

Mijnheer de Guersaint kon, hoewel hij pas gedejeuneerd had, de verleiding niet weerstaan eens van den schapenragout te proeven. Intusschen herinnerde Pierre, die baron Suire, den directeur der Hospitalité, gewichtig op en neer [215]zag wandelen, alsof hij zich tot taak gesteld had op alles, zelfs op de wijze, waarop zijn personeel zich voedde, toezicht te houden, zich plotseling den vurigen wensch van Marie om den nacht voor de Grot door te brengen; en hij dacht, dat de baron de daarvoor noodige toestemming wel zou kunnen geven.

“Zeker,” zeide hij ernstig, “wij staan dat soms toe, maar het is altijd een teer iets! U kunt mij beslist verzekeren, niet waar, dat het jonge meisje niet teringachtig is?… Welnu, omdat u zegt, dat zij er zoo op staat, zal ik het met pater Fourcade in orde brengen en madame de Jonquière laten weten, dat u haar komt halen.”

Ondanks het air, dat hij zich gaf onmisbaar en met de zwaarste verantwoordelijkheden belast te zijn, was hij in den grond der zaak een goedhartig man. Op zijn beurt ging hij naar de bezoekers toe en vertelde hun tot in de kleinste bijzonderheden alles omtrent de inrichting der Hospitalité: de gemeenschappelijk uitgesproken ochtendgebeden, de vergaderingen van den raad van bestuur, die tweemaal daags gehouden en ook bijgewoond werden door de hoofden van dienst, de paters en enkele andere geestelijken. Men vierde zoo dikwijls mogelijk het Heilig Avondmaal. Dan volgden er allerlei gecompliceerde bezigheden, het was steeds een buitengewoon groote wisseling van personeel, in het kort een heele wereld, die met vaste hand bestuurd moest worden. Hij sprak als een generaal, die ieder jaar een groote overwinning op den geest der eeuw behaalt, en hij zond Berthaud weg om verder te eten, daar hij er op stond zelf de dames uitgeleide te doen tot aan het met zand bestrooide en door mooie boomen beschaduwde plein.

“Heel interessant, heel interessant!” herhaalde madame Désagneaux. “Wij zijn u zeer dankbaar voor uw groote welwillendheid!”

“Integendeel, madame, het was mij een zeer groot genoegen in de gelegenheid gesteld te worden u mijn klein volkje te laten zien!”

Gérard had Raymonde geen oogenblik verlaten. Mijnheer de Guersaint en Pierre hadden elkaar reeds een paar maal aangekeken, of zij nu niet eindelijk naar de place du Marcadal zouden gaan, toen madame Désagneaux zich plotseling herinnerde, dat een vriendin haar opgedragen had haar een flesch Lourdes-water op te zenden. Zij vroeg aan Gérard, hoe zij dat het beste doen kon. [216]

“Als u mij misschien weer als gids wilt aannemen,” zeide hij. “En als de heeren er niets op tegen hebben mede te gaan, zal ik u eerst het magazijn laten zien, waarin men de flesschen vult, die dan toegekurkt, in doozen verpakt en verzonden worden. Het is heel interessant.”

Onmiddellijk stemde mijnheer de Guersaint toe. Met hun vijven gingen zij weer verder, madame Désagneaux tusschen den architect en den priester, terwijl Raymonde en Gérard voorop gingen. De menigte werd in den brandenden zonneschijn steeds grooter; de place du Rosaire was vol van een drukke en lanterfanterende massa, als was het een volksfeest.

De werkplaats was er vlak bij, links, onder één der bogen. Het was een reeks van drie zeer eenvoudige vertrekken. In het eerste werden op de meest eenvoudige wijze de flesschen gevuld: een klein zinken, groen geverfd tonnetje, dat aan een miniatuur sproeiwagentje deed denken, kwam, door een man gesleept, vol uit de Grot: daaruit vulde men dan heel eenvoudig met behulp van een kraan stuk voor stuk de flesschen van wit glas zonder dat de werkman er steeds op lette, dat er geen water wegstroomde. Op den grond stond dan ook steeds een vrij groote plas. De flesschen droegen geen etiquette; de loodcapsules over de mooie, eerste kwaliteit kurken hadden echter een opschrift, dat de herkomst aangaf, terwijl er verder, waarschijnlijk om het water goed te conserveeren, loodwit overheen gestreken werd. De twee andere vertrekken dienden voor verpakking, echte emballeurs-werkplaatsen met de daarbij behoorende werktafels, gereedschappen en spaanders. Men maakte er voornamelijk doozen voor een of twee flesschen, heel aardige bewerkte doozen, waarin de flesschen op een bed van fijne spaandersnippers lagen. Het geheel leek veel op de expeditiemagazijnen van bloemen te Nice of van ingelegde vruchten te Grasse.

Gérard gaf nog eenige uitleggingen.

“U ziet, het water komt regelrecht uit de Grot, wat de misplaatste grappen, die rondgaan, geheel den kop indrukt. Er gebeurt niets bijzonders; alles gaat even natuurlijk en geschiedt in het volle daglicht … Bovendien doe ik u opmerken, dat de paters niet, zooals men hun verwijt, het water verkoopen. Een volle flesch kost, als u die hier koopt, twintig centimes, den prijs van het glas. Als u ze laat verzenden, komen er natuurlijk de emballage- en expeditiekosten bij en betaalt u een franc zeventig … Bovendien staat het u vrij alle kannen en anderszins, die u meebrengt, te vullen.” [217]

Pierre berekende, dat op dit punt de winst der paters niet zoo heel groot kon zijn; want zij verdienden bijna alleen op de doozen en op de flesschen, die hun, bij duizendtallen genomen, zeker geen twintig centimes kostten. Maar madame Désagneaux en Raymonde voelden, evenals mijnheer de Guersaint met zijn levendige phantasie, een groote teleurstelling bij het zien van dat kleine groene tonnetje, de met loodwit bestreken capsules en de hoopen spaanders om de werktafels. Zij hadden er zich ceremoniën bij voorgesteld, een zekeren ritus, om het wonderwater in de flesschen te doen, priesters in heilige kleeren, die het zegenden, terwijl zuivere kinderstemmen in koor zongen. En Pierre dacht ten slotte bij het zien van dit gewone bottelen en emballeeren aan de werkzame kracht van het geloof. Wanneer een dezer flesschen heel ver weg in de kamer van een zieke komt, wanneer men haar uitpakt en hij op zijn knieën valt, wanneer hij door het zien en drinken van dit heldere water wordt opgezweept tot een extase, die zelfs de genezing van zijn kwaal bewerken kan, dan is daarvoor zeker een groote sprong in het rijk der almachtige illusie noodig.

“En,” riep Gérard uit, toen zij weggingen, “wilt u nu nog eerst, voor wij naar de administratie gaan, het kaarsenmagazijn zien?”

Hij wachtte niet eens op hun antwoord, doch nam hen mede naar de overzijde van de place du Rosaire, waarmede hij eigenlijk geen ander doel had dan Raymonde aangenaam bezig te houden. In werkelijkheid was het schouwspel, dat het kaarsenmagazijn bood, nog minder stichtelijk dan dat van de emballage-werkplaatsen, waar zij juist uitkwamen. Het lag onder een der rechtsche booggewelven en bestond uit een soort kelder, een soort diepe opslagplaats, die door houten staketsels in groote vakken verdeeld werd. In die vakken was de vreemdsoortigste voorraad kaarsen, naar de grootte uitgezocht en gerangschikt, opgestapeld. Het te veel aan kaarsen, welke aan de Grot geschonken werden, sliep hier; iederen dag waren deze zoo talrijk, dat speciale wagentjes, waarin de pelgrims ze nederlegden, meermalen hun inhoud in die vakken moesten leeg gaan storten en dan weer terugkeerden om gevuld te worden. De stelregel was, dat iedere geofferde kaars aan de voeten der Heilige Maagd moest branden, doch er waren er te veel; al brandden er dag en nacht tweehonderd van iedere grootte en dikte, nooit zou men erin slagen deze verschrikkelijke voorraden, die onophoudelijk grooter werden, [218]uit te putten. Het gerucht liep, dat de paters zich genoodzaakt zagen de was weer te verkoopen. Sommige vrienden der Grot erkenden zelfs met een zekeren trots, dat de opbrengst uit de kaarsen voldoende geweest zou zijn om de geheele zaak aan den gang te houden.

De hoeveelheid alleen deed Raymonde en madame Désagneaux verstomd staan. Wat een kaarsen! Wat een kaarsen! De kleine vooral, die van tien sous tot één francs, waren in een ontelbaar aantal opgestapeld. Mijnheer de Guersaint, die cijfers verlangde, had zich in een statistiek verdiept, waarin hij den weg kwijt raakte. Pierre keek zwijgend naar dezen stapel was, geschonken om ter eere Gods in de open lucht verbrand te worden; en hoewel hij geen utilarist1 was, ofschoon hij de weelde van het genot en van de illusoire bevredigingen, welke voor den mensch even onontbeerlijk zijn als brood, begreep, kon hij toch de gedachte niet van zich afzetten aan de talrijke aalmoezen, welke men van het geld voor al die om in rook op te gaan bestemde was had kunnen geven.

“En de flesch, die ik verzenden moet?” vroeg madame Désagneaux.

“Wij gaan nu naar het bureau,” antwoordde Gérard. “Een quaestie van vijf minuten.”

Zij moesten de place du Rosaire weer over en de trap op, die naar de Basilica leidt. Het bureau lag links boven, dicht bij den ingang van den weg naar den Calvariënberg. Het was een eenvoudig gebouw, niet veel meer dan een houten hut, door regen en wind beschadigd, met een uithangbord, waarop te lezen stond: “Zich hier aan te melden voor missen, giften en broederschappen. Verzending van Lourdeswater. Abonnementen op de Annales de N. D. de Lourdes.” Hoeveel millioenen waren reeds door dit armzalige bureau gegaan, dat nog uit den tijd afkomstig scheen, toen men nauwlijks de grondslagen voor de Basilica legde!

Nieuwsgierig gingen zij allen naar binnen. Maar zij zagen slechts één loket. Madame Désagneaux moest zich bukken, om het adres van haar vriendin te geven; en toen zij één francs zeventig gestort had, kreeg zij een reçu, een klein stukje papier, zooals op de stations de goederenbeambte afgeeft. [219]

Weer buiten gekomen, wees Gérard op een groot gebouw, dat een paar honderd meter verder lag.

“Dat is de woning van de paters der Grot.”

“Maar je ziet ze nooit,” zeide Pierre.

De jonge man keek hem een oogenblik verbaasd aan, zonder te antwoorden. Dan:

“Je ziet ze nooit, omdat zij alles, de Grot en de rest, gedurende de nationale bedevaart aan de paters van Maria Hemelvaart overlaten.”

Pierre nam het gebouw, dat op een versterkt slot geleek, op. De ramen waren gesloten, zoodat men denken zou, dat het leeg stond. Maar toch kwam alles daaruit, keerde alles er weer naar terug. En de jonge priester meende de stille, maar vreeselijke beweging van een hark te hooren, die zich over het geheele dorp uitstrekte, het samengestroomde volk samenharkte en het goud en het bloed der menigte naar de paters bracht.

“Maar kijk, ze laten zich toch wel zien. Daar heb je juist den eerwaarden pater rector Capdebarthe,” zeide Gérard op fluisterenden toon.

Inderdaad kwam een geestelijke voorbij, een nauwlijks ontbolsterde boer, met een beenig lichaam en een dik, grof gebouwd hoofd. In zijn ondoorzichtige oogen was niets te lezen, zijn verweerd gezicht had een aardachtigen tint behouden, den rosachtigen en doffen weerschijn van den grond. Mgr. Laurence had indertijd wel een zeer verstandige keus gedaan, toen hij de organisatie en de exploitatie der Grot toevertrouwde aan deze taaie en eerzuchtige missionarissen van Garaison, bijna allen zonen der bergen, die hartstochtelijk hun geboortegrond liefhebben.

Met hun vijven gingen zij over het plateau de la Merlasse en liepen den breeden boulevard af, die zich links om de helling slingert en op de avenue de la Grotte uitkomt. Het was reeds over éénen, maar het dejeuneeren duurde in de geheele, van menschen overstroomde stad nog steeds voort: de vijftienduizend pelgrims en nieuwsgierigen hadden nog niet allen een plaatsje aan tafel kunnen vinden. Pierre, die in het hotel de table-d’hôte vol achtergelaten en zooeven de leden der Hospitalité dicht op elkaar gedrongen had zien zitten eten in de “popote”, vond nu weer andere tafeltjes, steeds meer tafeltjes. Overal at men en at men. Maar hier in de open lucht, aan de beide kanten van den boulevard, bestormden de kleine luiden de tafels, die op de trottoirs [220]neergezet waren, eenvoudige lange planken op schragen met twee rijen banken onder een kleine linnen tent. Men verkocht er bouillon, melk en koffie van twee sous per kop. De broodjes, die in hooge manden lagen, kostten ook twee sous. Aan de stokken, die de tent ondersteunden, hingen saucijsjes, hammen en worst. Sommigen van deze openlucht-restaurateurs bakten aardappelen, terwijl anderen porties vleesch met uien bakten.

Een bijtende rook en een scherpe stank stegen, vermengd met het stof, dat de voortdurend voorbijslenterende wandelaars deden opdwarrelen, naar de zon op. Voor ieder van die eettenten wachtten geduldig lange rijen menschen, die elkaar van lieverlede opvolgden op de banken langs de met wasdoek bedekte planken, waarop in de breedte nauwelijks voor twee soepborden plaats was. Allen haastten zich en aten gulzig in den geeuwhonger van hun moeheid, die onverzadigbare eetlust, welke groote moreele schokken altijd geven. Het dier eischte zijn rechten op, propte zich vol na de uitputting der eindelooze gebeden en het verblijf in den hemel der legende, waarin het zijn lichamelijke behoeften vergeten had. Het was onder dien schitterenden hemel van dien mooien Zondag een echt kermisveld, de gulzigheid van een vroolijk volk, één levensvreugde ondanks de afzichtelijke ziekten en de te spaarzame wonderen.

“Zij eten, zij amuseeren zich, wat zal je ervan zeggen?” zeide Gérard, die de gedachten van het gezelschap, dat hij rondleidde, raadde.

“Ach!” antwoordde Pierre, “het komt hun toe, de arme stakkerds!”

Deze wraak, die de natuur nam, trof hem diep. Maar toen zij weer onder aan den boulevard waren op den weg naar de Grot, werd hij door de opdringerigheid van de troepen kaarsen- en bloemenverkoopsters, die de voorbijgangers op de meest onbeschaamde manier lastig vielen, hoogst onaangenaam getroffen. Het waren voor het grootste gedeelte jonge vrouwen, blootshoofds of het hoofd met een zakdoek bedekt en die een buitengewone brutaliteit aan den dag legden; waarvoor de ouderen echter slechts weinig onder deden. Allen droegen een groot pak kaarsen onder haar arm, zwaaiden degene, die zij te koop aanboden, in de lucht en drukten haar koopwaar den wandelaars bijna in de handen.

“Mijnheer, mevrouw, koop een kaars van mij, dat zal u geluk aanbrengen!” [221]

Een heer, die door drie van de jongsten omringd en heen en weer getrokken werd, verloor bijna de slippen van zijn jas. Met de bloemen was het hetzelfde liedje, groote, ronde, ruw met touw vastgebonden bouquetten, die wel bloemkoolen geleken.

“Een bouquet, mevrouw, een bouquet voor de Heilige Maagd.”

Wanneer de dame ontsnapte, hoorde zij gesmoorde verwenschingen achter zich. De handel, de schaamtelooze handel drong zich op die wijze tot aan den ingang van de Grot aan de pelgrims op. Niet genoeg, dat hij zich triomphantelijk in alle winkels installeerde, die, dicht op elkaar gedrongen, iedere straat in een bazar herschiepen, neen hij liep de straten af, versperde den weg en reed op handkarren rozenkransen, medailles, beelden, vrome plaatjes rond. Van alle kanten kocht men, kocht men bijna evenveel als men at, om een souvenir van deze heilige kermis mede te nemen. En de levendige noot, de vroolijkheid in deze hebzucht, in dit gedrang van marskramers vormden nog de door de menigte heen vliegende jongens, die den Journal de la Grotte verkochten. Hun schelle stem verscheurde de ooren:

“De Journal de la Grotte! Het laatste nummer! Twee sous! De Journal de la Grotte!”

Te midden van het gedrang van de steeds heen en weer stroomende menschenmassa’s geraakte het vijftal van elkaar. Raymonde en Gérard bleven achter. Beiden waren in een glimlachende intimiteit zacht gaan praten. Madame Désagneaux moest blijven stilstaan en hen roepen:

“Loopt toch wat door, we zullen je nog kwijt raken.”

Toen zij wat dichterbij kwamen, hoorde Pierre het jonge meisje zeggen:

“Mama heeft het zoo druk! Praat u met haar voor ons vertrek!”

En Gérard antwoordde:

“Afgesproken. U maakt mij heel gelukkig, mademoiselle.”

Het huwelijk was dus gedurende deze bekoorlijke wandeling tusschen de wonderwerken van Lourdes veroverd en beklonken. Zij, geheel alleen, had overwonnen, en hij had eindelijk, toen hij haar aan zijn arm zoo vroolijk en verstandig voelde, een besluit genomen.

Maar mijnheer de Guersaint, die opgekeken had, riep uit:

“Zijn dat daarboven op het balkon die rijke menschen niet, die met ons gereisd hebben, u weet wel, die zieke jonge vrouw met haar man en haar zuster?” [222]

Hij bedoelde de Dieulafay’s; en inderdaad zaten zij op het balcon van het appartement, dat zij in een nieuw huis, dat uitzag op de grasperken van de Rozenkranskerk, gehuurd hadden. Zij bewoonden hier de eerste étage, welke met al den luxe, dien Lourdes had kunnen verschaffen, tapijten en gordijnen, gemeubeld was, terwijl zij bovendien nog een groot personeel van dienstboden naar Lourdes vooruit gezonden hadden. Met het mooie weer had men de zieke, die in een grooten fauteuil lag, naar buiten gereden. Zij had een peignoir van kant aan. Haar man, als altijd in een gekleede jas, stond rechts van haar, terwijl haar zuster in een prachtige, licht-mauve japon, links van haar zat en zich dikwijls glimlachend over haar heen boog, om te praten, zonder echter ooit antwoord te krijgen.

“O,” zeide de kleine madame Désagneaux: “ik heb dikwijls over madame Jousseur, die jonge vrouw in het mauve, hooren spreken. Zij is de vrouw van een diplomaat, die haar, ondanks haar groote schoonheid, veronachtzaamt; verleden jaar is er veel gepraat over een hartstocht, dien zij voor een jongen, in Parijsche kringen wel bekenden kolonel opgevat had. Maar de Katholieke salons beweren, dat zij dien, dank zij den godsdienst, overwonnen heeft.”

Allen keken naar haar op.

“En te denken,” ging zij voort, “dat haar zuster, de zieke, haar levend evenbeeld geweest is. Zelfs had zij een veel zachteren trek van goedheid en opgewektheid in haar gelaat … En kijk nu eens, het is bijna een doode, niets meer dan vel over been, die men bijna niet durft te verleggen. Een vreeselijk ongelukkig schepsel!”

Raymonde vertelde, dat madame Dieulafay, die nauwlijks drie jaar getrouwd was, al haar juweelen medegebracht had, om die aan Notre-Dame de Lourdes te schenken; Gérard bevestigde deze bijzonderheid en wist bovendien nog, dat de juweelen ’s morgens aan de schatkamer der Basilica gegeven waren, om niet te spreken van een gouden, in edelsteenen gevatte lantaarn en een groote, voor de armen bestemde som gelds. Maar de Heilige Maagd had zich blijkbaar nog niet laten verteederen; de zieke scheen eerder achteruit te gaan.

Van dat oogenblik af zag Pierre nog slechts die jonge vrouw op het weelderig ingerichte balkon, dat ondanks haar grooten rijkdom zoo beklagenswaardige schepsel, dat troonde boven de feestende menigte in Lourdes, dat vroolijk was en [223]lachte onder den mooien Zondagshemel. De twee haar zoo dierbaren, die zoo liefderijk voor haar zorgden, de zuster, die haar succes als aangebeden vrouw der wereld, en de man, die zijn bank, welker millioenen naar de vier windstreken der aarde rolden, verlaten had, droegen door hun onberispelijke verschijning niet weinig bij tot den pijnlijken indruk, welken deze groep, dien zij daar in de hoogte boven alle hoofden neerziende in het wondermooie dal vormden, maakte. Voor Pierre bestonden nog slechts deze drie menschen, die zoo oneindig rijk en zoo oneindig arm waren.

Maar de vijf wandelaars, die daar zoo midden op de avenue bleven staan, liepen ieder oogenblik kans verpletterd te worden. Telkens weer kwamen er nieuwe rijtuigen over de breede wegen, vooral landauers, met vier paarden bespannen, die in volle vaart reden en wier belletjes vroolijk rinkelden. Het waren touristen, badgasten uit Pau, Barèges en Cauterets, die, verrukt door het mooie weer en opgewekt door den snellen rit door de bergen, uit nieuwsgierigheid hierheen kwamen; zij bleven slechts enkele uren, liepen in hun strandtoiletten naar de Grot en naar de Basilica en vertrokken dan weer lachend en blij dat alles gezien te hebben. Families in lichte zomerdracht, gezelschappen jonge vrouwen met veelkleurige parasols, zwermden zoo tusschen de grijze en kleurlooze menigte pelgrims door en maakten het geheel nog meer tot een kermisgewoel, waar de beau monde wel zoo vriendelijk is zich te komen vermaken.

Plotseling riep madame Désagneaux uit:

“Wat, ben jij het, Berthe?”

En zij omhelsde een groote, bekoorlijke brunette, die met drie andere opgewekte en druk doende jonge dames uit een landauer stapte. Het was dadelijk een door elkaar gepraat, een gelach, één blijdschap elkaar zoo toevallig te ontmoeten.

“We zijn in Cauterets, beste meid! En nou zijn we, zooals iedereen, met ons vieren hierheen gekomen. Is je man bij je?”

“Wel neen, die is in Trouville, dat weet je toch ook wel. Donderdag ga ik weer naar hen toe.”

“O ja, dat is waar ook!” zeide de groote brunette, die er nog echt als een jonge, aardige wildzang uitzag. “Ik vergat heelemaal, dat je met de bedevaart meekomt … En vertel eens …”

Zij begon fluisterend te praten, om Raymonde, die er glimlachend bij stond.

“Vertel eens … heb je de kleine baby, die zoo lang uitblijft, aan de Heilige Maagd gevraagd?” [224]

Madame Désagneaux kreeg een kleur en fluisterde haar in het oor:

“Zeker, al twee jaar, en ik verzeker je, dat ik het knap vervelend vind nog niets te zien komen … Maar ditmaal geloof ik, dat het er is. Neen, lach nu niet, ik heb vanochtend, toen ik in de Grot bad, beslist iets gevoeld!”

Doch nu werd het lachen haar ook te machtig; allen riepen nu weer door elkaar en hadden een uitgelaten pleizier. Onmiddellijk bood zij de anderen aan haar rond te leiden, met de belofte haar binnen twee uur alles te laten zien.

“Ga jij met ons mee, Raymonde. Je moeder zal zich heusch niet ongerust maken.”

Zij drukten Pierre en mijnheer de Guersaint de hand. Ook Gérard nam met een teederen handdruk afscheid van het jonge meisje, zijn oogen diep in de hare, als om zich definitief te verbinden. Dan verwijderden de zes dames zich in de richting van de Grot, vol levensvreugd en den bekoorlijken charme van haar jeugd met zich dragend.

Toen Gérard, die weer dienst moest doen, op zijn beurt afscheid genomen had, zeide mijnheer de Guersaint tegen Pierre:

“En onze kapper op de place du Marcadal? Ik moet toch naar hem toe … Je gaat zeker wel mee?”

“Natuurlijk. Nu Marie ons niet noodig heeft, ben ik tot uw beschikking.”

Door de alleeën van de groote grasperken, die zich voor de Rozenkranskerk uitstrekten, kwamen zij op de nieuwe brug. Daar ontmoetten zij abbé des Hermoises, die twee uit Tarbes gekomen jonge dames rondleidde. Met zijn galant air van mondain priester liep hij tusschen haar in en liet haar Lourdes zien, waarbij hij het vermeed haar in aanraking te brengen met de leelijke kanten ervan, de armen, de zieken, den geheelen stank van diepe menschelijke ellende, die er op dezen mooien, zonnigen dag bijna uit verdwenen was.

Bij de eerste woorden van mijnheer de Guersaint, die hem aansprak over het huren van een rijtuig voor het uitstapje naar Gavarnie, scheen hij bang te worden zijn bekoorlijk gezelschap te moeten verlaten.

“Zooals u wilt, waarde heer. Wees zoo goed en belast u met die dingen, en u hebt volkomen gelijk, zoo goedkoop mogelijk, want twee niet zoo heel rijke geestelijken willen ook mee. We zullen met ons vieren zijn … En doe mij het genoegen mij vanavond het uur van vertrek te laten weten.” [225]

Dan ging hij weer naar zijn dames en nam ze mee naar de Grot, daarbij de schaduwrijke, frissche en voor verliefde paartjes zoo stille allée, die langs den Gave loopt, volgend.

Pierre had zich, moede tegen de borstwering van de nieuwe brug leunend, op den achtergrond gehouden. Voor het eerst viel hem het buitengewoon groote aantal priesters onder de menigte op. Ontelbare zag hij er over de brug gaan. Alle soorten kwamen langs hem heen: de correcte priesters, die met de bedevaart meegekomen waren en die men aan hun zelfvertrouwen en hun schoone soutanes herkende; de arme plattelandsgeestelijken, meer bedeesd, slecht gekleed, die geen offer ontzien hadden hierheen te komen en nu angstig-verschrikt door de straten liepen; eindelijk de zwerm van wereldlijke geestelijken, die, men niet wist vanwaar, naar Lourdes gekomen waren en daar een volkomen vrijheid genoten, zonder dat het zelfs mogelijk was na te gaan, of zij iederen ochtend hun mis lazen. En deze vrijheid vonden zij blijkbaar zoo aangenaam, dat de groote meerderheid zich, zooals abbé des Hermoises, hier met vacantie bevond, bevrijd van iederen plicht en blij, dank zij de groote menigte, waarin zij als het ware verdwenen, als gewone menschen te kunnen leven.

En vanaf den jongen, goed verzorgden en geparfumeerden vicaris tot aan den ouden priester met vuile soutane en afgeloopen schoenen, was de geheele soort vertegenwoordigd: dikke, vette, magere, groote en kleine; zij, die het geloof hier bracht en die van ijver brandden; zij, die eenvoudig als rechtschapen menschen hun plicht kwamen doen; zij ten slotte, die intrigreerden en alleen uit een verstandige politiek hier waren. Pierre bleef bedaard onder den stroom van priesters, die langs hem kwamen, ieder met een eigen doel, die allen naar de Grot gingen, zooals men gaat naar een plicht, naar een geloof, naar een vermakelijkheid of naar een corvée. Hij zag er een, heel klein, mager en donker, met een uitgesproken Italiaansch uiterlijk, wiens schitterende oogen het plan van Lourdes schenen op te nemen als een van die spionnen, welke vóór de verovering het land afloopen; hij zag er een, zwaarlijvig, met een vaderlijk voorkomen, hijgend van het vele eten en die bij een arme zieke vrouw stil bleef staan en haar honderd sous in de hand drukte.

Mijnheer de Guersaint kwam weer naar hem toe.

“We behoeven alleen nog maar den boulevard en de rue Basse te loopen,” zeide hij. [226]

Pierre volgde hem, zonder te antwoorden. Ook hij had nu de soutane op zijn schouders gevoeld en nog nooit had hij haar zoo licht gedragen als nu te midden van het gedrang der pelgrims. Hij leefde in een soort verdooving en onbewustheid, ondanks het onbehaaglijke gevoel, dat bij het aanschouwen der dingen, die hij zag, steeds grooter werd, nog altijd hopend op den bliksemstraal, die het geloof in hem weer zou doen ontvonken. De aangroeiende stroom van geestelijken hinderde hem nu niet meer, hij vond een broederlijk gevoel voor hen terug: hoeveel van hen vervulden, zonder te gelooven, evenals hij eerlijk hun zending als herders en troosters.

Mijnheer de Guersaint begon weer, maar nu wat luider:

“Je weet toch, dat deze boulevard nieuw is? Wat ze hier in de laatste twintig jaar gebouwd hebben, is niet te gelooven! Er staat waarachtig een heele nieuwe stad!”

Rechts van hen, achter de huizen, stroomde de Lapaca. Uit nieuwsgierigheid gingen zij een klein straatje in en stieten daar op oude, typische gebouwen, die langs het kleine beekje stonden. Verscheidene ouderwetsche molens rijden er hun raderen naast elkaar. Men wees hen dien, welken Mgr. Laurence na de verschijningen aan Bernadette’s ouders gegeven had. Ook liet men hun een klein huisje bezichtigen, waarin, naar beweerd werd, Bernadette gewoond zou hebben, toen de Soubirous uit de rue des Petits-Fossés daarheen verhuisd waren; het jonge meisje, dat toen reeds bij de zusters van Nevers was, zal er wel niet veel geweest zijn. Eindelijk kwamen zij door de rue Basse op de place du Marcadal.

Dit was een lang, driehoekig plein, het drukste en mooiste van de oude stad en waar de café’s, de apotheken en de mooie winkels stonden. Van al deze viel er dadelijk een, lichtgroen geschilderd en met hooge ramen, en waarboven een groot uithangbord met, in gouden letters, de woorden: “Cazaban, coiffeur” hing, in het oog.

Mijnheer de Guersaint en Pierre gingen naar binnen. Doch er was niemand in den scheersalon, zoodat zij moesten wachten. Een verschrikkelijk gerinkel van vorken kwam uit het vertrek ernaast, de huiskamer, die nu in een table-d’hôte herschapen was en waar, hoewel het reeds twee uur was, een tiental personen zaten te dejeuneeren. De middag was een heel eind reeds verstreken en nog at men steeds van het eene eind van de stad naar het andere. Evenals alle [227]andere huiseigenaars in de stad, onverschillig hoe hun godsdienstige overtuigingen waren, verhuurde Cazaban gedurende het seizoen der bedevaarten zijn eigen kamer en huiskamer, om zijn toevlucht te zoeken in den kelder, waar hij met zijn huisgezin at, sliep en samenhokte in een gat zonder lucht van drie vierkante meter. Het was een rage om overal geld uit te slaan, de bevolking verdween als die van een veroverde stad, liet aan de pelgrims tot de bedden van vrouwen en kinderen, deed hen aan hun tafels zitten en van hun borden eten.

“Is er niemand?” riep mijnheer de Guersaint.

Eindelijk verscheen een klein mannetje, het type van een levendigen, beenigen Pyrenaeër met een lang gezicht, vooruitspringende kaakbeenderen, een door de zon verbranden tint met roode vlekken. Zijn groote, schitterende oogen stonden nooit stil; en over zijn geheele magere gezicht liep een rilling, een onafgebroken overvloed van gebaren en woorden.

“Mijnheer wenscht zeker geschoren te worden. Ik vraag mijnheer excuus, maar mijn bediende is uit en ik zat daar bij mijn gasten … Als mijnheer wil gaan zitten, dan zal ik hem onmiddellijk helpen.”

En Cazaban, zich verwaardigend zelf te helpen, kreeg de zeep en zette het mes aan. Hij keek ongerust naar de soutane van Pierre, die, zonder een woord te zeggen, een courant was gaan zitten lezen.

Er heerschte een stilte. Maar dat kon Cazaban niet lang uithouden; en terwijl hij de kin van zijn klant inzeepte, begon hij:

“Stel u voor, mijnheer, dat mijn gasten zoo lang in de Grot gebleven zijn, dat ze nu pas dejeuneeren. U hoort het zeker wel. Ik was uit beleefdheid bij hen gebleven. Maar ik mag mijn klanten ook niet laten loopen, nietwaar? Je moet het iedereen naar den zin zien te maken.”

Toen begon mijnheer de Guersaint, die ook graag een praatje maakte, hem te vragen.

“Dus u verhuurt aan pelgrims?”

Ja, mijnheer, dat doen we allemaal,” antwoordde de kapper eenvoudig. “Dat is nu eenmaal de gewoonte.”

“En gaat u met hen mee naar de Grot?”

Cazaban kwam dadelijk tegen dat vermoeden op, en terwijl hij het scheermes in de lucht hield, zeide hij vol waardigheid.

“Nooit, mijnheer, nooit! In geen vijf jaar heb ik een voet gezet in de nieuwe stad, die zij daar bouwen.” [228]

Hij hield zich nog in en keek opnieuw naar de soutane van Pierre, die achter de courant schuil ging; ook het roode kruis op de jas van mijnheer de Guersaint maakte hem voorzichtig. Maar zijn tong kon hij toch niet beheerschen.

“Kijk u eens, mijnheer; meeningen zijn vrij; ik eerbiedig de uwe, maar ik voor mij moet van al die goocheltoeren niets hebben. En dat heb ik nooit onder stoelen of banken gestoken … Onder het keizerrijk, mijnheer, was ik al republikein en vrijdenker. We waren dat in dien tijd in de heele stad maar met ons vieren. Ja, daar ga ik trotsch op!”

Hij was nu met de linkerwang begonnen; hij triompheerde. Van dat oogenblik af stroomde er een onuitputtelijke zondvloed van woorden over zijn lippen. Hij begon met de bezwaren, die Majesté tegen de paters van de Grot had uitgesproken; den handel in religieuze artikelen, de oneerlijke concurrentie, die zij den kooplieden, den hoteliers en den kamerverhuurders aandeden. Ook hij koesterde een bitteren haat tegen de Blauwe Zusters der Onbevlekte Ontvangenis, want zij hadden hem twee oude dames, die ieder jaar drie weken te Lourdes kwamen, afgetroggeld. Vooral voelde men in hem echter den langzamerhand opgehoopten, nu overvloeienden wrok van de oude stad tegen de nieuwe, die zoo snel aan de andere zijde van het Kasteel opgeschoten stad, die rijke stad met huizen zoo groot als paleizen, waarheen al het verkeer, al het geld, al de weelde stroomde, zoodat zij steeds weer grooter en rijker werd, terwijl de oudste, de oorspronkelijke arme bergstad met haar kleine, verlaten straatjes, waarin het gras groeide, in doodsstrijd verkeerde. Toch werd de strijd voortgezet, de oude stad wilde niet sterven, trachtte haar ondankbare, jongere zuster tot deeling te dwingen door zelf ook pelgrims te huisvesten en winkels te openen; maar de winkels kregen alleen klanten, als zij dicht bij de Grot waren, terwijl eveneens alleen maar de arme pelgrims er zoo ver vandaan wilden logeeren. Deze ongelijke strijd vergrootte de breuk, maakte twee onverzoenlijke vijandinnen van de hooge en van de lage stad, die elkaar met onophoudelijke intriges trachten te verslinden.

“Neen, mij zullen zij in hun grot niet zien!” begon Cazaban weer woedend. “Het is een schandaal, zooals zij de menschen met hun Grot voor den gek houden en telkens wat anders probeeren. Een dergelijke afgoderij, een zoo brutaal bijgeloof in de negentiende eeuw!… Vraag hun eens, of zij in de laatste twintig jaar ooit één zieke uit de stad genezen hebben? [229]En er loopen toch genoeg lammen in onze straten. In den beginne hadden de menschen van hier tenminste nog voordeel van de eerste wonderen. Maar het schijnt, dat sedert lang hun wonderwater voor ons alle kracht verloren heeft: wij zijn er te dicht bij, je moet van ver weg komen, als je wilt, dat het helpt! Het is waarachtig te gek! Neen, hoor, voor geen honderd francs krijgt u mij daarheen!”

Het onbeweeglijk blijven zitten van Pierre scheen hem te irriteeren. Hij was nu aan de rechterwang begonnen en trok nu van leer tegen de paters der Onbevlekte Ontvangenis, wier schraapzucht de eenige oorzaak van de twist was. Die paters, die op hun eigen grond woonden, omdat zij van de gemeente de terreinen, waarop zij wilden bouwen, gekocht hadden, hielden zich niet eens aan het met de stad gesloten contract, waarbij zij zich verbonden hadden geen handel te drijven, geen water en geen religieuze artikelen te verkoopen. Iederen dag zou men hun een proces kunnen aandoen. Maar zij lachten erom, zij voelden zich zoo sterk, dat zij geen enkel geschenk meer aan de parochie lieten komen en dat al het geld zich ophoopte en in een stroom naar de Grot en de Basilica vloeide.

Openhartig-naïef riep Cazaban:

“En als zij nu nog maar wilden deelen!”

Dan, toen mijnheer de Guersaint zich gewasschen had en weer was gaan zitten:

“En wanneer ik u vertel, mijnheer, wat ze van onze arme stad gemaakt hebben! Veertig jaar geleden waren onze meisjes hier heel zedig, dat verzeker ik u. Ik herinner me nog heel goed, dat, wanneer, in mijn jonge jaren, een jonge man eens wat wilde uithalen, er hier hoogstens drie of vier van die vrouwspersonen waren, om hem te bevredigen, zoodat ik op kermisdagen de mannen queue zag maken voor haar deur, zoo waar als ik hier sta!… De tijden zijn wel veranderd, de zeden zijn dezelfde niet meer! Tegenwoordig doen bijna alle meisjes niets dan kaarsen en bouquetten verkoopen; enfin, u zult wel gezien hebben, hoe zij de voorbijgangers aanklampen en hun haar koopwaar opdringen. Het is een schandaal zulke brutale wijven! Zij verdienen veel, geven zich over aan luiheid, doen ’s winters in afwachting van het volgend seizoen der bedevaarten, absoluut niets. En ik beloof u, dat tegenwoordig jongens, die een grapje uit willen halen, niet ver behoeven te loopen … Voeg daarbij de wisselende en verdachte bevolking, waarmede we, zoodra de eerste [230]mooie dagen er zijn, overstroomd worden, koetsiers, marskramers, kroeghouders, een heel gemeen nomadenvolk, dat naar vuilheid en ontucht stinkt, dan hebt u een beeld van de eerbare, nieuwe stad, die ze ons met de menigten, die naar hun Grot en hun Basilica komen, geschonken hebben!”

Zeer onder den indruk had Pierre zijn courant laten zakken. Hij luisterde aandachtig, zag nu voor het eerst de twee Lourdes: het oude, in zijn kalme eenzaamheid zoo eerbare en vrome Lourdes en het nieuwe verdorven Lourdes, gedemoraliseerd door zooveel millioenen, zooveel bij elkaar gebedelde en opgehoopte rijkdommen, door den wassenden stroom van vreemdelingen, die de stad in looppas doortrokken, door de fatale vervuiling der opeenhooping, door de besmetting van slechte voorbeelden. Welk een ommekeer, als men terugdacht aan de onschuldige Bernadette, die neerknielde voor de primitieve, woeste grot, aan het naïeve geloof, aan de reine geestdrift der eerste arbeiders van het werk! Hadden zij die vergiftiging van het land door de hebzucht en het vuil der menschen gewild? De volkeren behoefden slechts te komen om de pest te doen uitbreken!

Toen Cazaban zag, dat Pierre luisterde, maakte hij nog een laatste dreigend gebaar, als om dat vergiftigende bijgeloof weg te vagen. Dan borstelde hij zwijgend het haar van mijnheer de Guersaint.

“Als het u blieft, mijnheer!”

Toen eerst begon de architect over het rijtuig. De kapper maakte eerst bezwaar, beweerde, dat zij naar zijn broer in de gemeentewei moesten gaan. Maar ten slotte stemde hij toch toe de bestelling op zich te nemen. Een landauer met twee paarden naar Gavarnie kostte vijftig francs. Maar blij, omdat hij zooveel had kunnen praten en gevleid als een fatsoenlijk man behandeld te worden, sloeg hij tien francs af. Ze waren met hun vieren, dat was dus tien francs per persoon. Ze kwamen overeen om ’s nachts tegen drie uur te vertrekken, zoodat ze Maandagavond weer vroegtijdig terug zouden zijn.

“Het rijtuig staat om drie uur voor het Hôtel des Apparitions,” herhaalde Cazaban op zijn nadrukkelijke manier. “U kunt op mij rekenen, mijnheer!”

Hij spitste zijn ooren. Het gerinkel met borden in de kamer ernaast hield maar niet op. Men at er nog altijd, zooals overal, met de vraatzucht, die van het eene einde van de stad naar het andere woedde. Er werd nog om brood geroepen. [231]

“Pardon,” zeide Cazaban vlug; “mijn gasten hebben me noodig.”

En met zijn handen nog vet van de kam, snelde hij weg. Daar de deur even open bleef, zag Pierre aan de wanden der huiskamer, tot zijn verbazing godsdienstige platen hangen, met name een afbeelding van de Grot. Ongetwijfeld hing de kapper die alleen maar gedurende de bedevaarten op, om zijn gasten een pleizier te doen.

Het was tegen drieën. Toen Pierre en mijnheer de Guersaint weer buiten kwamen, hoorden zij tot hun verwondering hoe het gelui van verschillende klokken de lucht vervulde. Op den eersten klank van het Vesperkleppen der Basilica had de parochiekerk juist geantwoord, en nu voegden zich de kloosters een voor een bij het toenemend gelui. De kristalheldere klok van de Karmelieten paarde zich aan de ernstig-diepe van de Onbevlekte Ontvangenis; en al de vroolijke klokken der zusters van Nevers en de Dominicanessen klepten tegelijk. Op mooie feestdagen streken zoo van den vroegen morgen tot den laten avond vluchten van klokken met breede vleugels over de daken van Lourdes. Er was moeilijk iets vroolijkers denkbaar dan dat welluidende gezang onder den wijden blauwen hemel, boven deze vraatzuchtige stad, die eindelijk gedejeuneerd had en nu haar spijsvertering in de zon koesteren.

[Inhoud]

III.

Zoodra de avond gevallen was, werd Marie in het Hôpital de Notre-Dame des Douleurs ongeduldig, want zij wist van madame de Jonquière, dat baron Suire van pater Fourcade verlof voor haar gekregen had, om den nacht voor de Grot door te brengen. Iedere minuut vroeg zij zuster Hyacinthe:

“Zuster, is het nog geen negen uur?”

“Wel neen, kindlief, het is net half negen!… Hier heb je een dikke wollen omslagdoek, die je met het aanbreken van den dag om moet doen, want de Gave is vlak bij en de ochtenden zijn in dit bergland frisch.”

De geheele zaal benijdde haar. Een heelen nacht voor de Grot te mogen bidden was de onuitsprekelijke vreugde, de opperste zaligheid. Men zeide, dat de uitverkorenen in den grooten vrede van de duisternis zeker de Heilige Maagd zagen. Maar men moest veel protectie hebben, om een dergelijke gunst te verkrijgen. De paters stonden haar niet graag toe, omdat [232]er zieken gestorven waren, als in haar extase ingeslapen.

“Je zult morgenochtend, voor je hier terugkomt, in de Grot het Avondmaal vieren, is het niet, kindlief?” vroeg zuster Hyacinthe.

Het sloeg negen uur. Zou Pierre, die altijd zoo juist op tijd was, haar vergeten? Men vertelde haar nu van de fakkelprocessie, die zij van het begin tot het einde zou zien, als zij dadelijk wegging. Iederen avond werden de plechtigheden met een dergelijke processie besloten; maar die op Zondag was altijd de mooiste, en er werd verteld, dat de processie van dien avond zoo buitengewoon schitterend zou zijn, als men er maar zelden een zag. Meer dan dertigduizend pelgrims, ieder met een kaars in de hand, zouden eraan deelnemen. De wonderen van den nachtelijken hemel zouden zich openen, de sterren op aarde nederdalen. De zieken jammerden, dat het zoo vreeselijk was aan je bed gekluisterd te zijn en niets van die wonderdingen te kunnen zien.

“Kindlief,” kwam madame de Jonquière zeggen, “daar zijn je vader en mijnheer de abbé!”

Marie straalde van vreugde en had het lange wachten al vergeten.

“O Pierre, laten we toch gauw gaan, laten we toch gauw gaan,” drong zij aan.

Zij droegen haar naar beneden en de priester duwde het kleine wagentje voort, dat zacht voortrolde onder den met sterren bezaaiden hemel, terwijl mijnheer de Guersaint naast haar liep. Het was een wondermooie nacht zonder maan, een donkerblauw fluweel met diamanten bestikt; de zachte lucht was heerlijk, een lauwwarm bad van zuivere lucht, doorbalsemd met den geur der bergen. Veel pelgrims verdrongen zich in de straat in de richting der Grot; doch de menigte was stil en in zichzelf gekeerd, zonder de rumoerige kermisdrukte van den dag. Bij het plateau de la Merlasse breidde de duisternis zich uit, kwam men onder den onmetelijken hemel in het schaduwmeer der grasperken en groote boomen, waaruit men links alleen de slanke, witte spits der Basilica zag oprijzen.

Pierre werd bij het zien van de menschenmassa, die, naarmate zij de Grot naderden, compacter werd, eenigszins ongerust. Op de place du Rosaire kon men nog slechts met moeite loopen.

“Er is geen denken aan, om bij de Grot te komen,” zeide hij en bleef stilstaan. “Het beste zou zijn een allée achter den “Abri des pèlerins” in te slaan en daar te wachten.” [233]

Maar Marie wilde met alle geweld het vertrek der processie zien.

“Laten we probeeren bij den Gave te komen, Pierre. Ik kan het dan uit de verte zien, ik behoef er niet zoo dicht bij te zijn.”

Mijnheer de Guersaint, die even graag wilde kijken als zij, drong ook aan.

“Maak je maar niet ongerust, ik zal achter haar gaan staan en zorgen, dat niemand haar stooten kan.”

Pierre moest nu het wagentje trekken. Hij had een kwartier noodig om onder een der bogen van de rechtsche helling te komen, zoo verdrong zich daar de menigte. Dan sloeg hij eenigszins schuins af en was eindelijk op de kade aan den oever van den Gave, waar alle kijkers op het trottoir stonden; hij kon nog een vijftig meter verder komen en liet dan het wagentje stilstaan tegen de borstwering zelf, bijna vlak tegenover de Grot.

“Is het hier goed?”

“Ja, ja, dank je wel! Maar ik moet zitten, dan kan ik nog beter zien.”

Mijnheer de Guersaint richtte haar op en klom dan zelf op de steenen bank, die langs de geheele kade loopt. Een groote menigte nieuwsgierigen stond daar dicht opeengehoopt als op avonden, dat er vuurwerk afgestoken werd. Allen gingen op hun teenen staan en rekten hun hals uit. Ook Pierre was vol belangstelling, ofschoon je nog niet veel bijzonders zag.

Er moesten daar dertigduizend personen zijn, en nog steeds stroomde het menschen. Allen droegen in hun hand een kaars, gewikkeld in een soort peperhuis van wit papier, waarop in blauw een afbeelding van de Notre-Dame de Lourdes gedrukt was. Maar die kaarsen waren nog niet aangestoken. Boven de deinende zee van hoofden zag men slechts de helder blinkende Grot, die den hellen gloed als van een ijzergieterij uitstraalde. Een dof gezoem steeg op, men hoorde zuchten, die alleen reeds den indruk maakten, dat daar duizenden opeengedrongen stonden in de diepte der duisternis, hun adem inhoudend, op en neer bewegend als een levend, steeds grooter wordend laken. Er waren er onder de boomen aan den anderen kant van de Grot, in de diepten van de donkerte, die men zelfs niet vermoedde. Eindelijk begon het met enkele kaarsen, die hier en daar opvlamden; plotselinge vonken, die op goed geluk af de duisternis doorboorden. Het aantal nam snel toe: eilandjes van sterren vormden zich, terwijl op andere punten strepen, melkwegen te midden van [234]de sterrenbeelden vloeiden. Dat waren de dertigduizend kaarsen, die allengs een voor een aangestoken werden, den fellen gloed der Grot uitdoofden en van het eene einde van den boulevard naar het andere de kleine gele vlammen van een reusachtig bekken met gloeiende kolen voortwentelden.

“O, Pierre, hoe mooi!” fluisterde Marie. “Precies de herrijzenis der nederigen, der kleine arme zielen, die weer wakker worden en schitteren.”

“Prachtig, prachtig!” viel mijnheer de Guersaint haar in een opwelling van zijn kunstenaarsgeestdrift bij. “Kijk eens naar die twee lijnen, die elkaar snijden en een kruis vormen.”

Pierre was zeer getroffen door wat Marie gezegd had. Zoo was het; die zwakke vlammetjes, nauwlijks lichtende puntjes, bescheiden als een deemoedig volk, en wier groot aantal een glans uitmaakte en een zonneschittering vormde. Telkens weer kwamen er nieuwe te voorschijn, verder weg en als verdwaald.

“O,” prevelde hij, “dat daar heelemaal alleen, in de verte en zoo dansend … Zie je, Marie, hoe het aan komt drijven en zich langzaam in het groote vuurmeer verliezen gaat.”

Men zag nu weer duidelijk als op klaarlichten dag. De van onder af belichte boomen lieten hun intens groen loof zien als geschilderde boomen op coulissen. Boven het golvende kolenbekken bleven de banieren, sprekend-duidelijk met haar geborduurde heiligen en zijden snoeren, onbeweeglijk. En de fel-helle weerkaatsing steeg langs de rots naar de Basilica op, welker spits nu scherp-wit afstak tegen den donker-zwarten hemel, terwijl aan de overzijde van den Gave de heuvels ook òp-lichtten met de witte gevels van hun kloosters tusschen het somber-groene loof.

Er was nog een oogenblik onzekerheid. Het vlammenmeer, waarin ieder brandend pitje een golfje was, deinde zijn sterrengeflonker voort, scheen op het punt te breken, om samen te vloeien tot een rivier. Dan fladderden hoogop de banieren, begon er beweging te komen.

“Wat,” riep mijnheer de Guersaint uit, “komen ze nu niet hier langs?”

Toen legde Pierre, die op de hoogte was, uit, dat de processie eerst den met groote kosten langs den beboschten heuvel aangelegden zigzagweg volgde. Dan draaide zij om de Basilica heen, alvorens langs de rechtsche helling weer naar beneden te gaan en door de tuinen haar weg te vervolgen. [235]

“Kijk, je ziet de eerste kaarsen reeds door het groen naar boven gaan.”

Het was als uit een Duizend-en-een-Nacht-sprookje. Kleine bevende lichtjes maakten zich los uit den grooten, vurigen haard en verhieven zich in een zachte vlucht langzaam in de hoogte, zonder dat men iets kon onderscheiden, dat ze aan de aarde vasthield. Het bewoog zich als gouden zonnestofjes in de duisternis. Weldra was het overgegaan in een schuin vallende straal, die zich dan plotseling scherp om een hoek terugboog, en er ontstond een nieuwe straal, die zich op zijn beurt ook weer kromde. Eindelijk was de geheele heuvel door één vlammenzigzag doorgroefd, die denken deed aan bliksemstralen, zooals men die op plaatjes uit den zwarten hemel schieten ziet. Maar het lichtende spoor ging niet uit, steeds gleden de kleine vlammetjes met dezelfde zachte, langzame beweging voort. Soms echter ontstond plotseling een verduistering, wanneer de processie achter een boomgroep voorbijtrok. Maar even verder brandden de kaarsen dan weer, zetten haar tocht langs ingewikkelde, telkens weer onderbroken en opnieuw herstelde zigzaglijnen naar den hemel voort. Dan kwam een oogenblik, dat zij, boven op den heuvel gekomen, niet langer stegen en bij de laatste kromming van den weg verdwenen.

In de menigte klonk het:

“Nu draaien ze om de Basilica heen.”

“O, het duurt nog wel een twintig minuten, voor ze naar beneden komen.”

“Ja, mevrouw, ze zijn met hun dertigduizenden; er gaat nog wel een uur mee heen, voor de laatsten van de Grot vertrekken.”

Zoodra de processie zich in beweging gezet had, had zich uit het doffe gegons een kerklied losgemaakt. Het was de litanie van Bernadette, de zesmaal tien coupletten, waarin het “wees gegroet” als een obsessie telkens weer terugkeerde. Waren de zestig strophen uitgezongen, dan begon men opnieuw. Aldoor klonk onophoudelijk en wiegend het “Ave, ave, ave Maria!”, dat den geest verdoofde, de ledematen radbraakte, langzamerhand die duizenden wezens in een wakenden droomslaap bracht, waarin zij het paradijs als een visioen voor zich zagen. ’s Nachts, als zij sliepen, had het bed de schommelende beweging, zongen zij ze nog.

“Blijven we hier?” vroeg mijnheer de Guersaint, die gauw genoeg van iets had. “Het is nu verder precies hetzelfde.” [236]

En ook Marie, die de gesprekken in de menigte gehoord had, zeide:

“Je hebt gelijk, Pierre. Het zou beter zijn als wij onder de boomen gingen staan. Ik zou zoo graag alles willen zien.”

“Zeker,” antwoordde Pierre; “wij zullen een plaatsje zoeken, waar je alles zien kunt. Het zal alleen een heele toer zijn, om nu hier vandaan te komen.”

Inderdaad had de dichte menigte nieuwsgierigen hen als het ware ingemetseld. Pierre moest zich langzaam en voorzichtig een weg banen, terwijl hij een klein plaatsje voor een zieke vroeg. Marie keerde zich telkens om en trachtte nog eenmaal voor de Grot den vlammenden waterspiegel te zien, het meer met zijn kleine flikker-fonkelende golfjes, waaruit tot in het oneindige de processie wegstroomde, zonder dat het leeg scheen te worden. Mijnheer de Guersaint liep achter het wagentje, om het tegen het dringen der menigte te beschermen.

Eindelijk waren zij buiten het gedrang en stonden nu op een verlaten plekje dicht bij een der booggewelven, waar zij even ruimer konden ademhalen. Men hoorde daar niets dan de uit de verte klinkende litanie met haar hardnekkig refrein; zag de weerkaatsing der kaarsen slechts als een soort lichtende wolk, die van den kant der Basilica langzaam aangedreven kwam.

“De beste plaats zouden we hebben, als we den Calvariënberg opgingen. Een kamermeisje heeft het me vanochtend nog gezegd. Het moet van uit de hoogte een feeëriek gezicht zijn.”

Doch daar viel niet aan te denken, daar waren te veel bezwaren aan verbonden.

“Hoe zouden we met het wagentje de hoogte op kunnen komen?” vroeg Pierre. “En bovendien zou in het pikdonker en in het gedrang het naar beneden komen veel te gevaarlijk zijn.”

Marie zelf wilde liever in de tuinen onder de boomen, waar het zoo heerlijk was, blijven. Dus gingen zij weer verder en kwamen tegenover de groote gekroonde Heilige Maagd op de Esplanade uit. Het beeld was met gekleurde glazen verlicht, die het met een stralenkrans van blauwe en gele lampions tot een kermis-aureool maakten. Ondanks zijn vroomheid vond mijnheer de Guersaint dit afschuwlijk smakeloos.

“Kijk!” zeide Marie, “bij dat boschje daar zouden we een uitstekend plaatsje hebben!” [237]

Zij wees naar een dicht boschje struiken naast den “Abri des pèlerins”. Het was inderdaad een uitstekend plekje, want vandaar af zou men de processie langs de linkerhelling naar beneden kunnen zien komen en haar door de grasperken in haar dubbele evenwijdige beweging van gaan en komen tot de nieuwe brug kunnen volgen. Bovendien gaf de nabijheid van den Gave aan het bladerengewelf een heerlijke koelte. Niemand bevond zich daar nog; in de dichte schaduw van de groote platanen langs de allée genoten zij van een oneindigen vrede.

Mijnheer de Guersaint ging op zijn teenen staan, ongeduldig als hij was, om de eerste kaarsen van achter de Basilica te voorschijn te zien komen.

“Er is nog niets te zien,” mompelde hij. “Enfin, dan ga ik maar even op het gras zitten. Ik ben doodop.”

Dan maakte hij zich ongerust over zijn dochter.

“Wil ik je wat omslaan? Het is heel frisch hier!”

“Neen, vader, dank u wel, ik heb het heelemaal niet koud. Ik ben zoo gelukkig. In geen tijd heb ik zoo heerlijk adem kunnen halen!… Er moeten hier rozen zijn, ruikt u dien heerlijken geur niet?”

En zich tot Pierre wendend:

“Waar staan die rozen toch, lieve vriend? Zie je ze niet?”

Toen mijnheer de Guersaint naast het wagentje zat, ging Pierre kijken, of er in de nabijheid geen bed met rozen was. Maar vergeefs zocht hij in de donkere grasperken; hij vond niets dan een dichten, groenen plantengroei. Toen hij, teruggaande, langs den “Abri des pèlerins” kwam, ging hij uit nieuwsgierigheid naar binnen.

Het was een groot vertrek met een hooge zoldering, waarin aan beide kanten het licht door breede ramen naar binnen viel. Met zijn steenen vloer en zijn kale muren had het geen andere meubelen dan banken, die her en der verspreid stonden. Geen tafel, geen plank, zoodat de daklooze pelgrims, die genoodzaakt waren daar hun toevlucht te zoeken, hun manden, hun pakjes en hun valiezen opgehoopt hadden in de aldus in bagagekasten herschapen vensternissen. Het vertrek was leeg: alle arme pelgrims waren blijkbaar naar de processie. Hoewel de deur wijd open stond, heerschte er een ondraaglijke stank; de muren waren doordrenkt met ellende, de vloertegels vuil, vochtig ondanks den mooien zonnedag, nat van fluimen, vet en gemorsten wijn. Men deed er alles, men sliep er, at er in een opeenhooping van vuile lichamen en lompen. [238]

Pierre zeide tot zichzelf, dat de heerlijke rozengeur moeilijk van daar komen kon. Toch liep hij het vertrek, dat door vier walmende lantaarns verlicht werd, rond in de meening dat het geheel verlaten was, toen hij tot zijn verbazing tegen den linkermuur een vage gestalte zag, een in het zwart gekleede vrouw, die een wit pakje op haar schoot hield. Zij was geheel alleen in deze eenzaamheid en zat onbeweeglijk met starre oogen voor zich uit te staren.

Hij ging naar haar toe en herkende toen madame Vincent, die hem met een gebroken stem toefluisterde:

“Ja, Rose heeft vandaag zoo geleden! Van den vroegen morgen af heeft zij aan één stuk door gekreund … En nu zij een paar uur geleden in slaap gevallen is, durf ik mij niet te verroeren, omdat ik bang ben, dat zij anders wakker wordt en weer pijn krijgt.”

Zij bleef onbeweeglijk zitten, een martelares van een moeder, die reeds maanden lang haar kind zoo hield in de hardnekkige hoop het te genezen. Zij had het op haar armen naar Lourdes gebracht, droeg het daar rond, suste het in slaap op haar armen, daar zij geen kamer, zelfs geen ziekenhuisbed had.

“Gaat het dan niet beter met de kleine?” vroeg Pierre, wiens hart bloedde.

“Neen, mijnheer de abbé, ik geloof het niet.”

“Maar,” zeide hij, “u zit toch heel ongemakkelijk op die bank. Men had moeite moeten doen om u niet zoo op straat te laten blijven. Men zou uw kind ongetwijfeld ergens opgenomen hebben.”

“Och, waar zou dat goed voor zijn, mijnheer de abbé? Zij ligt heel goed op mijn schoot. En bovendien zou men haar toch niet altijd zoo bij me gelaten hebben … Neen, ik heb haar maar liever bij me, dat zal haar ten slotte nog redden, geloof ik.”

Twee dikke tranen vielen over haar onbeweeglijk gezicht. Dan ging zij voort:

“Ik ben niet zonder geld. Ik had dertig sous, toen ik van Parijs wegging, en ik heb er nu nog tien over … Ik heb aan brood voldoende en die arme stumperd hier kan zelfs geen melk verdragen … Ik kom nog wel toe tot we weer weggaan, en als zij beter wordt, o, dan zullen wij rijk zijn, rijk, rijk!”

Zij boog zich voorover en keek in het flikkerende licht naar het bleeke gezichtje van Rose, wier lippen door haar zwakke ademhaling half geopend werden. [239]

“Kijk u eens, hoe zij slaapt!… De Heilige Maagd zal medelijden met haar hebben en haar beter maken, niet waar, mijnheer de abbé? We hebben nog wel maar één dag, maar ik wil niet wanhopen; ik zal den heelen nacht hier blijven bidden … Morgen zal het geschieden, ze moet nog tot morgen blijven leven.”

Een oneindig medelijden maakte zich meester van Pierre, die, uit vrees, dat ook hij anders in tranen zou uitbarsten, wegging.

“Ja, ja, arme vrouw, blijf hopen.”

En hij liet haar alleen achter in de groote, ledige, stinkende zaal, tusschen de door elkaar gegooide banken, zóó onbeweeglijk in haar smartelijke moederliefde, dat zij haar adem inhield, uit vrees, dat het piepen van haar borst de kleine zieke wakker zou maken. Geradbraakt bad zij, met gesloten mond, vurig.

Toen Pierre weer bij Marie terug was, vroeg zij hem dadelijk:

“En zijn er rozen in den omtrek?”

Hij wilde haar blijde stemming niet bederven door haar te vertellen, wat hij gezien had.

“Neen, ik heb in alle perken rondgekeken, maar er zijn geen rozen.”

“Vreemd,” zeide zij peinzend. “De geur is zoo zacht en tegelijk zoo doordringend … Je ruikt het toch zeker ook wel? Nou net is hij weer zoo buitengewoon sterk, alsof alle rozen van het paradijs om ons in den nacht ontbloeien.”

Doch een uitroep van haar vader viel haar in de rede. Mijnheer de Guersaint was weer gaan staan, toen hij boven aan de hellingen, links van de Basilica, lichtende punten verschijnen zag.

“Daar heb je ze eindelijk!”

Inderdaad werd het hoofd der processie zichtbaar. Onmiddellijk vermenigvuldigden overal de lichtende punten zich en verlengden zich tot een dubbele, golvende lijn. De duisternis overstroomde alles; het was als geschiedde dit alles heel hoog, als kwam het uit de zwarte diepten van het onbekende. En terzelfdertijd begon het gezang, de litanie, die als een obsessie was, weer; maar zij bleef zoo ver, zoo licht, dat het scheen, alsof zij niet meer was dan het zachte suizen, dat in de boomen den naderenden stormwind aankondigt.

“Ik heb het wel gezegd,” prevelde mijnheer de Guersaint, “je moet op den Calvariënberg staan, om alles te zien.” [240]

Halsstarrig en stijfhoofdig als een kind kwam hij weer op zijn eerste denkbeeld terug, en jammerde, dat ze juist de slechtste plaats uitgekozen hadden.

“Maar waarom gaat u dan den Calvariënberg niet op, vader? Het is nog tijd genoeg … Pierre zal bij mij blijven.”

En met een droef glimlachje voegde zij eraan toe:

“Trouwens, niemand zal me schaken.”

Eerst weigerde hij, dan gaf hij echter, niet in staat aan den drang van zijn verlangen weerstand te bieden, toe. Hij moest zich haasten, vlug de grasperken overloopen.

“Blijf hier onder de boomen op mij wachten. Ik zal je wel vertellen, wat ik boven gezien heb.”

Pierre en Marie bleven alleen in dit donkere, eenzame hoekje, doorbalsemd met rozengeur, zonder dat er één enkele roos in de nabijheid was. Zij spraken niet, keken naar de processie, die zacht en ononderbroken naar beneden gleed.

Het was als een dubbele rij levende sterren, die, aan den linkerhoek van de Basilica opkomend, nu de monumentale helling volgde, welker ronding zij duidelijk afteekende. Op dezen afstand kon men nog steeds de pelgrims, die de kaarsen droegen, niet zien; het waren slechts wandelende, gedisciplineerde lichtjes, die in de donkerte rechte lijnen trokken. De bouwwerken zelf bleven onder den donkerblauwen nachthemel vaag, werden nauwlijks door een verdichting van de duisternis aangegeven. Maar langzamerhand lichtten, naarmate het aantal kaarsen grooter werd, de architectonische lijnen òp, de slanke spitsbogen der Basilica, de cyclopische gewelven der hellingen, de zware, samengedrukte gevel der Rozenkranskerk. Met den ononderbroken stroom van helle vonken, die rustig voortkabbelde op de hardnekkige manier van een buiten haar oever getreden rivier, die door niets meer tegengehouden wordt, kwam als het ware een morgenrood, een lichtende wolk, die steeds grooter werd en eindelijk den geheelen horizont in haar glans laadde.

“Kijk toch eens Pierre, kijk toch eens!” riep Marie in haar kinderlijke blijdschap. “Dat houdt maar niet op, steeds komen er meer.”

Inderdaad duurde daar omhoog het plotselinge verschijnen van kleine lichtjes met een mechanische regelmatigheid voort, alsof een onuitputtelijk hemelsche bron dat zonnestof uitgestort had. Het hoofd der processie had ter hoogte van de gekroonde Heilige Maagd de tuinen bereikt, zoodat de dubbele vlammenlijn nog slechts den omtrek van het dak der Rozenkranskerk [241]en van de groote trap afteekende. Doch de nadering der menigte maakte zich voelbaar door een onrust in de lucht, een levenden, van verre komenden ademtocht; vooral de stemmen klonken sterker, de litanie van Bernadette zwol aan tot het gebruis van een opkomenden vloed, die het refrein: “Ave, ave, ave Maria!” in een rhythmisch gewieg steeds hooger en hooger stijgen deed.

“O, dat refrein!” prevelde Pierre, “het dringt je tot in je huid door. Straks gaat mijn heele lichaam het nog zingen.”

Weer liet Marie haar zacht kinderlachje hooren.

“Ja, dat is zoo, het volgt mij ook overal; vannacht heb ik het in mijn slaap ook gehoord. En vanavond ook weer, het is als wiegt het mij boven de aarde.”

Dan viel zij zichzelf in de rede:

“Daar zijn ze aan den onderkant van het perk, vlak tegenover ons.”

Nu volgde de processie de lange rechtsche allée en kwam, na om het Croix des Bretons heen gekropen te hebben, langs de andere rechtsche laan terug. Ze hadden meer dan een kwartier noodig, om deze beweging uit te voeren. Nu vormde de dubbele lijn twee lange strepen evenwijdige lichtjes, waarboven een triomphantelijke zonnefiguur uitstak. Maar het blijvende-mooie was het ononderbroken kronkelen van die vuurslang, wier gouden ringen zoo zacht over den zwarten grond kropen en zich in het oneindige verlengden, zonder dat het reusachtige zich ontrollende lichaam ooit scheen te eindigen. Verschillende malen had er blijkbaar ergens een opstopping plaats; de lijnen bogen zich dan als zouden zij breken, maar de orde was spoedig weer hersteld, waarna het naar beneden glijden met langzame regelmatigheid opnieuw begon. Een melkweg met zijn beving van werelden was van uit den hooge neergevallen en zette op aarde zijn sterrenreidans voort. Een blauw licht sijpelde naar beneden, er bestond niets meer dan de hemel, de gebouwen en de boomen namen in den geheimzinnigen glans der duizenden kaarsen, wier aantal steeds grooter werd, droomvormen aan.

Marie stiet een zucht van ademlooze bewondering uit; zij kon er geen woorden voor vinden, herhaalde maar steeds:

“Wat is het mooi, lieve God, wat is het mooi!… Kijk toch eens, Pierre, hoe mooi het is!”

Maar sedert de processie op enkele passen van hen verwijderd voorbij hen trok, was het niet meer een rhythmische loop van sterren, die door geen hand gedragen werden. In [242]de lichtwolk onderscheidden zij thans de lichamen, herkenden zij in het voorbijgaan nu en dan de pelgrims, die de kaarsen vasthielden. Eerst kwam la Grivotte, die ondanks het late uur aan de processie had willen deelnemen; zij overdreef haar genezing, beweerde steeds weer, dat zij zich nooit beter gevoeld had en behield in den frisschen avond, die haar rillen deed, haar overspannen, dansende manier van loopen. Dan kwamen de Vignerons, de vader voorop, met zijn kaars hoog in de lucht, gevolgd door madame Vigneron en madame Chaise, die haar uitgeputte beenen voortsleepten, terwijl de kleine Gustave, wiens rechterhand met kaarsvet overdekt was, met zijn kruk het zand stampte. Alle zieken, die loopen konden, waren er: ook Elise Rouquet, die met haar ontbloot rood gezicht als een verdoemde mede liep. Velen lachten; de het vorige jaar door het wonder genezen kleine Sophie Couteau speelde met haar kaars als met een stok. Hoofden volgden steeds weer op hoofden; voornamelijk waren het vrouwen, de meesten akelig alledaagsch, enkelen met een trotsche houding, die je een seconde even vluchtig zag en welke dan weer in de phantastische verlichting onderdoken. Eindigen wilde het niet: steeds kwamen er weer anderen, onder wie zij nog een heel bescheiden schim opmerkten, madame Maze, die zij zeker niet herkend zouden hebben, als zij niet even haar bleek, door tranen overstroomd gelaat opgeheven had.

“Kijk,” zeide Pierre tegen Marie, “daar zijn de eerste lichtjes der processie op de place du Rosaire, en ik ben er zeker van, dat de helft der pelgrims nog voor de Grot staat.”

Marie keek op en inderdaad zag zij in de hoogte bij den linkerhoek der Basilica regelmatig en zonder ophouden nieuwe lichtjes opduiken met een soort mechanische beweging, die nooit scheen op te houden.

“Ach,” zeide zij, “wat een belaste en beladen zielen. Ieder van die kleine vlammetjes is immers een ziel, die lijdt en zich bevrijdt?”

Pierre moest zich over haar heen buigen om haar te kunnen verstaan, want de litanie van Bernadette verdoofde hen, nu de stroom zoo vlak langs hen vloeide. De stemmen klonken in een steeds grooter wordende zinsverbijstering, de strophen werden langzamerhand door elkaar gezongen, ieder deel der processie hief het zijne aan met stemmen als van bezetenen, die zichzelf niet meer verstonden. Het was een eindeloos, verward geschreeuw, het razende geschreeuw van een menigte, [243]die door haar geloofsijver geheel bedwelmd wordt. En steeds weer kwam het refrein, het Ave, ave, ave Maria! terug en klonk met zijn rhythme, dat was als een krankzinnig makende obsessie, boven alles uit.

Tot hun verbazing zagen Pierre en Marie opeens mijnheer de Guersaint voor zich staan.

“Ach, kinderen, ik wilde me daarboven niet verlaten, en ben tweemaal door de processie heengeloopen om hier te komen … Maar wat een gezicht! Het is werkelijk het eerste moois, dat ik zie, sedert ik hier ben!”

En hij begon hun de processie te beschrijven, zooals hij die van af den Calvariënberg gezien had.

“Stel je een tweeden hemel hier beneden voor, welke den glans van dien hierboven weerkaatst, maar een hemel, die heelemaal door één enkel, reusachtig sterrenbeeld ingenomen wordt. En dat sterrengewemel schijnt zich heel ver in donkere diepten te verliezen. De vuurstroom is precies een monstrans, ja, een echte monstrans, waarvan de voet gevormd wordt door de hellingen, de schacht door de twee evenwijdige alleeën en de hostie door het ronde grasperk, dat ze bekroont. Het is een monstrans van brandend goud, die diep in de duisternis met een voortdurend fonkelen van wandelende sterren opvlamt. Je ziet niets dan dien reusachtigen en grootschen monstrans … Waarachtig, ik heb nog nooit zoo iets buitengewoons gezien!”

Hij zwaaide zijn armen heen en weer, was buiten zichzelf van artistieke ontroering.

“Vadertje,” zeide Marie liefdevol, “nu u toch hier bent, moest u maar naar het hotel teruggaan, om nog wat te slapen. Het is nu bijna elf en morgenochtend om drie uur moet u weer weg.”

En om hem over te halen, voegde zij er aan toe:

“Ik vind het zoo prettig, dat u dat uitstapje gaat maken … Maar zorg, dat u morgenavond vroegtijdig terug bent, want u zult zien, u zult zien …”

Zij durfde haar vaste overtuiging, dat zij genezen zou, niet uitspreken.

“Je hebt gelijk, ik ga nu maar naar bed,” zeide mijnheer de Guersaint gekalmeerd. “Nu Pierre bij je is, ben ik niet ongerust.”

“Maar,” riep zij uit, “ik wil niet, dat Pierre vannacht bij mij blijft. Wanneer hij mij straks naar de Grot gebracht heeft, komt hij weer bij u … Ik heb niemand noodig, de [244]eerste de beste brancarddrager zal mij morgenochtend wel naar het Hôpital brengen.”

Pierre zweeg eerst even. Dan, eenvoudig:

“Neen, neen, Marie, ik blijf … Ik zal, evenals jij, den nacht in de Grot doorbrengen.”

Zij wilde aandringen, boos worden. Maar hij had het zoo zacht gezegd, zij had in zijn woorden een zoo smartelijk verlangen naar geluk gevoeld, dat zij, tot in het diepst van haar ziel geroerd, haar woorden terugdrong.

“Enfin, kinderen,” begon haar vader weer, “dat moeten jullie samen maar uitvechten, jullie bent verstandig genoeg. En nu goeden nacht, maakt je over mij maar geen zorg.”

Hij gaf zijn dochter een paar hartelijke kussen, drukte de beide handen van den priester; ging dan weg en verdween in de dichte rijen der processie, waar hij opnieuw doorheen moest.

Nu waren zij alleen in hun donker en eenzaam hoekje onder de groote boomen; zij nog altijd achter in haar wagentje zittend, hij geknield in het gras en met zijn elleboog leunend op een der wielen. Het was aanbiddelijk mooi: het voorbijtrekken der kaarsen duurde voort, terwijl zij zich door het groot aantal bochten, dat zij maakten, tot één groote massa ophoopten. Wat hem vooral aangenaam trof was dat er van het kermisgedoe van overdag niets meer over Lourdes was blijven hangen. Het was, alsof van de bergen een zuiverende wind neergestreken was, die den sterken etensgeur, de vraatzuchtige Zondagsvreugde, al dat gloeiend en vergiftigd kermisstof, die om de stad hingen, weggevaagd had. Nu breidde zich nog slechts een eindelooze hemel met reine sterren over hen uit; de koelte van den Gave verkwikte hen, de zuchtende briesjes droegen geuren van wilde bloemen aan. De oneindigheid van het mysterie ging op in den onbeperkten vrede van den nacht, en van de zware stoffelijke wereld bleef niets over dan die kleine vlammetjes der kaarsen, welke Marie zooeven vergeleken had met lijdende zielen, welke op het punt staan zich te bevrijden. Een weldadige rust, die hem met een oneindige hoop vervulde, kwam over hem. Sedert hij daar was, verdwenen langzamerhand de kwetsende herinneringen van den namiddag, de gulzige vraatzucht, het onbeschaamde schacheren in wat heilig zijn moest, de moreel achteruitgegane en tot prostitutie vervallen oude stad uit zijn geest, om hem geheel te doen opgaan in die goddelijke verkwikking, in dien zoo wondermooien nacht, [245]waarin zijn geheele ziel zich onderdompelde als in een bad der herrijzenis.

Marie, zelf ook door een oneindige teederheid vervuld, prevelde:

“Wat zou Blanche gelukkig zijn, als zij al die heerlijkheden zien kon!”

Zij dacht aan haar zuster, die te Parijs achtergebleven was en zich daar aftobde met het geven van lessen. Maar dit eenvoudige woord, het noemen van den naam van haar zuster, over wie zij sedert haar komst te Lourdes niet gesproken had en die nu plotseling voor haar herinnering oprees, was voldoende om het geheele verleden voor hun geest op te roepen.

Zonder te spreken, doorleefden Marie en Pierre nog eenmaal hun kindertijd, hun spelen van vroeger in de twee aan elkaar grenzende, slechts door een levende haag gescheiden tuintjes. Dan kwam de scheiding, toen hij naar het seminarie ging en zij hem, heete tranen schreiend, op de wangen kuste met de belofte hem nooit te zullen vergeten. Jaren verstreken, en zij vonden elkaar terug, voor eeuwig gescheiden: hij priester, zij aan het ziekbed gekluisterd zonder eenige hoop ooit vrouw te worden. Dat was hun heele geschiedenis, een vurige, zichzelf lang onbewust gebleven liefde, dan een breuk, alsof zij gestorven waren, hoewel zij naast elkander leefden. Nu zagen zij de armzalige woning terug, die de oudste zuster door haar lessen wat behaaglijk trachtte te maken, die armzalige woning, waaruit zij naar Lourdes vertrokken waren na veel strijd en veel beraad: zijn twijfel en haar hartstochtelijk geloof, dat ten slotte overwonnen had. Het was werkelijk heerlijk elkaar zoo alleen weer te vinden in dit donkere hoekje, in dezen wondermooien nacht, waarin op aarde evenveel sterren waren als in den hemel.

Marie had tot nog toe haar kleine kinderzieltje bewaard, een sneeuwwitte ziel, zooals haar vader zeide, een goede, reine ziel. Op haar dertiende jaar door haar ziekte aangetast, was zij niet ouder geworden. Nu, op haar drie-entwintigste, was zij nog altijd dertien, een kinderlijk, in zichzelf gekeerd zieltje gebleven. Men zag het aan haar hartstochtlooze oogen, aan haar verstrooide gelaatsuitdrukking, aan haar onrustig zoekenden blik, aan haar onvermogen om iets anders te willen. Geen vrouweziel was onschuldiger dan de hare, die, achterlijk gebleven als zij was, de ziel van een groot, zedig [246]meisje was, bij wie de ontwakende hartstocht zich met een innigen kus op de wangen tevreden stelt. Zij had geen anderen roman gehad dan het afscheid, dat zij weenend van haar vriend genomen had, en dat was gedurende tien jaar voldoende om haar hart geheel te vullen.

In de eindelooze dagen, die zij op haar ziekbed doorgebracht had, was zij nooit verder in dien droom gegaan, dan dat hij, als zij gezond gebleven was, ongetwijfeld nooit priester geworden zou zijn, om met haar te kunnen leven. Nooit las zij een roman. De vrome boeken, die zij hebben mocht, hielden in haar de geestdrift voor een bovennatuurlijke liefde wakker. Zelfs de geluiden van buiten stierven weg aan de deur van de kamer, waar zij als in een klooster leefde; vroeger, toen men haar van het eene einde van Frankrijk naar het andere, van de eene boeteplaats naar de andere bracht, ging zij door de menigte als een slaapwandelaarster, die niets hoort en niets ziet, doch geheel beheerscht wordt door de idée fixe, dat zij reddeloos verloren was. Vandaar die onschuld en kinderlijkheid, dat aanbiddelijke meisje des lijdens, dat, opgegroeid met haar armzalig lichaam, in haar hart niets bewaarde dan de onbewuste liefde van haar dertien jaar.

Marie’s hand zocht in de duisternis die van Pierre, en toen zij deze, die de hare tegemoet kwam, vond, hield zij die lang en innig vast. Welk een vreugde! Nooit hadden zij een zoo reine en zoo volmaakte vreugde gesmaakt, als nu zij hier samen ver van de wereld in die onbeperkte bekoring van de duisternis en het mysterie waren. Om hen heen was slechts de rondedans der sterren. Het in slaap wiegende gezang zelf was als de duizeling, die hen op vleugelen medevoerde. Marie wist, dat zij den volgenden dag genezen zou worden, wanneer zij een nacht van godsdienstige extase in de Grot doorgebracht had: het was voor haar een absolute zekerheid, dat de Heilige Maagd haar zou verhooren, dat zij haar vermurwen zou, wanneer zij zich van aangezicht tot aangezicht met haar bevond, om haar te smeeken. En zij begreep heel goed wat Pierre ermede bedoelde, toen hij den wensch uitgesproken had ook den nacht voor de Grot door te brengen. Was hij niet besloten een allerlaatste poging te wagen om zijn geloof terug te krijgen, neer te knielen als een klein kind, om de Heilige Maagd te smeeken hem zijn geloof terug te geven. Nu nog, zonder dat zij behoefden te spreken, herhaalden hun in elkaar [247]liggende handen die dingen. Zij beloofden elkaar voor elkander te bidden; zij vergaten zichzelf zoozeer dat de een in de ander geheel opging met een zoo vurigen wensch voor hun genezing, voor hun wederzijdsch geluk, dat zij op dat oogenblik even den grond aanraakten der liefde, die zich geeft en zich opoffert. Het was een hemelsche genieting.

“O,” prevelde Pierre, “die blauwe nacht, die eindelooze duisternis, welke al het leelijke van menschen en dingen wegvaagt, die wijde weldadige vrede, waarin ik mijn twijfel zou willen in slaap wiegen …”

Zijn stem begaf hem. En op haar beurt zeide Marie heel zacht:

“En de rozen, die heerlijke rozengeur … Ruik jij ze niet, Pierre? Waar zijn ze toch, dat jij ze niet gezien hebt?”

“Ja, ja, ik ruik ze, maar er zijn geen rozen. Ik zou ze zeker gevonden hebben, want ik heb goed gezocht.”

“Hoe kan je zeggen, dat er geen rozen zijn, waar zij de lucht om ons heen doorbalsemen en wij als het ware baden in haar geur? Op sommige oogenblikken is hij zoo sterk, dat ik mij bijna bezwijmen voel van de vreugde hem te mogen inademen!”

“Neen, neen, ik zweer het je, ik heb overal gekeken, er zijn geen rozen. Of wel zij moeten onzichtbaar zijn of het gras zelf, dat wij met onze voeten vertrappen, die groote boomen, die ons omringen, of haar geur stijgt op uit de aarde, uit de rivier hier vlak bij, uit de bosschen en uit de bergen.”

Zij zwegen een oogenblik. Dan begonnen zij weer op denzelfden fluisterenden toon:

“Wat ruiken zij heerlijk, Pierre! Het lijkt wel, of onze in elkaar liggende handen ook een rozenruiker zijn.”

“Ja, zij rieken heerlijk lekker. En nu is het, alsof die geur uit jou opstijgt, Marie, alsof de rozen opbloeien uit jouw haren.”

Zij spraken niet meer. De processie trok nog steeds voorbij, steeds nog kwamen helle vonken van achter de Basilica, die als uit een onuitputtelijke bron uit de duisternis opborrelden. De eindelooze stroom der kleine, wandelende vlammen groefde in zijn dubbelen kringloop de duisternis met een vurig lint. Maar het mooiste schouwspel zag men op de place du Rosaire, waar het hoofd der processie, zijn langzame zwenking volhoudend, zich in een steeds nauwer wordenden kring draaide, die de van moeheid half geradbraakte pelgrims ten [248]slotte duizelig maakte en hun gezang tot iets als verbittering deed stijgen. Weldra was deze kring niet meer dan een brandende kern, de kern van een nevelvlek, waaromheen het vurige lint, dat geen einde scheen te nemen, zich langzaam oprolde; en steeds breidde die kern zich uit, werd een vijver, dan een meer. De heele wijde place du Rosaire veranderde in een brandende zee, die haar kleine fonkel-golfjes voortrolde in den wervelstroom van dezen nooit stilstaanden draaikolk. Een dageraad-weerschijn deed de Basilica òplichten. Ter zijde zag men slechts enkele verdwaalde kaarsen alleen wandelen als glimwormen, die met behulp van hun klein lantaarntje hun weg zochten.

Een deel der processie was blijkbaar op den Calvariënberg verdwaald, want ook daar in de hoogte bewogen zich in de open lucht sterren. Eindelijk kwam er een oogenblik, dat de laatste kaarsen verschenen, de grasperken omtrokken en uitstroomden in de vlammenzee, waarin zij verdronken. Dertigduizend kaarsen brandden daar, steeds nog in kringen ronddraaiend en hun gloed aanwakkerend onder den wijden rustigen hemel, waarin de sterren verbleekten. Een lichtdamp steeg op met het gezang, waarvan de obsessie was blijven voortduren. En het dreunen der stemmen, de Ave, ave, ave Maria! waren als het geknetter zelf der vlammende harten, die zich uitputten in gebeden, om de lichamen te genezen en de zielen te redden.

Een voor een waren de kaarsen uitgegaan; de nacht viel weer als onbeperkt heerscher donker en mild neer, toen Pierre en Marie merkten, dat zij daar nog hand in hand onder het mysterie der boomen verborgen waren. In de verte, in het donkere Lourdes, vroegen nog slechts enkele verdwaalde pelgrims den weg, om hun bed terug te vinden. Ritselingen streken door de donkerte, alles wat rondsluipt en den slaap zoekt op het einde van feestdagen. Maar zij vergaten tijd en omgeving, bewogen zich nog steeds niet, onuitsprekelijk gelukkig, in den geur der onzichtbare rozen.

[Inhoud]

IV.

Pierre reed het wagentje van Marie voor de Grot en plaatste het zoo dicht mogelijk bij het hek. Het middernachtelijk uur had reeds geslagen; er waren nog een honderd menschen, enkelen zittend op banken, de meesten echter op hun knieën en geheel opgaand in het gebed. De door kaarsen verlichte [249]Grot vlamde als een chapelle ardente, zonder dat men er iets anders onderscheiden kon dan het als sterren fonkelende stof, waarin in zijn nis het beeld der Heilige Maagd wit als een droom oprees. Het afvallend groen der bloemruikers nam een smaragdglans aan, de duizend krukken, die het gewelf bekleedden, geleken op een onontwarbaar net van dood hout, dat op het punt stond weer uit te botten. De nacht werd door die felle schittering nog zwarter gemaakt; de omgeving was weggezonken in een dikke donkerte, waarin niets meer was, geen muren, geen boomen. Alleen de onafgebroken murmelende stem van den Gave werd gehoord onder den wijden, donkeren, van onweer zwangeren hemel.

“Zit je zoo goed, Marie?” vroeg Pierre zacht-vriendelijk. “Heb je het niet koud?”

Zij had even gerild. Maar het was slechts van een klein zuchtje, dat de Grot haar scheen toe te waaien.

“Neen, neen, heelemaal niet! Leg alleen die omslagdoek over mijn knieën … Dank je wel, Pierre, en maak je nu verder niet bezorgd over mij; ik heb niemand meer noodig, nu ik bij haar ben …”

Haar stem begaf haar; zij geraakte reeds in extase: haar handen vouwden zich, haar blikken staarden strak naar het witte beeld, op haar arm uitgeteerd gezicht lag een trek van zalige verheerlijking.

Toch bleef Pierre nog enkele minuten. Hij had haar in den omslagdoek willen wikkelen, want hij zag haar kleine, magere handjes beven. Maar hij was bang haar misnoegen op te wekken en stopte haar alleen maar als een kind goed toe, terwijl zij, met haar ellebogen op de beide randen van het wagentje leunend, hem niet eens meer zag.

Vlak bij hem stond een bank; hij was er, om stil in zichzelf te bidden, juist op gaan zitten, toen zijn blik viel op een vrouw, die in de donkerte geknield lag. Zij was in het zwart gekleed en hield zich zoo bescheiden op den achtergrond, dat hij haar eerst niet opgemerkt had, zoo zeer scheen zij één geworden te zijn met de duisternis. Dan kwam het vermoeden in hem op, dat het madame Maze was. En hij herinnerde zich den brief, dien zij in den loop van den dag ontvangen had. Hij kreeg medelijden met haar, hij voelde de verlatenheid van deze eenzame, die geen lichamelijke ziekte om te genezen had, maar aan de Heilige Maagd alleen vroeg het leed van haar hart te verzachten door haar ontrouwen echtgenoot te bekeeren. De brief had blijkbaar een hardvochtig [250]antwoord bevat, want met haar diep gebogen gelaat scheen zij in haar vernedering van arm, gepijnigd en mishandeld schepseltje niets meer te zijn. Slechts in de nachtelijke stilte vertoefde zij hier gaarne, voelde zij zich gelukkig, om hier uren lang te kunnen weenen, haar martelaarschap te kunnen ondergaan, den terugkeer van de verdwenen liefkoozingen te kunnen smeeken, zonder dat iemand haar smartelijk geheim vermoedde. Haar lippen bewogen zich zelfs niet; het was haar gemarteld hart, dat bad en zoo vurig zijn deel aan liefde en geluk opeischte.

O, die onleschbare dorst naar geluk, welke al deze gewonden naar lichaam en naar ziel hier bracht! Ook Pierre voelde hoe die dorst zijn keel droog maakte en een vurige begeerte in hem deed ontstaan die te lesschen. Hij had zich op zijn knieën willen werpen, de goddelijke hulp willen afsmeeken met het deemoedig geloof van die vrouw. Maar zijn ledematen waren als gebonden en woorden vinden kon hij niet. Het was een verlichting voor hem, toen een hand zachtjes zijn schouder aanraakte.

“Ga met mij mee, mijnheer de abbé, als u de Grot niet kent. Ik zal u er heen brengen, het is er zoo heerlijk op dit uur.”

Hij keek op en herkende baron Suire, den directeur van de Hospitalité de Notre-Dame de Salut. Blijkbaar had die welwillende en eenvoudige man sympathie voor hem opgevat. Hij nam de uitnoodiging aan en volgde hem in de Grot, die geheel leeg was. Zelfs deed de baron het hek, waarvan hij een sleutel had, achter hen dicht.

“Ziet u, mijnheer de abbé, dit is het uur, dat men zich hier werkelijk gelukkig gevoelt. Wanneer ik enkele dagen in Lourdes kom doorbrengen, ga ik zelden voor het aanbreken van den dag naar bed, omdat ik gewoon ben hier den nacht door te brengen … Er is dan niemand meer, je bent er heelemaal alleen, en niet waar, je voelt je dan als het ware thuis bij de Heilige Maagd!”

Hij glimlachte goedhartig en nam als oud bezoeker, die weliswaar door ouderdom wat verzwakt is, maar vol liefde bleef voor het bekoorlijke hoekje, de honneurs van de Grot waar. Overigens toonde hij zich ondanks zijn groote vroomheid volstrekt niet gegeneerd, praatte hij, gaf hij uitleggingen met de vertrouwelijkheid van een man, die weet, dat hij met den hemel op vriendschappelijken voet staat.

“O, u kijkt naar de kaarsen … Er branden er dag en nacht [251]bijna tweehonderd tegelijk; dat maakt dan de Grot ten slotte warm … ’s Winters is het hier zelfs warm!”

Inderdaad kreeg Pierre het in de lauwwarme uitwaseming der kaarsen benauwd. Verblind door het felle licht, keek hij naar den grooten kandelaar in het midden, die in den vorm van een driehoekige pyramide geheel met kleine kaarsjes bezet was. Op den achtergrond stonden in een rechten kandelaar, die bijna gelijk met den grond was, dikke kaarsen, die, ongelijk van grootte en sommige zoo dik als een dij, als het ware een rij orgelpijpen vormden. Verder stonden hier en daar op de rotsen nog enkele andere kandelaars, in den vorm van zware kroonluchters, verspreid. Het gewelf der Grot daalde naar links, het gesteente was er als gebakken en zwart gekleurd door die eeuwige brandende vlammen, welke het sedert jaren verhitten. Onafgebroken viel een regen van was als een bijna onzichtbare sneeuw neer; de voetstukken der kandelaars dropen ervan en namen door het steeds dikker wordende stof een witte kleur aan; de geheele rots was ermede overtrokken en voelde vet aan; vooral de bodem was met zoo’n dikke vetlaag bedekt, dat er ongelukken waren gebeurd en men er een soort rietmatten had moeten overleggen, om het vallen te voorkomen.

“Ziet u die dikke daar?” vroeg baron Suire voorkomend. “Dat zijn de duurste: ze kosten zestig francs, maar ze branden dan ook een maand lang … De allerkleinste, die van vijf sous, duren maar drie uur … Oh, wij gaan er niet spaarzaam mee om, maar toch komen we er nooit te kort. Kijk, daar staan nog twee manden vol. Ze hebben zeker nog geen tijd gehad die naar het magazijn te brengen.”

Vervolgens legde hij Pierre uit wat er verder in de Grot stond: een met een hoes overdekt harmonium; een soort kast met groote laden, waar de gewijde gewaden bewaard werden; banken en stoelen voor het kleine bevoorrechte publiek, dat gedurende de ceremoniën in de Grot toegelaten werd, en ten slotte een mooi, met gegraveerde zilveren platen ingelegd, beweegbaar altaar, een geschenk van een voorname dame, dat men echter uit vrees, dat de vocht het zou bederven, alleen maar gedurende de rijke bedevaarten durfde gebruiken.

Pierre voelde zich door het gebabbel van den voorkomenden man eenigszins geërgerd. Zijn godsdienstige ontroering verloor daardoor grootendeels haar bekoring. Bij het binnengaan der Grot had hij ondanks zijn gebrek aan geloof een zekere [252]onrust, een soort zielerilling gevoeld, alsof het mysterie hem eindelijk onthuld zou worden. Het was iets angstigs en weldadig aandoend tevens. Hij zag dingen, die hem tot diep in zijn ziel ontroerden: bloemruikers, die tot bergen opgestapeld aan de voeten der Heilige Maagd lagen, kinderlijke geloftegiften, kleine beschimmelde schoentjes, een klein stalen borstharnasje, een voor een pop passende kruk, die wel een stukje speelgoed leek.

Onder den natuurlijken spitsboog, waar de Heilige Maagd aan Bernadette verschenen was, was op de plek, waar de pelgrims de rozenkransen en de medailles, die zij wilden laten wijden, wreven, de rots uitgesleten en glad geworden. Millioenen vurige lippen hadden zich er met zulk een geloofskracht op gedrukt, dat het gesteente verkalkt, zwart geaderd en glanzend als marmer geworden was.

Maar Pierre bleef staan voor een soort kuil, waarin een groote menigte brieven en allerlei papieren opgestapeld lagen.

“Dat zou ik bijna vergeten,” begon de baron weer, “en eigenlijk is dit het interessantste. Dit zijn de brieven, die de geloovigen dagelijks door het hek in de Grot werpen. Wij rapen ze op en leggen ze daar neer. ’s Winters is het voor mij dan een aardigheid om ze te sorteeren … Zooals u begrijpen zult, kunnen we ze niet verbranden, zonder ze open te maken, want ze bevatten dikwijls geld, tien of twintig sous, en vooral postzegels.

Hij woelde in de brieven, haalde er op goed geluk een paar uit, liet Pierre de adressen zien en maakte ze dan open om ze te lezen. Bijna alle waren het brieven van arme, onontwikkelde menschen, de adressen luidden meestal in groote, onregelmatige letters: “Aan Notre-Dame de Lourdes. Vele bevatten in oncorrecte zinnen vragen of dankbetuigingen in een allerverschrikkelijke orthographie, doch dikwijls kon men moeilijk iets aandoenlijkers denken dan de natuur dier vragen, de genezing van een klein broertje, het winnen van een proces, een minnaar, dien men behouden, een huwelijk, dat men graag sluiten wou. Andere brieven hadden een boozen toon, kapittelden de Heilige Maagd, dat zij niet de beleefdheid gehad had den eersten brief door de vervulling van de wenschen van den onderteekenaar te beantwoorden.

Dan waren er nog andere in netter schrift en met goed loopende zinnen, welke bekentenissen en vurige smeekbeden bevatten—brieven van vrouwen, die aan de Koningin des Hemels schreven wat zij in de donkerte van den biechtstoel [253]niet aan een priester durfden vertellen. De laatste enveloppe, die zij openden, bevatte slechts een portret: een meisje zond haar beeltenis aan Notre-Dame de Lourdes met de opdracht: “Aan mijn goede Moeder.” In het kort was dit de dagelijksche post van een zeer machtige Koningin, die smeekbeden en vertrouwelijke mededeelingen ontving en met gunstbewijzen en weldaden antwoorden moest. De tien- en twintig-sous-stukken waren, naïef, eenvoudige liefdesbewijzen, om haar te vermurwen, terwijl de postzegels slechts voor meerder gemak gezonden werden, wanneer zij tenminste geen zuivere onschuld waren, zooals in den brief van een boerin, die er een postcriptum aan toegevoegd had, waarin zij schreef, dat zij een postzegel insloot voor antwoord.

“Ik verzeker u,” zeide de baron, “dat er onder deze brieven heel goede en minder dwaze zijn dan u denken zoudt … Drie jaar lang heb ik zeer interessante brieven gevonden van een dame, die niets doen kon, of zij moest het aan de Heilige Maagd vertellen. Het was een getrouwde vrouw en zij koesterde een allergevaarlijksten hartstocht voor een vriend van haar man … Welnu, mijnheer de abbé, zij heeft dien overwonnen; de Heilige Maagd heeft haar geantwoord door haar de wapenrusting van haar kuischheid te zenden, de goddelijke kracht om aan haar hart weerstand te bieden …”

Doch hij viel zichzelf in de rede:

“Maar kom toch hier zitten, mijnheer de abbé. U zult eens zien, hoe lekker het hier is!”

Pierre ging naast hem zitten op de bank links, daar waar de rots lager wordt. Het was er inderdaad een heerlijk hoekje om te rusten. Geen van beiden sprak meer, een diepe stilte heerschte, toen Pierre eensklaps achter zich een onbestemd gemurmel hoorde, een fijne, kristalheldere stem, die uit het onzienlijke scheen te komen. Hij maakte een beweging, die baron Suire dadelijk begreep.

“Dat is de bron, die u hoort. Zij bevindt zich in den grond achter dat traliewerk … Wilt u haar zien?”

En zonder Pierre’s antwoord af te wachten had hij zich reeds gebukt om een der luiken, die haar beschermden, weg te nemen, waarbij hij Pierre tevens uitlegde, dat men haar zoo afsloot, uit vrees, dat de vrijdenkers er vergif in zouden komen werpen. Deze onbegrijpelijke inval verbijsterde den priester een oogenblik; doch ten slotte stelde hij haar maar op rekening van den baron, die toch zoo iets kinderlijks over zich had. [254]

Intusschen had deze heel veel moeite met het letterslot, dat maar niet wilde opengaan.

“Vreemd,” mompelde hij, “het woord is Rome en ik weet zeker, dat het niet veranderd is … De vocht bederft hier ook alles. Wij zijn verplicht na twee jaar de krukken, die in stof vallen, te vernieuwen … Licht u eens even bij met een kaars!”

Toen Pierre hem met een kaars, die hij uit een der kandelaars nam, had bijgelicht, slaagde hij er eindelijk in het koperen, door kopergroen uitgebeten slot open te maken. Het getralied luik draaide en de bron werd zichtbaar. Het was, in een breuk van de rots, een op een bed van kiezelzand langzaam stroomend water, dat helder en zonder opbruising opborrelde; het scheen over een vrij groote uitgestrektheid te komen. De baron vertelde nog, dat men het, om het naar de bron te leiden, in met cement bedekte buizen gekanaliseerd had. Zelfs bekende hij, dat men achter de vijvers een reservoir had moeten graven, om daarin ’s nachts het water op te vangen, want de geringe door de bron geleverde hoeveelheid zou niet voldoende geweest zijn voor de dagelijksche behoeften.

“Wilt u het proeven?” bood de baron plotseling aan. “Hier, waar het uit den grond komt, is het nog beter.”

Pierre antwoordde niet; hij keek maar naar dat kalme, dat onschuldige water, dat zich in het flikkerende kaarslicht met gouden weerschijn vlamde. Wasdroppels vielen erin en brachten er door de trillingen, die zij veroorzaakten, wat leven in. Hij dacht aan al het geheimzinnige, dat het van de verre helling der bergen meevoerde.

“Drink u toch een glas!”

De baron had een glas, dat daar altijd hing, gevuld en de priester moest het uitdrinken. Het was goed zuiver water, van dat doorschijnende, frissche water, zooals het van alle hooge Pyrenaeën-plateaux komt.

Nadat het letterslot weer gesloten was, gingen zij beiden weer op de eikenhouten bank zitten. Achter zich bleef Pierre voortdurend de bron als het tjilpen van een verscholen vogeltje hooren. Intusschen vertelde de baron over de Grot gedurende de verschillende jaargetijden in een aandoenlijk gebabbel vol kinderlijke bijzonderheden.

De zomer was slechts het ruwe seizoen, de kermisdrukte van de groote bedevaarten, het luidruchtige gedoe van duizenden samengestroomde pelgrims, die tegelijk baden en [255]schreeuwden. Maar in den herfst begonnen de regens te vallen, de zondvloedachtige regens, die soms dagen achtereen op den drempel van de Grot neerkletsten; dan kwamen de bedevaarten uit verre landen, Indiërs, Maleiers, Chineezen zelfs, kleine, stille en extatische groepjes, die op een teeken der missionarissen in de modder neerknielden. Uit Frankrijk zelf zond Bretagne van alle oude provincies de vroomste pelgrims, geheele parochiën, waarin de mannen even talrijk waren als de vrouwen en wier godvruchtig gedrag en eenvoudig geloof wel geschikt waren om de wereld te stichten. Dan kwam de winter, December met zijn vreeselijke koude en zijn dichten sneeuwval, die de bergwegen versperde. In dien tijd namen de families haar intrek in de verlaten hotels, begaven de geloovigen zich toch iederen ochtend naar de Grot, vooral zij, die de stilte liefhadden en in de teedere intimiteit der eenzaamheid met de Heilige Maagd spreken wilden. Zoo waren er eenigen, die niemand kende, die zich alleen vertoonden, wanneer zij zeker waren, dat zij alleen neerknielden en als ijverzuchtige minnaars, alleen de Heilige Maagd liefhebben konden, om, bij de eerste nadering der menigte, schuw weer te vertrekken.

En hoe lieflijk was de Grot bij slecht winterweer! In den regen, in den wind, in de sneeuw behield zij haar vlammenglans. Zelfs gedurende de woeste stormnachten, wanneer er geen levende ziel was, lichtte zij òp in de ledige duisternis, brandde zij als een liefdegloed, die niet uit te blusschen is. De baron vertelde, dat hij gedurende de hevige sneeuwstormen van het vorige jaar heele middagen doorgebracht had op de bank, waarop hij nu zat. Er heerschte dan in de Grot, hoewel zij op het Noorden lag en er nooit een zonnestraal in doordrong, een weldadig aandoende warmte. Ongetwijfeld was de voortdurend door de kaarsen verhitte rots een verklaring voor die milde zachtheid, maar kon men bovendien niet gelooven aan een bekoorlijke weldaad der Heilige Maagd, die daar een eeuwige April heerschen deed. De kleine vogeltjes vergisten er zich dan ook nooit in, alle vinken uit den omtrek zochten er, wanneer de sneeuw hun pootjes verstijfde, hun toevlucht en fladderden in den klimop om het heilige beeld. En dan eindelijk ontwaakte de lente, stuwde de Gave met donderend geweld de gesmolten sneeuw voort, groenden de boomen weer onder den drang van het opschietende sap, terwijl de terugkeerende pelgrimscharen zich luidruchtig van de fonkelende Grot meester maakten, [256]waaruit zij de kleine vogeltjes van den hemel verjoegen.

“Ja, ja,” herhaalde baron Suire langzaam, “ik heb hier in mijn eentje heel wat heerlijke winterdagen doorgebracht. Ik zag slechts één vrouw, die daar tegen het hek neerknielde, om niet nat te worden in de sneeuw. Zij was nog heel jong, vijf-en-twintig misschien, en heel mooi, een brunette met prachtige blauwe oogen. Zij zeide niets, scheen zelfs niet te bidden, bleef daar maar uren lang met een eindeloos droef gelaat geknield liggen … Ik weet niet wie zij was, nooit heb ik haar teruggezien.”

Hij hield op met praten en toen Pierre, zich verbazend over dat zwijgen, twee minuten later naar hem keek, zag hij, dat de baron in slaap gevallen was. Zijn handen over zijn buik gevouwen, zijn kin op zijn borst, sliep hij, met een flauw glimlachje om zijn mond, den gerusten slaap van een kind. Ongetwijfeld had hij, toen hij vertelde, dat hij hier den nacht doorbracht, bedoeld, dat hij er als een gelukkig oud man zijn eersten slaap kwam doen, waarin de engelen hem bezochten.

Toen genoot Pierre eerst goed van de bekoring der eenzaamheid. Het was werkelijk zoo, een zoet gevoel doordrong in dit rotshoekje de ziel. Het ontstond uit den eenigszins benauwenden geur van de was, uit den extatischen roes, waarin men te midden van de schittering der kaarsen verviel. Hij onderscheidde niet duidelijk meer de krukken boven in het gewelf, noch de geloftegiften, noch het altaar met gegraveerd zilver, noch het met een hoes overdekte harmonium. Langzaam aan maakte een bedwelming zich van hem meester, een steeds grooter wordende vernieling van zijn geheele wezen. Vooral had hij hier op den bodem van het ongelooflijke en bovennatuurlijke het goddelijke gevoel ver van de levende wereld te zijn, alsof het eenvoudige ijzeren hek de slagboom van het oneindige geworden was.

Een licht geruisch links van hem deed hem opschrikken. Het was de bron, die steeds maar voortstroomde, voortstroomde met haar vogelgetjilp. O, wat zou hij graag op zijn knieën gevallen zijn, geloofd hebben aan het wonder, de zekerheid bezeten hebben, dat dit goddelijke water slechts uit de rots ontsprongen was ter genezing van de lijdende menschheid! Was hij hier niet gekomen om zich te verootmoedigen, om de Heilige Maagd te smeeken hem het geloof der kleine kinderen terug te geven? Waarom bad hij haar dan niet, smeekte hij haar niet, dat zij hem het koninklijk [257]geschenk der genade schenken zou? Hij voelde zich nog benauwder worden, de kaarsen verblindden hem, alsof hij een flauwte nabij was. En dan kwam plotseling de gedachte in hem op, dat hij in de groote vrijheid, die de priesters te Lourdes genoten, twee dagen verzuimd had de mis te lezen. Hij bevond zich dus in een staat van zonde, misschien was dat het gewicht, dat zoo zwaar op zijn hart drukte. En deze gedachte werd voor hem zoo’n kwelling, dat hij moest opstaan en weggaan. Zacht stiet hij het hek open en liet baron Suire slapen op zijn bank.

Half opgericht op haar ellebogen, en haar door extase verheerlijkt gelaat naar de Heilige Maagd gewend, had Marie zich in haar wagentje niet bewogen.

“Heb je het niet koud, Marie?”

Zij gaf hem geen antwoord. Hij bevoelde haar handen, vond die lauwwarm en zacht, maar toch licht bevend.

“Je rilt toch niet van de koude, Marie?”

Toen zeide zij met een stem, die zacht was als een ademtocht:

“Neen, neen, laat mij met rust, ik ben zoo gelukkig. Ik zal haar zien, ik voel het … O, welk een zaligheid!”

Toen trok hij den omslagdoek wat hooger en ging, door een onuitsprekelijke onrust aangegrepen, de duisternis in. Toen hij uit het felle licht der Grot kwam, was het een nacht, zwart als inkt, een uit donkerte bestaand niets, waarin hij op goed geluk af ronddwaalde. Dan geraakten zijn oogen eraan gewend; hij was weer bij den Gave en volgde nu den oever, een door groote boomen beschaduwde allée, waarin de frissche donkerte weer terugkwam. Die zoo kalmeerende duisternis en frischheid schonken hem verlichting. Het eenige wat hem nog verbaasde was dat hij niet neergeknield lag, dat hij niet gebeden had, zooals Marie bad, met algeheele overgave van zijn ziel. Wat was toch die inwendige belemmering? Vanwaar kwam toch dat hardnekkige verzet, dat hem belette zich af te laten glijden naar het geloof, zelfs nu zijn overspannen wezen naar algeheele overgave smachtte? Hij begreep wel, dat zijn verstand alleen ertegen in verzet kwam; en hij bevond zich nu in een toestand, waarin hij dat vraatzuchtige verstand, dat aan zijn leven knaagde, dat hem belette gelukkig te zijn, gelukkig als de onwetenden en armen van geest, had willen dooden.

Misschien zou hij, als hij een wonder gezien had, den wil om te gelooven bezeten hebben. Zou hij, wanneer hij Marie bijvoorbeeld plotseling had zien opstaan en hem tegemoet [258]loopen, niet, eindelijk overwonnen, op zijn knieën neergevallen zijn? Dit beeld, dat hij zich maakte van een geredde, van een genezen Marie, wond hem zoo op, dat hij met bevende, naar den met sterren bezaaiden hemel opgeheven armen staan bleef. Lieve God, welke een diepe en mysterieuse, met balsemgeuren doortrilde en milde nacht! En welk een vreugde daalde zegenend neer in die hoop op voor eeuwig weergekomen gezondheid, op eeuwige liefde, welke, evenals de lente, steeds weer opnieuw herboren werd! Dan ging hij weer verder, liep de allée tot het einde af. Maar zijn twijfel begon weer: wanneer men een wonder verlangt, om te gelooven, dan beteekent dit, dat men niet in staat is te gelooven. God behoeft het bewijs van Zijn bestaan niet te leveren. En ook weer maakte de onbehaaglijke gedachte zich van hem meester, dat God, zoolang hij zijn plicht als priester niet gedaan had door de mis te lezen, hem niet verhooren zou. Waarom ging hij niet onmiddellijk naar de Rozenkranskerk, waar de altaren van middernacht tot ’s middags ter beschikking stonden van de tijdelijk te Lourdes verblijf houdende priesters? Hij sloeg een tweede allée in en was nu weer onder de boomen op het lommerrijke plekje, vanwaar hij met Marie de processie voorbij had zien trekken. Geen licht meer, een zee van donkerte, zonder grenzen.

Weer kreeg Pierre een aanval van zwakte en werktuigelijk ging hij, als had hij tijd willen winnen, den Abri des pèlerins binnen. De deuren waren open blijven staan, zonder echter voldoende lucht te brengen in het groote, met menschen gevulde vertrek. Zoodra hij binnenkwam, sloeg de zware warmte der opgehoopte lichamen, de dikke en bedorven lucht der ademhalingen en uitwasemingen hem op zijn keel. De walmende lampen verspreidden zoo’n zwak licht, dat hij oppassen moest niet op de overal liggende ledematen te loopen; want de versperring was zóó groot, dat velen, die geen plaats op de banken hadden kunnen vinden, zich maar neergelegd hadden op de vochtige, met fluimen en etensrestjes bevuilde tegels. Het was een namelooze dooreenmengeling, mannen, vrouwen, priesters lagen door elkaar, zooals het toeval ze neergeworpen had. Uitgeput van vermoeienis sliepen zij, als vernietigd, met open monden. Een groot aantal zat met den rug tegen den muur en het hoofd heen en weer slingerend op de borst, te snorken.

Anderen weer waren van de banken gevallen, een jong meisje lag dwars over een ouden plattelandspriester, die, [259]rustig als een kind slapend, tegen de engelen glimlachte. Het was een stal, waarin de armen van de straat binnengingen en dien zij als een onderkomen, dat de fortuin hun gaf, eerden. Daar waren zij, die op dezen mooien feestavond geen dak boven zich hadden en nu, hier gestrand, broederlijk arm in arm ingeslapen waren. Sommigen echter vonden in hun koortsachtige opwinding geen rust, maar lagen te woelen of stonden weer op om den inhoud van hun mand op te eten. Weer anderen zag men met groote open oogen roerloos in het duister liggen staren. Droomgillen of lijdenskreten klonken te midden van het gesnork op. Een medelijden, een diep, beklemmend medelijden boezemde die troep ongelukkigen, welke daar in hun smerige lompen op en door elkaar lagen, in, terwijl ongetwijfeld hun reine, kleine zielen elders, in het blauwe land van hun mystieken droom zweefden.

Pierre begon zich onpasselijk te gevoelen en wilde weggaan, toen een zwak, maar aanhoudend gekreun zijn aandacht trok, en op dezelfde plaats en in dezelfde houding nog zag hij madame Vincent, die de kleine Rose op haar schoot wiegde.

“O, mijnheer de abbé,” fluisterde zij, “zij is nu bijna een uur geleden wakker geworden en van dat oogenblik af heeft zij aan één stuk door gehuild. … En toch heb ik heusch geen vinger bewogen, want ik was zoo blij haar te zien slapen.”

De priester had zich gebukt om naar de kleine, die zelfs geen kracht meer had om haar oogleden op te slaan, te kijken. Het kreunen kwam als de ademhaling zelf uit haar mond, en zij zag zóó bleek, dat hij rilde, want hij voelde den dood komen.

“Lieve God, wat moet ik nu beginnen?” ging de gemartelde moeder, wier krachten uitgeput waren, voort. “Dat kan zoo niet langer, ik kan dat huilen niet meer aanhooren … Als u eens wist wat ik al niet tegen haar gezegd heb: “Mijn schatje, mijn engeltje, mijn lammetje, huil toch niet, wees maar zoet, de Heilige Maagd zal je beter maken!” En zij huilt maar steeds door!”

Zij snikte het uit, dikke tranen vielen op het gezicht van het kind, dat maar niet ophield met kreunen.

“Als het dag was, zou ik allang uit dit vertrek weg zijn, te meer, omdat het kind de anderen hindert ook. Een oude dame is al boos geworden … Maar ik ben bang, dat het te koud voor haar is; en waar zou ik bovendien in den nacht [260]heen moeten?… O, Heilige Maagd, heb toch medelijden met ons!”

Tot tranen toe bewogen, drukte Pierre een kus op de blonde haren van Rose; dan snelde hij, om niet met de smarten-moeder in snikken uit te barsten, weg en ging, als was hij vastbesloten om den dood te overwinnen, regelrecht naar de Rozenkranskerk.

Hij had de Rozenkranskerk reeds bij dag gezien; en dadelijk had hij de kerk leelijk gevonden, die de architect, belemmerd door de tegen de rots stootende ligging, rond en te laag had moeten bouwen, met haar groote, door vierkante zuilen gedragen koepel. Het ergste echter was, dat zij, ondanks den archaïschen Byzantijnschen bouwtrant, ieder religieus karakter miste. Zonder het geheimzinnige en het mystieke leek zij veel op een nieuwe korenhal, die door den koepel en de met ramen voorziene deuren hel verlicht werd. Bovendien was zij nog niet af, de ornamenteele versiering ontbrak nog geheel, groote stukken kale muur, waartegen de altaren gebouwd waren, hadden geen andere versiering dan rozen van gekleurd papier of armzalige geloftegiften; dit alles werkte niet weinig mede om haar te doen gelijken op een groote wachtkamer met een tegelvloer, die, wanneer het regende, nat werd. Het voorloopige hoofdaltaar was van beschilderd hout. Ontelbare rijen banken vulden het schip, banken als uit een armhuis, waarop men ieder uur kon gaan zitten, want dag en nacht bleef de Rozenkranskerk voor de pelgrims open staan. Evenals de Abri was dit een stal, waarin God zijn armen ontving.

Toen Pierre de kerk binnentrad, kreeg hij opnieuw den indruk van een voor iedereen toegankelijke halle. Maar het te schelle daglicht overstroomde nu niet meer de kale wanden; de kaarsen, die altijd door op de altaren brandden, plekten nu als sterren in de vage, onder de gewelven in slaap gevallen duisternis. Te middernacht was er met een buitengewone praal een hoogmis gecelebreerd in de pracht der lichten, der gezangen, der met goud bestikte gewaden en der brandende wierookvaten; van al dezen heerlijken lichtglans was op elk der vijftien altaren niets overgebleven dan de reglementaire, voor het begin van de mis noodige kaarsen. Van af middernacht begonnen de missen, om eerst tegen den middag op te houden. Alleen in de Rozenkranskerk werden er in die twaalf uur een kleine vierhonderd gelezen. Voor geheel Lourdes, dat ongeveer vijftig altaren had, steeg [261]dat aantal gelezen missen tot meer dan tweeduizend per dag. En de toevloed van priesters was zóó groot, dat sommigen slechts met moeite hun plicht vervullen konden en uren lang wachten moesten voor zij een altaar vrij vonden. Pierre was verbaasd, toen hij zag, hoe in dezen nacht de altaren in de halve duisternis als het ware belegerd werden en rijen priesters geduldig hun beurt afwachtten, terwijl de celebreerende geestelijken de Latijnsche zinnen met groote teekenen des kruises afroffelden. De meesten waren zoo uitgeput van moeheid, dat zij op den grond gingen zitten en sommigen, door de inspanning overwonnen, bij elkaar op de treden van het altaar in slaap gevallen waren in de verwachting, dat de koster hen wel zou wekken.

Een oogenblik liep hij besluiteloos rond. Zou hij wachten, zooals de anderen? Maar wat hij zag hield hem terug. Voor alle altaren, bij alle missen, verdrong zich een menigte pelgrims, die haastig met een soort vraatzuchtigen geloofsijver het avondmaal vierden. De hostievazen vulden en ledigden zich onafgebroken, de handen der priesters werden moe van het uitreiken van het brood des levens. Opnieuw werd Pierre met verbazing geslagen, nog nooit had hij een plek op deze aarde zoo met goddelijk bloed besprenkeld gezien, nooit een plek, vanwaar het geloof in zulk een vlucht der zielen omhoog steeg. Het was als een terugkeer naar de heroïsche tijden der Kerk, toen de volkeren onder denzelfden ademtocht van lichtgeloovigheid en in den angst van hun onwetendheid, die zich voor hun geluk geheel aan den Almachtigen God overgaf, neerknielden. Hij had zich acht of negen eeuwen terug kunnen wanen, in de tijden van groote, algemeene vroomheid, toen men het einde der wereld nabij dacht.

Al de eenvoudigen van geest, de geheele schare, die de hoogmis had bijgewoond, was op de banken blijven zitten, voelde zich in Gods huis even behagelijk als in hun eigen. Velen hunner hadden geen onderkomen. Was de kerk niet hun huis, het toevluchtsoord, waar nacht en dag de vertroosting op hen wachtte? Zij, die niet wisten, waar zij moesten slapen, die zelfs in den “Abri” geen plaats hadden kunnen vinden, gingen de Rozenkranskerk binnen en legden zich op een bank neer of strekten zich op den vloer uit. Anderen, die wel een bed hadden, bleven uit vreugde, om een geheelen nacht te kunnen doorbrengen in dit Godshuis vol mooie droomen. [262]

Tot het aanbreken van den dag bleef die opeenhooping, dat pêle-mêle aanhouden: alle rijen banken waren bezet, in alle hoeken lagen achter de pilaren slapenden; mannen, vrouwen en kinderen zaten met hun rug tegen elkaar, terwijl hun hoofd op den schouder van hun buurman viel en hun adem zich in onschuldige rust vermengde; men scheen een plotseling door slaap overweldigde en ter aarde geworpen heilige schare, een toevallig in een nachtverblijf voor dakloozen veranderde kerk te zien, waarvan de deur wijd openstond voor den mooien Augustusnacht en die alle in duisternis wandelenden, de goeden en de slechten, de moeden en de verlorenen binnenkomen liet. Van alle kanten, op ieder altaar, rinkelden zonder ophouden de belletjes ten teeken dat de hostie opgeheven werd; ieder oogenblik stonden uit de menigte slapende groepen geloovigen op, die het avondmaal vieren gingen en zich dan weer voegden bij de kudde zonder naam en zonder herder, die in het halfdonker als in een schaamte-bedekkenden sluier verborgen lag.

Besluiteloos en onrustig bleef Pierre tusschen die groepen doordwalen, toen een oude priester, die op de trappen van een altaar zat, hem wenkte. Twee uur lang zat hij daar reeds te wachten en nu zijn beurt eindelijk kwam, voelde hij zich door zoo’n zwakheid aangegrepen, dat hij uit vrees zijn mis niet te kunnen beëindigen, liever zijn plaats aan een ander afstond. Blijkbaar had de aanblik van den gekwelden, in de donkerte verloren Pierre hem ontroerd. Hij wees hem de sacristie, wachtte nog tot hij terug was met het misgewaad en de kelk, en viel dan op een der nabij staande banken in een diepen slaap. Pierre las toen zijn mis, zooals hij die te Parijs las, als een eerlijk man, die zijn beroepsplicht vervult. Hij bewaarde den uiterlijken schijn van een oprecht geloof. Maar niets ontroerde hem, niets van wat hij meende te kunnen verwachten van de twee dagen, die hij in koortsachtige opwinding doorgebracht had, niets van de vreemde en verbijsterende omgeving, waarin hij sedert den vorigen dag leefde, deed zijn hart smelten. Hij hoopte, dat op het oogenblik der communie, waarin het goddelijke mysterie zich voltrekt, een heftige gemoedsbeweging hem neer zou werpen, dat hij voor den geopenden hemel in het aangezicht voor God, in de genade zou worden ondergedompeld.

Maar niets van dat alles gebeurde, zijn ijskoud hart klopte niet eens luider, hij zeide tot het einde toe de gewone [263]woorden, maakte met de machinale beroepsmatige onberispelijkheid de voorgeschreven bewegingen. Ondanks zijn oprecht pogen kwam hardnekkig steeds weer de gedachte terug, dat de sacristie voor een zoo groot aantal missen toch eigenlijk te klein was. Hoe zouden de kerkbewaarders de gewijde gewaden kunnen leveren? Die gedachte hield zijn geest met dwaze halsstarrigheid vast.

Tot zijn verbazing merkte Pierre eensklaps, dat hij weer buiten was. Opnieuw liep hij in den nacht, een nacht, die hem nog zwarter, nog stiller, nog onmetelijker scheen. De stad was dood; geen enkel lichtje schitterde. Hoorbaar alleen nog was het murmelen van den Gave, dat zijn aan het geluid gewend geraakte ooren echter niet meer hoorden. Daar vlamde plotseling de Grot voor hem op en verlichtte de duisternis met zijn eeuwigen, als liefde onuitbluschbaren gloed. Onbewust was hij erheen gegaan, ongetwijfeld erheen gebracht door de gedachte aan Marie. Het liep tegen drieën, de banken waren zoo goed als leeg, nog slechts een twintigtal menschen waren er, donkere gestalten, onduidelijke groepen van knielenden en in slaap gevallen extatici, die in een goddelijke verdooving geraakt waren. Men kreeg den indruk alsof de nacht, naarmate hij ouder werd, de schaduwen verdicht en de Grot in een droomverte gebracht had. Men was verzwolgen in een heerlijke moeheid, ook het onmetelijke landschap sliep, terwijl de stem der onzichtbare wateren was als de ademhaling zelf van dien slaap, waarin de Heilige Maagd, geheel wit en in een stralenkrans van kaarsen glimlachte. En tusschen die enkele bewustelooze vrouwen lag madame Maze nog steeds met gevouwen handen en gebogen hoofd op haar knieën, zóó klein, dat zij één geworden scheen te zijn met haar vurig gebed.

Dadelijk was Pierre naar Marie gegaan: Hij huiverde en vermoedde, dat zij het bij het naderen van den ochtend koud krijgen zou.

“Marie, sla je doek toch wat meer om! Wil je dan nog meer lijden?”

Hij trok den omslagdoek, die afgegleden was, wat hooger en trachtte dien onder haar kin vast te maken.

“Je hebt het koud, Marie. Je handen zijn als ijs.”

Zij antwoordde niet, zat nog in dezelfde houding als twee uur geleden, toen hij wegging. Met haar ellebogen op de randen van het wagentje leunend, richtte zij zich op, haar verheerlijkt en van hemelsche vreugde stralend gelaat in [264]eenzelfden geestdrift naar de Heilige Maagd toegewend. Haar lippen bewogen, zonder dat er een klank uitkwam. Misschien zette zij een mysterievol gesprek voort in het land der verrukking, in den wakenden droom, dien zij, sedert zij zich daar bevond, had. Hij sprak nog herhaalde malen tegen haar, maar zij antwoordde hem nog steeds niet. Eindelijk prevelde zij uit zichzelf met een stem, die als uit een verre verte klonk:

“O, Pierre, wat ben ik gelukkig! Ik heb haar gezien en haar voor jou gebeden, en zij heeft mij toegelachen en me met een zacht hoofdknikje te kennen gegeven, dat zij mij hoorde en verhoorde … Zij heeft niet tegen mij gesproken, Pierre, maar ik heb begrepen, wat zij mij zeide. Vanmiddag om vier uur, wanneer het Heilige Sacrament voorbij komt, zal ik genezen worden.”

Geschokt hoorde hij haar aan. Had zij met open oogen geslapen? Had zij in haar droom de marmeren Heilige Maagd niet zien knikken en glimlachen? Een rilling doorhuiverde hem bij de gedachte, dat dit reine kind voor hem gebeden had. Hij liep tot aan het hek, viel op zijn knieën en stamelde: “Marie, Marie!” zonder te weten of die hartekreet uitging naar de Heilige Maagd of naar de aangebeden vriendin van zijn jeugd. Dan bleef hij vernietigd liggen in afwachting der genade.

Eindelooze minuten verliepen. Ditmaal was het de bovenmenschelijke poging; het wachten op het wonder, dat hij voor zichzelf was komen zoeken, de plotselinge openbaring, de bliksemstraal, die zijn twijfel vernietigen, hem het geloof der armen van geest teruggeven, hem weer jong maken zou. Hij gaf zich over met zijn geheele ziel, hij zou gewild hebben, dat een onbeperkte kracht zijn wezen vernietigde en herschiep. Maar evenals daareven gedurende zijn mis, hoorde hij in zich niets dan een onbegrensd zwijgen, voelde hij niets dan een bodemlooze leegte. Niets greep in, zijn vertwijfelend hart scheen op te houden met kloppen. En hoe hij ook trachtte te bidden en zijn gedachten tot het uiterste te concentreeren op die machtige, voor de armen zoo goede H. Maagd, zijn geest werd heroverd door de buitenwereld, door nietswaardige bijzonderheden. Aan den anderen kant van het hek in de Grot had hij baron Suire weer gezien, de handen gevouwen op zijn buik, zijn gelukkigen slaap verder slapend. Ook andere dingen trokken zijn aandacht: de bloemruikers aan de voeten der Maagd, de als in een hemelbrievenbus daar neergeworpen brieven, de ragfijne kant van [265]was, die om de vlam der dikke kaarsen bleef staan en deze omgaf als met een rijken goudsmidsarbeid van uitgeslagen zilver. Dan droomde hij, zonder eenig duidelijk verband, weer over zijn kindsheid, kwam de gestalte van zijn broer Guillaume hem zeer duidelijk voor den geest. Sedert den dood van hun moeder had hij hem niet teruggezien. Hij wist alleen, dat hij een zeer afgezonderd leven leidde, zich in het kleine huisje, waarin hij met een huishoudster en twee honden woonde, geheel aan zijn studie wijdend; en hij zou niets meer van hem geweten hebben, als hij niet onlangs in verband met een revolutionairen aanslag zijn naam in de couranten gelezen had. Men zeide, dat hij zich in het bijzonder interesseerde voor ontplofbare stoffen en dat hij omging met de leiders van de meest vooruitstrevende partijen.

Waarom dacht hij nu aan hem in dit oord van extase, te midden van het mystieke licht der kaarsen, en nog wel zooals hij hem vroeger gekend had als goed broeder, die zich liefdevol verzette tegen alle lijden? Vol smartelijk verdriet over die verloren broederliefde, kon hij een oogenblik dat beeld niet van zich afzetten. Dan kwam hij, wederom zonder eenigen overgang, opnieuw tot zichzelf terug: hij begreep, dat hij daar uren lang zou kunnen blijven liggen zonder dat het geloof terugkwam. Toch voelde hij een laatste hoop in zich levend worden, de gedachte, dat hij ongetwijfeld zou gelooven, wanneer de Heilige Maagd het groote wonder deed om Marie te genezen. Het was als een laatste uitstel, dat hij zichzelf gaf, een afspraak, die hij maakte met het geloof dienzelfden dag om vier uur, wanneer het Heilige Sacrament zou voorbijgedragen worden, zooals zij gezegd had. Onmiddellijk hield zijn angst op; door uitputting gebroken en door een onoverwinlijke slaperigheid overmeesterd, bleef hij echter op zijn knieën liggen.

De uren verliepen, de Grot bleef nog steeds haar glans van een chapelle ardente in de duisternis uitstralen, waarvan de weerkaatsing zelfs de gevels der kloosters op de naburige heuvels nog wit kleurde. Maar Pierre zag haar langzamerhand verbleeken; verwonderd en met een koude rilling werd hij wakker: de dag brak aan in een met groote, loodkleurige wolken bedekten hemel. Hij begreep dadelijk, dat een van die in de berglanden zoo plotseling optredende onweersbuien uit het Zuiden opkwam. Reeds rommelde verre donder, terwijl windvlagen de wegen veegden. Misschien had hij ook geslapen, want hij zag baron Suire niet meer, dien hij zich niet [266]herinneren kon weg te hebben zien gaan. Er waren nog hoogstens tien personen voor de Grot, onder wie hij madame Maze met het hoofd tusschen haar handen nog herkende. Maar toen zij merkte, dat het dag was en men haar zag, stond zij op en verdween langs het smalle voetpad, dat naar het klooster der Blauwe Zusters leidde.

Ongerust, ging Pierre tegen Marie zeggen, dat zij niet langer moest blijven, als zij niet de kans wilde loopen doornat te worden.

“Ik zal je naar het Hôpital terugbrengen.”

Zij weigerde en smeekte:

“Neen, neen, ik wacht op de mis, ik heb beloofd hier het avondmaal te vieren … Maak je niet bezorgd over mij en ga naar je hotel om te slapen. Je weet heel goed, dat gesloten wagens de zieken komen halen, als het regent.”

Zij bleef halsstarrig volhouden, terwijl hij verzekerde, dat hij niet naar bed wilde gaan. Inderdaad werd ’s ochtends heel vroeg een mis gelezen in de Grot en het was voor de pelgrims een groote vreugde daar na een langen nacht van zalige verrukking in de glorie van de opgaande zon het avondmaal te kunnen vieren. Juist toen er dikke droppels begonnen te vallen, kwam een priester in kazuifel, vergezeld door twee misdienaars, waarvan een, om de miskelk te beschermen, een witzijden, met goud geborduurde parapluie boven den geestelijke hield.

Pierre, die het wagentje tegen het hek gereden had, om Marie onder het afdak van de rots, waarheen ook de weinige andere aanwezigen gevlucht waren, tegen den regen te beschermen, had juist gezien hoe het jonge meisje de hostie met een gloeiende geestdrift ontving, toen zijn aandacht getrokken werd door een jammervol schouwspel, dat zijn hart verscheurde.

In den zondvloedachtigen regen, die nu in dichte en dikke droppels neerkletterde, had hij madame Vincent gezien, die op haar uitgestrekte armen de kleine Rose, wier dierbare, smartelijke last zij nog steeds droeg, aan de Heilige Maagd voorhield. Toen zij niet in den Abri, waar over het voortdurende huilen en kreunen van het kindje geklaagd was, had kunnen blijven, had zij meer dan twee uur lang wanhopig en half waanzinnig met dit jammervolle vleesch van haar vleesch, dat zij, zonder het wezenlijk verlichting te kunnen schenken, tegen haar borst drukte, in de donkerte rondgezworven. Zij wist niet welken weg zij gevolgd, onder [267]welke boomen zij gedwaald had; haar geheele wezen was in opstand tegen het onrechtvaardige lijden, dat een zoo zwak, zoo rein wezentje, dat nog niet gezondigd kon hebben, zoo hardvochtig trof. Was het geen schande, dat die tangen der ziekte nu al weken lang zonder ophouden dat arme wichtje, wier lijden zij niet kon verzachten, knepen en martelden. Zij droeg het, zij wiegde het onophoudelijk heen en weer, liep er als een razende mee over de wegen in de halsstarrige hoop, dat zij het eindelijk in slaap krijgen, eindelijk dat gekreun, dat haar hart als in stukken reet, zou doen bedaren. En plotseling was zij nu, uitgeput en zelf in doodsstrijd over den doodsstrijd van haar kindje, terechtgekomen voor de Grot aan de voeten der Heilige Maagd, die wonderen wrocht en vergaf en genas.

“O, Heilige Maagd, wonderbare Moeder, genees haar!… O, Heilige Maagd, Moeder der goddelijke genade, genees haar!”

Zij was op haar knieën gevallen, strekte nog altijd haar stervend kind uit op haar bevende armen in een extatische hoop, die haar geheel doortrilde. De regen, dien zij niet op haar hielen voelde, kletterde achter haar neer als een overstroomende bergrivier, terwijl hevige donderslagen de bergen dreunen deden. Een oogenblik dacht zij, dat zij verhoord was: Rose had een lichten schok gehad, alsof zij door den aartsengel bezocht was. Haar oogjes en haar mondje stonden open, haar gezichtje was doodsbleek; zij had nog even zwakjes adem gehaald; zij huilde niet meer.

“O, Heilige Maagd, Moeder van den Verlosser, genees haar!… O Maagd, almachtige Moeder, genees haar …”

Maar zij voelde, dat haar kindje op haar uitgestrekte armen nog lichter geworden was. En nu schrok zij, maakte zij zich angstig het niet meer te kunnen hooren kreunen, het zoo bleek te zien met haar open oogjes en haar open mondje, zonder adem te halen. Waarom glimlachte het niet, als het genezen was? Plotseling een luide, hartverscheurende gil, de gil van de moeder, die den donder in het steeds zwaarder wordende onweer overschreeuwde. Haar kindje was dood. Zij ging rechtop staan en keerde haar rug naar die doove Maagd, die de kinderen sterven liet. Dan vloog zij weer weg in den neerkletterenden slagregen, niet wetend waarheen, nog steeds het arme kleine lichaampje, dat zij al zooveel dagen en zooveel nachten gedragen had, op haar armen wiegende. De bliksem sloeg in en spleet als met een reusachtigen bijlslag een der vlak bij staande boomen met [268]een luid gekraak van versplinterde en gebroken takken.

Pierre was madame Vincent nagevlogen om haar te steunen en te troosten. Maar hij kon haar niet volgen, verloor haar dadelijk achter het donkere regengordijn uit het gezicht. Toen hij terugkwam, was de mis bijna geëindigd; de regen viel minder dicht; ten slotte kon de geestelijke onder de witzijden, met goud geborduurde parapluie vertrekken, terwijl een soort omnibus op de enkele zieken stond te wachten, om ze naar het Hôpital terug te brengen.

Marie drukte de twee handen van Pierre.

“O, wat ben ik gelukkig!… Kom me niet halen voor drie uur vanmiddag.”

Alleen gebleven in den regen, die, fijner nu, vallen bleef, ging Pierre de Grot binnen en op de bank dicht bij de bron zitten. Hij wilde niet naar bed gaan, want in de zenuwoverspanning, waarin hij sedert den vorigen dag verkeerde, was hij ondanks zijn groote moeheid bang voor den slaap. De dood der kleine Rose had hem in een nog koortsachtiger toestand gebracht; hij kon de gedachte van die gemartelde moeder, die met het lijk van haar kindje over de modderige wegen rondzwierf, niet van zich afzetten. Welke waren toch de redenen, die de Heilige Maagd tot een besluit brachten? Het bevreemdde hem, waarom zij een keus kon doen, hij zou willen weten hoe haar hart als Godsmoeder er toe besluiten kon slechts tien zieken op de honderd te genezen, die tien procent wonderen, waarvan dr. Bonamy de statistiek opgemaakt had. Reeds den vorigen avond had hij zich afgevraagd welke hij uitverkoren zou hebben, als hij de macht had er tien te redden. Een vreeselijke macht, een afschuwlijke keuze, waartoe hij niet den moed gehad zou hebben. Waarom deze, waarom gene niet? Waar was de rechtvaardigheid? Waar de goedheid? Rees niet uit de harten de kreet op de oneindige macht te willen zijn en hun allen te genezen? En de Heilige Maagd scheen hem wreed toe, slecht onderricht, even hardvochtig en onverschillig als de gevoellooze natuur, die het leven en den dood verdeelt op goed geluk af, volgens wetten, die de mensch niet kent.

De regen hield op. Pierre zat daar al twee uur, toen hij pas voelde, dat zijn voeten nat waren. Hij keek op en zag tot zijn groote verbazing, dat de bron door het traliewerk der luiken stroomde. Reeds stond de bodem van de Grot onder water, dat onder de banken stond en tot aan de borstwering van den Gave liep. De laatste onweersbuien hadden [269]de bronnen in den omtrek doen zwellen. En hij bedacht, dat die bron, hoe wonderdadig zij ook zijn mocht, aan de wetten van andere bronnen onderworpen was, want zij stond ongetwijfeld in verbinding met natuurlijke reservoirs, waarin het regenwater doordrong en zich ophoopte. En hij ging weg, om niet tot zijn enkels toe nat te worden.

[Inhoud]

V.

Pierre liep voort; hij had behoefte aan frissche lucht, zijn hoofd was zoo zwaar, dat hij zijn hoed afgezet had, om zijn brandend voorhoofd af te koelen. Ondanks zijn moeheid van dezen verschrikkelijken, in waken doorgebrachten nacht, dacht hij aan geen slaap; hij werd staande gehouden door het verzet en den opstand van zijn geheele wezen, dat niet tot kalmte kwam. Het sloeg acht uur en hij liep op goed geluk af in de heerlijk stralende ochtendzon, die schitterde in een wolkenloozen hemel, welken het onweer van het stof van den Zondag schoon gewasschen scheen te hebben.

Maar plotseling keek hij op, om te zien, waar hij was, en tot zijn verbazing merkte hij, dat hij een heel eind geloopen had en zich beneden het station dicht bij het gemeenteziekenhuis bevond. Bij een tweesprong aarzelde hij welken weg hij in zou slaan, toen een hand vriendschappelijk op zijn schouder gelegd werd.

“Waar moet jij op dit uur naar toe?”

Het was dr. Chassaigne, geheel in het zwart gekleed en zijn gestalte hoog oprichtend.

“Ben je verdwaald? Wil ik je den weg wijzen?”

“Neen, dank u!” antwoordde Pierre eenigszins verward. “Ik heb met de jonge zieke, die mij zoo na aan het hart ligt, den nacht in de Grot doorgebracht, en ik voel mij nu innerlijk zoo opgewonden en van streek, dat ik wat ben gaan wandelen om weer wat kalmer te worden voor ik in mijn hotel nog wat slapen ga.”

De dokter bleef hem aankijken en las heel duidelijk in hem zijn verschrikkelijken strijd, zijn wanhoop, niet te kunnen gelooven, al het smartelijke lijden om zijn nuttelooze poging.

“Arme jongen!” prevelde hij.

En dan op vaderlijken toon:

“Nu je toch aan het wandelen bent, vindt je het zeker wel goed, dat we samen een wandeling maken! Ik kwam juist [270]van dezen kant, langs den Gave. Ga mee, dan zal je op den terugweg eens zien, hoe mooi de horizont is.”

Iederen ochtend wandelde hij, steeds alleen, twee uur, om zijn verdriet wat te verzetten. Eerst ging hij onmiddellijk nadat hij opgestaan was, op het kerkhof neerknielen op het graf van zijn vrouw en van zijn dochter, dat hij in alle jaargetijden met bloemen versierde. Dan liep hij de wegen af, nam zijn tranen mede en ging niet naar huis om te dejeuneeren voor hij zoo moe was, dat hij niet meer loopen kon.

Pierre had met een gebaar toegestemd. Naast elkaar liepen zij nu, zonder een woord te zeggen, den hellenden weg af. Dien ochtend scheen de dokter meer terneergeslagen dan gewoonlijk, alsof het gesprek met zijn lieve dooden zijn hart nog meer had doen bloeden. Het was of de adelaarsneus in zijn bleek, door witte haren omraamd gelaat gezakt was, terwijl tranen zijne oogen vochtig maakten. En het was zoo heerlijk, zoo zacht in de volle zon op dien prachtigen ochtend! Nu volgde de weg den loop van den Gave op den rechteroever aan de overzijde van de nieuwe stad. Ze zagen de tuinen, de hellingen, de Basilica. Dan vertoonde zich tegenover hen de Grot met haar eeuwigen gloed van kaarsen, die door het volle daglicht verbleekt werd.

Dr. Chassaigne had opgekeken en maakte het teeken des kruises. Eerst begreep Pierre het niet. Maar toen hij op zijn beurt de Grot gezien had, keek hij verbaasd zijn ouden vriend aan en kwam dezelfde verwondering weer in hem op over dezen man van wetenschap, dezen godloochenaar en materialist, dien de smart verpletterd had en die nu geloofde en in de vreugdevolle verwachting leefde in een ander leven zijn lieve, zoo beweende dooden terug te zien. Het hart had het verstand overwonnen; de oude, alleen gebleven man leefde nog slechts van de illusie om te herleven in het paradijs, waar men elkaar terugvindt. En de gedruktheid van den jongen priester werd er des te grooter door. Moest hij dan wachten tot hij oud geworden was en een dergelijke smart ondervonden had, voor hij eindelijk een toevlucht in het geloof zou vinden.

Zij bleven doorloopen en verwijderden zich langs den Gave steeds verder van de stad. Zij werden door die heldere, tusschen met boomen beplante oevers over kiezelsteentjes voortkabbelende golfjes als het ware gewiegd. Steeds nog zwegen zij, ieder verzonken in zijn eigen leed.

Dan vroeg Pierre plotseling: [271]

“En Bernadette, hebt u Bernadette gekend?”

De dokter keek op.

“Bernadette … Ja, ik heb haar eens gezien, in later tijd.”

Een oogenblik viel hij in zijn zwijgen terug, dan begon hij:

“Begrijp me nu eens goed, jongen. In 1858, in den tijd der verschijningen, was ik als jong dokter van dertig jaar een vijand van al het bovennatuurlijke en dacht er nauwlijks aan naar mijn bergen terug te keeren, om naar een vrouw, die visioenen had, te gaan kijken … Maar vijf of zes jaar later, omstreeks 1864, was ik hier in de buurt en heb toen uit nieuwsgierigheid een bezoek gebracht aan Bernadette, die toen nog bij de Blauwe Zusters was.”

Pierre herinnerde zich, dat zijn wensch om zijn enquête over Lourdes te voltooien, een der redenen van zijn reis naar Lourdes was. En wie wist of de genade hem niet ten deel zou vallen door dat nederige en aanbiddelijke meisje, zoodra hij overtuigd zou zijn van de zending van goddelijke vergiffenis, die zij op aarde vervuld had. Misschien zou het voldoende zijn haar beter te leeren kennen, om de zekerheid te erlangen, dat zij inderdaad de heilige en de uitverkorene was.

“Vertel mij alles wat u van haar weet,” verzocht hij dringend.

Een flauw glimlachje speelde om de lippen van den dokter. Hij begreep, wilde deze door twijfel getroffen priesterziel zoo gaarne tot kalmte brengen.

“Graag, arme jongen! Ik zou het zoo heerlijk vinden als ik er wat toe bijdragen kon, om het licht in je te doen worden … Je hebt gelijk, dat je Bernadette lief hebt, dat kan je redden; want ik heb sedert die gebeurtenissen, die nu reeds zoo ver achter ons schijnen te liggen, nagedacht en ik moet je eerlijk zeggen, dat ik nooit een zoo goed en zoo bekoorlijk wezen ontmoet heb.”

Op den langzamen rhythmus van hun pas, op den mooien, bezonden weg en in den heerlijken ochtend vertelde de dokter hem van zijn bezoek aan Bernadette in 1864. Zij was toen juist twintig jaar, zes jaar vroeger was de Heilige Maagd aan haar verschenen. Zij verbaasde hem door haar eenvoudige manieren, door haar groote bescheidenheid. De zusters van Nevers, die haar hadden leeren lezen, hielden haar bij zich in het ziekenhuis, om haar tegen de publieke nieuwsgierigheid te beschermen. Zij had daar haar bezigheden en hielp de zusters in minderwaardige werkjes, maar zij was zóó dikwijls ziek, dat zij weken achtereen het bed moest houden. Vooral was de dokter getroffen door haar prachtige, [272]onschuldige, vrijmoedige, kinderlijk-reine oogen. Het verder gedeelte van haar gezicht was reeds oud, haar tint vaal, haar trekken grof; als men haar zag, leek zij precies een eenvoudig dienstmeisje, klein, mager en slap. Haar vroomheid was groot gebleven, maar zij had niet dat extatische, dat dwepende, dat men bij haar vermoed zou hebben; integendeel, zij had een meer positieven geest zonder vluchten in het onzienlijke; bijna altijd was zij met het een of ander brei- of borduurwerkje bezig. In één woord het was een doodgewoon schepseltje en geleek in geen enkel opzicht op de groote, hartstochtelijke aanbidsters van Christus. Nooit had zij meer een visioen gehad en nooit sprak zij uit zichzelf over de achttien verschijningen, die over haar leven beslist hadden. Men moest er haar naar vragen. Dan antwoordde zij kort en trachtte weer zoo gauw mogelijk het gesprek af te breken, daar zij niet graag over die dingen sprak. Wanneer men verder aandrong en haar naar den aard van de drie geheimen vroeg, die haar door God toevertrouwd waren, zweeg zij en wendde haar oogen af. Het was onmogelijk haar met zichzelf in tegenspraak te brengen, steeds bleven de bijzonderheden, die zij gaf, gelijk aan haar eerste lezing, ja zij scheen dezelfde woorden met dezelfde stembuigingen precies te herhalen.

“Ik heb haar een geheelen middag onder handen genomen,” ging de dokter voort, “maar nooit is zij ook maar een lettergreep afgeweken. Het was verbijsterend, om uit je vel te springen … Ik zweer je, dat zij niet loog, dat zij nooit gelogen heeft, omdat zij niet liegen kon.”

Pierre waagde het de opmerking te maken:

“Maar gelooft u niet aan een wilsziekte, dokter? Staat het niet vast, dat sommige gedegenereerden en speciaal jonge meisjes, die een droom, een hallucinatie of het een of ander iets, dat op haar phantasie werkt, gehad hebben, zich daarvan niet kunnen losmaken, vooral wanneer zij in het milieu, waarin de verschijnselen zich voorgedaan hebben, blijven? De in een klooster opgesloten, de alleen in haar idée fixe levende Bernadette, bleef er natuurlijk hardnekkig aan vasthouden.”

Weer speelde het flauwe glimlachje om de lippen van den dokter, en met een groot, onbestemd gebaar zeide hij:

“Nou vraag je me te veel, jongen! Je weet, dat ik maar een arme oude kerel ben, die heel weinig trotsch is op zijn wetenschap en geen pretentie meer heeft om iets te verklaren … [273]O zeker, ik ken dat beroemde voorbeeld van een jong meisje, dat zich bij haar ouders zou hebben laten verhongeren, daar zij zich verbeeldde een maagziekte te hebben, maar dat, zoodra men haar in een andere omgeving gebracht had, begon te eten. Maar wat zal ik je zeggen? Dat is maar één feit en er zijn er zoo vele, die ermede in tegenspraak zijn!”

Een oogenblik zwegen zij. Op den weg hoorde men niets dan den regelmatigen rhythmus van hun stappen. Dan ging de dokter voort:

“Overigens is het volkomen waar, dat Bernadette de wereld meed, dat zij zich slechts gelukkig gevoelde in een klein eenzaam hoekje. Nooit heeft zij, voor zoover men weet, een vertrouwde vriendin of iemand, voor wie zij een bijzondere toegenegenheid koesterde, gehad. Zij was jegens allen even zacht en vriendelijk, alleen voelde zij zich bijzonder aangetrokken tot kinderen … En daar ondanks alles de dokter in mij niet heelemaal gestorven is, wil ik je heel graag bekennen, dat ik mij dikwijls met eenige ongerustheid heb afgevraagd, of zij ook geestelijk een maagd gebleven is, zooals zij zeker lichamelijk een maagd geweest is. Het is zeer goed mogelijk, want bedenk, dat zij steeds hartstochtloos en zwak geweest is, dikwijls weken achtereen te bed lag, zonder nog te spreken van de onschuldige omgeving, waarin zij eerst te Bartrès en later in het klooster opgegroeid is. Toch is er een twijfel in mij opgekomen, toen ik hoorde hoeveel belang zij stelde in het door de zusters van Nevers op den weg, dien we nu loopen, gebouwde Weeshuis. Men neemt daarin de arme kleine meisjes op, om ze te beschermen tegen het kwaad, dat zij op straat leeren. Maar dat zij er op stond, dat het zoo groot mogelijk werd, zoodat het alle schapen, die in gevaar waren, kon bevatten, zou dat niet het gevolg kunnen zijn van het feit, dat zij zich herinnerde zelf blootvoets rondgezworven te hebben en nog rilde bij de gedachte wat er van haar had kunnen worden zonder de hulp der Heilige Maagd?”

Hij vertelde verder van de menigten, die samenstroomden om Bernadette te zien en te vereeren. Dat was voor haar altijd een vreeselijk inspannend iets. Geen dag ging er voorbij, zonder dat er een groote menigte bezoekers kwam. Uit alle streken van Frankrijk, uit het buitenland zelfs stroomden zij samen, zoodat men ten slotte de nieuwsgierigen van haar verwijderd moest houden en alleen de ware geloovigen, de geestelijken, de voornamen, die men niet aan de deur afschepen [274]kon, bij haar toeliet. Steeds was er een non aanwezig, om haar van al te groote indiscreties te vrijwaren, want het regende vragen en men putte haar kracht uit door haar steeds weer haar verhaal te laten opzeggen. Dames uit de hoogste kringen wierpen zich aan haar voeten, kusten haar kleed, zouden een stuk ervan als een reliquie hebben willen medenemen. Zij moest haar rozenkrans verdedigen, die allen, in haar extase, haar smeekten te verkoopen, voor zeer hoogen prijs. Een markiezin trachtte haar over te halen door haar een anderen te geven, dien zij medegebracht had, een met een gouden kruis en waarvan de kralen uit fijne paarlen bestonden. Velen hoopten, dat zij in haar tegenwoordigheid een wonder zou doen; men bracht haar kinderen om ze aan te raken, men vroeg haar raad omtrent ziekten, men trachtte haar invloed, dien zij ongetwijfeld op de Heilige Maagd hebben moest, te koopen. Groote sommen werden haar aangeboden; men zou haar, op het geringste teeken van haar, dat zij een koningin wilde zijn, opgesmukt met edelgesteenten en met een gouden kroon gekroond, met koninklijke geschenken overladen hebben. De kleine luiden bleven geknield op den drempel liggen, de grooten der aarde verdrongen zich om haar heen en zouden er een eer in gesteld hebben haar als eere-geleide te mogen dienen. Zelfs werd er verteld, dat een van hen, een mooi en rijke vorst, haar op een mooien, zonnigen Aprildag ten huwelijk was komen vragen.

“Maar,” viel Pierre hem in de rede, “wat mij altijd bevreemd en onaangenaam aangedaan heeft, is, dat zij op haar twee-en-twintigste jaar uit Lourdes is vertrokken, die plotselinge verdwijning, dat zich opsluiten in het klooster van den Heiligen Gildard te Nevers, waar zij nooit meer uitgekomen is … Gaf dat geen voedsel aan de valsche geruchten, dat zij krankzinnig was? Geeft men daardoor geen vat aan het vermoeden, dat men haar deed verdwijnen uit vrees voor een indiscretie harerzijds, van een onbedachtzaam woord, dat het geheim van een lang bedrog zou verraden hebben? En om het ruwe woord maar te gebruiken, ik wil u eerlijk bekennen, dat ook ik geloof, dat men haar geëscamoteerd2 heeft.”

De dokter schudde zijn hoofd.

“Neen, neen, beste jongen, in deze heele aangelegenheid is geen sprake van een van te voren in de duisternis voorbereid [275]melodrama, dat daarna door min of meer ingewijde acteurs gespeeld zou zijn. De dingen hebben zich uit zichzelf door de kracht der feiten ontwikkeld; wel zijn ze altijd zeer verward en moeilijk te ontleden geweest … Zoo is het bijvoorbeeld zeker, dat Bernadette zelf het eerst den wensch uitgesproken heeft Lourdes te verlaten. De voortdurende bezoeken vermoeiden haar; zij voelde zich niet op haar gemak te midden van die lawaaierige vereeringen. Zij verlangde slechts een eenzaam hoekje, waarin zij in vrede kon leven, en in haar onbaatzuchtigheid dreef zij haar menschenschuwheid dikwijls zoover, dat zij het geld, dat men haar voor het een of ander vroom doel, een mis te laten lezen of een kaars te laten branden, gaf, wegwierp. Nooit nam zij iets voor zichzelf aan, noch voor haar familie, die altijd even arm gebleven is. Bij zoo’n fierheid en bij zulk een natuurlijken eenvoud is het heel goed te begrijpen, dat zij verlangde de wereld te verlaten, zich af te zonderen, om zich op een goeden dood voor te bereiden … Haar werk was afgeloopen: zij had die wonderlijke beweging aan den gang gebracht, zonder zelf eigenlijk te weten waarom en hoe. Zij was nu niet noodig meer, anderen leidden de zaken en verzekerden den triomf der Grot.”

“Laten we aannemen, dat zij uit eigen beweging gegaan is,” zeide Pierre. “Maar wat een verlichting voor degenen, over wie u het zooeven hadt, voor hen, die van dat oogenblik, over den regen van millioenen, die uit de geheele wereld begon te vallen, heer en meester geweest zijn.”

“O, ik beweer volstrekt niet, dat men haar tegengehouden heeft,” riep de dokter uit. “Eerlijk gezegd, geloof ik, dat men er haar wel toe aangespoord zal hebben. Zij begon ten slotte lastig te worden; niet, dat men bang was voor vertrouwelijke mededeelingen harerzijds, maar zij was geen decoratieve figuur, schuw tot in het overdrevene en heel dikwijls bedlegerig. En bovendien, hoe weinig plaats zij ook te Lourdes innam, hoe meegaande zij ook altijd was, zij was en bleef een macht; zij trok de menigte en was daardoor in zekeren zin een concurrente van de Grot. Voor den roem van de Grot was het gewenscht, dat Bernadette op den achtergrond kwam en niet veel meer dan een legende werd … Dat waren ongetwijfeld de redenen, die den bisschop van Tarbes, Mgr. Laurence, er toe brachten het vertrek te verhaasten. Men beging daarbij echter de fout te beweren, dat het de bedoeling was haar aan wereldsche verleidingen te onttrekken, [276]alsof men bang had moeten zijn, dat zij de zonde van hoogmoed had kunnen begaan door zich over te geven aan de ijdelheid en behagen te scheppen in den roep van heiligheid, waarvan de geheele Christenheid weerklonk. Daarmede deed men haar een groot onrecht aan, want zij was niet tot hoogmoed in staat, evenmin als tot een leugen: nooit heeft er een eenvoudiger, meer bescheiden kind geleefd.”

Hij wond zich op en geraakte in geestdrift. Doch dan werd hij plotseling weer kalm en speelde het flauwe glimlachje weer om zijn lippen.

“Het is zoo, ik houd van haar; hoe meer ik aan haar dacht, des te meer ben ik van haar gaan houden … Maar nu moet je niet denken, Pierre, dat het geloof mij heelemaal ongevoelig gemaakt heeft. Al twijfel ik tegenwoordig niet meer aan een hiernamaals, al voel ik de behoefte en den drang in mij om aan een ander, beter en rechtvaardiger leven te gelooven, toch weet ik heel goed, dat hier op aarde de menschen er ook nog zijn; en of zij nu een pij of een soutane dragen, hun leven is dikwijls afschuwlijk moeilijk.”

Weer volgde er een stilte. Dan ging hij voort:

“Ik wil je iets vertellen, dat mij maar niet los wil laten … Neem aan, dat Bernadette niet dat eenvoudige, menschenschuwe kind was, dat zij een intrigante en heerschzuchtig was, maak van haar een veroveraarster en een leidster van volkeren; en tracht je dan voor te stellen wat er in dat geval gebeurd zou zijn … Ongetwijfeld zouden de Grot en de Basilica dan aan haar toebehooren. Wij zouden haar bij de ceremoniën met een gouden mijter onder een baldakijn zien tronen. Zij zou de wonderen uitdeelen, haar kleine hand met een gebaar als van een souvereine de scharen naar den hemel leiden. Zij zou stralen als de Heilige, als de uitverkorene, als de eenige, die de godheid van aangezicht tot aangezicht gezien heeft. En per slot van rekening zou dat niet meer dan billijk zijn; zij zou dan het succes kennen, na de moeite doorstaan te hebben, en genieten van haar werk … Terwijl zij nu om den tuin geleid en beroofd van alles is. De wonderbare oogsten, die zij gezaaid heeft, werden door anderen binnengehaald. Gedurende de twaalf jaar, die zij, neergeknield in het duister, in het klooster van den H. Gildard geleefd heeft, waren er hier triompheerende, in gouden gewaden gekleede priesters, die dankgebeden zongen en kerken en gedenkteekenen, gebouwd met millioenen, zegenden. Zij alleen heeft ontbroken bij den triomf van het [277]nieuwe geloof, welks stichtster zij was … Je zult zeggen, dat zij slechts gedroomd heeft. Maar wat een mooie droom dan toch, die een heele wereld in rep en roer gebracht heeft, maar waaruit zij, het lieve kind, nooit ontwaakt is!”

Zij bleven staan en gingen, alsvorens naar de stad terug te keeren, een oogenblik op een rots zitten. Voor hen stuwde de op dit punt vrij diepe Gave zijn blauwe, donker gevlamde golfjes voort, terwijl hij verder op breed over een bed van groote kiezelsteenen stroomde en niet veel meer was dan wit schuim, licht als sneeuw. Een frissche lucht streek in den gouden regen der zon van de bergen.

Het hooren van dit verhaal van Bernadette’s exploitatie en vernedering had een nieuw verzet in Pierre wakker geroepen; naar den grond starend dacht hij na over de onrechtvaardige natuur, over de wet, die wil, dat de sterke den zwakke verscheurt.

Dan keek hij weer op.

“Abbé Peyramale hebt u zeker ook wel gekend?”

Er kwam een glans in de oogen van den dokter. Opgewekt klonk zijn antwoord:

“Waarachtig, een rechtschapen en eerlijke kerel, een heilige, een apostel! Met Bernadette is hij de groote man van Notre-Dame de Lourdes geweest. Evenals zij heeft hij er vreeselijk door geleden; evenals zij is hij eraan gestorven. Men weet niets en begrijpt niets van het drama, dat zich hier afgespeeld heeft, als men die geschiedenis niet kent.”

Uitvoerig vertelde hij haar nu. Ten tijde der verschijningen was abbé Peyramale pastoor te Lourdes. Het was een groote, breedgeschouderde man met een breeden leeuwenkop, een echte zoon van het land met een helder verstand, eerlijk en oprecht, maar soms wat opvliegend en heerschzuchtig. Hij scheen als geschapen om te strijden, was een vijand van alle overdreven kwezelarij en vervulde zijn ambt met een breeden blik. In den beginne stond hij dan ook eenigszins wantrouwend tegenover de verhalen van Bernadette, weigerde hij ze te gelooven, ondervroeg haar, eischte bewijzen. Eerst later, toen de wind des geloofs onweerstaanbaar werd, de meest weerspannigen tegen den grond wierp en de menigten met zich meesleepte, boog ook hij zich; voornamelijk toch was het zijn liefde voor de armen en verdrukten, die in opstand kwam, toen hij zag, dat men dreigde Bernadette gevangen te zetten: de burgerlijke autoriteiten vervolgden een van zijn schapen, zijn herderlijk hart ontwaakte, met al [278]zijn vurigen hartstocht van rechtvaardigheid en gerechtigheid begon hij haar te verdedigen. Bovendien had ook de bekoring van het kind haar uitwerking op hem niet gemist, hij voelde, dat zij zoo oprecht en waarheidlievend was, dat hij blindelings in haar begon te gelooven, haar lief te hebben, zooals iedereen haar liefhad. Waarom het wonder, dat toch overal in de Heilige Boeken voorkomt, hier niet aan te nemen? Hoe verstandig en voorzichtig hij ook mocht zijn, het stond niet aan een dienaar van den godsdienst den vrijgeest uit te hangen, terwijl geheele volkeren zich op hun knieën wierpen en de Kerk aan den vooravond van een nieuwen en grooten triomf scheen te staan. Ongerekend nog, dat de menschenleider, die in hem was, de man van groote plannen en de bouwer eindelijk zijn weg gevonden had, het groote veld, waarop hij zou kunnen handelen, de groote taak, waaraan hij zich met zijn onstuimigen geestdrift en zijn behoefte om te overwinnen geheel geven kon.

Van dat oogenblik af had abbé Peyramale nog slechts één gedachte: de bevelen, die de Heilige Maagd Bernadette opgedragen had aan hem over te brengen, uit te voeren. Hij hield het toezicht op de inrichting der Grot; een hek werd geplaatst, het water der bron gekanaliseerd, aardwerken uitgevoerd om de toegangen vrij te maken. Maar voor alles had de Heilige Maagd geëischt, dat er een kapel gebouwd zou worden; en hij wilde een kerk, een triomphantelijke basilica. Hij zag ver in de toekomst, liet de architecten niet met rust, eischte van hen paleizen, die de Koningin des hemels waardig waren; en dat alles deed hij in een oprecht vertrouwen op de geestdriftige hulp van de geheele Christenheid. Trouwens de giften stroomden toe, het regende goud uit de verst verwijderde parochiën, een gouden regen, die steeds dichter vallen zou en nooit ophouden. Dat waren zijn gelukkige jaren: steeds kon men hem vinden onder de werklieden, die hij met een vriendelijk lachje tot spoed aanzette, altijd bereid om zelf het houweel en den troffel ter hand te nemen in zijn haast om zijn droom verwezenlijkt te zien. Maar weldra kwam de tijd der beproeving: hij werd ziek, en toen den 4den April 1864 de eerste processie uit zijn parochiekerk zich naar de Grot begaf, een processie van zestigduizend pelgrims, die zich tusschen een ontzaglijke menigte voortbewoog, verkeerde hij in doodsgevaar.

Den dag, dat abbé Peyramale, voor de eerste maal van den dood gered, weer van zijn ziekbed opstond, was hij [279]afgezet. Reeds had de bisschop, Mgr. Laurence, hem, om zijn zware taak wat te verlichten, een hulp gegeven, een van zijn vroegere secretarissen, pater Sempé, dien hij tot rector van de missionarissen van Garaison, een door hem gestichte inrichting, benoemd had. Pater Sempé was een klein, mager mannetje, oogenschijnlijk onbaatzuchtig en buitengewoon nederig, maar innerlijk vol eerzucht. In den beginne had hij zich bij zijn taak gehouden, den pastoor van Lourdes als een trouw ondergeschikte geholpen, zich bemoeid met alles, waarin hij hem helpen kon, zich op de hoogte gesteld van alles, met de heimelijke bedoeling zich onmisbaar te maken. Onmiddellijk had hij begrepen, welk een prachtige belegging de Grot zou worden, welke rijke inkomsten men er met eenige handigheid uit zou kunnen trekken. Hij verliet het bisschoppelijk paleis niet meer, had den bisschop, een zeer materialistisch, practisch man, die veel geld noodig had, voor zich gewonnen. Op die wijze slaagde hij erin, toen abbé Peyramale ziek werd, het geheele domein der Grot, met het bestuur waarvan hij belast werd, aan het hoofd van enkele paters der Onbevlekte Ontvangenis, tot wier overste de bisschop hem benoemde, voor goed af te scheiden van de parochie te Lourdes.

Weldra begon de strijd, een van die verbitterde gevechten op leven en dood, zooals zij onder de geestelijke discipline zoo dikwijls voorkomen. Een reden tot een breuk bestond, een slagveld, waarop men spoedig met millioenen strijden zou: de bouw van een nieuwe parochiekerk, grooter en waardiger dan de bestaande oude kerk, die sedert het toestroomen der geloovigen te klein gebleken was. Het was trouwens een oud lievelingsdenkbeeld van abbé Peyramale, die de bevelen der Heilige Maagd stipt uitvoeren wilde. Van de Grot sprekende, had zij gezegd: “Men moet in processie daarheen trekken”. En hij had altijd de pelgrims uit de stad zien trekken, waarheen zij, zooals dat in den beginne altijd gebeurd was, ’s avonds moesten terugkeeren. Men had dus een centrum, een verzamelplaats noodig, en hij had zich als zoodanig een prachtige kerk, een kathedraal van reusachtige afmetingen, die een geheel volk bevatten kon, gedroomd. Met zijn bouwlustig temperament en als hartstochtelijk arbeider des hemels zag hij haar al uit den grond oprijzen, haar klokketoren, dreunend van gelui, in het felle zonlicht omhoog steken. Het was ook zijn huis, dat hij wilde bouwen, zijn daad van geloof en aanbidding, de tempel, waarin hij [280]de opperpriester zijn zou, waarin hij, tegenover het werk, waaruit men hem ontzet had, zou triompheeren met de zoete herinnering aan Bernadette. Natuurlijk was bij de groote bitterheid, die hij over zijn afzetting voelde, deze nieuwe parochiekerk een soort revanche, zijn deel aan den roem, een manier om zijn strijdlust bot te kunnen vieren, een teeken van de koorts, die hem verteerde, sedert hij zelfs opgehouden had naar de Grot te gaan.

In den beginne was het een nieuwe oplaaiïng van geestdrift. De oude stad, die zich achtergesteld voelde, maakte gemeene zaak met haar pastoor, nu al het geld, al het leven dreigde te stroomen naar de nieuwe stad, die om de Basilica uit den grond opschoot. De gemeenteraad voteerde een som van honderd duizend francs, die ongelukkigerwijze echter pas gestort zou worden, wanneer de kerk onder de kap zou staan. Reeds had abbé Peyramale de plannen van den architect, een, zooals hij gewild had, zeer grandioos ontwerp, aanvaard en onderhandeld met een aannemer te Chartres, die zich verbond de kerk in drie of vier jaar te bouwen, indien de beloofde stortingen regelmatig geschiedden. Overtuigd, dat de giften ongetwijfeld van alle kanten zouden blijven toestroomen, waagde hij de zaak zonder eenige ongerustheid; hij was moedig tot op het vermetele af, rekende er vast op, dat de hemel hem niet in den steek laten zou. Hij meende zelfs zeker te zijn van den steun van den nieuwen bisschop, Mgr. Jourdan, die, na den eersten steen gezegend te hebben, een toespraak hield, waarin hij de noodzakelijkheid en het verdienstelijke van het werk erkende. Het scheen, dat pater Sempé zich er met zijn gewone nederigheid bij neergelegd en de rampzalige concurrentie, die hem tot deelen dwong, aanvaard had, want hij deed alsof hij zich geheel wijdde aan de administratie van de Grot en had zelfs in de Basilica een offerblok voor de nieuwe, in aanbouw zijnde kerk laten plaatsen.

Daarna begon de heimelijke, verbitterde strijd opnieuw. Abbé Peyramale, die een zeer slecht administrateur was, juichte en jubelde, toen hij zijn kerk zoo snel groot zag worden. Het werk werd met bekwamen spoed uitgevoerd en hij wilde niets liever, overtuigd als hij was, dat de Heilige Maagd betalen zou. Hij was dan ook met stomheid geslagen, toen hij eindelijk bemerkte, dat de giften niet zoo meer toestroomden, dat het geld der geloovigen niet meer tot hem kwam, alsof in het verborgen iemand de bron afgeleid had. [281]De dag kwam, waarop hij de beloofde betalingen niet storten kon. Er had een handige worging plaats gehad, die hij later pas volkomen begreep. Blijkbaar had pater Sempé ook den nieuwen bisschop geheel voor de Grot weten te winnen. Men vertelde zelfs, dat er in de verschillende diocesen vertrouwelijke circulaires verspreid waren met de aanmaning, om geen geld meer voor de parochie te verzenden. De vraatzuchtige Grot, de onverzadelijke Grot wilde alles, verslond alles; ja het kwam zoo ver, dat biljetten van vijfhonderd francs, die in het offerblok geworpen waren, achtergehouden werden: men plunderde het offerblok, bestal de parochie. Maar de pastoor hield in zijn hartstocht voor de grooter wordende kerk, die als het ware zijn dochter was, heldhaftig stand, zou er zijn bloed voor gegeven hebben. Hij had eerst het contract gesloten op naam van het parochiaal vermogen; daarna, toen hij niet wist, hoe hij betalen moest, op zijn eigen naam. Hij leefde nog slechts voor zijn kerk en putte zich uit in heroïsche inspanning. Van de vierhonderd duizend francs, die beloofd waren, had hij er slechts tweehonderd duizend kunnen betalen, terwijl de gemeente hardnekkig weigerde de gevoteerde honderd duizend francs te storten, zoolang de kerk niet onder de kap stond. Dit ging zeer duidelijk tegen de belangen der stad in. Naar men beweerde, werkte pater Sempé in het geheim alles tegen. Plotseling triompheerde hij: het werk werd gestaakt.

Van dat oogenblik af trad de doodsstrijd in. Pastoor Peyramale, die breedgeschouderde bergreus met zijn leeuwenkop, wankelde, in zijn hart getroffen, en sloeg neer als een door den bliksem verpletterde eik. Hij moest het bed houden en stond niet meer op. Allerlei verhalen deden de rondte, men vertelde dat pater Sempé getracht had onder het een of andere vrome voorwendsel in de pastorie binnen te komen, om te zien, of zijn gevreesde tegenstander wel degelijk doodelijk gewond was; en men vertelde erbij, dat men hem uit de ziekenkamer, waar zijn aanwezigheid een ergernis was, had moeten wegjagen. En toen de pastoor, overwonnen en overstelpt door bitterheid, gestorven was, kon men pater Sempé zien triompheeren bij de begrafenis, waarvan men hem niet verwijderd had durven houden. Men beweerde, dat hij daarbij een afzichtelijke vreugde aan den dag gelegd had en dat zijn gezicht straalde van zijn triomf.

Eindelijk was hij dan bevrijd van den eenigen man, die hem hinderpalen in den weg kon leggen, voor wiens wettelijke [282]autoriteit hij bang was. Hij zou niet langer meer gedwongen kunnen worden om met iemand te deelen, nu de twee groote arbeiders van Notre-Dame de Lourdes uit den weg geruimd waren: Bernadette in het klooster, abbé Peyramale onder den grond. De Grot was nu maar alleen van hem, de giften kwamen alleen naar hem; naar zijn goeddunken zou hij het budget van achthonderd duizend francs, waarover hij jaarlijks beschikte, kunnen gebruiken. Nu zou hij de reusachtige werken voltooien, die van de Basilica een wereld op zichzelf zou maken; zou hij medewerken aan de opbloei van de nieuwe stad, om de oude nog meer te isoleeren, haar te verbannen achter haar rots als een onbeteekenende parochie, die wegzonk in de schittering van haar almachtige buurvrouw. Dat was het definitieve koningschap, al het geld en alle heerschappij.

Toch was de nieuwe parochiekerk, hoewel het werk gestaakt was en zij in haar omheining van planken sliep, voor meer dan de helft afgebouwd, tot aan de gewelven der benedenvleugels. Zij stond daar nog altijd als een bedreiging, voor het geval de stad haar op den een of anderen dag zou willen voltooien. Hij moest haar volkomen dooden, er een onherstelbare ruïne van maken. Het heimelijke werk werd dus voortgezet, een wonder van wreedheid en langzame vernietiging. In de eerste plaats werd de nieuwe pastoor, een zwakkeling, zoozeer door pater Sempé ingepalmd, dat hij zelfs niet eens meer de aan de parochie gerichte geldzendingen openmaakte: alle aangeteekende brieven werden direct naar de paters gebracht. Vervolgens werd de voor de nieuwe kerk uitgekozen plaats aan een strenge kritiek onderworpen en liet men door den architect van het diocees een rapport opmaken, waarin verklaard werd, dat de oude kerk nog solide en voor de behoeften van den eeredienst volkomen toereikend was. Maar vooral wendde men zijn invloed op den bisschop aan, wees men hem op het onaangename van de geldelijke moeilijkheden met den aannemer. Peyramale werd nu als een onbesuisde stijfkop voorgesteld, een soort krankzinnige, wiens ongekende ijver den godsdienst bijna gecompromitteerd had. En vergetende, dat hij den eersten steen gezegend had, vaardigde de bisschop een herderlijk schrijven uit om de kerk van de deelneming aan de sacramenten uit te sluiten met verbod daarin een religieuzen dienst te celebreeren.

Dit was de genadeslag. Eindelooze processen waren er het gevolg van: de aannemer, die van de vijfhonderd duizend francs [283]uitgevoerde werken er slechts tweehonderd duizend ontvangen had, sprak den erfgenaam van den pastoor, het parochiaal vermogen en de stad aan, daar deze laatste steeds bleef weigeren de door haar gevoteerde honderd duizend francs te betalen. Eerst verklaarde de prefectuurraad zich onbevoegd van de zaak kennis te nemen, dan veroordeelde hij, nadat de Raad van State de zaak naar hem teruggewezen had, de stad de honderdduizend francs te betalen en den erfgenaam de kerk te voltooien, terwijl hij verklaarde, dat het parochiaal vermogen buiten het geding stond. Maar er werd appèl aangeteekend bij den Raad van State, die het arrest vernietigde, en, nu zelf uitspraak doende, het parochiaal vermogen of bij gebreke daarvan den erfgenaam veroordeelde tot betaling van den aannemer. Doch daar geen van beide tot betalen in staat was, bleef de zaak daarbij.

Deze processen hadden vijftien jaar geduurd. Daar de stad er eindelijk in toegestemd had hem honderd duizend francs te geven, was men aan den aannemer nog slechts tweehonderd duizend francs schuldig. Doch allerlei kosten en de interest op interest hadden deze som zoo opgevoerd, dat zij bijna zeshonderd duizend francs bedroeg; en daar men aan den anderen kant het voor de voltooiïng van de kerk noodige bedrag op vierhonderd duizend francs schatte, was er dus een millioen noodig om de jonge ruïne van een zekere vernietiging te redden. Van dien dag af konden de paters rustig slapen; zij hadden haar vermoord, de kerk was nu eveneens dood.

De klokken van de Basilica luiden een jubellied, pater Sempé heerschte. Als overwinnaar was hij uit den reuzenstrijd te voorschijn gekomen, uit dezen strijd met het mes, waarin men steenen gedood had, na in de schaduw der sacristieën een man vermoord te hebben. En het koppige, bekrompen Lourdes moest er leelijk voor bloeden, dat het zijn pastoor, die uit liefde voor zijn parochie gestorven was, niet beter gesteund had, want van af dat oogenblik bloeide en groeide de nieuwe stad ten koste van de oude. Al het geld ging naar de eerste, de paters der Grot sloegen uit alles geld, werden vennooten in hotels en kaarsenwinkels, verkochten het bronwater, hoewel het hun volgens een uitdrukkelijke bepaling in het contract met de gemeente ten strengste verboden was waarin ook handel te drijven. Het geheele land ging zedelijk ten gronde, de triomf der Grot had een zoo groote winzucht, zoo’n brandende koorts om te bezitten [284]en te genieten met zich gebracht, dat onder den plasregen der millioenen een buitengewoon zedenbederf zich van dag tot dag uitbreidde en het Bethlehem van Bernadette in Sodom en Gomorrha veranderde. Pater Sempé voleindigde den triomf van God te midden van de menschelijke ontaarding en de verwoesting der zielen. Reusachtige bouwwerken rezen uit den grond op, vijf of zes millioen reeds waren uitgegeven, alles had men geofferd aan dien absoluten wil om de parochie op zijde te schuiven, teneinde de geheele prooi voor zich te houden.

De machtige, zoo kostbare hellingen waren slechts aangelegd om den wensch van de Heilige Maagd, die gevraagd had, dat men in processie naar de Grot zou gaan, op slinksche wijze te ontduiken. Van de Basilica langs de linkerhelling naar beneden en langs de rechterhelling er weer naar toe gaan, was geen processie, maar een eenvoudige rondgang. Maar de paters waren erin geslaagd, dat men van hen uitging, om bij hen terug te keeren; op die wijze waren zij de eenige eigenaars, de rijke bezitters, die den geheelen oogst binnenhaalden. Pastoor Peyramale lag in de crypt van zijn onvoltooid gebleven kerkruïne begraven. Bernadette had haar doodsstrijd ver weg in een klooster gestreden en sliep nu ook onder den grafsteen van een kapel.

Een diepe stilte heerschte, toen dr. Chassaigne zijn lang verhaal geëindigd had. Dan stond hij moeilijk op.

“Kom jongen, het zal dadelijk tien uur slaan en ik wil, dat je wat gaat rusten … Laten we teruggaan.”

Zwijgend volgde Pierre hem. In een vlugger tempo gingen zij naar de stad terug.

“Ja,” begon de dokter weer, “er hebben daar schandelijke ongerechtigheden plaats gegrepen. Maar wat zal ik je zeggen? De mensch bederft de mooiste dingen … En je kunt je niet voorstellen hoe verschrikkelijk treurig al die dingen zijn, die ik je daarnet verteld heb. Dat moet je zien en met je vinger aanraken. Wil je vanavond eens met me naar de kamer van Bernadette en de onvoltooide kerk van abbé Peyramale gaan?”

“Zeker, heel graag!”

“Nu, kom dan na de processie van vier uur bij de Basilica, dan zal ik zorgen daar te zijn.”

Ieder in zijn eigen overpeinzingen verdiept, spraken zij niet meer.

Rechts van hen stroomde nu de Gave in een diepe kloof, [285]een soort inkerving, waarin hij zich stortte en als tusschen het struikgewas verdween. Soms echter zag men weer een stuk van zijn matzilveren waterspiegel. Verderop maakte hij een plotselinge kromming en stroomde hij breed over een vlakte. Blijkbaar veranderde hij daar dikwijls van bedding, want de uit zand en kiezel bestaande grond was in alle richtingen uitgehold. De zon begon reeds te branden hoog aan den hemel, waarin het lichte blauw van het eene einde van den onmetelijken circus der bergen naar het andere donkerder werd.

Bij de kromming van den weg rees Lourdes, hoewel nog in de verte, weer voor de oogen van Pierre en dr. Chassaigne op. Onder den schitterenden ochtendhemel teekende de stad, onder den sluier van opdwarrelend gouden en purperen stof, met haar huizen en haar monumenten, die bij iederen stap duidelijker werden, zich wit tegen den horizont af. Zonder een woord te zeggen wees de dokter met een breed en droevig gebaar naar die zich zoo uitbreidende stad, als wilde hij haar als getuige oproepen voor wat hij zooeven gezegd had.

Reeds zag men den op dit uur nog zwakken gloed van de Grot tusschen het groene loof. Vervolgens strekten de reusachtige bouwwerken zich voor hen uit, de kade van gehouwen steen langs de geheele lengte van den Gave, waaraan men een andere bedding had moeten geven; de nieuwe brug, die de pas aangelegde tuinen met den onlangs in gebruik genomen boulevard verbond; de reusachtige hellingen, de massieve Rozenkranskerk, de slanke Basilica, die met een fiere gratie boven alles uitstak. Op dezen afstand zag men van de nieuwe stad slechts een gewemel van witte gevels, een geflikker van nieuwe dakpannen, de groote kloosters, de groote hotels, de rijke stad, die als door een wonder uit den ouden, armen grond opgeschoten was, terwijl achter de rotsmassa, waarop zich de instortende muren van het Kasteel en profil afteekenden, hier en daar de nederige daken der oude stad zich vertoonden, een warreling van door den tijd aangevreten, bang zich tegen elkaar aandrukkende daakjes. En als achtergrond tegen deze bezwering van het leven van heden en van gisteren rezen onder de glorie der eeuwige zon de Kleine Gers en de Groote Gers op en versperden den horizont met hun kale hellingen, die de schuin vallende zonnestralen geel en rose streepten.

Dr. Chassaigne bracht Pierre tot aan het Hôtel des Apparitions; daar eerst nam hij afscheid van hem, na hem nog [286]eerst even herinnerd te hebben aan hun afspraak voor dien avond. Het was nog geen elf uur. Hoewel hij plotseling door moeheid overweldigd werd, dwong hij zich, alvorens naar bed te gaan, nog eerst te eten, want hij voelde, dat de behoefte daaraan een van de voornaamste redenen van zijn zwakheid was. Gelukkig vond hij aan de table-d’hôte nog een plaats vrij; met open oogen slapend, at hij zonder dat hij wist, wat hem voorgezet werd, dan ging hij naar boven en wierp zich op zijn bed, na eerst het kamermeisje gezegd te hebben hem om drie uur te wekken.

Maar zoodra hij lag, belette de koortsachtige opwinding, waarin hij verkeerde, hem zijn oogen dicht te doen. Een paar handschoenen, die hij in de kamer ernaast had zien liggen, deed hem plotseling denken aan mijnheer de Guersaint, die voor het aanbreken van den dag naar Gavarnie gegaan was en eerst ’s avonds terug zou komen. Welk een heerlijke gave toch die onbezorgdheid! Hij met zijn door moeheid gebroken ledematen en zijn bekommerden geest voelde zich diep-treurig. Alles scheen samen te spannen tegen zijn wil om het geloof van zijn jeugd terug te krijgen. De tragische geschiedenis van pastoor Peyramale had het verzet, dat de levensloop van Bernadette, uitverkorene en martelares, in hem gewekt had, nog aangewakkerd. Zou de waarheid, die hij te Lourdes was komen zoeken, in plaats van hem zijn geloof terug te geven, hem ertoe brengen de onwetendheid en de lichtgeloovigheid nog meer te haten, hem de bittere zekerheid geven, dat de mensch met zijn verstand alleen staat op deze wereld?

Eindelijk viel hij in een sluimering. Maar droombeelden fladderden voortdurend door zijn onrustigen slaap. Hij zag Lourdes, bedorven door het geld, als een plaats van ontaarding en zedenbederf, als een uitgestrekte bazar, waarin alles te koop was, missen en zielen. Hij zag pastoor Peyramale begraven te midden van de ruïnen van zijn kerk tusschen de brandnetels, die de ondankbaarheid gezaaid had. En hij kwam eerst tot rust, genoot eerst de zaligheid van het niet-meer-zijn, toen een laatste, bleek en jammervol visioen verdwenen was, dat van Bernadette te Nevers, neergeknield in een donker hoekje en droomend van haar werk daar in de verte, dat zij nooit aanschouwen zou. [287]


1 Iemand, die het nuttigheidsbeginsel als drijfveer en einddoel der menschelijke handelingen beschouwt. 

2 Weggemoffeld, weggetooverd. 

[Inhoud]

VIERDE DAG

[Inhoud]

I.

Met haar rug tegen de kussens leunend was Marie dien ochtend in het Hôpital des Notre-Dame des Douleurs op haar bed blijven zitten. Nu zij den geheelen nacht in de Grot had doorgebracht, wilde zij er zich niet weer heen laten rijden. Toen madame de Jonquière een der kussens, dat naar beneden gegleden was, wat op kwam trekken, vroeg zij:

“Welke dag is het vandaag, madame?”

“Maandag, kindlief.”

“O ja, dat is waar ook! Je weet heusch niet meer, hoe je leeft … En bovendien voel ik me zoo gelukkig! Vandaag zal de Heilige Maagd mij genezen.”

Een hemelsch glimlachje speelde op haar gezicht als van een wakende droomster; haar oogen staarden in het verre niet; zij ging zoo geheel op in haar idée fixe, dat zij in de verte niets zag dan de zekere verwezenlijking van haar hoop. De zaal Sainte-Honorine was langzamerhand leeg geworden, alle zieken waren naar de Grot gegaan, alleen madame Vêtu was, stervend, op het bed naast haar achtergebleven. Maar zij zag haar zelfs niet, zij vond de plotselinge vredige kalmte, die om haar ontstaan was, zoo heerlijk. Men had een der ramen, die op de binnenplaats uitkwamen, open gezet; de stralende ochtendzon viel in een breeden straal naar binnen, waarvan het gouden stof precies op haar lakens danste en op haar witte handen speelde. Het was zoo heerlijk, nu die ’s nachts zoo lugubere zaal met haar opeenhooping van pijnlijk-smartelijke ziekbedden, met haar stank, met gekerm van nachtmerries, plotseling door de zon verlicht en door de ochtendlucht verfrischt werd.

“Waarom probeer je niet wat te slapen?” vroeg madame de Jonquière moederlijk bezorgd. “Je moet dood op zijn van zoo’n heelen nacht waken!” [288]

“Maar ik ben heelemaal niet moe, ik heb geen slaap … Slapen, neen, dat zou ik nu niet graag doen, want dan zou ik niet weten, dat ik beter word.”

Madame de Jonquière moest om die woorden lachen.

“Maar waarom heb je dan niet naar de Grot willen gaan? Je zult je hier alleen in bed zoo vervelen!”

“Ik ben niet alleen madame, zij is bij me!”

En terwijl zij zich het visioen weer voor den geest riep, vouwde zij in haar extase haar handen.

“U weet toch, dat ik haar vannacht gezien heb en dat zij mij toeknikte en tegen mij geglimlacht heeft. Ik heb haar goed begrepen en heel goed haar stem gehoord, hoewel zij haar lippen niet opendeed. Om vier uur, wanneer het Heilige Sacrament voorbijgedragen wordt, zal ik genezen worden.”

Madame de Jonquière wilde haar wat kalmeeren; zij maakte zich eenigszins ongerust over dit soort somnambulisme, waarin zij haar zag. Maar de zieke herhaalde:

“Neen, heusch niet, ik voel me niet slechter, ik wacht … Maar u begrijpt, mevrouw, dat ik vanochtend niet naar de Grot behoef te gaan, nu ik met haar voor vanmiddag vier uur afgesproken heb.”

En fluisterend voegde zij haar toe:

“Om halfvier zal Pierre me komen halen, en om vier uur ben ik beter.”

Langzaam kroop de zon langs haar bloote, doorschijnende, ziekelijk magere armen, terwijl haar prachtige blonde haren, die over haar schouders afgleden, een uitvloeiïng zelf van het hemellichaam schenen, die haar geheel omgaf. Op de binnenplaats zong een vogel, waardoor de huiverige stilte der zaal wat opgevroolijkt werd. Blijkbaar speelde er ook een kind, dat men echter niet zag, want nu en dan liet zich een zacht gelach in de heerlijke stille, lauwe lucht hooren.

“Slaap dan maar niet, als je geen slaap hebt,” zeide madame de Jonquière, “maar wees nou verstandig en blijf kalm liggen, dan rust je in ieder geval goed uit.”

In het bed ernaast lag madame Vêtu te sterven. Uit vrees, dat zij onderweg den laatsten adem uit zou blazen, had men haar niet naar de Grot durven brengen. Sinds eenige oogenblikken lag zij met haar oogen dicht, en zuster Hyacinthe, die haar zoo zag liggen, wenkte madame Désagneaux. Beiden bogen zij zich nu over de stervende heen en keken met stijgende ongerustheid naar haar. Haar gelaat was nog geler geworden, het had nu een modderachtige kleur; de oogkassen [289]waren dieper geworden, haar lippen schenen steeds meer te vermageren. Een reutelen, een zachte, verpestende, door den kanker, die haar maag opvrat, vergiftigde ademhaling. Plotseling sloeg zij haar oogleden op; zij schrok, toen zij die twee gezichten over het hare gebogen zag. Naderde de dood, dat men haar zoo aankeek? Een eindelooze droefheid, een hopeloos verlangen om te blijven leven kwam in haar oogen. Maar tot een heftig verzet kwam het niet, zij had de macht niet meer om zich te verzetten; maar hoe vreeselijk was het haar winkel, haar gewoonten, haar man te hebben verlaten, om zoo ver te moeten sterven! De verschrikkelijke marteling van zoo’n reis te verduren, overdag te bidden, ’s nachts te bidden en dan niet verhoord worden, sterven, terwijl anderen genazen!

Zij kon slechts stamelen:

“Ik heb zoo’n pijn, ik heb zoo’n pijn … Ik smeek u, doe ten minste iets, zorg, dat ik niet zoo’n pijn heb!”

De kleine madame Désagneaux met haar knap, melkblank kroeskopje was geheel van streek. Zij was het niet gewend bij doodsstrijden aanwezig te zijn, zij zou, zooals zij zich uitdrukte, de helft van haar hart willen geven, om die arme vrouw te redden. Zij richtte zich weer op en begon met zuster Hyacinthe, die ook tot tranen toe ontroerd was, maar reeds berustte nu zij wist, dat de vrouw een goeden dood zou sterven, te praten. Was er werkelijk niets meer aan te doen? Kon men niets meer probeeren, zooals de stervende gevraagd had? Twee uur geleden had abbé Judaine haar het laatste oliesel gegeven en het avondmaal toegediend. Zij had nu de hulp van den hemel, de eenige, waar zij nog op rekenen kon, nu zij sedert lang niets meer van de menschen verwachtte.

“Neen, neen, wij moeten het probeeren!” riep madame Désagneaux uit.

En zij ging madame de Jonquière, die bij Marie zat, halen.

“Hoort u niet, hoe vreeselijk die ongelukkige lijdt. Zuster Hyacinthe beweert, dat zij hoogstens nog een paar uur te leven heeft. Maar wij kunnen haar niet zoo laten kermen … Er zijn toch kalmeerende middelen. Waarom kan die jonge dokter niet eens komen?”

“Zeker, waarom niet?” antwoordde de directrice. “Dadelijk!”

In de ziekenzalen dacht men nooit aan den geneesheer. De gedachte, om hem te roepen, kwam eerst in de dames op, wanneer een der zieken in een heftigen aanval lag te gillen van pijn. [290]

Zuster Hyacinthe zelf verwonderde er zich over, dat zij niet aan Ferrand gedacht had, hoewel zij wist, dat hij in de kamer ernaast was, en vroeg:

“Wil ik mijnheer Ferrand even halen, madame?”

“Ja, graag, en breng hem gauw hier!”

Toen de zuster weg was, liet madame de Jonquière zich door madame Désagneaux helpen, om het hoofd van de stervende wat op te richten, daar zij dacht, dat dit haar wat verlichting geven zou. Toevallig waren deze twee dames dien ochtend alleen, alle anderen waren weg om haar godsdienstige plichten te vervullen of voor particuliere aangelegenheden. Achter in de groote, ledige zaal, met haar zachten vrede, waarin de zon zoo heerlijk warm scheen, hoorde men niets dan nu en dan het zachte gelach van het kind, dat men niet zag.

“Maakt Sophie al dat leven?” vroeg de directrice, die een beetje zenuwachtig was door de catastrophe, die zij voorzag, plotseling.

Zij liep naar het einde der zaal; het was inderdaad Sophie Couteau, de wonderdadig genezene van het vorige jaar, die achter een bed op den grond zat en hoewel ze al veertien jaar was, zich amuseerde met het maken van een pop uit lappen. Zij praatte ermee, zij ging zoo in haar spel op, dat zij van harte lachte.

“Sta recht, jongejuffrouw! Dans eens een polka! Een, twee! Dans en spring en zoen wie je wilt!”

Maar madame de Jonquière kwam naar haar toe.

“Kindlief, een van onze zieken heeft vreeselijk veel pijn … Je moet niet zoo hard lachen!”

“Ik wist het heusch niet, madame.”

Zij was opgestaan en hield, ernstig nu, haar pop in haar hand.

“Zou zij sterven, madame?”

“Ik ben er bang voor, lieve kind.”

Nu gaf Sophie geen kik meer. Zij was de directrice nageloopen en zat nu op een bed ernaast met haar groote oogen in een brandende nieuwsgierigheid, zonder eenigen angst naar den doodsstrijd van madame Vêtu te kijken. Madame Désagneaux werd zenuwachtig en ongeduldig, dat de dokter niet kwam, terwijl Marie in haar extase, en in den zonneschijn liggend, in de zalige verwachting van het wonder niets van wat er om haar gebeurde, scheen te merken.

Zuster Hyacinthe had Ferrand niet in het kleine kamertje, waar hij gewoonlijk was, gevonden en zocht hem nu door [291]het geheele gebouw. Sedert twee dagen voelde de jonge dokter zich hoe langer hoe minder op zijn gemak in dit vreemde ziekenhuis, waar men zijn hulp slechts voor stervenden inriep. Het kleine apotheekkistje, dat hij medegenomen had, bewees geen enkelen dienst; want hij behoefde er niet aan te denken iemand iets voor te schrijven, daar de zieken hier niet kwamen om zich te laten verplegen, maar om in den bliksemstraal van een wonder beter te worden. Het eenige, wat hij doen kon, was een paar opiumpillen geven, om de pijnen wat te verzachten. Tot zijn groote verbijstering had hij een wandeling van dr. Bonamy door de zalen medegemaakt. Het was werkelijk niet meer dan een wandeling: de dokter kwam uit nieuwsgierigheid en interesseerde zich niet in het minst voor de zieken, die hij niet onderzocht of ondervroeg. Hij bemoeide zich enkel en alleen met de beweerde genezingen, bleef slechts staan voor de bedden der vrouwen, die hij kende, omdat hij ze gezien had op zijn bureau, waar de wonderen geconstateerd werden. Een van haar had drie kwalen en de Heilige Maagd had zich tot nog toe slechts verwaardigd er één te genezen; maar men koesterde goede hoop voor de beide andere.

Soms antwoordde een ongelukkige, die den vorigen dag genezen was, op zijn vragen, dat haar pijnen weer teruggekomen waren, wat echter op de opgeruimdheid van den dokter niet den minsten invloed had; hij liet aan den hemel over te voleindigen wat de hemel begonnen had. Was het al niet heel mooi, als er een begin van beterschap te constateeren viel? Zijn stopwoordje was dan ook: “Er is een begin, heb nou maar geduld!” Het meest echter was hij bang voor den overlast van de directrices, die hem allen wilden laten blijven om haar buitengewone zieken te laten zien. Ieder van haar had de ijdelheid de aan haar zorg toevertrouwde zieken voor de ernstigste, exceptioneele gevallen te houden, zoodat zij van verlangen brandde die te laten constateeren, om er zich later op te kunnen beroemen. Deze trok hem aan den arm en zeide, dat zij zeker geloofde een melaatsche te hebben. Een tweede sprak weer van een jong meisje, wier lendenen met vischschubben bedekt waren. Een derde fluisterde hem verschrikkelijke bijzonderheden over een getrouwde vrouw uit de hoogste kringen in. Hij weigerde echter er ook maar één te onderzoeken, beloofde later, wanneer hij meer tijd had, terug te zullen komen. Als je naar die dames wilde luisteren, zeide hij, zou je heele dag heengaan [292]met nuttelooze consulten. Dan bleef hij plotseling weer voor het bed van een genezene staan, wenkte Ferrand en riep uit: “Dat is nu nog eens een interessante genezing!” En Ferrand moest dan tot zijn groote verbijstering aanhooren, hoe hij de ziekte, die bij de eerste onderdompeling in den vijver totaal verdwenen was, in haar geheel reconstrueerde.

Eindelijk hoorde zuster Hyacinthe van abbé Judaine, dat de jonge dokter in de salle des ménages geroepen was. Dat was nu al de vierde maal, dat hij naar beneden was voor broeder Isidore, wiens pijnen maar niet wilden ophouden. Hij kon hem slechts volstoppen met opium. Onder al zijn marteling vroeg de broeder niets anders dan een weinig verlichting van pijn, ten einde de kracht te hebben ’s middags nog naar de Grot te kunnen gaan, wat dien ochtend onmogelijk geweest was. Maar de pijnen werden erger, en hij verloor zijn bewustzijn.

Toen de zuster binnenkwam, zag zij hem aan het bed van den missionaris zitten.

“Mijnheer Ferrand,” riep zij, “ga gauw met me naar de zaal Sainte-Honorine; we hebben een zieke, die op sterven ligt.”

Hij had tegen haar geglimlacht; nooit kon hij haar zien, zonder zich opgevroolijkt en gesterkt te voelen.

“Ik ga dadelijk mee, zuster. Nog één minuut. Ik wou dezen ongelukkige eerst even bijbrengen.”

Zij oefende geduld en was zelfs nog behulpzaam. Ook de salle des ménages lag nu geheel in de zon en baadde in de frissche lucht, die door de drie groote ramen, welke op een klein tuintje uitzagen, binnenstroomde. Dien ochtend was met broeder Isidore mijnheer Sabathier de eenige, die te bed gebleven was, om wat uit te rusten, terwijl mevrouw Sabathier van die gelegenheid gebruik maakte, om medailles en bidprentjes te gaan koopen, die zij ten geschenke wilde geven. Met zijn rug tegen de kussens zittend, rolde hij de kralen van een rozenkrans tusschen zijn vingers; hij bad echter niet, hij deed het voor een soort machinale afleiding, terwijl hij zijn oogen niet af had van zijn buurman, wiens doodsstrijd hij met smartelijke belangstelling volgde.

“Zuster,” zeide hij tegen zuster Hyacinthe, die dichterbij gekomen was, “ik bewonder dien armen broeder. Gisteren heb ik een oogenblik aan de Heilige Maagd getwijfeld, daar ik zag, dat zij al de zeven jaar, die ik hier nu kom, zich niet verwaardigt mij te hooren, maar nu doet deze martelaar, die zoo berustend zijn martelingen draagt, mij me schamen over [293]mijn klein geloof … U kunt u niet voorstellen wat hij lijdt, en dan moet u hem zien voor de Grot met zijn oogen, waarin een verheven hoop brandt … Het is werkelijk grootsch. Ik ken slechts een schilderij van een onbekenden Italiaanschen meester in den Louvre, waarop een monnikskop door een dergelijk geloofsvuur vergoddelijkt is.”

De intellectueel, de met litteratuur en kunst gevoede voormalige leeraar kwam weer boven in dezen door het leven verpletterden man, die niet meer dan een arme had willen zijn, om den hemel te vermurwen. Hij begon nu weer over zichzelf en zeide in de taaiheid van zijn hoop, die zeven vruchtelooze reizen naar Lourdes niet hadden kunnen vernietigen:

“Enfin, ik heb vanmiddag nog, nu we eerst morgenochtend vertrekken. Het water is wel koud, maar ik zal me nog een laatste maal laten indompelen; den geheelen ochtend heb ik al gebeden en vergiffenis gevraagd voor mijn ongeloof van gisteren … Niet waar, zuster, de Heilige Maagd heeft maar één seconde noodig, wanneer zij een van haar kinderen genezen wil … Haar wil geschiede en haar naam zij geheiligd!”

Hij was weer begonnen met de Ave’s en de Pater’s, terwijl hij de kralen van zijn rozenkrans nu langzamer door zijn vingers rolde en zijn oogen zich half sloten in zijn slap gezicht, waarop weer een kinderlijke uitdrukking terugkwam, nu hij weer zooveel jaren als van de wereld afgesneden was.

Ferrand had Marthe, de zuster van broeder Isidore, een wenk gegeven bij hem te komen. Zij stond met neerhangende armen aan het voeteinde van het bed en keek zonder één traan in haar oogen, met haar berusting van bekrompen boerenkind naar den stervende, dien zij aanbad. Zij was niet meer dan een trouwe hond en had met opoffering van haar weinige spaarduitjes haar broer gevolgd, zonder dat zij iets anders doen kon dan hem zien lijden. Toen de dokter haar dan ook zeide, dat zij den zieke in haar armen nemen en hem wat oprichten moest, voelde zij zich gelukkig eindelijk ergens in te kunnen helpen. Haar opgezet, droefgeestig en met sproeten bezaaid gezicht vroolijkte wat op.

“Houd u hem vast, dan zal ik trachten hem dit in te geven!”

Zij richtte hem op en Ferrand slaagde erin een paar druppels tusschen zijn op elkaar geklemde tanden te gieten. Bijna onmiddellijk sloeg de zieke zijn oogen open en zuchtte diep. Hij was kalmer, het opium deed zijn uitwerking, stilde de pijn, die hij als een roodgloeiend ijzer in zijn rechterzijde [294]voelde. Maar hij bleef zoo zwak, dat men, toen hij wilde praten, zijn oor vlak bij zijn mond moest brengen, om hem te kunnen verstaan.

Met een zwak handgebaar had hij Ferrand gevraagd zich over hem heen te buigen.

“U bent de dokter, nietwaar, mijnheer? Geef mij de kracht, dat ik vanmiddag naar de Grot kan gaan … Ik weet zeker, dat de Heilige Maagd mij zal genezen, als ik dat kan.”

“Maar natuurlijk gaat u,” antwoordde de jonge dokter. “Voelt u u niet veel beter?”

“Veel beter? Neen, dat niet … Ik weet heel goed, wat ik heb, want ik heb verscheidene broeders in Senegal zien sterven. Wanneer de lever aangedaan is en het abces naar buiten doorbreekt, is het afgeloopen. Dan begin je vreeselijk te zweeten, krijg je ijlkoortsen … Maar wanneer de Heilige Maagd de kwaal met haar pink aanraakt, ben je genezen. O, ik smeek u allen mij naar de Grot te laten brengen, zelfs wanneer ik niet meer bij kennis ben.”

Ook zuster Hyacinthe had zich over den zieke heen gebogen.

“Maak u maar niet bezorgd, broeder! U zult vanmiddag naar de Grot gaan en wij zullen allen voor u bidden.”

Eindelijk kon zij Ferrand medenemen. Zij was radeloos door al dit oponthoud en maakte zich ongerust over madame Vêtu. Doch ook was zij met een diep medelijden voor broeder Isidore vervuld, en terwijl zij naar boven liep, vroeg zij den dokter of er heelemaal geen hoop meer was. Deze maakte een gebaar, dat een doodvonnis beteekende. Het was dwaasheid om in zoo’n toestand naar Lourdes te komen.

Met een glimlach verontschuldigde hij zich.

“Neem me niet kwalijk, zuster. U weet, dat ik het ongeluk heb niet te gelooven.”

Maar nu lachte zij op haar beurt als een verdraagzame vriendin, die de onvolmaaktheden van hen, die ze liefheeft, vergeeft.

“O, dat beteekent niets, ik ken u en ik weet, dat u toch een eerlijk man bent … En bovendien, wij zien zooveel menschen en gaan naar zooveel heidenen, dat wij wel dagwerk zouden hebben met ons te ergeren!”

Boven vonden zij madame Vêtu nog altijd kermend en ten prooi aan ondragelijke pijnen. Bleek en geheel van streek door dat steeds maar aanhoudende kermen stonden madame de Jonquière en madame Désagneaux bij haar bed. Toen zij fluisterend aan Ferrand vroegen, wat hij ervan dacht, haalde [295]hij slechts zijn schouders op: de vrouw was verloren, het was een quaestie van enkele uren, minuten misschien. Alles wat hij doen kon, was haar verdooven, om den zwaren doodsstrijd, dien hij voorzag, wat makkelijker te maken. Zij keek hem aan, want zij was nog bij haar bewustzijn, en volgde gewillig zijn voorschriften op. Evenals de anderen, had zij nog maar één vurigen wensch: naar de Grot te kunnen gaan.

Eindelijk stamelde zij met de stem van een kind, dat bang is niet gehoord te worden:

“Naar de Grot, nietwaar, naar de Grot …”

“Ze zullen u er straks heen brengen, ik beloof het u,” zeide zuster Hyacinthe. “Maar wees nu verstandig en tracht wat te slapen, om wat krachten te verzamelen.”

De zieke scheen in te sluimeren en madame de Jonquière vond, dat zij nu met madame Désagneaux aan het andere einde der zaal de wasch kon gaan tellen, wat haar echter alles behalve makkelijk viel, daar er eenige servetten zoek waren. Sophie was nog steeds roerloos op het bed tegenover dat van madame Vêtu blijven zitten. Zij had de pop op haar schoot gelegd en wachtte nu, tot de vrouw sterven zou, daar men haar gezegd had, dat zij zou sterven.

Zuster Hyacinthe was bij de stervende gebleven en daar zij geen tijd ongebruikt voorbij wilde laten gaan, had zij naald en draad genomen, om het lijfje van een van haar zieken, dat van ouderdom aan de mouwen begon te scheuren, te verstellen.

“U blijft zeker nog wel even hier, niet waar?” vroeg zij aan Ferrand.

Deze nam madame Vêtu nog eens goed op.

“Zeker, zij kan iedere minuut weggenomen worden. Ik ben bang voor een bloeduitstorting.”

Toen hij Marie in het bed ernaast zag, vroeg hij fluisterend:

“Hoe is het met haar? Voelt zij zich wat beter?”

“Nog niet. Het lieve kind! Wij bidden allen zoo vurig voor haar! Zoo jong, zoo bekoorlijk en dan al zoo bezocht!… Kijk eens naar haar! Wat is zij mooi! Je zoudt zeggen een heilige, zooals zij daar in de zon ligt met haar groote oogen vol extase en haar gouden haar, dat wel een aureool lijkt!”

Ferrand keek haar een oogenblik met groote belangstelling aan. Zij verbaasde hem door haar verstrooiden, afgetrokken blik, door haar totale onverschilligheid voor alles, wat er om haar heen gebeurde, haar vurig geloofsvertrouwen, haar [296]vurige innerlijke vreugde, die haar tot zichzelf deden inkeeren.

“Zij zal genezen,” prevelde hij, alsof hij een voorspelling wilde fluisteren. “Zij zal genezen.”

Dan ging hij naar zuster Hyacinthe, die in het kozijn van het raam, dat hoog open stond in de warme lucht van de binnenplaats, was gaan zitten. De zon begon te draaien en gleed nog slechts als een smalle gouden streep over het witte kapje en de witte schort. Hij bleef voor haar staan leunen tegen de vensterleuning en keek hoe zij naaide.

“Weet u wel, zuster, dat die reis naar Lourdes, die ik als een corvee op mij genomen heb, om een vriend een dienst te bewijzen, een van de weinige gelukkige dagen van mijn leven zal worden?”

Zij begreep hem niet en vroeg naïef:

“Hoe dat?”

“Maar natuurlijk, omdat ik u teruggevonden heb, omdat ik met u hier ben en u een beetje in uw bewonderenswaardig werk helpen kan. En als u eens wist, hoe dankbaar ik u ben, hoe ik van u houd, hoe ik u vereer!”

Zij keek op, om hem in zijn gezicht te kunnen zien en begon zonder eenige verlegenheid te lachen. Zij zag er zoo bekoorlijk uit met haar leliëntint, haar klein, vroolijk mondje en haar prachtige, blauwe oogen, die altijd glimlachten. Zij was zoo teer en zoo slank, haar boezem niet ontwikkelder dan een in onschuld en toewijding opgegroeid meisje.

“Houdt u zoo van me? Maar waarom?”

“Waarom ik van u houd?… Maar omdat u het beste, het meest troostrijke, het hartelijkste schepseltje bent. U bent tot nog toe in mijn leven de diepste, de liefste herinnering, die ik mij altijd voor den geest roep, als ik behoefte heb aan opbeuring en aanmoediging … Herinnert u zich dan de maand niet meer, die wij samen hebben doorgebracht in mijn armzalig kamertje, toen ik ziek was en u mij zoo liefderijk hebt verpleegd?”

“Natuurlijk!… Ik heb zelfs nooit zoo’n lieven patiënt gehad als u. Alles wat ik u gaf, nam u in; en wanneer ik u verschoond en daarna toegestopt had, bleef u zoo rustig liggen als een kind.”

Zij bleef hem met haar ongekunsteld lachje aankijken. Hij was mooi en sterk, zijn neus een beetje te groot misschien, zijn oogen schitterend, zijn mond rood onder de donkere snor in zijn jeugd-krachtig gezicht. Maar zij scheen alleen gelukkig hem zoo tot tranen geroerd voor zich te zien. [297]

“O, zuster, zonder u zou ik gestorven zijn. U hebt mij weer heelemaal beter gemaakt!”

En terwijl zij met ontroerde blijdschap naar elkaar keken, rees die zalige maand weer voor hun geestesoog op. Zij hoorden het reutelen van madame Vêtu niet meer, zagen niet meer de met bedden volgepropte zaal, die in haar wanorde aan een na een groote ramp geïmproviseerde ambulance denken deed. Ergens heel hoog in een donker huis vonden zij elkaar terug, in een klein dakkamertje van het oude Parijs, waarin licht en lucht slechts binnentraden door een klein raam, dat uitzag op een oceaan van daken. Maar welk een bekoring lag er in dat samen alleen daar zijn, hij op het ziekbed geworpen door koorts, zij daar neergevallen als een goede engel, die als een goede kameraad, die niets te vragen heeft, uit haar klooster gekomen was. Zij verpleegde op die wijze al naar het viel, vrouwen, kinderen of mannen, volkomen gelukkig, als zij maar druk bezig zijn en lijden verzachten kon, zonder dat ook maar éénmaal de gedachte aan haar sexe in haar opkwam. Ook hij scheen nooit eraan gedacht te hebben, dat zij een vrouw kon zijn, ook al had zij zachte handen en een liefkoozende stem. Maar toch stroomden de teederheid van een moeder, de liefde van een zuster van haar uit. Gedurende drie weken had zij hem, zooals zij het uitdrukte, als een kind verpleegd, hem in en uit bed geholpen, zonder verlegenheid of zonder weerzin hem de intiemste diensten bewezen, beiden steun vindend in de reine heiligheid van het lijden en der barmhartigheid. Alles geschiedde alsof het boven het leven stond. En welk een heerlijke kameraadschap, wat een lachen als oude vrienden, toen herstel ingetreden was! Zij waakte toen ook nog over hem, gaf hem een tikje op zijn arm, wanneer hij dien eigenzinnig niet onder de dekens wilde doen. Hij keek naar haar, wanneer zij in een kom zeepsop maakte en zijn hemd waschte, om op die manier vijf stuivers waschgeld voor hem uit te sparen. Nooit kwam iemand naar boven, zij waren alleen, duizend mijl van de wereld verwijderd maar gelukkig in die eenzaamheid, waarin hun jeugd zoo kameraadschappelijk en vroolijk ontlook.

“Herinnert u zich den ochtend nog, zuster, dat ik voor de eerste maal geloopen heb? U hebt mij uit bed geholpen en mij ondersteund, terwijl ik als een onhandige jongen struikelde en niet wist, hoe ik mijn beenen gebruiken moest … We moesten er zoo om lachen.” [298]

“Ja zeker, u was gered, en daar was ik zoo blij om!”

“En den dag, dat u kersen voor mij medegebracht hebt … Ik zie ons nog voor mij, ik in mijn kussens en u op den rand van het bed met de kersen op een groot stuk wit papier tusschen ons in. Ik wilde er geen aanraken, als u niet mee at … Toen hebben we er ieder op de beurt een genomen, en het papier raakte leeg en de kersen waren lekker.”

“Ja, ja, heel lekker … Het was precies als met de bessensap: die wou u ook niet drinken, als ik het niet deed.”

Zij lachten luider, want die herinneringen stemden hen zoo vroolijk. Maar een pijnlijke zucht van madame Vêtu riep hen weer tot het heden terug. Hij boog zich over de zieke, die zich niet bewogen had, heen en keek weer naar haar. De zaal had nog haar groote, huiverige stilte, welke alleen door de heldere stem van madame Désagneaux, die het linnen aan het tellen was, gestoord werd.

Met een door aandoening verstikte stem begon hij weer:

“O, zuster, al word ik honderd jaar, al leer ik alle vreugden en genietingen der wereld kennen, nooit zal ik een vrouw liefhebben, als ik u lief heb!”

Toen boog zuster Hyacinthe, maar toch zonder verlegenheid, haar hoofd en begon weer te naaien. Een nauwlijks merkbaar blosje had haar leliëntint rose gekleurd.

“Ik houd van u ook veel, mijnheer Ferrand. Maar u moet mij niet zoo trotsch maken. Ik heb voor u gedaan, wat ik voor zooveel anderen doe. Dat is mijn taak. En mijn belooning daarvoor is, dat de goede God u genezen heeft!”

Weer werden zij gestoord. La Grivotte en Elise Rouquet kwamen vóór de anderen van de Grot terug. Onmiddellijk kroop la Grivotte op haar matras, die voor het bed van madame Vêtu op den grond lag, en haalde uit haar zak een stuk brood, dat zij begon te verslinden. Sedert den vorigen dag had Ferrand zich voor deze teringlijdster geïnteresseerd, die zoo’n merkwaardige periode van onrust doormaakte en door een overdreven honger en een koortsachtige behoefte om zich te bewegen aangegrepen was. Maar op dit oogenblik trof het geval van Elise Rouquet hem nog meer; hij kon er nu niet meer aan twijfelen: de lupus, die haar gezicht weggevreten had, was merkbaar minder geworden. Zij had haar wasschingen aan de wonderbron volgehouden en kwam nu juist van het geneeskundig bureau, waar dr. Bonamy getriompheerd had. Verbaasd ging Ferrand naar haar toe en onderzocht de reeds bleeker en eenigszins droger geworden [299]wond, die nog lang niet genezen was, maar waaraan toch wel degelijk een begin van genezing te constateeren viel. Het geval scheen hem zoo bijzonder, dat hij zich voornam enkele aanteekeningen erover te maken voor een van zijn vroegere leermeesters, die bezig was den nerveuzen oorsprong van sommige huidziekten, die het gevolg zijn van voedingsstoornissen, te bestudeeren.

“Hebt u geen prikkelingen gevoeld?” vroeg hij.

“Heelemaal niet, mijnheer, ik wasch mij en bid daarbij met heel mijn ziel den rozenkrans, dat is alles!”

La Grivotte, ijdel en jaloersch, en die sedert den vorigen dag triompheerde, riep den dokter.

“Ik ben genezen, mijnheer, genezen, heelemaal genezen!”

Hij glimlachte met een vriendschappelijk gebaar, maar wilde haar niet onderzoeken.

“Ik weet het, beste meid; je mankeert niets meer!”

Doch op dit oogenblik riep zuster Hyacinthe hem terug. Zij had haar naaiwerk weggeworpen, toen zij madame Vêtu, door een vreeselijke misselijkheid overvallen, zich zag oprichten. Hoe zij zich ook haastte, zij kwam nog te laat met haar kom: de zieke had weer een zwarten, roetachtigen golf uitgebraakt, waarin zich ditmaal ook bloed bevond, violetachtige bloeddraden. Dat was de bloeduitstorting, het naderende einde, waar Ferrand bang voor was.

“Waarschuw de directrice,” zeide hij fluisterend, terwijl hij zelf een stoel bij het bed trok.

Zuster Hyacinthe ging madame de Jonquière halen. Het linnen was geteld en zij vond haar in een druk gesprek met haar dochter Raymonde, terwijl madame Désagneaux haar handen aan het wasschen was.

Raymonde was een oogenblik uit het refectorium ontsnapt, waar zij dienst deed. Zij vond het een vreeselijk werk: van die lange, smalle zaal met haar twee rijen vette tafels, haar walgelijken stank van etensrestjes en ellende, keerde haar hart in haar lichaam om. Zij was gauw naar boven gekomen, profiteerend van het halve uurtje, dat zij, voor het terugkomen der zieken, nog vrij had. Buiten adem, met een kleur en schitterende oogen vloog zij haar moeder om de hals:

“O, mama, wat een geluk!… Het is zoo ver!”

Verwonderd, haar hoofd nog vol van de leiding der zaal, begreep madame de Jonquière haar niet.

“Wat dan, kindlief?” [300]

Toen fluisterde Raymonde, terwijl een blos haar wangen kleurde:

“Mijn huwlijk.”

Nu was het de beurt der moeder om blij te zijn. Een levendige voldoening straalde op haar mollig gelaat van rijpe, knappe, nog aantrekkelijke vrouw. Onmiddellijk zag zij haar kleine woning in de rue Vaneau terug, waarin zij, na den dood van haar man, haar dochter met de enkele duizenden francs, die hij haar nagelaten had, zoo krap opvoedde. Een huwlijk beteekende een nieuw leven, opende voor haar weer de salons.

“Kind, wat ben ik blij!”

Maar een plotselinge verlegenheid maakte zich van haar meester. God was haar getuige, dat zij sedert drie jaar naar Lourdes kwam uit een drang van Christelijke liefde, om de vreugde haar zieken te kunnen verzorgen. Misschien zou zij, als zij haar geweten nauwkeurig nagegaan had, in haar toewijding ook iets gevonden hebben van haar autoritaire natuur, die haar het bevelen zoo aangenaam maakte. En de hoop om voor haar dochter een man te vinden onder de jongelui van haar stand, die zooveel in de Grot dienst deden, zou pas in de laatste plaats gekomen zijn. Zij dacht er wel aan, doch alleen als aan iets, dat mogelijk was en waarover zij niet sprak.

Maar haar geluk ontrukte haar een bekentenis.

“Ach kind, het verwondert me eigenlijk niets, ik had het vanmorgen aan de Heilige Maagd gevraagd!”

Dan wilde zij een zekerheid hebben, vroeg naar bijzonderheden. Raymonde had haar nog niets verteld van de lange wandeling van den vorigen dag aan den arm van Gérard, daar zij liever alleen over die dingen wilde praten, wanneer zij de zekerheid bezat eindelijk een echtgenoot veroverd te hebben. En nu was het zoo ver, zooals zij het zoo vroolijk uitriep: ’s ochtends nog had zij in de Grot den jongen man gezien, die uitdrukkelijk zijn woord gegeven had. Ongetwijfeld zou mijnheer Berthaud, vóór zij uit Lourdes vertrokken, voor zijn neef haar hand komen vragen.

“Nu,” zeide madame de Jonquière, die haar gewetensbezwaren op zij zette, lachend, “ik hoop, dat je gelukkig zult zijn. Geef me een zoen, kind!”

Op dat oogenblik kwam zuster Hyacinthe zeggen, dat madame Vêtu op het uiterste lag. Raymonde was al weggeloopen. Madame Désagneaux, die haar handen afdroogde, [301]maakte zich boos op die dames, die juist op den ochtend, dat je ze noodig kon hebben, allemaal verdwenen waren.

“En met die madame Volmar is het precies zoo!… Waar kan die toch gebleven zijn. Sedert wij hier zijn, heb ik ze nog geen minuut gezien.”

“Laat madame Volmar toch met rust!” antwoordde madame de Jonquière eenigszins korzelig. “Ik heb je toch gezegd, dat ze ziek is.”

Beiden haastten zij zich naar madame Vêtu. Ferrand stond erbij te wachten. Op een vraag van zuster Hyacinthe of er niets meer aan te doen was, antwoordde hij met een hoofdknikje van neen. Als opgelucht door die eerste braking, was de stervende onbeweeglijk en met gesloten oogen blijven liggen. Maar die verschrikkelijke onpasselijkheid kwam terug en weer braakte zij een zwarte, met violetachtige bloeddraden vermengde golf uit. Dan volgde er een oogenblik van rust; zij sloeg haar oogen op en zag la Grivotte, die op haar matras gulzig haar brood naar binnen slokte. En daar zij voelde, dat zij stierf, vroeg zij:

“Zij is genezen, niet waar?”

La Grivotte hoorde het en riep opgewonden:

“Ja, ja, madame, genezen, genezen, heelemaal genezen!”

Een oogenblik scheen madame Vêtu ten prooi aan een afschuwlijke droefheid, aan een opstand van geheel haar wezen, dat niet wilde sterven, waar anderen bleven leven. Maar reeds berustte zij en hoorde men haar zacht zeggen:

“De jongen moeten blijven.”

Haar oogen, die wijd open bleven staan, keken rond en schenen afscheid te nemen van al de menschen, die zij daar tot haar verbazing vond. Zij trachtte zelfs te glimlachen, toen zij den begeerig-nieuwsgierigen blik ontmoette, dien de kleine Sophie op haar gevestigd bleef houden: het lieve kind was haar vanochtend in bed nog een zoen komen geven. Elise Rouquet had, onverschillig voor iedereen en alles, haar spiegel genomen en was verdiept in de aanschouwing van haar gezicht, dat zij met de minuut mooier meende te zien worden, sedert de wond opdroogde. Maar vooral de aanblik van de in haar extase zoo bekoorlijke Marie scheen de stervende in verrukking te brengen. Zij keek haar lang aan, steeds weer werd haar blik naar haar getrokken als naar een visioen van licht en vreugde. Misschien geloofde zij reeds de heiligen van het paradijs in de glorie van het zonlicht te zien.

Plotseling begon het braken opnieuw; maar nu was het [302]niets meer dan bloed, bedorven, wijnkleurig bloed. De golf was zoo groot, dat hij op de deken spatte en het geheele bed bevuilde. Vergeefs droegen madame de Jonquière en madame Désagneaux, beiden even bleek en op haar beenen bevend, servetten. Ferrand was, in zijn onmacht om te helpen, weer bij het raam gaan staan, waar hij daareven zoo’n heerlijk oogenblik doorleefd had, terwijl ook zuster Hyacinthe in een instinctieve beweging, die zij zich zeker niet bewust was, naar dat gelukkige raam kwam, als wilde zij zich dicht tegen hem aan drukken.

“Mijn God!” prevelde zij, “kan je er niets doen?”

“Neen, niets! Zij zal uitgaan als een lamp, die leeg raakt!”

Uitgeput nu, terwijl een bloederige draad nog uit haar mond vloeide, staarde madame Vêtu madame de Jonquière aan, terwijl haar lippen zich bewogen. De directrice boog zich over haar heen en hoorde de langzame, half gebroken woorden:

“Het is voor mijn man, mevrouw … De winkel is in de rue Mouffetard, o, heel klein, niet ver van de Gobelins … Hij is horlogemaker, hij is, om de klanten, natuurlijk niet mee kunnen gaan. Hij zal leelijk in verlegenheid raken, als hij me niet ziet terugkomen … Ja, ik poetste het zilverwerk en deed de boodschappen.”

Haar stem werd zwakker, door het reutelen kwamen de woorden er met horten en stooten uit.

“Ik zou u willen vragen hem te schrijven, omdat ik het niet gedaan heb en het nu afloopt met me … Zeg hem, dat mijn lijk te Lourdes blijft, anders zou het te duur worden … En dat hij weer trouwen moet, dat moet in den handel … De nicht, zeg hem, de nicht …”

Verder was het niet meer dan een verward gemompel. De zwakte was te groot, de ademhaling stond stil. Toch bleven in het gele, waskleurige gelaat de wijd geopende oogen nog leven. En die oogen schenen zich wanhopig en radeloos vast te hechten aan het verleden, aan alles, wat straks niet meer voor haar bestaan zou, aan den kleinen horlogewinkel in een volksbuurt, aan den eentonigen en regelmatigen gang van het huishouden naast een werkzaam man, die altijd over horloges gebogen zat, aan het groote genoegen, om ’s Zondags bij de fortificaties vliegers te zien opgaan. Dan verwijdden haar oogen zich en trachtten vergeefs iets te onderscheiden in den donkeren nacht, die opkwam.

Een laatste maal boog madame de Jonquière, die opnieuw [303]de lippen bewegen zag, zich over haar heen. Het was nu niets meer dan een zwakke luchttrilling, een stem uit het hiernamaals, die als uit de verte met een grenzenlooze verslagenheid stamelde:

“Zij heeft mij niet genezen!”

En zacht blies madame Vêtu den laatsten adem uit.

Alsof zij erop gewacht had, sprong de kleine Sophie Couteau, bevredigd, van het bed en ging aan het andere einde der zaal weer met haar pop spelen. Noch la Grivotte, die haar brood opat, noch Elise Rouquet, die alleen oogen had voor haar spiegel, hadden iets van het geval gemerkt. Maar van den laatsten ademtocht, die langs haar streek, en door het angstig fluisteren van madame de Jonquière en madame Désagneaux, voor wie die sterfbedden iets ongewoons waren, scheen Marie te ontwaken uit haar hoopvolle verrukking, waarin het woordlooze gebed van geheel haar wezen haar gebracht had. En toen zij begreep wat er gebeurd was, werd zij, die zeker was van haar genezing, aangegrepen door een zusterlijk medelijden met haar lijdensgenooten, dat haar de tranen in de oogen bracht.

“De arme vrouw, zoo ver van huis en zoo alleen in het uur der wedergeboorte te moeten sterven.”

Ferrand, die ondanks zijn beroepsonverschilligheid toch diep geroerd was, kwam naderbij, om den dood te constateeren; op een teeken van hem sloeg zuster Hyacinthe het laken over het gezicht der doode, want er viel niet aan te denken het lijk thans weg te dragen. De zieken kwamen in groepjes van de Grot terug, de zooeven in het zonlicht nog zoo vredige zaal vulde zich weer met haar gewoon tumult van ellende en lijden, met zwaar gehoest, sleepende beenen, den muffen geur, de jammerlijke uitstalling van alle menschelijke ziekten.

[Inhoud]

II.

Dien Maandag was de toeloop naar de Grot reusachtig groot. Het was de laatste dag, dien de nationale bedevaart te Lourdes zou doorbrengen; en pater Fourcade had in zijn herderlijken lastbrief van dien ochtend gezegd, dat men de hoogste kracht van liefde en geloof moest ontwikkelen, om van den hemel al de genade en wonderdadige genezingen te verkrijgen, die hij in zijn goedheid zou willen geven. Van af twee uur in den middag waren dan ook twintigduizend koortsachtig opgewonden pelgrims, door de vurigste verwachtingen [304]bezield, aanwezig. Van minuut tot minuut groeide de stroom zóó aan, dat baron Suire angstig uit de Grot naar Berthaud kwam.

“Wij zullen overstroomd worden, vriendlief … Verdubbel de ploegen en breng de mannen wat nader bij.”

De Hospitalité de Notre-Dame du Salut was alleen met het bewaren der orde belast, er waren noch veldwachters noch politie-agenten. Vandaar dat baron Suire zich zoo ongerust maakte. Maar Berthaud was in zulke gevallen een man, naar wiens woord geluisterd werd, wiens kalme energie vertrouwen inboezemde.

“Stel u maar gerust, ik sta voor alles in … Ik ga hier niet vandaan voor de processie van vier uur afgeloopen is.”

Intusschen gaf hij Gérard een wenk bij hem te komen.

“Geef aan je mannen het strengste consigne. Alleen de personen, die een kaart hebben, mogen passeeren. Houd ze goed bij elkaar en zeg hun, dat ze het touw goed vasthouden!”

Onder de klimop, die de rots bedekten, opende zich de Grot en glansde in den eeuwigen gloed van haar kaarsen. Uit de verte leek zij wat gedrukt, onregelmatig, te eng en te bescheiden door den ademtocht der oneindigheid, die eruit kwam, de gezichten verbleekte en alle hoofden buigen deed. Het beeld der Heilige Maagd was niet meer dan een witte vlek, die zich in de bevende, door de kleine, gele vlammetjes verhitte lucht scheen te bewegen. Men moest op zijn teenen gaan staan, wilde men achter het hek het zilveren altaar, het van zijn hoes ontdane harmonium, de hoop op elkaar geworpen bloemruikers en de geloftegiften, die de berookte wanden kakelbont versierden, kunnen zien. Het weer was schitterend mooi, nooit nog had een helderder hemel zich over de onmetelijke menigte gewelfd: na het onweder van den nacht, dat de te drukkende hitte der twee eerste dagen verjaagd had, was het zachte koeltje heerlijk verfrisschend.

Gérard moest van zijn ellebogen gebruik maken, om zijn bevelen te herhalen. Reeds ontstond er hier en daar gedrang.

“Nog twee man hier! Stelt je desnoods in rijen van vier op en houdt het touw goed vast!”

In de menigte openbaarde zich een onoverwinlijke, instinctmatige drang: de twintigduizend menschen werden als het ware tot de Grot aangetrokken; zij gingen er heen, gedreven door een onweerstaanbare kracht, waarin een brandende nieuwsgierigheid zich paarde aan een onleschbare dorst naar [305]het mysterie. Aller blikken concentreerden zich op, aller monden, aller handen, aller lichamen werden getrokken naar den bleeken vlammenglans der kaarsen, naar de witte, bewegende vlek der marmeren Maagd. Om de breede voor de zieken gereserveerde ruimte voor het hek voor dezen vrij te houden, had men die met een dik touw moeten omgeven, dat de brancarddragers op tusschenruimten van twee of drie meter met hun beide handen vasthielden. Deze hadden het consigne alleen de zieken, die een kaart der Hospitalité hadden, en de enkele personen, die van een speciale autorisatie voorzien waren, door te laten. Zij lichtten het touw dan wat op en lieten het onverbiddelijk voor iedere smeekbede achter de uitverkorenen weer zakken. Zelfs traden zij eenigszins ruw op, daar zij er onbewust een genoegen in vonden het gezag uit te oefenen, waarmede zij voor één dag bekleed waren. Maar tevens dient erkend te worden, dat ze het dikwijls hard te verantwoorden hadden en zij elkaar steunen, met al hun kracht weerstand bieden moesten, om niet meegesleurd te worden.

Terwijl de banken voor de Grot en de gereserveerde ruimten zich met ziekenwagentjes en draagbaren vulden, bleef de menigte, de onmetelijke menigte in de buurt ronddwalen. Zij begon bij de place du Rosaire en strekte zich over den geheelen boulevard langs den Gave uit; in zijn geheele lengte was het trottoir zwart van de menschen, een zóó dichte menschengolf, dat het verkeer er door gestremd werd. Op de borstwering zat een eindelooze rij vrouwen—ja er stonden er zelfs enkelen—om beter te kunnen zien, en liet de zijde van haar parasols, lichte, feestelijk vroolijke zijde, in de zon vlammen. Men had een allée vrij willen houden, om de zieken te transporteeren, maar telkens werd zij weer overstroomd en versperd, zoodat de wagentjes en de draagbaren moesten blijven staan, tot dat een brancarddrager ze kwam bevrijden. Maar de groote, rondtrappelende kudde was zeer meegaande en gewillig als lammeren; men behoefde slechts hun onwillekeurig opdringen naar de brandende kaarsen te keer te gaan. Nooit was er een ongeluk voorgekomen ondanks de steeds toenemende opwinding, die uit de menigte opsteeg en haar in een teugelloos geloofsdelirium bracht.

Opnieuw baande baron Suire zich een weg door de menigte.

“Berthaud, Berthaud! Laat de menschen toch niet zoo haastig zijn … In dat gedrang zouden vrouwen en kinderen onder den voet geraken!” [306]

Ditmaal werd Berthaud wat ongeduldig.

“Maar ik kan toch niet overal tegelijk zijn … Sluit het hek voor een oogenblik, als het noodig is.”

Het ging om de menigte, die men gedurende den geheelen middag om de Grot defileeren liet. De geloovigen kwamen door de linkerdeur naar binnen en gingen door de rechter weer naar buiten.

“Het hek sluiten!” riep de baron uit. “Dat zou de zaak nog maar erger maken; de menschen zouden er elkaar dood tegen drukken!”

Toevallig was Gérard in de buurt, die even praatte met Raymonde, welke met een kop bouillon voor een arme vrouw in haar hand aan de andere zijde van het touw stond. Berthaud droeg den jongen man op twee man bij de ingangsdeur van het hek te plaatsen met het consigne de pelgrims met niet meer dan tien tegelijk door te laten gaan. Toen Berthaud zijn opdracht uitgevoerd had en terugkwam, was Berthaud met Raymonde aan het lachen en schertsen. Zij ging weg en de twee neven keken naar haar, terwijl zij de lamme liet drinken.

“Een bekoorlijk meisje, en het staat vast, dat je met haar trouwt, niet?”

“Ik zal vanavond met haar moeder spreken. Ik reken erop, dat u met me meegaat!”

“Natuurlijk … Je weet wat ik je gezegd heb: het is het verstandigste wat je doen kunt. Haar oom zal je, voor het zes maanden verder is, een mooi baantje bezorgen.”

Door het gedrang werden zij gescheiden. Berthaud ging zich persoonlijk overtuigen of het défilé in de Grot nu ordelijker geschiedde. Uren lang was het dezelfde onafgebroken stroom mannen, vrouwen en kinderen, een stroom van al degenen, die uit de geheele wereld naar de Grot gekomen waren. Alle standen waren er dan ook bijeen, bedelaars in lompen naast welgestelde burgers, boerinnen, naar de nieuwste mode gekleede dames, dienstmeisjes zonder hoed, kinderen op bloote voeten en meisjes met pommade in het haar, dat vastgehouden werd door een lint. De toegang was vrij, het mysterie stond open voor allen, voor geloovigen en ongeloovigen, voor hen, die alleen door nieuwsgierigheid gedreven werden en voor hen, die er met een hart vol liefde en geloof kwamen. Maar bijna allen waren even zeer onder den indruk en voelden zich in dien zwoelen wasgeur benauwd door de zware tabernakellucht, die zich onder de rots verzamelde, [307]terwijl zij, uit vrees op de ijzeren roosters uit te glijden, naar hun voeten keken. Velen wisten niet meer, wat zij doen moesten, bogen niet voor het altaar, keken maar rond naar alles met de kinderlijke onrust van onverschilligen, die in het onbekende inwendige van een heiligdom verdwaald zijn. Maar de vromen maakten het teeken des kruises, wierpen dikwijls een brief in de Grot, legden bloemruikers en kaarsen neder, kusten de rots aan de voeten der Heilige Maagd, of wreven daartegen rozenkransen, medailles en andere dergelijke dingen, welke door die aanraking alleen reeds gewijd werden. En het défilé ging door, zonder ophouden door, dagen, maanden, jaren lang; het leek alsof de geheele wereld in dat rotshoekje kwam, alle menschelijke ellende, alle menschelijk lijden scheen er achter elkaar door te trekken en in dien gehypnotiseerden, aanstekelijken rondgang naar het geluk te komen zoeken.

Toen Berthaud geconstateerd had, dat overal nu alles geregeld en ordelijk zijn gang ging, liep hij als eenvoudig toeschouwer rond om zijn mannen te controleeren. Het eenige, waar hij zich ongerust over bleef maken, was de processie van vier uur, gedurende welke zich steeds zulk een razende opgewondenheid openbaarde, dat er steeds ongelukken te duchten waren. En deze laatste dag beloofde, te oordeelen naar de huivering van een overspannen geloof, die hij reeds uit de menigte voelde opkomen, een der ergste te zullen worden. De opwinding steeg tot haar hoogste punt; alles werkte samen: de koortsachtige reis, de obsessie van dezelfde steeds weer herhaalde liederen, dezelfde hardnekkig volgehouden godsdienstige oefeningen, de onophoudelijke gesprekken over de wonderen en de steeds op den goddelijken vlammengloed der Grot gerichte idée fixe. Vele pelgrims hadden in geen drie nachten geslapen, waren in een toestand van door visioenen bezocht waken gekomen, liepen in een droom, die haar opwinding nog meer aanwakkerde. Geen rust werd hun gelaten, de onophoudelijke gebeden waren als een zweep, die hun zielen striemde. Nooit hielden de aanroepingen der Heilige Maagd op, de eene priester na den anderen beklom den kansel, schreeuwde het algemeene lijden uit, leidde de wanhopige smeekbeden der menigte gedurende den geheelen tijd, dat de zieken zaten voor het witte marmeren beeld, dat met gevouwen handen en ten hemel gerichte blikken glimlachte.

Op dat oogenblik werden de oefeningen van uit den wit-steenen [308]kansel, die rechts van de Grot tegen de rots stond, geleid door een priester uit Toulouse, dien Berthaud kende en naar wien hij een oogenblik met een goedkeurend knikje bleef staan luisteren. Het was een dikke man met een brouwende stem en beroemd door zijn oratorische successen. Overigens bestond hier de geheele welsprekendheid in sterke longen, in een heftige manier om den zin, den kreet, die de menigte herhalen moest, uit te stooten, want het was niet veel meer dan een door Avé’s en Pater’s onderbroken geschreeuw.

De priester, die den rozenkrans afgebeden had, trachtte zich op zijn korte beenen grooter te maken en begon nu, de inspiratie van het oogenblik volgend, aan de litanieën.

“Maria, wij hebben u lief!”

En de menigte herhaalde met zachter, verlegen en gebroken stem:

“Maria, wij hebben u lief!”

En nu hield het niet meer op. De stem van den priester klonk luid, de stem der menigte herhaalde in een smartelijk stamelen:

“Maria, gij zijt onze eenige hoop!”

“Maria, gij zijt onze eenige hoop!”

“Reine Maagd, maak ons reiner onder de reinen!”

“Reine Maagd, maak ons reiner onder de reinen!”

“Heilige Maagd, red onze zieken!”

“Heilige Maagd, red onze zieken!”

Soms, wanneer zijn fantasie even te kort schoot, of hij een kreet nog dieper in de ziel der menigte wilde doen dringen, herhaalde hij dien driemaal, terwijl de schare, volgzaam, hem eveneens driemaal herhaalde, huiverend onder de prikkeling van die hardnekkige jammerklacht, die haar opwinding nog meer deed toenemen.

De litanie duurde voort en Berthaud keerde naar de Grot terug. Zij, die in de Grot zelf defileerden, kregen, zoodra zij tegenover de zieken kwamen, een buitengewoon schouwspel te zien. De geheele groote ruimte tusschen de touwen was gevuld door de duizend à twaalfhonderd zieken, die met de nationale bedevaart medegekomen waren en onder den wijden blauwen hemel en op dezen schitterenden dag het hartbeklemmendste mengelmoes vormden, dat men zich denken kan. De drie ziekenhuizen hadden hun zalen van verschrikking geledigd. Het verst weg zag men het eerst op de banken hen, die nog zitten konden. Toch waren velen [309]nog in kussens gestopt; leunden anderen tegen elkaar aan, waarbij de sterksten de zwaksten steunden. Vervolgens lagen voor de Grot zelf de zieken uitgestrekt; de steenen verdwenen onder die jammerlijke golf, dien grooten, stilstaanden poel van ellende en verschrikking. Er was daar een onbeschrijflijke opeenhooping van wagentjes, draagbaren en matrassen. Sommigen richtten zich in hun kleine karretjes, die veel op doodkisten geleken, op en staken dan boven de anderen, die gewoon op den grond lagen, uit. Er waren er die, gekleed, zich eenvoudig op het geruite linnen van hun matrassen hadden uitgestrekt. Anderen had men in hun beddegoed gebracht, zoodat men niets zag dan hun hoofd en hun magere handen, die buiten de dekens uitstaken. Slechts weinige bedden waren zindelijk. Enkele hagelwitte kussens, als een laatste bewijs van ijdelheid met borduurwerk voorzien, staken scherp af tegen de vuile ellende der andere, tegen de uitgepakte lompen, de versleten dekens, de met vlekken bezoedelde lakens. En dat alles was op elkaar geschoven, opgestapeld al naar gelang het gekomen was: vrouwen, mannen, kinderen, priesters, gekleeden en ongekleeden lagen in het verblindend helle daglicht schots en scheef door elkaar heen.

En alle ziekten waren vertegenwoordigd: het geheele défilé, dat tweemaal per dag uit de hospitalen door het verbijsterde Lourdes trok. Door een eczeem weggevreten hoofden, met uitslag bedekte voorhoofden; neuzen en monden, die de elephantiasis tot gedrochtelijke snuiten gemaakt had; als waterzakken opgeblazen waterzuchtigen; rheumatieklijders met verdraaide handen en als met lompen volgepropte zakken opgeblazen voeten; een waterhoofd, dat door zijn vreeselijke zwaarte achterover hing; van koorts rillende, door dysenterie uitgeputte, lijkkleurige, broodmagere teringlijdsters; misvormde heupen; omgekeerde armen; scheefgegroeide halzen; arme gemartelde wezens, onbeweeglijk in de houding van tragische ledepoppen; ongelukkige rhachitische meisjes, die haar waskleurigen tint, haar magere, door koude tumoren aangevreten hals lieten zien; gele, wezenlooze vrouwen in de pijnlijke verstijving van ongelukkigen, die de kanker doet wegteren; anderen, doodsbleek en zich niet bewegen durvend uit vrees voor een schok van de gezwellen, wier benauwende beklemming haar bijna stikken deed; dooven, die niets hoorden en toch zongen; blinden, die urenlang staarden naar het beeld der Maagd, dat zij niet zien konden. Ook was er nog de kindsche, idiote vrouw, wier neus door den een of anderen [310]tumor weggevreten was, en die met haar leegen, zwarten mond haar verschrikkelijken lach lachte; ook was er nog de epileptica, die doodsbleek was en wie het schuim op den mond stond van haar laatsten aanval.

Maar ziekte noch lijden hadden hier eenige beteekenis meer, sedert zij, zittend of liggend, hun oogen op de Grot gevestigd hielden. De arme, uitgeteerde, aardkleurige gezichten werden verheerlijkt, begonnen te branden van hoop. Door gewrichtsrheumatiek stijve handen vouwden zich, zware oogleden vonden nog de kracht zich te openen; zwakke, toonlooze stemmen herleefden bij de aanroepingen van den priester. In den beginne was het niet meer dan onduidelijk gestamel, als zachte zuchtjes, die hier en daar uit de menigte òpwoeien. Dan steeg de kreet op, zwol aan, sleepte de menigte zelf van het eene einde van het reusachtige plein naar het andere mede.

“Maria, ontvangen zonder zonde, bid voor ons!” schreeuwde de priester met zijn donderende stem.

En de zieken en de pelgrims herhaalden al luider en luider:

“Maria, ontvangen zonder zonde, bid voor ons!”

Dan volgde in steeds sneller tempo:

“Reine Moeder, kuische Moeder, uw kinderen liggen aan uw voeten!”

“Koningin der Engelen, zeg één woord en onze zieken worden genezen!”

“Koningin der Engelen, zeg één woord en onze zieken worden genezen!”

Mijnheer Sabathier zat op de tweede rij naast den kansel. Hij had er zich vroeg heen laten brengen, daar hij een goed plaatsje wilde hebben en als oud bezoeker der Grot de beste hoekjes kende. Bovendien scheen het hem van groot belang om zoo dicht mogelijk in de nabijheid der Heilige Maagd te zijn, alsof zij er behoefte aan had haar getrouwe geloovigen te zien, om ze niet te vergeten. Sedert de zeven jaar, dat hij kwam, voedde hij slechts deze hoop: haar aandacht te trekken, haar eindelijk te vermurven, zijn genezing te verkrijgen, zoo niet naar keuze, dan toch naar ancienniteit. Daartoe had hij slechts geduld noodig, zonder dat de vastheid van zijn geloof ook maar in het minst geschokt werd. Maar als arm berustend man, die het een beetje moe werd telkens uitgesteld te worden, liet hij zich dikwijls afleiden. Hij had weten te bewerken, dat zijn vrouw bij hem bleef; zij zat nu op een vouwstoeltje naast hem; hij vond het prettig met haar te [311]praten en haar deelgenoote te maken van zijn overpeinzingen.

“Licht mij een weinig in de hoogte … Ik glijd naar beneden en zit niet goed.”

Hij zat in zijn broek en in een grof wollen jas op een matras en leunde met zijn rug tegen een omgevallen stoel.

“Is het nu beter?” vroeg madame Sabathier.

“Ja, ja!”

Dan werd zijn aandacht getrokken door broeder Isidore, dien men ten slotte toch naar de Grot gebracht had en die nu op een matras naast hem lag; de deken had hij tot zijn kin opgetrokken; alleen zijn handen lagen gevouwen op het laken.

“De arme kerel!… Het is heel onvoorzichtig, maar de Heilige Maagd is zoo machtig, wanneer zij wil.”

Hij wilde weer aan zijn rozenkrans beginnen, toen hij madame Maze zag, die zoo mager en zoo stil binnen de gereserveerde ruimte geslopen was, dat zij zeker onopgemerkt onder het touw door gekropen was. Zij zat op het einde der bank; maar nam niet meer plaats in dan een zoet, zich niet bewegend meisje. Haar lang gezicht met de vermoeide trekken, haar twee-en-dertig jaar van verlepte, voor haar tijd verwelkte vrouw, drukten een grenzenlooze droefheid, een eindelooze troosteloosheid uit.

“Die dame bidt voor de bekeering van haar man,” begon mijnheer Sabathier weer fluisterend, terwijl hij met een beweging van zijn kin op haar wees. “Je hebt haar vanochtend in een winkel ontmoet.”

“Ja, ja,” antwoordde madame Sabathier. “En toen heb ik met een andere dame gesproken, die haar kent … Haar man is handelsreiziger. Hij is nu al in geen zes maanden thuis geweest en gaat met allerlei vrouwen uit. O, een heel vroolijke en aardige jongen moet het zijn, die het haar niet aan geld laat ontbreken. Maar zij is dol op hem en kan zich er niet in schikken, dat zij zoo door hem verlaten wordt; en nu komt zij de Heilige Maagd vragen hem aan haar terug te geven … Op dit oogenblik moet hij met twee dames te Luchon zijn, de zusters …”

Met een gebaar viel mijnheer Sabathier haar in de rede. Hij keek naar de Grot en werd weer de intellectueel, de oude professor, dien kunstquaesties vroeger hartstochtelijk geïnteresseerd hadden.

“Kijk,” zeide hij, “ze hebben de Grot bedorven door haar te mooi te willen maken. Ik ben er vast van overtuigd, dat [312]zij in haar vroegeren woesten staat veel mooier was. Zij heeft haar karakter verloren … En wat een leelijken winkel hebben ze daar links neergeplakt.”

Maar hij kreeg berouw over zijn verstrooidheid. Zou misschien in dien tijd de Heilige Maagd niet een ander, die vuriger bad en zich beter gedroeg dan hij, uitverkiezen? Ongerust keerde hij weer tot zijn bescheidenheid en geduld terug en wachtte gedachteloos en met wezenlooze oogen op wat de hemel over hem beschikken zou.

Trouwens de luide roep van een nieuwe stem bracht hem ook terug in dien toestand van verootmoediging, waarin de geleerde denker, die hij vroeger geweest was, in hem stierf. Een andere geestelijke stond nu op den preekstoel, een capucijner ditmaal, wiens zwaar keelgeluid de menigte huiveren deed.

“Heilige Maagd der Maagden, zij gezegend!”

“Heilige Maagd der Maagden, zij gezegend!”

“Heilige Maagd der Maagden, wend uw aangezicht niet van ons af!”

“Heilige Maagd der Maagden, wend uw aangezicht niet van ons af!”

“Heilige Maagd der Maagden, adem op onze wonden, en onze wonden zullen opdrogen.”

“Heilige Maagd der Maagden, adem op onze wonden, en onze wonden zullen opdrogen.”

De familie Vigneron was erin geslaagd zich een plaatsje te veroveren op een punt van de eerste bank aan den kant van de hoofdallée, die vol menschen was. Zij waren er allen: de kleine Gustave zat met zijn kruk tusschen zijn beenen; aan den eenen kant zat zijn moeder naast hem, die de gebeden volgde, aan den anderen kant madame Chaise, die het in de drukte vreeselijk benauwd had, en mijnheer Vigneron, die zwijgend naar zijn schoonzuster keek.

“Wat heb je toch?” vroeg hij haar. “Voel je je niet lekker?”

Zij haalde moeilijk adem.

“Ik weet niet wat het is … Ik voel mijn beenen niet meer en ik heb het zoo benauwd.”

Oogenblikkelijk was de gedachte bij hem opgekomen, dat de koortsachtige opwinding en de drukte, die aan een bedevaart verbonden zijn, alles behalve goed moesten zijn voor een hartkwaal. Zeker, hij wenschte niemand dood, hij had nooit iets dergelijks aan de Heilige Maagd gevraagd. Dat zij zijn wensch naar promotie door den plotselingen dood van [313]zijn chef, verhoord had, moest een gevolg zijn van het feit, dat deze volgens de raadsbesluiten des hemels gedoemd was te sterven. En zoo zou hij, wanneer madame Chaise het eerst stierf en haar vermogen aan Gustave naliet, zich eveneens hebben te buigen voor den wil van God, die gewoonlijk oude menschen eerder sterven laat dan jongere. Zijn hoop was desniettemin, zij het ook onbewust, zoo levendig, dat hij niet nalaten kon een blik te wisselen met zijn vrouw, in wie dezelfde gedachte onwillekeurig opgekomen was.

“Gustave, schuif een beetje op zij,” riep hij uit. “Je hindert je tante.”

En toen Raymonde voorbijkwam, vroeg hij:

“Zoudt u misschien niet een glas water hebben, mademoiselle. Mijn schoonzuster dreigt flauw te vallen.”

Maar madame Chaise weigerde met een gebaar. Zij werd al beter, kon weer adem halen.

“Neen, niets, dank u … Ik ben al weer beter … Maar ik dacht heusch, dat ik stikken zou.”

Zij rilde nog van vrees, haar oogen stonden verwilderd in haar bleek gezicht. Zij vouwde opnieuw haar handen en smeekte de Heilige Maagd haar voor andere aanvallen te sparen en haar te genezen, terwijl het echtpaar Vigneron weer het oude gebed prevelde, waarvoor zij naar Lourdes gekomen waren: een gelukkige ouderdom, dien zij na een eervol leven van twintig jaar wel verdiend hadden, en een voldoende vermogen, om den avond van hun leven te kunnen genieten op het land. De kleine Gustave, die met zijn scherpe oogen alles gezien en met zijn helder verstand alles begrepen had, bad niet, maar glimlachte met zijn onbestemd, raadselachtig glimlachje in het ijle niet. Waartoe diende het te bidden? Hij wist, dat de Heilige Maagd hem niet zou genezen en dat hij sterven zou.

Maar mijnheer Vigneron kon het nooit lang uithouden zonder zich met zijn buurlieden te bemoeien. In het midden van de stampvolle allée had men madame Dieulafay, die te laat gekomen was, neergezet. Hij verbaasde zich over dien luxe, over die soort met witte zijde gecapitonneerde doodkist, waarin de jonge vrouw, gekleed in een rose met kant afgezetten peignoir, lag. Haar man, in gekleede jas, en haar zuster in een zwart, eenvoudig, maar zeer elegant toilet stonden naast haar, terwijl abbé Judaine, naast de zieke geknield, een vurig gebed opzond.

Toen de priester weer opstond, maakte mijnheer Vigneron [314]een plaatsje voor hem op de bank en veroorloofde zich de vrijheid te vragen:

“En voelt de arme jonge vrouw zich al wat beter?”

Abbé Judaine maakte een gebaar van troostelooze droefheid.

“Helaas, neen … Ik was zoo vol hoop! Ik heb de familie overgehaald hierheen te gaan. De Heilige Maagd heeft mij twee jaar geleden een zoo buitengewone genade bewezen door mijn arme verloren oogen te genezen, dat ik vertrouwde nog een gunst van haar te krijgen … Enfin, ik wil nog niet wanhopen. Wij hebben nog tijd tot morgen.”

Mijnheer Vigneron keek aandachtig naar dat vrouwengezicht, waarin men het zuivere ovaal en de prachtige oogen zag, doch dat nu wezenloos en als een doodenmasker in de kant lag.

“Het is werkelijk heel treurig,” mompelde hij.

“En als u haar verleden zomer gezien hadt!” begon de priester weer. “Zij hebben hun kasteel te Saligny, mijn parochie, en ik dineerde dikwijls bij hen … Ik kan haar andere zuster, madame Jousseur, de dame in het zwart, die daar staat, niet aanzien, zonder tranen in mijn oogen te krijgen, want zij lijkt veel op haar, maar de zieke was nog mooier, een der schoonheden van Parijs. Vergelijk die schittering, die verheven gratie eens bij dat arme, beklagenswaardige schepsel … Daar krimpt je hart bij ineen. En wat een vreeselijke les!”

Hij zweeg een oogenblik. De vrome man, die hij van nature was, zonder eenigen hartstocht en zonder scherp verstand, dat hem zijn geloof moeilijk maakte, had een naïeve bewondering voor schoonheid, rijkdom en macht, die hij echter nooit benijd had. Toch durfde hij uiting geven aan een twijfel, aan iets, dat hem hinderde en hem zijn gewone kalmte ontnam.

“Ik voor mij had liever gezien, dat zij eenvoudiger hier gekomen was, zonder al dat vertoon van luxe, want de Heilige Maagd ziet met meer welgevallen op de nederigen neer … Maar ik begrijp heel goed, dat de maatschappelijke verhoudingen zoo iets noodzakelijk maken. En dan hoeveel houden haar man en haar zuster van haar! Bedenk eens, dat hij er zijn zaken en zij er haar mondaine genoegens voor in den steek gelaten hebben; de gedachte dat zij haar kunnen verliezen, maakt hen zoo van streek, dat zij altijd die vochtige oogen en die troostelooze uitdrukking hebben, die u nu ziet. We moeten het hun dan ook niet al te zeer verwijten, dat [315]zij haar de vreugde geven mooi te zijn tot haar laatste uur.”

Mijnheer Vigneron knikte goedkeurend. De rijke lui hadden niet het meeste geluk in de Grot. Dienstboden, boerinnen, arme vrouwen genazen, terwijl dames met haar ziekten en zonder verlichting van hun lijden teruggingen, ondanks haar giften en de dikke kaarsen, die zij lieten branden. En ondanks zichzelf keek hij naar madame Chaise, die weer geheel bekomen was van haar aanval en nu met een gelukzalig gelaat zat uit te rusten.

Maar op dat oogenblik ging een beweging door de menigte en abbé Judaine zeide nog:

“Pater Massias gaat den kansel op. Dat is een heilige, luister naar hem!”

Men kende hem; hij kon zich niet vertoonen, zonder dat alle zieken door een plotselinge hoop bezield werden, want men zeide, dat zijn groote geloofsijver en zijn vroomheid de wonderen bevorderden. Hij ging door voor een man met een teedere en toch krachtvolle stem, die de Heilige Maagd lief had.

Alle hoofden hadden zich opgericht, en de ontroering werd nog grooter, toen men pater Fourcade zag, die tot onder aan den kansel medegekomen was, steunend op den schouder van zijn veel geliefden, onder allen uitverkoren broeder; hij bleef staan om hem te hooren. Zijn jichtige voet deed hem sinds dien ochtend veel pijn, zoodat hij veel moed noodig had om zoo rustig te blijven staan. De toenemende geestdrift der menigte maakte hem gelukkig, hij voorzag wonderen, opzienbarende genezingen, tot roem van Maria en Jezus.

Pater Massias sprak niet dadelijk, toen hij op den kansel was. Hij leek heel groot, mager en bleek met zijn ascetengelaat, dat door de verkleurde baard nog langer scheen. Zijn oogen fonkelden, zijn groote, welsprekende mond zette zich hartstochtelijk uit.

“Heer, red ons; wij vergaan.”

En medegesleept herhaalde de menigte in een koortsachtige beweging, die van minuut tot minuut steeg:

“Heer, red ons; wij vergaan.”

Hij opende zijn armen en slingerde zijn vlammend woord, alsof hij het uit zijn laaiend hart gerukt had, naar de menigte:

“Heer, als gij wilt, kunt gij mij genezen!”

“Heer, als gij wilt, kunt gij mij genezen!”

“Heer, ik ben niet waard, dat gij ingaat in mijn huis, maar spreek slechts één woord, en ik zal genezen worden!” [316]

“Heer, ik ben niet waard, dat gij ingaat in mijn huis, maar spreek slechts één woord, en ik zal genezen worden!”

Marthe, de zuster van broeder Isidore, was zachtjes begonnen te praten met madame Sabathier, naast wie zij eindelijk was gaan zitten. Ze hadden kennis gemaakt in het Hôpital en in de verbroedering van zooveel lijden vertelde de dienstbode vertrouwlijk tegen de “mevrouw”, hoe ongerust zij zich over haar broer maakte, want zij zag heel goed, dat hij op het uiterste lag. De Heilige Maagd moest zich haasten, wanneer zij hem nog genezen wilde. Het was al een wonder, dat men hem nog levend in de Grot gebracht had.

In haar berusting van arm, eenvoudig schepseltje weende zij niet. Maar haar hart was zoo vol, dat de weinige woorden, die zij sprak, haar bijna deden stikken. Dan kwam de herinnering aan het verleden als een bruisende golf boven en met haar door het lange zwijgen schorrige stem, stortte zij haar hart uit:

“Wij waren in Saint-Jacut, dicht bij Vannes, met ons veertienen thuis … Hij is, zoo groot als hij was, altijd ziekelijk geweest en daarom is hij ook bij heer pastoor gebleven, die hem eindelijk in de Christelijke scholen heeft laten opnemen … De oudsten hebben de boerderij genomen, maar ik wou liever gaan dienen. Ja, een dame heeft me nou vijf jaar geleden meegenomen naar Parijs … O, hoe moeilijk is toch het leven. Ieder heeft zoo zijn eigen kruis!”

“Zeg dat wel,” antwoordde madame Sabathier, terwijl zij naar haar man keek, die met devotie iederen zin van pater Massias herhaalde.

“En toen,” vertelde Marthe verder, “hoorde ik verleden maand, dat Isidore uit de warme landen, waar hij zendeling geweest was, teruggekomen was en een leelijke ziekte meegebracht had … Toen ben ik dadelijk naar hem toe gegaan, en toen zeide hij, dat hij sterven zou, wanneer hij niet naar Lourdes ging, maar dat hij onmogelijk die reis kon maken, omdat hij niemand had, om met hem mee te gaan … Nou, ik had tachtig francs opgespaard en toen heb ik mijn dienst opgezegd en zijn we samen gegaan … En dat ik zooveel van hem houd, madame, dat komt, omdat hij, toen ik nog klein was, aalbessen voor me meebracht uit de pastorie, terwijl mijn andere broers mij sloegen.”

Zij viel weer terug in haar zwijgen. Haar gezicht was opgezwollen van verdriet, zonder dat tranen wilden komen uit haar droeve, door het lange waken ontstoken en brandende [317]oogen. Zij stamelde nog slechts onsamenhangende woorden.

“Kijk toch eens naar hem, madame … Het is om medelijden mee te krijgen … Ach, lieve God, die arme wangen, die arme kin, dat arme gezicht!”

Het was inderdaad een verschrikkelijke aanblik. Het hart van madame Sabathier kromp ineen, toen zij broeder Isidore daar zoo geel, zoo aardkleurig, zoo bedekt met het koude doodszweet zag liggen. Hij liet alleen maar zijn gevouwen handen en zijn door enkele haren omgeven gezicht zien; maar al schenen zijn waskleurige handen dood, al bewoog zich op zijn lang, door pijn vertrokken gelaat geen spier meer, de oogen leefden nog, de oogen met hun onuitbluschbare liefde, welker vlam voldoende was om zijn stervend gelaat als van een Christus aan het kruis te verhelderen. Nooit was het contrast van het lage voorhoofd en de bekrompen, dierlijke uitdrukking van den boer eener- en den hemelschen glans van dat arme, verwoeste, door het lijden geheiligde, in den hartstochtelijken gloed van het geloof in zijn laatste oogenblikken verheerlijkte doodenmasker anderzijds duidelijker uitgekomen. Het lichaam was als het ware weggesmolten, hij was zelfs geen ademtochtje meer; hij was nog slechts een blik, een licht.

Sedert men hem daar neergelegd had, had hij zijn oogen niet meer afgewend van het beeld der Heilige Maagd. Niets anders bestond meer voor hem. Hij zag de groote menigte niet, hoorde zelfs niet het razende schreeuwen der priesters, de onafgebroken kreten, welke deze huiverende menigte deden schokken. Zijn oogen alleen had hij nog, zijn oogen, waarin een eindelooze liefde brandde en die zich vastgehecht hadden aan de Heilige Maagd, om zich nooit meer van haar af te wenden. Zij dronken haar in tot in den dood, in een laatste oplaaiïng van zijn wil, om in haar op te gaan, in haar te sterven. Even ging zijn mond open; een uitdrukking van hemelsche zaligheid ontspande zijn gelaat. Dan bewoog zich niets meer, zijn oogen bleven wijd open staan, strak starend naar het witte beeld.

Enkele seconden verliepen. Marthe had een killen ademtocht gevoeld, die haar tot in haar haarwortels koud worden deed.

“Kijk eens, madame!”

Angstig deed madame Sabathier, alsof zij haar niet begreep.

“Wat, beste meid?” [318]

“Mijn broer, kijk dan toch … Hij beweegt zich niet meer. Hij heeft zijn mond geopend en daarna heeft hij zich niet meer bewogen.”

Toen huiverden beiden in de zekerheid, dat hij gestorven was. Zonder een rochelen, zonder een ademtochtje was hij verscheiden, alsof het leven hem in zijn blik door zijn groote oogen vol liefde en verterenden hartstocht ontvloden was. Hij had den laatsten adem uitgeblazen met een blik op de Heilige Maagd, en met zijn gestorven oogen bleef hij haar aankijken in onuitsprekelijke zaligheid.

“Probeer zijn oogen te sluiten,” fluisterde madame Sabathier. “Dan weten we het zeker.”

Marthe was opgestaan; zij boog zich over hem heen, om niet gezien te worden, en trachtte zijn oogen met een vinger, die beefde, toe te drukken. Maar telkens weer gingen de oogen open en keken hardnekkig de Heilige Maagd aan. Hij was dood en zij moest de in een oneindige extase verzonken oogen wijd open laten staan.

“Het is uit, het is uit!” stamelde zij.

Twee tranen kropen uit haar zware oogleden en rolden over haar wangen, terwijl madame Sabathier haar hand greep, om haar te doen zwijgen.

Want reeds ging een gefluister rond, verspreidde zich een onrustige beweging. Maar wat moest men doen? Men kon te midden van zoo’n gedrang en gedurende de gebeden het lijk niet wegdragen zonder gevaar voor een fatale uitwerking. Het beste was maar om hem daar, in afwachting van een gunstig oogenblik, te laten liggen. Het kon niemand ergernis geven, hij scheen niet meer dood te zijn dan tien minuten geleden, en iedereen kon gelooven, dat zijn vlammende oogen nog steeds leefden in hun vurigen aanroep van de goddelijke liefde der Heilige Maagd.

Alleen enkele personen in den naasten omtrek wisten het. Angstig had mijnheer Sabathier zijn vrouw een onmerkbaar teeken gegeven, om haar te vragen; en door een zwijgenden, langen blik van haar op de hoogte gebracht, was hij weer zonder opstand gaan bidden, terwijl hij verbleekte voor die geheimzinnige almacht, welke den dood zond, wanneer men het leven vroeg. De Vignerons waren één en al belangstelling, zij bogen zich naar elkaar toe en fluisterden met elkaar als na het een of andere ongeluk op straat, een van die kleine voorvallen, waarmede de vader van zijn bureau thuis kwam en waarover dan den geheelen avond gesproken werd. [319]

Madame Jousseur had zich omgedraaid en mijnheer Dieulafay een paar woorden ingefluisterd; dan keken zij weer naar hun dierbare zieke, terwijl abbé Judaine, door mijnheer Vigneron op de hoogte gebracht, neerknielde en fluisterend de gebeden der stervenden prevelde. Was hij geen heilige, deze zendeling, die met zijn doodelijke wonde in zijn zijde uit de moordende tropen teruggekeerd was, om hier onder den glimlachenden blik der Heilige Maagd te sterven? Voor madame Maze had de dood zijn verschrikking verloren, en zij smeekte den hemel haar ook zoo zachtjes weg te nemen, wanneer hij haar niet verhoorde en haar haar echtgenoot niet teruggaf.

Maar de kreet van pater Massias klonk weer òp, uitte zich met de kracht van een verschrikkelijke vertwijfeling en onder hartverscheurend gesnik.

“Jezus, zoon van David, ik ga ten gronde; red mij!”

En de menigte snikte na:

“Jezus, zoon van David, ik ga ten gronde; red mij!”

“Jezus, zoon van David, erbarm u over onze zieke kinderen!”

“Jezus, zoon van David, erbarm u over onze zieke kinderen!”

“Jezus, zoon van David, kom en genees ze, opdat zij leven!”

“Jezus, zoon van David, kom en genees ze, opdat zij leven!”

Het steeg tot waanzin. Pater Fourcade, aan den voet van den kansel medegesleept door den buitengewonen hartstocht, die uit de harten stroomde, had zijn armen ten hemel geheven en schreeuwde ook met zijn donderende stem, als om den hemel met geweld te dwingen. De razernij nam toe onder dien storm van smeekgebeden, welke de menigte allengs boog, de slechts uit nieuwsgierigheid gekomen jonge dames, die op de borstwering van den Gave zaten en onder haar parasols verbleekten, niet uitgezonderd. De ongelukkige menschheid smeekte van uit den diepen afgrond van haar lijden; het geschreeuw streek rillend over al die gebogen nekken; het was niet meer dan een in doodsangst krimpend volk, dat weigerde te sterven en God dwingen wilde in zijn raadsbesluit het eeuwige leven op te nemen. O, het leven, het leven! Al deze ongelukkigen, al deze van verre, ondanks alle hinderpalen saamgestroomde stervenden wilden niets dan dat, smeekten slechts daarom in een woesten drang om het nog eens te leven, om het altijd te leven! O Heer, genees ons, hoe groot ook ons lijden, hoe verschrikkelijk onze martelingen ook zijn, laat ons opnieuw beginnen te leven, om nogmaals te lijden, wat wij reeds geleden hebben. Hoe rampzalig wij ook zijn, wij willen leven. Niet den hemel [320]vragen wij u, maar de aarde, die wij zoo laat mogelijk, ja, mocht uw macht zich verwaardigen zoo ver te gaan, nooit zouden willen verlaten! En zelfs wanneer wij u niet om een lichamelijke genezing vragen, maar om een geestelijke genade, dan is het toch ook weer geluk, waarom wij smeeken, het geluk, waarnaar wij zoo snakken en smachten. O Heer, laat ons gezond en gelukkig worden, laat ons leven, laat ons leven!

Deze waanzinnige kreet, de kreet van een vurige levensbegeerte, die door pater Massias uitgestooten werd, steeg in tranen uit alle harten op.

“O Heer, zoon van David, genees onze zieken!”

“O Heer, zoon van David, genees onze zieken!”

Tweemaal had Berthaud te hulp moeten schieten, om te verhinderen, dat onder den onbewusten drang der menigte de touwen braken. In den menschenvloed ondergedompeld, maakte baron Suire wanhopige gebaren, smeekte, dat men hem te hulp zou komen: de pelgrims waren met geweld de Grot binnengedrongen; het défilé was niet meer dan een rondtrappelende kudde, die ging waarheen zij wilde. Vergeefs verliet Gérard Raymonde weer en ging zelf bij de ingangsdeur van het hek staan, om het consigne: tien aan tien te handhaven. Hij werd weggedrongen, ter zijde geschoven. Het geheele opgewonden, tot razernij opgezweepte volk bruiste als een bergstroom in den gloed der kaarsen, wierp bloemen en brieven aan de voeten der Heilige Maagd, kuste de rots, die millioenen heete monden gepolijst had. Het geloof was ontketend, de groote kracht, die door niets tegen te houden was.

Tegen het hek gedrukt, hoorde Gérard, hoe twee boerinnen, die door den stroom meegesleurd waren, elkaar haar indrukken mededeelden over de zieken, die zij liggen zagen. Een werd getroffen door het zoo bleeke gelaat van broeder Isidore met zijn groote, akelig wijd geopende en naar het beeld der Heilige Maagd starende oogen. Zij maakte het teeken des kruises en prevelde, met vrome bewondering vervuld:

“Kijk dezen eens, hoe hij bidt met zijn heele hart en hoe hij Notre-Dame de Lourdes aanstaart!”

De andere boerin antwoordde:

“Zij zal hem zeker beter maken, hij is zoo mooi.”

Zoo ontroerde met zijn gebed van liefde en geloof, dat hij in zijn niet-meer-zijn voortbad, de doode met het eindelooze staren van zijn blik alle harten en stichtte het volk, dat voorbijtrekken bleef. [321]

[Inhoud]

III.

Abbé Judaine zou in de processie van vier uur het Heilige Sacrament dragen. Sedert de Heilige Maagd hem van een oogziekte genezen had, een wonder, waarover de Katholieke bladen nog steeds vol stonden, was hij een glorie van Lourdes; men plaatste hem daar op den voorgrond en eerde hem door allerlei voorkomendheden.

Om half vier stond hij op en wilde de Grot verlaten. Maar hij was bang voor den buitengewonen toevloed der menigte; hij vreesde te laat te zullen komen, als hij er zich niet uit bevrijden kon. Gelukkig echter kreeg hij hulp.

“Mijnheer de pastoor,” zeide Berthaud tegen hem, “als ik u was, zou ik niet probeeren over de place du Rosaire te gaan, want daar komt u niet door. Het beste zal zijn de slingerpaadjes te nemen … Volg mij maar!”

Met zijn ellebogen baande hij door de dichte menigte een weg voor den priester, die zich in dankbetuigingen uitputte.

“Te vriendelijk van u … Het is mijn schuld. Ik heb me verlaat … Maar lieve hemel, hoe moeten wij hier straks met de processie door komen?”

Die processie bleef ook Berthaud zorg baren. Op gewone dagen verwekte zij bij het voorbijtrekken reeds een razenden aanval van geestdrift, die hem dwong bijzondere maatregelen te nemen. Wat zou er nu niet kunnen gebeuren door die samengepakte menigte van dertig duizend personen, die reeds zoo opgezweept waren, dat zij in goddelijke razernij vervallen schenen te zijn. Heel verstandig maakte hij dan ook van de gelegenheid gebruik, om den priester de uiterste voorzichtigheid aan te raden.

“Och, mijnheer de pastoor, zeg, wat ik u verzoeken mag, aan de heeren geestelijken geen onderlinge tusschenruimte te bewaren, maar vlak achter elkaar te loopen … En laten zij vooral de banieren goed vasthouden, opdat zij niet omslaan … En wat u zelf betreft, mijnheer de pastoor, let er op, dat de mannen, die het baldakijn dragen, flinke krachtige kerels zijn, en zie er niet tegen op den monstrans met beide handen en stevig vast te houden.”

Een beetje verschrikt door die raadgevingen, bedankte de priester Berthaud nog steeds.

“Zeker, zeker, heel vriendelijk van u … Wat ben ik u dankbaar, dat u mij uit al die menschen geholpen hebt.”

Eindelijk zich vrij kunnende bewegen, haastte hij zich [322]langs het zigzagpaadje, dat zich over de helling slingert, naar de Basilica, terwijl Berthaud zich weer in de menigte dompelde, om zijn surveillance voort te zetten.

Op hetzelfde oogenblik stootte Pierre, die Marie in haar wagentje reed, aan den anderen kant, op de place du Rosaire tegen den ondoordringbaren muur der menigte. Om drie uur had het kamermeisje hem gewekt, om Marie in het Hôpital te halen. Zij hadden geen haast, zij hadden tijd in overvloed om vóór de processie in de Grot te komen. Maar deze ontzaglijke menigte, die weerstand biedende muur, waar hij niet door wist te komen, maakte hem ten slotte ongerust. Nooit zou hij er met het wagentje doorkomen, als de menschen niet wat medewerkten.

“Als het u blieft, dames … U ziet toch, dat het voor een zieke is!”

Maar de dames bewogen zich niet; zij waren als gehypnotiseerd door den aanblik van de in de verte gloeiende Grot en gingen op haar teenen staan, om toch maar niets van het schouwspel te verliezen. Trouwens het geschreeuw der litanie was op dat oogenblik zóó sterk, dat men zelfs de vraag van den jongen priester niet hoorde.

“Mijnheer, wees zoo goed en laat mij even voorbij … Een klein beetje plaats voor een zieke, als ik u verzoeken mag!”

Maar de mannen, buiten zichzelf van geestdrift en in een blinde en doove verrukking, bewogen zich evenmin als de vrouwen.

Marie glimlachte kalm en rustig, alsof zij niets van den hinderpaal merkte en zeker was, dat niets ter wereld haar beletten zou haar genezing tegemoet te gaan. Toch werd, toen Pierre een gaatje gevonden en zich in den bewegelijken stroom begeven had, de situatie moeilijker. Van alle kanten sloeg de deining tegen het ranke wagentje en dreigde het te overstroomen. Bij iederen pas moest hij stil blijven staan, wachten, opnieuw de menschen smeeken. Nog nooit had Pierre zoo’n gevoel van angst voor de menigte gehad. Zij had niets dreigends over zich, was zoo rustig en passief als een kudde schapen, maar een vreemde ademtocht, een verontrustende huivering, die er uit opsteeg, maakte hem bang. En ondanks zijn liefde voor de armen kreeg hij een gevoel van walging door de leelijke, gemeene, zweetende gezichten, den bedorven adem, de oude, naar ellende stinkende kleeren.

“Als het u blieft, dames en heeren, een klein beetje plaats voor een zieke!” [323]

Het verdronken, in deze groote zee heen en weer geslingerde wagentje kwam slechts met schokjes vooruit en had minuten noodig om enkele meters terrein te winnen. Een oogenblik dacht men dat het verzwolgen was, kwam het niet meer boven. Doch dan dook het ter hoogte van den vijver weer op. Ten slotte was er een liefderijke sympathie ontstaan voor dit zieke, door het lijden uitgeteerde, nog zoo mooie jonge meisje. Wanneer de menschen aan het halsstarrige dringen van den priester toe hadden moeten geven, keerden zij zich om, maar durfden niet boos worden; integendeel zij werden door dat magere smarten-gezichtje, dat in het aureool van haar blonde haren straalde, verteederd. Woorden van medelijden en bewondering gingen van mond tot mond. Het arme kind! Was het niet verschrikkelijk om op dien leeftijd al zóó hulpbehoevend te moeten zijn? Mocht de Heilige Maagd haar genadig zijn! Anderen weer werden getroffen door de extase, waarin zij haar zagen, door haar mooie groote oogen, die in het hiernamaals der hoop schenen te staren. Zij zag den hemel, zij zou zeker genezen worden. Het was als het ware een kielwater van verbaasdheid en broederlijke liefde, dat het kleine wagentje achterliet in de golf, die het met zooveel moeite doorkliefde.

Pierre was wanhopig: hij voelde zijn krachten verminderen, toen gelukkig brancarddragers hem te hulp kwamen, die trachtten een weg vrij te maken voor de processie, dien Berthaud hun bevolen had te beschermen met touwen, welke zij op afstanden van twee meter vasthielden. Van af dat oogenblik kon hij Marie ongehinderd voortrijden en haar eindelijk in de gereserveerde ruimte brengen, waar zij links van de Grot stil hielden. Men kon er zich niet bewegen, de menschenvloed scheen van minuut tot minuut toe te nemen.

Na het vertrek uit het Hôpital had Marie nog niet gesproken. Hij begreep, dat zij hem wat zeggen wilde, en hij boog zich over haar heen.

“Is vader er?” vroeg zij. “Is hij nog niet van zijn uitstapje terug?”

Hij moest wel antwoorden, dat mijnheer de Guersaint nog niet terug was, dat hij zich, ongetwijfeld buiten zijn wil, verlaat had. Toen voegde zij er met een glimlachje aan toe:

“Die goede vader zal blij zijn, als hij mij genezen terugziet!”

Met een ontroerde bewondering keek Pierre haar aan. Hij kon zich niet meer herinneren haar, ondanks de langzame [324]verwoesting der ziekte, ooit zoo bekoorlijk gezien te hebben. Haar haren, het eenige, dat gespaard gebleven was, hulden haar als in een gouden kleed. Het kleiner en fijner geworden gezichtje had een droomende uitdrukking aangenomen, haar trekken waren onbeweeglijk, alsof zij in een idée fixe ingeslapen was en wachtte tot de schok van het verwachte geluk haar zou wekken. Haar geest had zich als het ware van haar los gemaakt, om in haar terug te keeren, zoodra God het wilde. En dit, ondanks haar drie-en-twintig jaren, bekoorlijke, kleine meisje, dat in den ontwikkelingstoestand gebleven was, waarin zij verkeerde, toen een ongeluk haar in haar geslachtsleven getroffen had, dat haar ontwikkeling tegengehouden, haar verhinderd had vrouw te worden, dat meisje was thans in een stadium, waarin zij het bezoek van den engel verwachtte, den wonderdadigen schok, die haar uit haar verstijving zou doen opstaan. De ’s morgens ingetreden extase was gebleven, haar handen lagen gevouwen, een verrukking van haar geheele wezen had haar, zoodra zij het beeld der Heilige Maagd gezien had, aan de aarde ontrukt. Zij bad en bracht zichzelf der Godheid ten offer.

Het was voor Pierre een uur van groote beproeving. Hij voelde, dat het drama van zijn priesterleven zich ging afspelen, dat, wanneer hij zijn geloof thans niet terugvond, het nooit terugkomen zou. En hij was zonder slechte gedachten; zonder tegenstand te bieden wenschte ook hij vurig, dat zij beiden genezen zouden worden. O, overtuigd te worden door haar genezing, samen te gelooven, samen gered te zijn! Hij wilde bidden als zij, vurig. Maar ondanks hem zelf, werd zijn geest bezig gehouden door de menigte, die eindelooze menigte, waarin het hem zooveel moeite kostte, op te gaan, te verdwijnen, niet meer te zijn dan een blad in het woud, dat in het ritselen van alle bladeren verloren gaat. Hij moest haar analyseeren, haar beoordeelen, of hij wilde of niet. Hij wist, dat zij sedert vier dagen opgezweept werd, onder den invloed van suggestie stond: de koortsachtige opwinding van de lange reis en van het zien van nieuwe landschappen, de dagen doorgebracht voor den gloed der Grot, de slapelooze nachten, de geprikkelde, naar illusie hongerende pijn. Daarbij kwam nog de obsessie van de gebeden, van de gezangen, van de litanieën, die haar zonder onderbreking schokten. Een andere priester had de plaats van pater Massias ingenomen; en hij hoorde, hoe deze, een magere, donkere abbé, met een als zweepslagen striemende stem de Heilige [325]Maagd en Jezus aanriep, terwijl pater Massias en pater Fourcade, aan den voet van den kansel, de kreten der menigte, wier geweeklaag hooger in den fellen zonneschijn oprees, leidden. De opwinding was nog toegenomen, het was het oogenblik, waarop het den hemel aangedane geweld over de wonderen besliste.

Plotseling was een lamme opgestaan en liep, haar kruk in de hoogte houdend, naar de Grot; en die recht boven de deining der hoofden gehouden en als een vaandel gezwaaide kruk ontlokte juichkreten aan de geloovigen. Men loerde op de wonderen, men verwachtte ze met de zekerheid, dat zij ontelbaar, opzienbarend komen zouden. Oogen meenden ze te zien, koortsachtige ooren hoorden ze naderen. Weer een, die genezen was, en nog een, en nog een! Een doove, die weer hoorde; een stomme, die weer sprak; een teringlijdster, die weer opleefde! Wat, een teringlijdster? Ja, natuurlijk, dat kwam toch dagelijks voor! Verrassingen waren buitengesloten, zonder verbazing zou men geconstateerd hebben, dat een afgezet been weer aangroeide. Het wonder werd het natuurlijke, het gewone, banaal bijna, omdat het zoo dikwijls voorkwam. Voor die oververhitte phantasieën schenen in de logica van wat zij van de Heilige Maagd verwachtten, de ongelooflijkste verhalen eenvoudig. Men moest de verhalen, die de rondte deden, de kalme verzekeringen, de absolute zekerheid hooren, wanneer een opgewonden zieke gilde, dat zij genezen was. Nog een, en nog een! Een enkele maal hoorde men een troostelooze stem zeggen: “Die is genezen, die heeft geluk!”

Reeds op het geneeskundig bureau had Pierre zich geërgerd aan de lichtgeloovigheid van de daar aanwezige personen. Maar hier werd alles overtroffen; hij maakte zich boos over de buitensporigheden, die hij hoorde en die zoo kalm en met een glimlachje gezegd werden. Hij trachtte dan ook aan iets anders te denken en naar niets meer te luisteren. “God, geef toch, dat mijn verstand vernietigd wordt, dat ik niets meer wil begrijpen, dat ik het onwerkelijke en onmogelijke aanvaard!” Gedurende een oogenblik meende hij, dat de drang om alles, wat om hem heen gebeurde, te onderzoeken, in hem gestorven was, liet hij zich medesleepen door de smeekbede: “Heer, genees onze zieken … Heer, genees onze zieken!” Hij herhaalde haar met al de barmhartige liefde, die in hem was, hij vouwde zijn handen, keek strak naar het beeld der Heilige Maagd, tot hij er duizelig van werd en zich verbeeldde, [326]dat zij zich bewoog. Waarom zou hij niet kind worden als de anderen, daar toch geluk alleen bestaanbaar is in onwetendheid en leugen? De besmetting zou eindelijk bij hem ook wel werken, hij zou niet meer zijn dan het zandkorreltje onder de zandkorreltjes, de nederige onder de nederigen, zonder zich te bekommeren om de krachten, welken den molensteen, die ze verplettert, in beweging brengen.

En juist in die seconde, toen hij hoopte den ouden mensch in zich gedood, zich met zijn wil en zijn rede vernietigd te hebben, begon in zijn boezem weer het heimelijke, onafgebroken, onoverwinnelijke gedachtenwerk. Hoe hij er zich ook tegen verzette, hij keerde langzamerhand tot zijn onderzoekingen terug, twijfelde, zocht. Welke was toch die ongekende kracht, die zich uit de menigte losmaakte? Een levensfluïdum, dat machtig en krachtig genoeg was, om de enkele genezingen, die toch werkelijk plaats vonden, te bewerken? Hier was een verschijnsel, dat geen physioloog nog bestudeerd had. Moest men gelooven, dat een menigte niet meer was dan één wezen, dat de macht der auto-suggestie met vertiendubbelde kracht op zich kon laten inwerken? Kon men aannemen, dat in bepaalde gevallen van de uiterste overspanning een menigte de drager van een onbeperkten wil werd, die de stof dwong te gehoorzamen? Dat zou dan tevens verklaren waarom de gevallen van plotselinge genezing zich juist voordeden bij die personen, welke zich het meest en oprechtst aan hun zielsoverspanning overgaven. Alle ademtochten vereenigden zich in één ademtocht, en de werkende kracht was een kracht van troost, van hoop en van leven.

Deze door menschelijke barmhartige liefde ingegeven gedachte ontroerde Pierre. Een oogenblik nog kon hij zichzelf weer meester worden, kon hij, zeer geroerd door dit geloof, dat hij aldus voor zijn deel medewerkte aan de genezing van Marie, om de genezing van allen bidden. Maar plotseling, zonder dat hij zelf wist door welke gedachtenassociatie, kwam de herinnering in hem op aan het consult, dat hij vóór het vertrek naar Lourdes over het geval van het jonge meisje geëischt had. Het tooneel stond wonderduidelijk voor zijn geest: hij zag weer de kamer met haar grijs, blauwgebloemd behang, hij hoorde de drie geneesheeren beraadslagen en beslissen. De twee, die certificaten gegeven hadden, concludeerden tot ruggemergsverlamming, spraken met de langzame bezadigdheid van bekende, geëerde en geziene doktoren, die [327]een lange praktijk achter den rug hebben, terwijl hem nog in de ooren klonk de levende, warme stem van zijn achterneef Beauclair, den derden geneesheer, een jongen man met een helder, koen verstand, die door zijn collega’s koel en als een avontuurlijke geest behandeld werd. En tot zijn verbazing vond Pierre op dit kritieke oogenblik in zijn herinnering dingen terug, waarvan hij niet wist, dat zij zich daar bevonden; vond hij die terug krachtens dat vreemde verschijnsel, dat nauwelijks gehoorde, slecht begrepen, onwillekeurig opgeslagen woorden na een lange vergetelheid weer wakker worden, uitbreken en zich aan den geest opdringen. Het scheen hem toe, alsof de nadering van het wonder de omstandigheden, waaronder Beauclair hem voorspeld had, dat het zich zou voltrekken, voor den geest riep.

Vergeefs trachtte Pierre door met verdubbelde innigheid te bidden, die herinnering van zich af te zetten. De beelden kwamen weer terug, de eenmaal gehoorde woorden weerklonken opnieuw en vulden zijn ooren als met trompetgeschal. Nu zat hij, na het vertrek der twee anderen, met Beauclair in de eetkamer. En deze deed hem het verhaal der ziekte: de val van een paard op de voeten op veertienjarigen leeftijd; een daardoor veroorzaakte ontwrichting van het gekantelde, op zijde geworpen orgaan, die ongetwijfeld gepaard gegaan was met een scheuring der banden, waarvan het zware gevoel in de onderbuik en in de lendenen, de tot verlamming overgegane zwakheid der beenen het gevolg was; daarna het langzaam herstel der storingen, het orgaan, dat vanzelf weer op zijn goede plaats gekomen was, het heelen en toetrekken der banden, zonder dat de pijnlijke verschijnselen hadden kunnen ophouden bij dit groote, zenuwachtige kind, wier hersenen, die door het ongeval eveneens aangedaan waren, zich niet losmaken konden van de herinnering er aan, zoodat haar aandacht steeds op dat punt, waar zij pijn had, gelocaliseerd bleef en zij niet in staat was nieuwe voorstellingen te krijgen; op die wijze was, zelfs na de genezing, de pijn blijven aanhouden en een neuropathische toestand ingetreden met een daaraan onvermijdelijk verbonden zenuwuitputting, die ongetwijfeld verergerd werd door bijkomstige, nog niet voldoende bestudeerde voedingsstoornissen.

Aldus kon Beauclair dan ook makkelijk de tegenstrijdige en verkeerde diagnosen verklaren van de talrijke geneesheeren, die haar behandeld hadden, zonder haar nauwkeurig te onderzoeken, [328]en dus in het duister rondtastten, waardoor sommigen aan een tumor, de meesten aan een ruggemergaandoening geloofden. Hij alleen had, na zich vergewist te hebben van het erfelijk belast zijn der zieke, vermoed, dat men hier te doen had met een eenvoudig geval van auto-suggestie, waaruit zij zich na den eersten schok en de hevige pijnen niet had kunnen losrukken. En hij gaf gronden en redenen voor zijn vermoeden: het kleiner geworden gezichtsveld, de starre oogen, de verstrooide, als afwezige gelaatsuitdrukking, vooral echter den aard van het lijden, dat het orgaan verlaten had, om zich te verplaatsen naar den linker eierstok, waar het zich openbaarde door een zware, ondraaglijke drukking, die soms in benauwende aanvallen opklom tot de keel. Alleen een plotselinge wil om zich uit de valsche voorstelling van haar kwaal los te rukken, een wil om op te staan, vrij adem te halen, geen pijn meer te hebben, kon haar, als onder den zweepslag van een groote opwinding genezen en veranderd, weer op den been brengen.

Een laatste maal nog trachtte Pierre niets meer te zien, niets meer te hooren, want hij voelde, dat dit de onherstelbare ineenstorting van het wonder in hem was. En ondanks zijn pogingen, ondanks het vuur, waarmede hij het: “Jezus, zoon van David, genees onze zieken!” uitschreeuwde, zag en hoorde hij nog steeds Beauclair, die hem op zijn kalme en glimlachende wijze uitlegde, hoe het wonder zich als in een bliksemstraal zou voltrekken in het oogenblik der uiterste opwinding, waarin op het beslissende moment de spieren zich zouden ontspannen. In de verrukking van een vreugde-delirium zou de zieke dan opstaan en loopen, zouden haar beenen plotseling licht worden, bevrijd van de drukking, die ze sedert zoo langen tijd zoo zwaar als lood maakte, alsof die zwaarte weggesmolten en in den grond weggevloeid was. Doch met name het gewicht, dat op haar buik drukte, dat hooger optrok, haar borst en haar keel beklemde, zou, als door een stormwind voortgedreven, verdwijnen en de geheele ziekte met zich meenemen. Werd op die wijze in de Middeleeuwen niet de duivel uitgedreven uit den mond der bezetenen, wier maagdelijk lichaam langen tijd de martelingen ondergaan had? En Beauclair had eraan toegevoegd, dat Marie eindelijk vrouw zou zijn, dat het bloed van het moederschap zou gaan vloeien, wanneer met een hosanna-kreet dat kind gebleven, achterlijke en door een zoo langen lijdensdroom gebroken lichaam ontwaken en plotseling met [329]levende oogen en een stralend gelaat aan de gezondheid teruggeven worden zou.

Pierre keek Marie aan, en toen hij haar zoo jammerlijk in haar wagentje liggen zag, zoo vurig smeekend, zoo vol overgave aan Notre-Dame de Lourdes, die het leven gaf, werd zijn onrust nog grooter. O, mocht zij toch gered worden al was het voor den prijs van zijn eigen verdoemenis. Maar zij was te ziek, de wetenschap loog en bedroog al even hard als het geloof; hij kon niet gelooven, dat dit kind met haar gedurende zoovele jaren afgestorven beenen zou herleven. En in den woesten twijfel, waarin hij viel, riep zijn bloedend hart nog luider, herhaalde tot in het oneindige tezamen met de waanzinnig ijlende menigte:

“Heer, zoon van David, genees onze zieken!… Heer, zoon van David, genees onze zieken!”

Op dat oogenblik ontstond er een tumult en deed de menigte deinen. De menschen huiverden, hoofden draaiden zich om en rekten hun halzen uit. Het was de processie van vier uur, die zich wat verlaat had, en waarvan het kruis onder een boog van de monumentale trap tevoorschijn kwam. Er ontstond zoo’n gejuich, zoo’n heftig instinctief dringen, dat Berthaud met groote gebaren aan de brancarddragers beval de menschen terug te drijven door krachtig aan de touwen te trekken. Genen, die een oogenblik meegesleurd werden, moesten zich met gewonde vuisten naar achter zien te werpen; ten slotte slaagden zij erin den vrij gehouden weg nog iets breeder te maken, zoodat de processie zich langzaam kon gaan voortbewegen. Aan het hoofd ging een kranige, in blauw met zilver gekleede kerkbewaarder, op wien het hooge, als een ster stralende processiekruis volgde. Dan kwamen de delegaties van de verschillende bedevaarten met haar banieren, fluweelen of satijnen standaards, met goud en zilver en veelkleurige zijde geborduurd, met geschilderde figuren versierd; zij droegen de namen der steden: Versailles, Reims, Orléans, Poitiers, Toulouse. Een, geheel wit en rijk versierd, had in roode letters het opschrift: “Oeuvre des Cercles catholiques d’ouvriers”. Vervolgens kwamen de geestelijken, twee of driehonderd priesters in soutane, een honderd met het koorhemd, een vijftigtal in gouden als sterren schitterende misgewaden. Allen droegen brandende kaarsen, allen zongen met luider stemme Laudate Sion Salvatorem.1 [330]

In koninklijke pracht en praal volgde dan de baldakijn van purperen zijde met goudgalon; hij werd gedragen door vier priesters, die men waarschijnlijk onder de krachtigsten uitgekozen had. Daaronder droeg, tusschen twee andere assisteerende priesters, abbé Judaine het Heilige Sacrament, dat hij, zooals Berthaud hem aangeraden had, stevig met zijn beide handen vasthield; de eenigszins onrustige blikken, die hij rechts en links op de aandringende menigte wierp, bewezen duidelijk, dat hij bang was of hij dezen zwaren, goddelijken monstrans, die hem nu reeds zulke pijnen in zijn polsgewrichten veroorzaakte, wel in veilige haven zou brengen. Wanneer een zonnestraal er schuin op viel, zou men hem voor een tweede zon gehouden hebben. Koorknapen zwaaiden wierookvaten in het verblindende stof van het felle licht, dat de geheele processie tot één schittering maakte. Eindelijk kwam daarachter een ordelooze stroom van pelgrims, een rondtrappelende kudde, geloovigen en nieuwsgierigen.

Sedert enkele oogenblikken had pater Massias den kansel weer bestegen en ditmaal had hij een andere oefening uitgedacht. Na de verterende kreten van geloof, hoop en liefde, die hij uitgestooten had, beval hij plotseling volkomen stilte, opdat iedereen met gesloten lippen in het geheim twee of drie minuten met God alleen zou kunnen spreken. Die momenteele stilte te midden van de groote menigte, die minuten van stil gebed, waarin alle zieken hun geheimste binnenste openden, waren buitengewoon aangrijpend en verheven. Het plechtige ervan kreeg iets angstaanjagends, men hoorde de vlucht van het smeekende verlangen, van het onmetelijke verlangen naar het leven voorbij ruischen. Dan noodigde pater Massias de zieken alleen uit te spreken, God te smeeken hun toe te staan, wat zij van Zijn almacht vroegen. Toen ontstond een jammerlijk geweeklaag: honderden gebroken stemmen bibberden òp en vereenigden zich tot een samengejammer van tranen; “Heer Jezus, als gij het wilt, kunt gij mij genezen!… Heer Jezus, erbarm u over uw kind, dat van liefde sterft!… Heer Jezus, maak, dat ik zie; maak, dat ik hoor; maak, dat ik loop!”

De doordringende stem van een meisje overstemde, licht en scherp als een fluittoon, het algemeene snikken en herhaalde: “Red de anderen, red de anderen, Heer Jezus!”

Tranen stroomden uit aller oogen, want deze smeekbeden ontroerden de harten en brachten de hardvochtigsten in een bedwelming van liefde, in een verheven geestvervoering, [331]waarin zij met beide handen hun borst geopend zouden hebben, om aan hun naaste hun gezondheid en hun jeugd te geven. Pater Massias wilde die geestdrift niet laten bekoelen, maar hervatte zijn kreten en zweepte er opnieuw de delireerende menigte mede aan, terwijl pater Fourcade op een der treden van den kansel ook snikte en zijn door tranen overstroomd gelaat ten hemel hief om God te bevelen neer te dalen.

Maar de processie naderde, de delegaties en de priesters hadden zich rechts en links in rijen opgesteld; en toen de baldakijn de voor de zieken tegenover de Grot gereserveerde ruimte binnenkwam en dezen het als een zon schitterende Heilige Sacrament, Jezus als Hostie, in de handen van abbé Judaine zagen, toen was er geen leiding meer mogelijk, raakten de stemmen verward, sleepte een duizeling alle wilskracht mede. De kreten, de aanroepen, de gebeden gingen in gezucht en gekerm over. Lichamen richtten zich van hun lijdenssponde op, bevende armen strekten zich uit, verschrompelde handen schenen het wonder in het voorbijgaan tegen te willen houden. “Heer Jezus, red ons, wij vergaan!… Heer Jezus, wij aanbidden u, genees ons!… Heer Jezus, gij zijt de Christus, de zoon des levenden Gods, genees ons!”

Driemaal stootten de stemmen in de uiterste opwinding en vertwijfeling deze jammerklacht uit met een geweld, dat den hemel doorboren moest; de tranen verdubbelden en overstroomden de brandende gezichten, die door de heilbegeerte verheerlijkt werden. Een oogenblik werd het delirium zoo hevig, het instinctieve opdringen naar het Heilige Sacrament zoo onweerstaanbaar, dat Berthaud den brancarddragers, die daar stonden, een ketting vormen liet. Deze beschermingsmanoeuvre werd slechts in den uitersten nood toegepast: een rij van dragers werd dan rechts en links van den baldakijn gevormd, waarbij ieder van hen stevig een arm om den nek van zijn buurman sloeg, om op die wijze een soort levenden muur te vormen. Er bleef geen spleet open, niemand kon er door. Maar desniettemin wankelden deze menschelijke barrières onder den druk van de naar het leven smachtende ongelukkigen, die Jezus wilden aanraken en kussen; zij slingerden heen en weer, werden tegen den baldakijn teruggeslagen, dien zij beschermden; en de baldakijn zelf dreef, voortdurend bedreigd door de menigte meegesleurd te worden, onder deze rond als een heilige bark, die in nood verkeert.

En toen, nu de heilige waanzin zijn toppunt bereikt had, [332]braken, als wanneer bij een onweer de hemel zich opent en de bliksem neerslaat, onder smeekbeden en snikken de wonderen los. Een lamme stond op en wierp haar krukken weg. Een doordringende kreet en een vrouw, gewikkeld in een wit laken als in een doodshemd, rees op van haar matras; men zeide, dat het een reeds half doode teringlijdster was, die tot het leven terugkeerde. Vlak na elkaar openbaarde de genade zich nog tweemaal: een blinde, die plotseling de Grot zag; een stomme, die op haar knieën viel en met een luide en helder klinkende stem de Heilige Maagd dankte. En allen knielden, buiten zich zelf van vreugde en dankbaarheid, neer aan de voeten van de Heilige Maagd.

Pierre had Marie niet uit het oog verloren en werd door wat hij zag, machtig aangegrepen en ontroerd. De oogen der zieke, levenloos nog, waren grooter geworden, terwijl haar arm, bleek gelaat samentrok, alsof zij vreeselijk pijn geleden had. Zij sprak niet, maar ongetwijfeld geloofde zij, dat zij opnieuw door haar kwaal aangegrepen was. Plotseling toen het Heilige Sacrament voorbijging en zij de ster ervan zag flikkeren in de zon, werd zij zoo verblind, dat zij meende door den bliksem getroffen te zijn. Aan dien glans had het vuur van haar oogen zich ontvonkt; zij vonden eindelijk haar levensvlam terug en fonkelden als sterren. Haar gelaat kreeg, onder den aandrang van een nieuwe kracht, leven en kleur, straalde van jubelende vreugde en gezondheid. En hij zag, dat zij plotseling oprees en in haar wagentje staan bleef, wankelend en slechts in staat de gestamelde woorden uit te brengen.

“Pierre … Pierre!”

Vlug was hij naar haar toegesneld, om haar te steunen. Maar met een gebaar hield zij hem op een afstand; zij richtte zich hoog op, zoo ontroerend mooi in haar zwart wollen japon en haar pantoffels, die zij altijd aan had, slank en rijzig, met goud omstraald door haar prachtig-blonde haren, die met een eenvoudig kanten doekje bedekt waren. Heel haar maagdelijk lichaam bleef ten prooi aan hevige schokken, alsof een krachtige gisting het opnieuw vormde. Eerst werden haar beenen bevrijd van de ketenen, die ze geboeid hielden. Dan overviel haar, terwijl zij de bloedbron, het leven van de vrouw, de echtgenoote en de moeder in zich voelde ontspringen, een laatste beklemmende angst, want een loodzwaar gewicht steeg van haar buik naar haar keel. Doch ditmaal bleef het daar niet, gaf het haar geen benauwenis, maar [333]sprong uit haar open mond en vloog weg in een kreet van hemelsche verrukking.

“Ik ben genezen … Ik ben genezen!”

Toen volgde een buitengewoon schouwspel. De deken lag aan haar voeten, triomphantelijk straalde haar gezicht. En haar kreet van genezing had met zoo’n verrukking weerklonken, dat de geheele menigte er sprakeloos door werd. Slechts zij bestond nog, men zag slechts haar, grooter geworden, stralend als een goddelijke verschijning.

“Ik ben genezen!… Ik ben genezen!”

Pierre begon in de heftige ontroering, waardoor zijn hart aangegrepen werd, te weenen, en opnieuw stroomden tranen uit aller oogen. Te midden van uitroepen, dankzeggingen, en lofprijzingen maakte een woest, krankzinnig enthousiasme zich allengs van de menigte meester en bracht de duizenden pelgrims, die zich verdrongen, om haar te zien, in een toestand van onbeschrijflijke opwinding. Bijvalsbetuigingen ontketenden zich, een furie van bijvalskreten, die donderend van het eene einde van het dal naar het andere rolden.

Pater Fourcade zwaaide met zijn armen, terwijl pater Massias zich eindelijk verstaanbaar kon maken.

“Geliefde broeders en zusters, God is in ons midden geweest … Magnificat anima mea Dominum…”2

En alle stemmen, de duizenden stemmen hieven het lied der aanbidding en dankzegging aan. De processie was tot stilstand gedwongen, en abbé Judaine, die met den monstrans de Grot had kunnen bereiken, wachtte geduldig alvorens hij den zegen uitsprak. Buiten het hek wachtte de door priesters in koorhemd en misgewaad omgeven baldakijn, in de stralen der ondergaande zon schitterend als goud en sneeuw.

Intusschen was Marie snikkend op haar knieën neergevallen, en den geheelen tijd, dat het gezang duurde, steeg een vurig gebed vol geloof en liefde op naar Gods troon. Maar de menigte wilde haar zien loopen, door haar gelukkige vrouwen riepen haar, een troep, die haar bijna in de hoogte lichtte, omringde haar, en drong haar mede naar het bureau van dr. Bonamy, opdat het wonder bewezen zou worden, stralen zou als het licht der zon. Haar wagentje werd vergeten; Pierre vergezelde haar, terwijl zij, die in geen zeven jaar haar beenen gebruikt had, stamelend en aarzelend, met een aanbiddelijke onhandigheid en met den angstigen en toch [334]verrukten blik van een klein kind, dat zijn eerste stappen doet, voortliep. Het was zoo ontroerend, zoo heerlijk, dat hij aan niets meer dacht dan aan het grenzenlooze geluk haar tot een nieuwe jeugd herboren te zien. De lieve vriendin uit zijn kindsheid, zijn vriendin uit lang vervlogen dagen zou dan eindelijk tot de mooie en bekoorlijke vrouw opbloeien, die het jonge meisje vroeger beloofde te worden, toen zij in den kleinen tuin te Neuilly zoo vroolijk en mooi was onder de groote boomen, waarin het zonlicht door het loof speelde.

De menigte bleef haar stormachtig toejuichen; een groote menschengolf vergezelde haar. En toen zij het bureau, waarin Pierre alleen met haar toegelaten werd, was binnengegaan, bleven allen in koortsachtige verwachting voor de deur staan.

Dien middag waren er weinig menschen in het bureau. In het kleine vierkante vertrek, met zijn gloeiend-heete houten muren, zijn primitief meubilair, zijn rieten stoelen en zijn twee tafels van ongelijke hoogte, bevonden zich, behalve het gewone personeel, slechts vijf of zes doktoren, die zwijgend hier en daar zaten. Voor de tafels stonden de chef van den vijverdienst en twee jonge abbé’s in de registers te bladeren, terwijl pater Dargelès aanteekeningen voor zijn courant maakte. Dr. Bonamy was juist bezig den lupus van Elise Rouquet te onderzoeken, die voor de derde maal kwam laten constateeren, dat haar wond steeds meer dicht trok.

“Nu, mijne heeren,” riep dr. Bonamy uit, “hebt u ooit een lupus zoo snel zien genezen. O, zeker, ik weet heel goed, dat er een nieuw werk verschenen is over de genezende kracht van het geloof, waarin beweerd wordt, dat sommige wonden van nerveuzen aard kunnen zijn. Maar niets is meer betwistbaar dan dat, vooral bij lupusgevallen, en ik tart iedere commissie van geneeskundigen, om te verklaren, dat deze genezing langs natuurlijken weg heeft plaats gehad …”

Hij viel zichzelf in de rede, om tegen pater Dargelès te zeggen:

“U hebt toch goed opgeteekend, niet waar Pater, dat de ettering volkomen opgehouden heeft en de huid haar natuurlijke kleur terugkrijgt?”

Maar hij wachtte het antwoord niet af. Marie kwam met Pierre binnen, en aan het stralend gezicht der door een wonder genezene zag hij onmiddellijk, dat zich hier iets buitengewoons had voorgedaan. Zij was bewonderenswaardig en er als voor geschapen om de massa’s mede te sleepen en te bekeeren. Onmiddellijk zond hij Elise Rouquet weg, [335]vroeg den naam van den begenadigde, verzocht een der jonge priesters hem het dossier te geven. Toen zij even wankelde, wilde hij haar in den fauteuil laten plaats nemen.

“Neen, neen,” riep zij. “Ik ben zoo blij, dat ik mijn beenen gebruiken kan.”

Pierre keek rond of hij dr. Chassaigne niet zag, maar vond hem tot zijn spijt niet. Hij ging wat achteraf staan en wachtte, terwijl men in de wanordelijke laden zocht, zonder het dossier te kunnen vinden.

“Wacht even,” herhaalde dr. Bonamy; “Marie de Guersaint, Marie de Guersaint … Ik weet zeker, dat ik den naam gezien heb!”

Eindelijk ontdekte Raboin het dossier, dat op een verkeerde letter lag. Toen de dokter kennis genomen had van de certificaten, die het bevatte, geraakte hij in geestdrift.

“Dat is al heel interessant, heeren. Ik verzoek u aandachtig te luisteren … Mademoiselle hier leed aan een zeer ernstige ruggemergsverlamming. Wanneer iemand den minsten twijfel mocht koesteren, dan zouden deze twee certificaten voldoende zijn om de meest ongeloovigen te overtuigen, want zij zijn geteekend door twee geneesheeren van de Parijsche Faculteit, wier namen aan al onze collega’s goed bekend zijn.”

Hij liet de certificaten rondgaan onder de aanwezige geneesheeren, die ze met goedkeurende hoofdknikjes lazen. Hier viel niets op af te dingen; de onderteekenaars waren bekende en knappe doktoren.

“Welnu, mijne heeren, wanneer de diagnose niet bestreden wordt—en die kan niet bestreden worden, wanneer een zieke ons zulke waardevolle documenten brengt—dan zullen wij nu nagaan, welke veranderingen er in den toestand van mademoiselle gekomen zijn.”

Maar alvorens haar te ondervragen, wendde hij zich tot Pierre.

“Mijnheer de abbé, als ik mij niet vergis, bent u met mademoiselle de Guersaint van Parijs gekomen. Hebt u, vóór het vertrek, het oordeel van doktoren ingewonnen?”

Ondanks zijn groote blijdschap voelde de priester een ijskoude huivering.

“Ik ben bij het consult tegenwoordig geweest.”

Weer rees het tooneel voor zijn geest op. Hij zag weer de twee ernstige en verstandige doktoren, hij zag Beauclair weer glimlachen, toen zijn collega’s hun gelijkluidende certificaten opmaakten. Moest hij deze waardeloos maken en de andere [336]diagnose, die het mogelijk maakte de genezing wetenschappelijk te verklaren, mededeelen? Het wonder was voorspeld en daardoor bij voorbaat ten gronde gericht.

“U zult inzien, mijne heeren,” begon dr. Bonamy weer, “dat de aanwezigheid van den abbé een nieuwe bewijskracht aan deze stukken geeft … En nu wil mademoiselle zeker wel zoo goed zijn precies te zeggen, wat zij gevoeld heeft.”

Hij boog zich over den schouder van pater Dargelès en fluisterde hem in Pierre een getuigenrol in zijn verslag te geven.

“Lieve hemel, hoe moet ik u dat vertellen, heeren?” riep Marie met hijgende, door geluk gebroken stem uit. “Sedert gisteren wist ik zeker, dat ik genezen zou worden. En toch, zoo even nog, toen dat prikkelen in mijn beenen weer begon, was ik bang, dat het een nieuwe aanval zijn zou, heb ik een oogenblik getwijfeld … Toen zijn die prikkelingen opgehouden. Daarna zijn zij, zoodra ik begon te bidden, weer teruggekomen … O, ik bad, ik bad met geheel mijn ziel. Ten slotte heb ik mij overgegeven als een kind. ‘Heilige Maagd, Notre-Dame de Lourdes, doe met mij wat u wilt …’ Het prikkelen hield niet op, ik had een gevoel of mijn bloed kookte en ziedde, en een stem riep mij toe: ‘Sta op, sta op!’ En ik voelde het wonder in een gekraak van al mijn beenderen, van mijn geheele lichaam, alsof ik door den bliksem getroffen was.”

Heel bleek luisterde Pierre. Beauclair had hem wel voorspeld, dat de genezing als een bliksemstraal komen zou, wanneer, onder den invloed van de overspannen phantasie, haar zoo lang ingesluimerde wilskracht plotseling zou ontwaken.

“Eerst heeft de Heilige Maagd mijn beenen bevrijd,” ging zij voort. “Ik heb heel goed gevoeld, dat de ijzeren banden, die ze omsloten, als gebroken ketenen langs mijn huid afgleden … Toen is het gewicht, dat me altijd hier in mijn linkerzij benauwde, naar boven getrokken; ik dacht, dat ik sterven zou, zoo pijnigde het me. Maar het is langs mijn borst en mijn keel gegaan, ik kreeg het in mijn mond en heb het toen met alle kracht uitgespuwd … Het was uit, ik had geen pijn meer, alles was weggevlogen.”

Zij maakte het gebaar van een nachtvogel, die zijn vleugels uitslaat, terwijl zij glimlachend naar Pierre keek, die geheel van streek was. Dat alles had Beauclair voorspeld met bijna dezelfde woorden, bijna dezelfde vergelijkingen. Punt voor punt kwam zijn prognose uit, er waren hier slechts vooruitgeziene en natuurlijke verschijnselen. [337]

Raboin had geluisterd met wijd geopende oogen en de verrukking van een bekrompen vrome, die nooit losgelaten wordt door de gedachte aan de hel.

“Dat is de duivel, dien zij uitgespuwd heeft,” riep hij uit.

Maar dr. Bonamy, die verstandiger was, beval hem te zwijgen en wendde zich tot de doktoren.

“Mijne heeren, u weet, dat wij het altijd vermijden hier het woord wonder uit te spreken. Maar hier staan we voor een feit, en ik ben nieuwsgierig, hoe u dit langs natuurlijken weg zult verklaren … Sedert zeven jaar was mademoiselle lijdend aan een ernstige verlamming, die blijkbaar het gevolg was van een ruggemergaandoening. En dat zal niet ontkend kunnen worden, de certificaten wijzen het onbetwistbaar uit. Zij liep niet meer, zij kon geen beweging maken, zonder de hevigste pijnen te gevoelen; zij was ten slotte in dien toestand van uiterste uitputting gekomen, welke den dood vooraf gaat … En ziet, nu loopt zij voor u, lachend en stralend van gezondheid. De verlamming is volkomen verdwenen; pijn heeft zij niet meer; zij is even gezond als u en ik … Komt mijne heeren, onderzoekt haar en zegt mij wat er gebeurd is!”

Hij triompheerde. Geen van de geneesheeren zeide iets. Twee, ongetwijfeld geloovige Katholieken, hadden goedkeurend met hun hoofd geknikt. De anderen bleven onbeweeglijk en eenigszins verlegen zitten, zij schenen weinig lust te hebben zich met deze geschiedenis in te laten. Toch stond er eindelijk een op, een klein mager mannetje, wiens oogen achter zijn brilleglazen schitterden, om Marie van dichterbij te zien. Hij nam haar hand, keek naar haar pupillen, scheen alleen belang te stellen in de uitdrukking van verheerlijking, die over haar uitgestort scheen te zijn. Dan ging hij, zonder zelfs te willen discussieeren, weer zitten.

“Het geval is door de wetenschap niet te verklaren, dat is alles wat ik constateer,” begon dr. Bonamy weer. “Ik vestig er nog de aandacht op, dat wij hier niet te doen hebben met een langzaam voortschrijdend herstel, maar dat de volkomen genezing plotseling en ten volle is ingetreden … Ziet mademoiselle slechts aan. Haar oogen schitteren, haar tint is rose, de gelaatsuitdrukking heeft haar levendige opgewektheid weer teruggevonden. Ongetwijfeld zal het herstel der weefsels nog wel eenigen tijd vorderen, maar toch kunnen we zeggen, dat mademoiselle herboren is. Niet waar, mijnheer de abbé, u, die haar vroeger zoo dikwijls gezien hebt, u herkent haar niet meer?” [338]

“Ja, ja, dat is zoo!” stamelde Pierre.

Inderdaad scheen zij hem reeds krachtig toe, haar wangen waren gevuld en frisch en bloeiend. Maar nogmaals, Beauclair had dit alles voorzien, die plotselinge, hosanna-blijde opflikkering van levenskracht, die heerlijke wederopstanding van het gebroken lichaam, wanneer het leven met den wil om te genezen en gelukkig te zijn in haar zou terugkeeren.

Weer had dr. Bonamy zich gebogen over den schouder van pater Dargelès, die zijn verslag, een soort klein volledig proces-verbaal, schreef. Zij wisselden fluisterend enkele woorden. Na een korte beraadslaging begon de dokter weer:

“Mijnheer de abbé, u bent van deze wonderen getuige geweest, u zult zeker niet weigeren het verslag, dat de eerwaarde pater voor het Journal de la Grotte gemaakt heeft, te onderteekenen?”

Wat, hij dit verslag vol dwaling en leugen onderteekenen! Een verzet steeg in hem op, hij stond op het punt de waarheid uit te schreeuwen. Maar hij voelde het gewicht van zijn soutane op zijn schouders; en vooral vervulde de hemelsche vreugde van Marie zijn hart. Hij voelde zich van zoo’n groot geluk doordrongen, nu hij haar gered zag. Toen men haar niet meer ondervroeg, was zij op zijn arm komen leunen, lachte zij hem met van vreugde dronken oogen toe.

“Pierre,” zeide zij heel zacht, “wees de Heilige Maagd dankbaar. Zij is zoo goed geweest, zie eens hoe gezond, hoe mooi, hoe jong ik ben … En wat zal mijn vader, mijn arme vader blij zijn!”

Toen teekende Pierre. Alles stortte in hem ineen, maar het was voldoende, dat zij gered was. Het zou heiligschennis van hem zijn, indien hij zijn vingers uitstak naar het geloof van dit kind, dit groote, reine geloof, dat haar genezen had.

Buiten begonnen de juichkreten, toen Marie het bureau verliet, opnieuw, de menigte klapte in haar handen. Het wonder was nu officieel geconstateerd. Toch hadden medelijdende personen, die bang waren, dat zij zich te veel zou vermoeien en haar wagentje, dat door haar voor de Grot achtergelaten was, noodig hebben zou, dit naar het bureau gebracht. Toen zij het weer terugzag, werd zij diep ontroerd. O, dit kleine wagentje, waarin zij zooveel jaren geleefd had, die rijdende doodkist, waarin zij soms dacht levend begraven te zijn, wat had het een tranen, een wanhoop, een ongelukkige dagen gezien! En plotseling kwam de gedachte bij haar op, dat het, waar het zoo lang getuige geweest was van haar verdriet, [339]nu ook deel moest nemen aan haar triomf. En in een goddelijke ingeving, in een heiligen waanzin greep zij het handsvat.

Op dat oogenblik kwam de processie voorbij, die terugkeerde uit de Grot, waar abbé Judaine den zegen gegeven had. En nu ging Marie met haar wagentje achter den baldakijn rijden. Op haar pantoffels, het hoofd bedekt met een kanten doekje, liep zij rechtop, het hoofd omhoog en met een verheerlijkt, stralend gelaat, het wagentje, de rijdende doodkist, waarin zij zooveel smarten geleden had, voortduwend. En de menigte, die haar toejuichte, de tot waanzin opgezweepte menigte volgde haar.

[Inhoud]

IV.

Pierre was Marie gevolgd en liep nu, als voortgesleurd door den storm van geestdrift, die haar triomphantelijk haar wagentje voort deed duwen, met haar achter den baldakijn. Doch iedere minuut ontstond er zoo’n gedrang, zulke botsingen, dat hij zeker gevallen zou zijn, wanneer een sterke hand hem niet staande gehouden had.

“Wees maar niet bang en geef mij een arm. Anders blijf je niet op de been!”

Hij keerde zich om en zag tot zijn verbazing pater Massias, die pater Fourcade op den kansel gelaten had, om met den baldakijn mede te gaan. Een buitengewone opwinding hield hem staande en wierp hem krachtig als een rotsblok vooruit; zijn oogen schoten vonken, zijn met zweet bedekt gelaat was één geestdrift.

“Pas toch op, geef mij een arm!”

Een nieuwe menschengolf spoelde hem bijna weg. Pierre vertrouwde zich nu geheel toe aan dezen verschrikkelijken man, met wien hij, zooals hij zich nu herinnerde, tegelijk op het seminarie geweest was. Wat een zonderlinge ontmoeting, en hoe gaarne zou hij het onstuimige geloof, deze geloovige geestdrift gehad hebben, die hem zoo hijgend en uit zijn snikkende keel de ononderbroken smeekbede uitroepen deed:

“Heer Jezus, genees onze zieken!… Heer Jezus, genees onze zieken!”

Achter den baldakijn hield die kreet maar niet op, steeds was er weer een, die het uitbrulde, als hadden zij allen de opdracht de goddelijke goedheid niet met rust te laten, wanneer zij zich te langzaam openbaarde. Nu eens was het een doffe, [340]door snikken gesmoorde, dan weer een scherpe, alles doordringende stem. Die van den pater, anders zoo gebiedend, brak nu van ontroering.

“Heer Jezus, genees onze zieken!… Heer Jezus, genees onze zieken!”

Het gerucht van de plotselinge genezing van Marie, van dit wonder, dat straks in zijn schittering de geheele Christenheid met dankbaarheid vervullen zou, had zich reeds naar alle hoeken van Lourdes verspreid en de menigte in een nog grooter opwinding gebracht. De besmettelijke aanval van waanzin deed hen allen naar het Heilige Sacrament stormen in een onbewusten drang om het te zien, het aan te raken, genezen te worden en gelukkig te zijn. God ging immers voorbij, en nu waren het niet de zieken alleen meer, die brandden van levensverlangen, neen, allen voelden een verterenden drang naar geluk, die hen opzweepte, zoodat hun bloedende harten zich openden en hun begeerige handen zich uitstrekten.

Berthaud, die deze uitbarsting van hartstocht voorzien had, was met zijn mannen medegegaan. Hij gaf hun bevelen en zorgde ervoor, dat de dubbele keten van brancarddragers aan beide zijden van den baldakijn niet verbroken werd.

“Nog meer opsluiten en de armen stevig vasthouden!”

De jonge mannen, uit de sterksten gekozen, hadden het zwaar te verantwoorden. De muur, dien zij aldus schouder aan schouder en de armen om middel en nek geslagen, vormden, boog ieder oogenblik onder den onwillekeurigen aandrang der menigte. Niemand meende te dringen en toch waren het onophoudelijk draaikolken en hooge golven, die van verre kwamen en alles dreigden te verzwelgen.

Toen de baldakijn midden op de place du Rosaire was, dacht abbé Judaine niet verder te kunnen. Op het groote plein hadden zich verschillende stroomen en tegenstroomen gevormd, die draaiden als een wervelwind en van alle kanten op hem aan bruisten. Hij moest wel blijven staan onder den baldakijn, die heen en weer gezwiept werd als een zeil, dat in volle zee door een plotselinge windvlaag aangegrepen wordt. Hij hield met zijn beide verstijfde handen het Heilige Sacrament zoo hoog mogelijk uit vrees, dat een laatste stoot het omver zou werpen; want hij begreep heel goed, dat de gouden, als een zon stralende monstrans den hartstocht van de menigte opwekte; dat was de God, dien men wilde kussen, in wien men wilde opgaan, zelfs op gevaar af hem te vernietigen. [341]Onbeweeglijk bleef hij staan en wierp ongeruste blikken op Berthaud.

“Niemand doorlaten!” schreeuwde hij den brancarddragers toe, “niemand, begrepen?”

Maar smeekende stemmen verhieven zich, ongelukkigen snikten met uitgestrekte armen en uitgestoken lippen, in den waanzinnigen wensch, dat men hen dichter bij zou laten komen, om neer te knielen voor de voeten van den priester. Welk een genade zou het zijn ter aarde geworpen, neergetrapt en verpletterd te worden door de geheele processie! Een zieke liet zijn uitgemergelde hand zien, overtuigd, dat zij opnieuw aan zijn arm tot nieuw leven zou opbloeien, wanneer men hem toestond den monstrans aan te raken. Een stomme drong als een furie met haar sterke schouders door alles heen, om door een kus de band van haar tong los te maken. Anderen en steeds weer anderen gilden, smeekten, balden ten slotte hun vuisten tegen de wreedaards, die aan de kwalen van hun lichaam en de ellende van hun ziel genezing weigerden. Het consigne gold voor allen; men was bang voor de ergste ongelukken.

“Niemand, niemand doorlaten!” herhaalde Berthaud.

Intusschen was er een vrouw, wier aanblik aller harten met medelijden vervulde. Zij was armoedig gekleed en blootshoofds; met een door tranen overstroomd gelaat hield zij een klein jongetje van tien jaar, wiens beide beenen verlamd en slap neerhingen, op haar armen. De last was te zwaar voor haar zwakke krachten, maar zij scheen het niet te voelen. Zij had haar jongetje meegebracht en smeekte nu met een hardnekkigheid, waar noch bedreigingen noch stooten vat op hadden, den brancarddragers haar door te laten.

Eindelijk riep abbé Judaine, die door het schouwspel diep aangegrepen werd, haar met een hoofdknikje tot zich. Gehoorzamend aan de barmhartige bedoeling van den geestelijke, maakten twee brancarddragers, hoe gevaarlijk het ook was een bres in den muur te vormen, een kleine opening; de vrouw vloog er met haar last doorheen en viel voor den priester neer. Deze liet den voet van den monstrans een oogenblik op het hoofd van het jongetje rusten. De moeder zelf drukte haar begeerige lippen erop. Toen men zich weer in beweging zette, wilde zij achter den baldakijn blijven en volgde de processie hijgend, met in den wind fladderende haren, bijna bezwijkend onder den zwaren last, die haar schouders brak. [342]

Met groote moeite had eindelijk de processie de place du Rosaire overgestoken. Nu begon het glorierijke beklimmen van de monumentale helling, gedurende hetwelk heel hoog, aan den rand van den hemel, uit de spitse toren van de Basilica de klokken luidden en den triomf van Notre-Dame de Lourdes uitjubelden. Naar deze apotheose, naar deze hooge poort van het heiligdom, die toegang scheen te geven tot de oneindigheid steeg de baldakijn nu op boven de groote menschenzee, die daar beneden op de pleinen en in de alleeën bleef bruisen. Reeds was de in blauw en zilver gekleede kerkbewaarder met het processiekruis ter hoogte van den koepel der Rozenkranskerk. De delegaties der bedevaarten verspreidden zich, de veelkleurige banieren van zijde en fluweel wapperden in den brand van de ondergaande zon. Dan kwamen de schitterende rijen der geestelijken, de priesters in hun sneeuwwitte koorhemden, de priesters in hun gouden misgewaden, als een stoet van sterren. De wierookvaten werden gezwaaid, de baldakijn steeg steeds hooger, zonder dat men de dragers onderscheiden kon, alsof een mysterieuse kracht, onzichtbare engelen hem voortdroegen naar de wijdgeopende hemelpoort.

Gezangen waren aangeheven, de stemmen eischten, nu men zich uit de menigte losgemaakt had, niet meer de genezing der zieken. Het wonder had zich voltrokken, men juichte erom uit volle borst in het gedreun der klokken, in de bevende vroolijkheid der lucht.

Magnificat anima mea Dominum…”

Het in de Grot reeds gezongen lied der dankzegging rees opnieuw uit de harten op.

Et exsultavit spiritus meus in Deo salutari meo…”3

Overvloeiend van vreugde volgde Marie dezen schitterenden opgang, deze hemelvaart langs de helling naar de lichtende Basilica. Naarmate zij hooger kwam, kwam het haar voor, dat zij sterker werd, krachtiger op haar zoo lang afgestorven, thans herleefde beenen stond. Het wagentje dat zij triomphantelijk voortreed, was als de buit, aan haar kwaal ontnomen, de hel, waaruit de Heilige Maagd haar gered had; en hoewel het handvat haar handen wondde, wilde zij het naar boven rijden om het neer te leggen aan de voeten van God. Geen hinderpaal kon haar tegenhouden, zij lachte onder haar tranen door, haar borst welfde zich, haar gang was als die van [343]een krijgsman. Onderweg was een van haar pantoffels losgegaan, terwijl het kanten doekje van haar hoofd op haar schouders gevallen was. Maar toch bleef zij doorloopen, terwijl haar prachtige blonde lokken haar als met een helm bedekten, met stralend gelaat, in zoo’n krachtig opleven van wil en kracht, dat men, achter haar, het zware wagentje op den steilen geplaveiden weg als een kinderwagen hoorde huppelen.

Pierre, die nog steeds aan den arm van pater Massias liep, bleef in haar nabijheid. In zijn hevige ontroering was hij niet in staat tot denken. De welluidende en krachtige stem van den pater verdoofde hem:

Deposuit potentes de sede et exaltavit humiles!…”4

Aan den anderen kant rechts van hem, volgde Berthaud, thans geheel gerust gesteld, eveneens den baldakijn. Hij had zijn mannen bevel gegeven den keten te verbreken en keek nu verrukt naar de menschenzee, die de processie doorkruist had. Hoe hooger men kwam, des te meer verbreedden zich de place du Rosaire, de boulevards, de alleeën der tuinen, en werden zij, zwart van menschen, beter voor zijn blikken zichtbaar. Men zag een geheel volk in vogelvlucht, een steeds meer zich uitbreidende mierenhoop.

“Kijk toch eens!” zeide hij tot Pierre. “Is het niet grootsch, is het niet mooi?… Nu, het zal geen slecht jaar zijn!”

Hij, voor wien Lourdes voornamelijk een haard van propaganda was, waarin hij zijn politieken wrok bevredigde, verheugde zich over die talrijke bedevaarten, welke hij onaangenaam voor de regeering waande. O, als men de werklieden der steden ertoe zou kunnen brengen, een Katholieke democratie stichten!

“Verleden jaar,” ging hij voort, “hebben we het nauwlijks tot tweehonderdduizend pelgrims kunnen brengen. Dit jaar zullen we, hoop ik, dat cijfer overschrijden.”

En op den vroolijken toon van een man van de wereld voegde hij er, hoewel hij een heftig partijganger was, bij:

“Waarachtig, toen men zoo even elkaar dooddrukte, was ik in mijn schik … Ik zei tegen mezelf: Het loopt, het loopt!”

Maar Pierre luisterde niet, hij was te zeer getroffen door het grootsche schouwspel. De menigte, welke zich steeds meer uitbreidde, naarmate hij zich hooger boven haar verhief, dat prachtige dal, dat aan zijn voeten lag, steeds grooter [344]werd en den heerlijken horizont der bergen voor hem ontrolde, vervulden hem met een bewondering, die hem deed rillen. Zijn verwarring was er door toegenomen, hij zocht Marie’s blik en wees haar met een breed gebaar op den onmetelijken gezichtskring. Doch zij begreep het gebaar verkeerd, zij zag in den geheel geestelijken, dwependen toestand, waarin zij zich bevond, de stoffelijkheid van het schouwspel niet; zij dacht, dat hij de aarde tot getuige riep voor de wonderdadige genade, waarmede de Heilige Maagd hen beiden had beweldadigd; want zij geloofde, dat hij ook zijn deel in het wonder gehad had, dat in dezelfde genadewerking, die haar lichamelijk genezen en weer op de been gebracht had, hij, die haar zoo na aan het hart lag, zich door dezelfde goddelijke kracht omgeven en opgericht gevoeld had, dat zijn ziel van den twijfel gered, door het geloof herwonnen was. Hoe zou hij getuige geweest hebben kunnen zijn van haar wonderdadige genezing, zonder overtuigd te worden? Zij had den vorigen nacht voor de Grot zoo gebeden. En in de overmaat van haar vreugde zag zij ook hem veranderd, weenend en lachend, teruggegeven aan God. Dat deed haar nog meer gloeien in haar koorts van geluk, zij reed haar wagentje voort met een hand, die niet moede werd, zij had het nog mijlen en mijlen ver kunnen voortduwen, steeds hooger, tot aan ontoegankelijke bergtoppen, tot in den verblindenden glans van het Paradijs, alsof zij hun dubbel kruis, haar eigen verlossing en die van haar vriend, gedragen had.

“O, Pierre, Pierre,” stamelde zij; “hoe heerlijk is het, dat wij dit groote geluk samen, samen gehad hebben. Ik had het haar zoo vurig gevraagd en zij was zoo genadig; zij heeft jou gered door mij te redden!… Ja, ik heb gevoeld, hoe jouw ziel zich overstortte in de mijne. Zeg me toch, dat onze wederkeerige gebeden verhoord zijn, dat ik jouw heil bewerkt heb, zooals jij het mijne.”

Hij begreep haar dwaling, en huiverde.

“Als je eens wist,” ging zij voort, “hoe doodsbedroefd ik zou zijn, wanneer ik zoo heel alleen naar het licht zou moeten opstijgen. O, hoe vreeselijk zou het wezen zonder jou uitverkoren te zijn, zonder jou dezen weg te gaan! Maar met jou, Pierre, is het een zaligheid … Samen gered en voor eeuwig gelukkig! Ik voel de kracht in mij, gelukkig te zijn, ja de kracht om de wereld op te heffen …”

Hij moest nu toch een antwoord geven; en hij loog: hij kon dit groote geluk niet bederven en bezoedelen. [345]

“Ja, ja, wees gelukkig, Marie! Want ik ben zelf ook zoo gelukkig, en al onze smarten zijn uitgedelgd.”

Maar in zijn binnenste kwam een diepe scheur, alsof hij, plotseling, gevoeld had, dat een ruwe bijlslag hen van elkander scheidde. Tot nog toe was zij in hun gemeenschappelijk lijden het kleine vriendinnetje uit zijn jeugd gebleven, de eerste, onschuldig begeerde vrouw, van wie hij wist, dat zij steeds de zijne was, omdat zij aan niemand anders kon toebehooren. En nu was zij genezen en bleef hij in zijn hel en moest hij zich bekennen, dat zij hem nooit toebehooren zou. Die plotselinge gedachte overweldigde hem zoo, dat hij, wanhopig zoo te moeten lijden onder het wonderdadig geluk, waarin zij jubelde, zijn blikken afwendde.

Het gezang bleef doorklinken; pater Massias stiet, zonder iets te hooren, zonder iets te zien, geheel opgaande in zijn vurige dankbaarheid aan God, het laatste vers met donderende stem uit:

Sicut locutus est ad patres nostros, Abraham et semini eius in saecula.5

Nog een gedeelte der helling was te beklimmen, nog een krachtsinspanning moest gedaan worden om over de gladde, breede tegels de hoogte van den steilen weg te bereiken! En de processie steeg nog hooger en voleindigde den opgang in het volle, heldere daglicht. Er was nog een laatste bocht en de wielen van het wagentje kletterden tegen den granieten trottoirband. Altijd hooger! Altijd hooger! Steeds hoogerop reed het; het stiet tegen den rand van den hemel.

Daar verscheen plotseling de baldakijn op den top der reusachtige hellingen, voor de deur der Basilica, op het steenen balcon, dat de uitgestrekte vlakte beheerschte. Abbé Judaine trad naar voren, hield met beide handen het Heilige Sacrament omhoog. Naast hem had Marie met van het loopen kloppend hart en met een in het loshangend goud van haar haar stralend gelaat haar wagentje omhoog geheven. Achter hen schaarde zich de geestelijkheid: de sneeuwwitte koorhemden, de vlammende misgewaden, terwijl de banieren en vaandels wapperden en het wit der balustraden pavoiseerden.

Het was een plechtig oogenblik.

Men kon zich moeilijkers iets grootscher denken dan het uitzicht, dat men van boven af genoot. In de eerste plaats [346]zag men daar de menigte, de menschenzee met haar donkere golven en haar nooit ophoudende deining, waarin men, als zij even tot stilstand kwam, slechts de bleeke plekken van de in afwachting der zegening naar de Basilica opgeheven gezichten zag; en zoo ver als de blik reikte, van de place du Rosaire tot den Gave, over de alleeën en avenues, over de kruiswegen tot aan de oude in de verte liggende stad, vermenigvuldigden zich de kleine, bleeke gezichten, ontelbaar, tot in het oneindige, allen in zalige verrukking hun blik richtend op den verheven drempel, waar de hemel zich openen zou.

Vervolgens dook het onmetelijk amphitheater der hellingen, heuvels en bergen op, verhief zich aan alle kanten tot eindeloos hooge toppen, die zich in de blauwe lucht verloren. In het Noorden aan de overzijde der rivier, op de eerste hellingen, tusschen de boomen, wierp de brand van de ondergaande zon een rosen weerschijn op de talrijke kloosters der Carmelieten, Assumptionisten, Dominicanessen en der Zusters van Nevers. Dan bouwden zich beboschte bergmassa’s boven elkaar op, tot zij de hoogten van den Buala bereikten, waarboven de Julospas uitstak, die op zijn beurt weer door den Miramont beheerscht werd. In het Zuiden openden zich andere diepe valleien, nauwe bergkloven tusschen massieve, reusachtige rotsen, wier voet reeds in blauwachtige schaduw baadde, wanneer de toppen nog schitterden in den afscheidsglimlach der zon. Aan dezen kant vormden de purperen heuvels van Visens een voorgebergte van koraal, dat het slapende meer van den ether met een doorschijnendheid als van saphir afdamde. Maar recht vooruit in het Oosten verbreedde de horizont zich nog over het kruispunt zelf der zeven dalen heen.

Het Kasteel, dat ze vroeger beheerscht had, stond nog met zijn slottorens, zijn hooge muren, zijn donker profiel van grimmige, ouderwetsche vesting op de door den Gave bespoelde rots. Aan deze zijde lag de nieuwe stad heel vroolijk te midden van haar tuintjes als een gewemel van witte gevels, groote hotels, pensions en groote winkels, welker ruiten als kolenvuren gloeiden, terwijl achter het Kasteel het oude Lourdes in het rossig-stoffige licht zijn gewirwar van verkleurde daken uitstalde. Op dit late uur waren de Kleine en de Groote Gers, de twee reusachtige, kale, slechts hier en daar met kort gras beplekte rotsruggen, waarachter de dagvorstin met koninklijke pracht van haar troon daalde, niet [347]meer dan een wegdoezelende, violetkleurige achtergrond, twee donkere voor den rand van den horizont toegetrokken gordijnen.

Tegenover deze onmetelijkheid hief abbé Judaine met zijn beide handen het Heilige Sacrament hooger, hooger nog op. Hij bewoog het langzaam langs den geheelen horizont en liet het een groot teeken des kruises beschrijven. Links begroette het de kloosters, de hoogten van den Buala, den Julospas en den Miramont; rechts de twee steden, het door den Gave bespoelde Kasteel, den reeds ingesluimerden Kleinen en Grooten Gers; het begroette de bosschen, de stroomen, de bergen, de onbestemde omtrekken der verre toppenketenen, de geheele aarde aan gene zijde van den zichtbaren horizont. Vrede der aarde, hoop en troost den menschen! Beneden had de menigte gesidderd onder het groote teeken des kruises, dat hen allen omvatte. Het was, alsof een goddelijke adem over de kleine bleeke gezichtjes, even talrijk als de golven van een oceaan, streek. Een zucht van aanbidding steeg op, alle monden openden zich, om Gods lof te zingen, toen de monstrans, die door de ondergaande zon vol beschenen werd, weer als een tweede zon verscheen, een zon van zuiver goud, die op den drempel der oneindigheid in vlammende lijnen het teeken des kruises beschreef.

Reeds gingen de banieren, de geestelijkheid, abbé Judaine onder den baldakijn de Basilica binnen, toen Marie op het oogenblik dat ook zij, zonder het wagentje los te laten, de kerk wilde ingaan, door twee dames, die haar weenend omarmden, tegengehouden werd. Het waren madame de Jonquière en haar dochter Raymonde, die de zegening bij wilden wonen en het wonder vernomen hadden.

“Hoe heerlijk, kindlief!” riep madame de Jonquière, “en wat ben ik er trotsch op, dat je in mijn zaal bent. Het is voor ons allen een zoo kostelijke genade, dat de Heilige Maagd jou uitverkoren heeft!”

Raymonde had een hand der wonderdadig genezene in de hare gehouden.

“Mag ik u vriendin noemen, mademoiselle? Ik had zoo’n vreeselijk medelijden met u en nu vind ik het zoo heerlijk u, zoo krachtig en zoo mooi al, te zien loopen … Laat ik u nog een zoen geven. Dat zal mij geluk aanbrengen.”

“Dank, hartelijk dank … Ik ben zoo gelukkig, zoo gelukkig!” stamelde Marie verrukt.

“O, wij verlaten je niet meer!” begon madame de Jonquière [348]weer. “Hoor je, Raymonde? Laten we met haar meegaan en met haar knielen. En na de plechtigheid nemen wij haar mede terug.”

Inderdaad sloten de beide dames zich bij den stoet aan en liepen naast Pierre en pater Massias achter den baldakijn tot aan het midden van het koor, tusschen de door de delegaties reeds ingenomen rijen stoelen. Alleen de banieren werden ter weerszijde van het hoofdaltaar toegelaten. Ook Marie ging naar voren en bleef eerst bij de treden van het altaar staan met haar wagentje, waarvan de wielen op de tegels weerklonken. Zij had het armzalige smartenwagentje nu gebracht, waarheen zij het in den heiligen waan van haar begeerte had willen brengen, in de schittering van Gods huis, opdat het daar als het bewijs van het wonder staan zou. Dadelijk bij het binnentreden was het orgel in een triomfzang uitgejubeld, waarmede de gelukkige schare donderend had ingestemd, totdat zich daaruit weldra een hemelsche engelenstem vol juichende vreugde en zuiver als kristal, losmaakte. Abbé Judaine had het Heilige Sacrament op het altaar gezet, de menigte vulde het schip, ieder nam zijn plaats in, men verdrong zich en wachtte tot de plechtigheid beginnen zou. Tusschen madame de Jonquière en Raymonde, wier oogen vochtig bleven van ontroering, was Marie op haar knieën gevallen, terwijl pater Massias, wiens krachten na de buitengewone zenuwspanning, welke hem sedert het verlaten van de Grot staande gehouden had, uitgeput waren, in snikken uitbarstte, zich op den grond wierp en zijn gezicht in zijn handen begroef. Achter hem bleven Pierre en Berthaud staan, de laatste nog steeds overal voor wakend en zelfs te midden van de sterkste gemoedsaandoeningen voor de goede orde zorg dragend.

Verdoofd door het orgelgejubel hief Pierre het hoofd op en bekeek in zijn onrust het inwendige der Basilica. Het was een smal, hoog, met drukke kleuren beschilderd schip, waarin door talrijke gebrande ramen het licht binnenviel. Zijbeuken waren er eigenlijk niet; in plaats daarvan liep een eenvoudige doorgang tusschen de pilarenbundels en de zijkapellen, wat de slankheid van het schip, het vluchtig opstijgen der steen in dunne, kinderlijk-fijne lijnen nog scheen te verhoogen. Een geheel verguld, als kantwerk zoo doorzichtig hek sloot het koor af, waarin het wit marmeren, met houtsnijwerk overdekte hoofdaltaar zijn maagdelijk reine pracht ontvouwde. Verbazingwekkend waren de buitengewoon talrijke [349]kunstvoorwerpen, die van de geheele kerk een van borduurwerk, juweelen, banieren en geloftegiften overvloeiende uitstalkast maakten, een stroom van geschenken en giften, die hierheen gevloeid was en tot stilstand gekomen was op de muren, die als het ware dropen van goud, zilver, fluweel en zijde, waarmede ze van boven tot beneden bekleed waren. Zij was het steeds van dankbaarheid gloeiend heiligdom, zong door den mond van haar onschatbaren rijkdom een eeuwig danklied van geloof.

Vooral banieren waren in grooten getale aanwezig, vermenigvuldigden zich ontelbaar als bladeren aan een boom. Een dertigtal was aan het gewelf opgehangen. Andere, die den geheelen omgang van het triforium versierden, vormden als het ware door kleine zuiltjes omlijste schilderijen. Zij spreidden zich langs de muren uit, wapperden achter in de kapellen, overwelfden het koor met een hemel van zijde, satijn en fluweel. Men telde ze bij honderden, het oog werd moe van het bewonderen. Vele genoten een groote beroemdheid en waren zoo kunstig bewerkt, dat de bekendste borduursters ze kwamen bezichtigen: die van Notre-Dame de Fourvières met het stadswapen van Lyon; die van den Elzas, zwart, met goud geborduurd fluweel; die van Lotharingen, waarop een Heilige Maagd, die twee kinderen in haar mantel hult; die van Bretagne, blauw en wit met een bloedend hart midden in een stralenkrans. Alle keizerrijken, alle koninkrijken der aarde waren vertegenwoordigd. De verst gelegen landen, Canada, Brazilië, Chili, Haïti, hadden er hun vaandel, waarmede zij de Koningin des Hemels hun eer bewezen.

Behalve de banieren waren er nog meer wonderstukken: de duizenden en nog eens duizenden harten van goud en zilver, die overal opgehangen waren en aan de muren fonkelden als sterren aan het firmament. Zij vormden daar mystieke rozen, slingerden bloemenhangers en guirlandes om de pilaren, omvatten de ramen en bestarden de diepliggende kapellen. Men was op het zinrijke denkbeeld gekomen om met behulp van die harten boven het triforium in groote letters de verschillende woorden te schrijven, die de Heilige Maagd tot Bernadette gesproken had; ook liep een dergelijke lange fries om het schip heen, welke de vreugde uitmaakte der kinderlijke zielen, die gaarne de woorden spelden. Het was een gewemel en gefonkel van wonderharten, wier eindeloos aantal het hart beklemde, wanneer men dacht aan [350]al die van dankbaarheid bevende handen, welke ze geschonken hadden. Trouwens ook vele andere geloftegiften, en daaronder die, welke men het minst verwachten zou, droegen bij tot de versiering der kerk. Zoo zag men onder glas bruidsbouquetten, eerekruizen, juweelen, photographieën, rozenkransen, ja zelfs sporen. Er waren officiers-epauletten zoowel als degens, waaronder een prachtige sabel, die als aandenken aan een wonderdadige bekeering achtergelaten was.

Maar dat was niet genoeg: overal schitterden nog andere rijkdommen, rijkdommen van den meest uiteenloopenden aard: marmeren beelden, in diamanten gevatte diademen, een prachtig, te Blois geteekend en door dames uit geheel Frankrijk geborduurd tapijt, een met emailwerk versierde gouden palm, die de Heilige Vader gezonden had. De lampen, die uit het gewelf neerhingen, waren eveneens geschenken, sommige waren van massief goud en fijn bewerkt. Men kon ze niet meer tellen, zij fonkelden in het schip der kerk als kostbare sterren. Voor den tabernakel hing er een, die door Ierland geschonken was, een meesterwerk van ciseleerkunst. Andere, zooals uit Valencia, Rijssel en Macao vormden ware kleinoodiën, schitterend van edelgesteenten. En welk een glans, wanneer bij de groote avondceremoniën de twintig kroonluchters waren aangestoken, wanneer de honderden lampen, de honderden kaarsen tegelijk brandden! Dan was de geheele kerk één gloed, dan weerkaatsten al die kleine vlammen van het brandende godshuis haar lichten in die duizenden harten van goud en zilver. Het was één wonderbare vuurzee, de muren dropen van levende vlammenvonken, men betrad de verblindende heerlijkheid van het paradijs, terwijl de tallooze banieren daartusschen haar zijde, haar satijn en haar fluweel ontrolden, geborduurd met bloedende Harten, overwinnende Heiligen en Heilige Maagden, wier vriendelijke glimlach wonderen wrocht.

O, hoeveel ceremoniën hadden reeds haar pracht en praal in deze Basilica ontwikkeld! Nooit hielden de eeredienst, nooit het gebed en het gezang erin op! Van het eene eind van het jaar tot het andere brandde de wierook, dreunde het orgel, bad de neergeknielde schare. Ononderbroken werden missen gelezen, dan kwamen de vespers, de predikatiën, de zegeningen, de dagelijks wederkeerende oefeningen, de met een weergalooze pracht gevierde feesten. De minste naamdagen werden voorwendsel tot hoogheilige feesten. Iedere bedevaart moest haar aandeel in de verblindende schouwspelen hebben. [351]Men moest die lijdenden en die nederigen, welke van zoo verre kwamen, toch getroost, verrukt en met het visioen van het half geopende paradijs terugzenden. Zij hadden de heerlijkheid Gods aanschouwd, zouden de herinnering eraan in een eeuwige extase bewaren. In de armzalige, kale kamertjes, voor de smartvolle lijdenssponden rees in de geheele Christenheid de Basilica met haar gloed en rijkdommen op als een droom van belofte en gerechtigheid, ja als het geluk zelf, de schat van het toekomstige leven, waarin de armen zeker eens na hun lange aardsche ellende ingaan zouden.

Maar Pierre voelde bij het zien van al die schittering geen enkele vreugde, geen troost, geen hoop. Het was donker in hem, donker als in een storm, waarin gedachten en gevoelens gieren en huilen. Van af het oogenblik, dat Marie uit haar wagentje was opgestaan met den kreet: “Ik ben genezen”, van het oogenblik af, dat zij zoo krachtig, zoo vol levenslust liep, voelde hij een onmetelijke, troostelooze treurigheid in zich opstijgen. En toch had hij haar lief met een vurige broederlijke toegenegenheid, had een grenzeloos geluk zich van hem meester gemaakt, toen hij zag, dat zij niet meer leed. Waarom veroorzaakte dan haar geluk hem zoo’n angstgevoel? Hij kon haar, nu zij daar in tranen en stralend in haar herwonnen en vollere schoonheid geknield lag, niet zien zonder dat zijn arm hart als uit een doodelijke wonde bloedde. Toch wilde hij blijven, maar hij wendde zijn blikken af en trachtte zijn aandacht te bepalen bij pater Massias, die nog altijd lag te snikken en wiens verterende illusie van de goddelijke liefde, waarin hij zichzelf geheel vernietigde en één werd met het geloof, hij benijdde. Een oogenblik scheen hij zelfs met bewondering te kijken naar een banier, waarover hij aan Berthaud inlichtingen vroeg.

“Welke bedoelt u? Die banier van kant?”

“Ja, die daar links.”

“Dat is een geschenk van Le Puy. De wapens erop zijn die van Le Puy en Lourdes, verbonden door den Rozenkrans … De kant is zoo fijn, dat je de heele banier in de holte van je hand zoudt kunnen houden.”

Maar abbé Judaine kwam naar voren. Weer dreunde het orgel; een lied werd gezongen, terwijl het Heilige Sacrament als de koning-ster was tusschen het gefonkel der gouden en zilveren harten, die even talrijk als de hemellichamen waren. Pierre voelde geen kracht meer in zich om langer te blijven. Nu Marie toch madame de Jonquière en Raymonde [352]had, om haar naar het Hôpital terug te brengen, kon hij wel gaan en verdwijnen in een donker hoekje, waar hij eindelijk zou kunnen uithuilen. Met een enkel woord verontschuldigde hij zich en gaf zijn afspraak met dr. Chassaigne als voorwendsel. Doch toen hij zag, hoe een dicht opeengepakte menigte de deur versperde, begreep hij niet, hoe hij eruit moest komen; maar dan kreeg hij ingeving, ging de sacristie door en daalde langs de smalle trap in de Crypt af.

Plotseling omving hem daar na de jubelende stemmen en den wondermooien glans boven een diepe stilte, een donkerte als van een graf. De in de rots uitgehouwen Crypt bestond uit twee nauwe, door de fundamenten, welke het schip droegen, gescheiden gangen, welke onder de apsis naar een onderaardsche kapel leidden, die dag en nacht door kleine lampjes verlicht werd. In het donkere bosch van pilaren heerschte een mystieke ontzetting te midden van het halfdonker, waarin het mysterie huiverde. De muren waren kaal, als de steen zelf van het graf, waarin ieder mensch zijn laatsten slaap moet slapen. Langs de gangen zag men tegen de muren, die van boven tot beneden bedekt waren met marmeren votiefplaten, niets dan een dubbele rij biechtstoelen, want in deze doodelijke stilte der aarde biechtte men. Er waren priesters, die alle talen spraken, om den zondaren, die daar uit alle hoeken der wereld kwamen, hun zonden te vergeven.

Op dit uur, terwijl de menigte zich daarboven verdrong, was de Crypt geheel verlaten; en in die groote stilte, en in die donkerte, in deze grafkilte viel Pierre op zijn knieën. Niet omdat hij behoefte gevoelde om te bidden, of God te vereeren, maar omdat onder de geestelijke marteling, die hem gebroken had, zijn geheele wezen vernietigd was. Een kwellende dorst verteerde hem, om duidelijk in zijn binnenste te zien. O, waarom kon hij nog niet dieper wegzinken in het niet der dingen, nadenken, begrijpen, rust vinden eindelijk?

Hij maakte een vreeselijken strijd door. Hij trachtte zich iedere minuut weer voor den geest te roepen, sedert Marie, plotseling van haar lijdenssponde verrezen, haar kreet van wederopstanding uitgestooten had! Waarom toch had hij toen, ondanks zijn broederlijke vreugde, dat hij haar weer op den been zag, zoo’n bittere, stekende pijn in zich voelen opstijgen, alsof een doodelijk ongeluk hem getroffen had? Was hij dan jaloersch op de goddelijke genade? Leed hij eronder, dat de Heilige Maagd, die haar genas, hem vergeten had, hem, [353]wiens ziel zoo ziek was? Hij herinnerde zich het laatste uitstel, dat hij zich gegeven had, de uiterste en laatste afspraak, die hij met het geloof gemaakt had voor het oogenblik, dat het heilige Sacrament voorbij gedragen zou worden en wanneer Marie genezen was; nu was zij genezen en hij geloofde nog altijd niet, en voor de toekomst had hij geen hoop meer ook, want hij zou nooit meer gelooven. Dat was de bloedende, doodelijke wonde. In wreede en verblindende duidelijkheid stond die zekerheid hem voor oogen, dat zij genezen en hij verloren was. Dit zoogenaamde wonder, dat haar tot een nieuw leven wekte, had in hem voor goed alle geloof in het bovennatuurlijke gedood. Wat hij een oogenblik gedroomd had, n.l. te Lourdes te gaan zoeken naar en misschien terug te vinden het naïeve geloof, het gelukkige geloof van een klein kind, dat was nu niet meer mogelijk: zijn geloof kon niet meer opbloeien nu het wonder geen wonder meer was, nu de genezing zich punt voor punt voltrokken had, zooals zij door Beauclair voorspeld was. Jaloersch, o neen, maar geheel verwoest, ellendig wanhopig, dat hij zoo alleen in de ijskoude woestijn van zijn verstand, vergeefs zou blijven terugverlangen naar de illusie, den leugen, de hemelsche liefde der armen van geest, die in zijn hart geen plaats meer vinden kon.

Een vloed van bitterheid deed Pierre bijna stikken, tranen sprongen in zijn oogen. Vernietigd door zijn zielebenauwenis was hij languit op den grond neergevallen. En hij herinnerde zich nu die heerlijke oogenblikken, die begonnen waren met den dag, waarop Marie, die de marteling van zijn twijfel geraden had, zich zoo met haar heele hart gegeven had aan zijn bekeering, in het donker zijn hand genomen en in de hare gehouden en zachtkens gestameld had, dat zij voor hem zou bidden, o! met heel haar ziel. Zichzelf vergat zij, zij smeekte de Heilige Maagd liever haar vriend te redden dan haar zelf, wanneer zij van haar goddelijken Zoon slechts één genade kon verkrijgen. Dan steeg een andere herinnering in hem op; de kostelijke uren, die zij samen hadden doorgebracht onder den dichten nacht der boomen gedurende het voorbijtrekken der fakkelprocessie. Ook daar weer hadden zij voor elkaar gebeden, waren zij met een zoo vurigen wensch voor hun wederkeerig geluk in elkaar opgegaan, dat zij een oogenblik den diepen grond van die liefde hadden aangeraakt, welke zich geheel geeft en zich geheel opoffert. En nu eindigde hun lange, door tranen gedrenkte toegenegenheid, [354]de reine idylle van hun gemeenschappelijk lijden met deze wreede scheiding: zij genezen en stralend te midden van de lofzangen der triompheerende Basilica; hij verloren, snikkend van wanhoop en vertwijfeling in de duisternis van de Crypt, in een ijskoude grafeenzaamheid. Het was, alsof hij haar voor een tweede maal verloren had, en nu voor altijd!

Plotseling voelde Pierre den dolksteek, dien deze gedachte midden in zijn hart toebracht. Hij begreep eindelijk zijn lijden; in hem werd een licht ontstoken, dat de vreeselijke crisis, waarin hij worstelde en ineenkromp, in scherpe omtrekken voor hem uitkomen deed. De eerste maal had hij Marie verloren, toen hij priester geworden was en tegen zichzelf zeide, dat hij van zijn man-zijn afstand kon doen, omdat zij zelf nooit vrouw zijn zou, nu door een ongeneeslijke ziekte haar geslachtsleven vernietigd was. En nu was zij genezen, werd zij vrouw, nu had hij haar plotseling sterk, mooi, van levenslust, begeerlijk en vruchtbaar gezien! Hij was dood, kon geen man weer worden. Nooit zou het hem gelukken den grafsteen af te wentelen, die op hem drukte en zijn vleesch doodde. Zij alleen ontsnapte uit het graf en liet hem in de koude aarde achter. De wijde wereld opende zich weer voor haar, het glimlachend geluk, de liefde, die lacht op bezonde wegen, een man, kinderen, terwijl hij, die als het ware tot aan zijn schouders begraven was, alleen nog zijn verstand over hield, om nog meer te lijden. Zij was nog de zijne, toen zij aan geen ander toebehoorde, en slechts daarom leed hij dit laatste uur zoo verschrikkelijk, slechts daarom werd hij ten doode toe gemarteld, omdat zij nu voor de tweede maal aan hem ontrukt, nu voor goed van hem gescheiden werd.

Een razende woede greep hem aan. Hij voelde de verleiding in zich opkomen weer naar boven te gaan, Marie de waarheid toe te schreeuwen. Het wonder—een leugen! De barmhartige liefde van een almachtig God—enkel en alleen zinsbedrog. De natuur alleen was hier werkzaam geweest, het leven had nogmaals overwonnen. En hij zou bewijzen gegeven hebben, haar hebben aangetoond, dat het leven onbeperkt heerscht en door al het aardsche lijden de gezondheid herstelt. Maar een plotselinge angst maakte zich van hem meester. Wat? Wilde hij aan deze kleine, blanke ziel raken, in haar het geloof dooden, ook haar geloofsvertrouwen in puin doen storten, puin, waaronder hij zelf verpletterd was? Het scheen hem plotseling een schandelijke heiligschennis [355]toe. Later, wanneer hij zichzelf zou moeten bekennen, niet in staat te zijn haar een dergelijk geluk terug te geven, zou hij een afschuw van zichzelf krijgen, denken, dat hij haar vermoord had. Misschien zou zij hem zelfs niet gelooven. Trouwens zou zij, die eeuwig de onvergetelijke zaligheid in zich voelde in geloofsverrukking genezen te zijn, zou zij ooit een afvallig en meineedig priester huwen? Dat alles leek hem waanzinnig, tegennatuurlijk, onteerend. Reeds werd zijn verzet minder; hij voelde nog slechts een onzegbare moeheid en in zijn arm, verpletterd en verscheurd hart de brandende pijn van een ongeneeslijke open wonde.

In zijn verlatenheid, in het niet, waarin hij zich naar alle kanten wentelde, werd hij nu nog door een laatsten strijd gemarteld. Wat moest hij doen? Hij zou hebben willen vluchten, Marie niet meer terugzien, laf als het lijden hem gemaakt had. Want hij begreep heel goed, dat hij, nu zij in den waan verkeerde, dat hij met haar gered, bekeerd, geestelijk genezen was, zooals zij lichamelijk, zou moeten liegen. Zij had hem, toen zij haar wagentje naar boven reed, gezegd hoe gelukkig zij was. O, hoe anders zou het zijn, als zij samen dat geluk gehad hadden, als zij hun zielen in elkaar hadden voelen opgaan. Hij had reeds gelogen, zou gedwongen zijn altijd te liegen, om haar die mooie, reine illusie niet te ontnemen. Hij legde het laatste heftige kloppen van zijn aderen het zwijgen op en zwoer de verheven barmhartigheid te hebben vrede te huichelen, verrukking over zijn genezing te veinzen. Hij wilde, dat zij volkomen gelukkig was, zonder spijt, zonder twijfel, in de volle verzekerdheid des geloofs, overtuigd, dat de Heilige Maagd in hun volkomen mystiek één-zijn toegestemd had. Wat beteekende het, of hij daardoor gemarteld werd? Later zou zijn wond misschien wel heelen. En zou in de troostelooze eenzaamheid, waartoe zijn verstand hem veroordeelde, haar vreugde hem niet een weinig verlichting schenken, die vreugde, wier leugenachtige troost hij haar laten zou?

Minuten verliepen, en nog altijd bleef Pierre als vernietigd op den grond liggen, om zijn koorts tot bedaren te brengen. Hij dacht niet meer, hij voelde in de verslapping van zijn geheele wezen, die steeds op een hevige crisis volgt, niet meer, dat hij leefde. Doch daar meende hij stappen te hooren klinken; met moeite stond hij op en deed alsof hij de votiefplaten las, de in de marmeren steenen gegraveerde opschriften. Maar hij had zich vergist, er was niemand; desniettemin [356]bleef hij voortlezen, eerst werktuigelijk en als om een afleiding te hebben, dan echter door een nieuwe gemoedsbeweging medegesleept.

Het spotte met iedere verbeelding. Geloof, aanbidding en dankbaarheid waren op die honderden en duizenden marmeren platen in gouden letters tot uitdrukking gebracht. Er waren er bij, die in hun naïeveteit hem tot een glimlach dwongen. Een kolonel had zijn voet laten uitbeitelen met de woorden: “Gij hebt hem genezen, moge hij u dienen!” Verderop las hij: “Dat haar bescherming zich over de glasblazerskunst uitstrekke!” Ook kon men aan de onnoozele vrijmoedigheid der dankbetuigingen de vreemde vragen raden, die gedaan waren: “Aan de Onbevlekte Maria van een huisvader voor zijn herkregen gezondheid, zijn gewonnen proces en zijn spoedige promotie.” Maar dat alles ging verloren in het concert der vurige kreten, die opstegen. Jonggehuwden smeeken: “Paul en Anna vragen den zegen van Notre-Dame de Lourdes op hun huwlijk.” Moeders roepen: “Dank aan Maria, driemaal heeft zij mijn kind genezen!”—“Dank voor de geboorte van Maria-Antoinette, die ik zoowel als mijzelf en de mijnen aan haar toewijd.”—De driejarige P. D. is voor de liefde der zijnen gespaard gebleven.” Echtgenooten, genezen zieken, aan het geluk teruggegeven zielen roepen: “Bescherm mijn man; geef, dat hij gezond blijve!”—“Ik was lam aan beide beenen en ben genezen!”—“Wij zijn gekomen en wij hopen.”—“Ik heb gebeden, ik heb geweend, en zij heeft mij verhoord.” En nog meer, nog andere kreten vol verborgen gloed, die lange romans vermoeden deden. “Gij hebt ons vereenigd, bescherm ons.”—“Aan Marie voor de grootste der weldaden.” En steeds weer kwamen dezelfde opschriften, dezelfde woorden vol hartstochtelijk geloofsvertrouwen: dankbaarheid, erkentelijkheid, eer, dankgebeden, dankzeggingen. O, die honderden, die duizenden voor altijd in het marmer vastgelegde kreten, die uit de diepte der Crypt tot de Heilige Maagd òpklonken en getuigden van haar eeuwige vereering door die ongelukkigen, die zij geholpen had.

Maar onder het lezen, dat Pierre niet moede werd, vervulde bitterheid zijn mond, maakte een toenemende troosteloosheid zich van hem meester. Was hij dan de eenige, die geen hulp te verwachten had? Was hij, waar zooveel gebeden in vervulling gingen, de eenige, die niet verhoord zou worden? En nu dacht hij aan het buitengewoon groot aantal gebeden, [357]die jaar in, jaar uit te Lourdes tot God moesten opstijgen. Hij trachtte het aantal te schatten: de dagen, doorgebracht vóór de Grot, de nachten, doorwaakt in de Rozenkranskerk, de ceremoniën in de Basilica, de processies in het zonlicht en in het sterrengefonkel. Het was onberekenbaar, dat voortdurend smeeken van alle seconden. De geloovigen wilden door de massa zelve, de geweldige, ontzettende massa van hun gebeden Gods ooren vermoeien, hem zoo genade en vergiffenis ontrukken. De priesters zeiden, dat men God de door de zonden van Frankrijk geëischte zoenoffers moest brengen en dat, wanneer de som van die zoenoffers groot genoeg was, Frankrijk niet langer getuchtigd zou worden. Welk een hardvochtig geloof aan de noodzakelijkheid der kastijding! Welk een gruwlijke inbeelding van het zwartste pessimisme! Wat moest het leven slecht zijn, dat een dergelijk smeeken, een dergelijke kreet van physieke en moreele ellende ten hemel stijgen kon!

Doch te midden van die grenzenlooze treurigheid voelde Pierre een diep medelijden in zich opkomen. O, hoe schokte hem deze rampzalige menschheid, die tot zulk een bovenmatige ellende gedoemd, zóó naakt, zóó zwak, zóó geheel aan zichzelf overgelaten was, dat zij haar verstand over boord wierp, om het weinige geluk, dat nog mogelijk was, te verwachten van een bedwelmenden, visionnairen droom. Weer vulden tranen zijn oogen, hij weende om zichzelf, om de anderen, om al de arme, gemartelde wezens, die de behoefte in zich voelen hun leed te verdooven en in slaap te wiegen, om aan de harde werkelijkheid van deze wereld te ontkomen. Het kwam hem voor als hoorde hij nog de voor de Grot neergeknielde menigte haar gloeiend smeekgebed hemelwaarts schreeuwen, menigte van twintig- en dertigduizend zielen, waaruit een vurig verlangen opsteeg, dat men in den zonneschijn als wierook òpwolken zag. En onder deze Crypt zelf, in de Rozenkranskerk, laaide weer een andere geloofsverrukking op: heele nachten, doorgebracht in het paradijs der extase, de stille zaligheid der communie, de vurige, woordlooze gebeden, waarin de geheele ziel verteert, brandt, vervluchtigt. En dan begon, alsof de voor de Grot oprijzende gebeden, alsof de voortdurende aanbidding in de Rozenkranskerk niet voldoende waren, dat vurige smeeken opnieuw om hem heen op de muren der Crypt; maar dan werd het vereeuwigd in het marmer, zou het tot aan het einde der dagen niet ophouden het lijden der menschheid [358]uit te schreeuwen; hier bad het marmer, baden de muren, aangegrepen door de huivering van het universeele medelijden, dat zich zelfs van de steenen meester maakte. En ten slotte stegen de gebeden hooger en nog hooger, zweefden zij omhoog uit de stralende, boven hem dreunende Basilica, die op dit oogenblik gevuld was met een door godsdienstwaanzin aangegrepen volk, dat hij, door den vloer van het schip, een lied van hoop meende te hooren uitjubelen.

Hij werd er ten slotte door medegesleept, alsof hij zich te midden van die onmetelijke, bruisende gebedsgolf zelf bevond, die, uit het stof van den aardbodem opborrelend, over de verdiepingen der op elkaar gebouwde kerken hooger steeg, zich van tabernakel tot tabernakel uitbreidde, en de muren zoo zeer tot medelijden bewoog, dat ook deze zelf snikten, en dat die kreet van de zwartste ellende met de witte spits, het vergulde, hooge kruis op den top der Basilica den hemel doorboorde. O, almachtige God, o goddelijk wezen, hulpvaardige Kracht, wie gij ook zijt, erbarm u over de arme menschheid, doe het menschelijk lijden ophouden!

Plotseling voelde Pierre zich als verblind. Hij had de linksche gang gevolgd en stond nu eensklaps in het volle daglicht. En onmiddellijk werden twee armen liefdevol om zijn hals geslagen. Het was dr. Chassaigne, die op hem stond te wachten om hem mede te nemen naar de kamer van Bernadette en de kerk van pastoor Peyramale.

“Jongen, wat zal zij blij zijn … Ja, ik heb het groote nieuws gehoord van de buitengewone genade, die Notre-Dame de Lourdes over je vriendin uitgestort heeft. Herinner je je wat ik je eergisteren gezegd heb? Nu ben ik gerust, want nu ben je zelf ook gered!”

Nog een laatste bitterheid voelde de jonge priester in zich opkomen. Maar hij kon glimlachen en antwoordde zacht:

“Ja, wij zijn gered; ik voel mij heel gelukkig!”

De leugen begon, de goddelijke illusie, die hij uit barmhartigheid aan anderen gaf.

Doch nog een schouwspel werd Pierre niet onthouden. De beide vleugels van de hoofddeur stonden wijd open, de bloedroode zonnestralen vulden het schip van het eene einde tot het andere. Alles laaide op in een fellen brandgloed, het vergulde koorhek, de gouden en zilveren geloftegiften, de in diamanten gevatte lampen, de banieren met hun lichte kleuren, de wierookvaten, die gezwaaid werden en op vliegende juweelen geleken. En achter in die fonkelende [359]schittering zag hij tusschen de sneeuwwitte koorhemden en de gouden misgewaden Marie met haar loshangende lokken, haar gouden lokken, die haar als met een gouden mantel omgolfden. Het orgel jubelde uit in een triomphantelijken lofzang, het razende volk juichte tot God en abbé Judaine, die op het altaar het Heilige Sacrament weer genomen had, hief het voor een laatste maal hoog en glanzende als in een stralenkrans op in de van goud druipende Basilica, wier klokken naar alle windstreken den triomf van het wonder uitdreunden.

[Inhoud]

V.

Onder het afloopen der helling zeide dr. Chassaigne tegen Pierre:

“Je hebt den triomf bijgewoond; nu zal ik je twee schreeuwende onrechtvaardigheden laten zien!”

En hij bracht hem naar het kamertje in de rue des Petits-Fossés, dat lage, donkere kamertje, waaruit zij gekomen was, toen de Heilige Maagd haar verscheen.

De rue des Petits-Fossés is een zijstraat van de vroegere rue du Bois, de tegenwoordige rue de la Grotte, en snijdt de rue du Tribunal. Het is een kronkelend, droefgeestig, armoedig straatje, dat flauw helt. Slechts zelden komen er menschen door, men vindt er alleen lange muren, armzalige huizen, melancholieke gevels, waarin nooit een raam opengaat. Een boom ergens op een binnenplaatsje is het eenige vroolijke erin.

“Wij zijn er,” zeide de dokter.

Het straatje werd op dit plekje heel nauw en smal, het huisje lag tegenover een hoogen, grijzen, kalen muur van een schuur. Beiden keken zij naar het kleine huisje, dat met zijn kleine kruisramen en ruwe, blauwachtige pleisterkalk akelig leelijk en armoedig leek. De gang beneden was heelemaal donker en werd slechts door een klein, ouderwetsch hek afgesloten; men moest een opstapje gebruiken om naar boven te komen, dat bij slagregens onder water stond.

“Ga naar binnen, vriend, ga naar binnen. Je behoeft het hek maar open te stooten.”

De gang was vrij diep en Pierre volgde, om geen misstap te doen, met zijn hand den muur. Het kwam hem voor, alsof hij in het donker in een kelder afdaalde en de glibberige grond onder hem steeds nat was van het water. Aan het [360]eind sloeg hij op een nieuwe aanwijzing van den dokter rechts af.

“Buk je, want je zoudt je kunnen stooten, de deur is erg laag … Zoo, we zijn er!”

Evenals de straatdeur, stond ook de kamerdeur wijd open. Pierre, die aarzelend midden in het vertrek was blijven staan, kon, daar zijn oogen nog gewend waren aan het felle daglicht van buiten, niets onderscheiden, nu hij daar in volkomen duisternis terechtgekomen was. Bovendien had een ijzige kilte, gelijk aan het gevoel, dat een natte wasch veroorzaakt, hem bij zijn schouders gegrepen.

Maar langzamerhand geraakten zijn oogen gewoon aan de duisternis. De twee, niet even groote ramen zagen uit op een smalle binnenplaats, waarin slechts een groenachtig licht als in een put viel. Als men midden op den dag in de kamer wilde lezen, moest men een kaars aansteken. De kamer, vier bij drie en een halven meter groot, was met groote, oneffen steenen bevloerd, terwijl de balken aan de zoldering in den loop der tijden een roetkleur gekregen hadden. Tegenover de deur was een armzalige schoorsteenmantel van gips, waarvan de plaat door een oude, vermolmde plank gevormd werd. Tusschen den schoorsteenmantel en een der ramen was een gootsteen. De muren, waarvan de kalk afschilferde en met vochtplekken en scheuren overdekt was, hadden evenals de zoldering, een zwartachtigen tint. Er stonden geen meubels meer in, het vertrek scheen geheel verlaten, men zag er slechts onduidelijk enkele vreemde voorwerpen, die in de diepe duisternis, welke alle hoeken vulde, onherkenbaar waren.

Na een vrij lange stilte begon de dokter te spreken.

“Ja, dit is de kamer, van hier is alles uitgegaan … Niets is erin veranderd, alleen de meubelen zijn er niet meer. Ik heb getracht de kamer weer in mijn geest te meubileeren; de bedden stonden ongetwijfeld tegen den muur over de ramen; drie bedden moeten er minstens geweest zijn, want de Souberous waren met hun zevenen, vader, moeder, twee jongens en drie meisjes … Stel je voor, drie bedden in dit vertrek en zeven menschen, die in deze enkele vierkante meters woonden. Ze waren hier als levend begraven, zonder licht, zonder lucht en zoo goed als zonder brood! Welk een vreeselijke ellende, wat een arme, beklagenswaardige schepsels!”

Maar hij werd in de rede gevallen. Een gestalte, die Pierre eerst voor een oude vrouw hield, kwam binnen. Het was [361]een priester, de vicaris van de parochie, die tegenwoordig het huis bewoonde. Hij kende den dokter.

“Ik hoorde u praten, dokter Chassaigne,” zeide hij, “en ben daarom even naar beneden gekomen … Zoo, laat u de kamer weer eens bekijken?”

“Ja, mijnheer de abbé, zoo vrij ben ik geweest … Het stoort u toch niet?”

“Heelemaal niet … heelemaal niet … Kom maar net zoo dikwijls als u wilt!”

Hij lachte vriendelijk en voorkomend en groette Pierre, die, verbaasd over zijn kalme zorgeloosheid vroeg:

“Maar toch zal het u wel eens lastig zijn met al die menschen!”

Op zijn beurt scheen de vicaris verbaasd.

“Wel neen, er komt hier niemand … U begrijpt, dat het hier niet zoo bekend is. Iedereen blijft daar bij de Grot … Maar ik laat de deur open staan, dan behoef ik niet heen en weer te loopen. Maar er gaan dagen voorbij, zonder dat ik zelfs ook maar het knagen van een muis hoor.”

De oogen van Pierre raakten hoe langer hoe meer aan de donkerte gewend; onder de onduidelijke voorwerpen onderscheidde hij oude tonnen, overblijfselen van een kippenhok, gebroken gereedschappen en allerlei lompen, die je gewoonlijk bij elkaar voegt en dan in den kelder werpt. Verder zag hij aan den zolder provisies hangen, een slamand vol met eieren en ritsen dikke, rose uien.

“Zooals ik zie,” begon hij met een lichte beving in zijn stem, “hebt u gemeend de kamer niet ongebruikt te moeten laten.”

De vicaris begon een beetje verlegen te worden.

“Zeker, zoo is het … Wat zal ik u zeggen? Het huis is klein en ik heb niet veel ruimte! En dan, u hebt er geen idée van hoe vochtig het huis is, het is absoluut onmogelijk het te bewonen … En, lieve God, zoo langzamerhand hoopt het zich van zelf op, zonder dat je het eigenlijk wil.”

“Een soort rommelkamer dus,” merkte Pierre op.

“O, neen, dat niet!… Een onbewoond vertrek, en wanneer u het zoo noemen wilt, een rommelkamer!”

Zijn verlegenheid, waarbij ook wel een beetje schaamte kwam, werd grooter. Dr. Chassaigne bleef zwijgen, kwam niet tusschenbeide; maar hij glimlachte, blijkbaar in zijn schik, dat zijn vriend tegen die menschelijke ondankbaarheid opkwam. [362]

Deze kon zich niet beheerschen en ging voort:

“Neem het me niet kwalijk, mijnheer de vicaris, dat ik er op doorga. Maar bedenk toch, dat u alles aan Bernadette te danken hebt, dat zonder haar Lourdes nog een der minst bekende steden van Frankrijk zijn zou … En werkelijk het komt mij voor, dat de parochie uit dankbaarheid deze kamer in een kapel had moeten veranderen …”

“O, een kapel!” viel de vicaris hem in de rede; “het betreft hier slechts een menschelijk wezen, en de Kerk mag haar geen vereering bewijzen.”

“Nu, laten we dan niet een kapel zeggen, laten wij zeggen, dat er lichten, bloemen, rozen moesten zijn, die de inwoners en de pelgrims uit piëteit steeds weer verfrisschen moesten … In het kort, ik zou hier graag wat meer liefde zien, het een of ander ontroerend aandenken, een beeld van Bernadette, iets, dat op kiesche wijze herinnerde aan de plaats, die zij in alle harten moest innemen … Het is gewoonweg schandelijk, dit vergeten, dit verontachtzamen, die vervuiling, waartoe men dit vertrek heeft laten vervallen.”

De vicaris, een onnadenkend en impressionabel mannetje, was het dadelijk met hem eens.

“In den grond der zaak hebt u volkomen gelijk. Maar ik heb geen macht, ik kan er niets aan doen … Wanneer ze me de kamer komen vragen, om haar in te richten, dan zou ik haar echter dadelijk geven en er mijn tonnen uitnemen, hoewel ik heusch niet weet, waar ik ze zou moeten zetten … Maar, ik herhaal het, dat hangt niet van mij af, ik kan er niets aan doen.”

Onder voorwendsel, dat hij uit moest, nam hij gauw afscheid en maakte zich uit de voeten, terwijl hij nogmaals tegen dr. Chassaigne zeide:

“Blijf net zoo lang als u zelf wilt. U stoort me nooit.”

Toen de dokter weer met Pierre alleen was, nam hij diens beide handen in de zijne en zeide, van vreugde stralend:

“Beste jongen, wat heeft dat me goed gedaan! Wat heb jij hem eens flink gezegd, wat al zoo lang in mijn hart borrelt en kookt!… Ik voor mij heb ook het denkbeeld gehad iederen ochtend hier rozen te brengen. Ik zou eenvoudig het kamertje hebben laten schoonmaken en dan twee vazen rozen op den schoorsteenmantel gezet hebben, want je weet, dat ik voor Bernadette een groote teederheid heb opgevat, en het scheen mij toe, dat die rozen hier het opbloeien, de schittering en de geur van haar aandenken zouden zijn … Maar, maar …” [363]

Hij maakte een wanhopig gebaar.

“De moed heeft mij tot nog toe altijd ontbroken … Ja, ik zeg den moed, want tot nog toe heeft niemand zich openlijk tegen de paters der Grot durven verzetten … Men aarzelt, schrikt terug voor een religieus schandaal. Denk eens aan de betreurenswaardige opschudding, die dat veroorzaken zou; en zij, die evenals ik over wat er thans gebeurt verontwaardigd zijn, moeten wel zwijgen.”

En na even gezwegen te hebben, voegde hij er nog aan toe:

“Ja, beste jongen, het is wel verschrikkelijk, die ondankbaarheid en die hebzucht van de menschen. Iederen keer, dat ik hier in deze ellende kom, schiet mijn hart zoo vol, dat ik mijn tranen niet inhouden kan.”

Hij hield op met spreken, geen van beiden zeide een woord meer, de melancholie, die zich uit het vertrek losmaakte, kneep hun de keel dicht. Duisternis omhulde hen, de vocht deed hen rillen tusschen de vervallen muren en het stof der opgehoopte oude lompen. Wederom kwam de gedachte in hen op, dat zonder Bernadette niets van de wonderen bestaan zou hebben, welke Lourdes tot een eenige stad in de wereld gemaakt hadden. Haar woord had de wonderbare bron doen ontspringen, de van kaarsen vlammende Grot geopend. Reusachtige werken werden uitgevoerd, kerken schoten uit den grond op, kolossale trappen leidden tot God, een geheel nieuwe stad rees, als door een wonder, met haar tuinen, haar boulevards, haar kaden, haar bruggen, haar winkels, haar hotels op. De verst verwijderde volkeren stroomden in menigte samen, de regen van millioenen viel zoo dicht en overvloedig, dat de jonge stad tot in het oneindige scheen te moeten groeien, het geheele dal vullen van het eene einde der bergen naar het andere. Als Bernadette er niet geweest was, zou er niets geweest zijn, het buitengewone avontuur tot niets terugkeeren, het oude Lourdes nog zijn eeuwenlangen slaap aan den voet van het Kasteel slapen. Bernadette was de eenige, die dit geschapen had, en deze kamer, waaruit zij gegaan was, toen zij de Maagd gezien had, deze wieg zelf van het wonder, van het wonderbaarlijke toekomstige fortuin, lag hier verwaarloosd, ten prooi aan de wormen, goed alleen voor een rommelkamer, waarin je uien en oude tonnen bewaarde.

Toen stond de tegenstelling Pierre zoo intens voor den geest, dat hij den triomf, waarvan hij zoo even getuige geweest was, opnieuw zag, de extase in de Grot en in de [364]Basilica, terwijl Marie, te midden van het gejuich der menigte, achter het Heilige Sacrament haar wagentje voortduwde. Maar boven alles straalde de Grot, nu niet langer het woeste rotshol op den wilden oever van den bergstroom, waarvoor het kind vroeger neergeknield had; maar de met rijkdommen en schatten versierde kapel, de in kaarslicht gloeiende kapel, waarin alle naties kwamen bidden. Al het lawaai en alle schittering; alle aanbidding en al het geld waren daar in de pracht van een eeuwigdurenden zegetocht te vinden. Hier echter, in de bakermat van dat alles, geen levende ziel, geen kaars, geen lied, geen bloem. Niemand kwam hier, niemand knielde hier neer, niemand bad hier. Enkele impressionabele bezoekers hadden slechts als aandenken een paar splinters van de half verrotte plank, die als schoorsteenplaat dienst deed, medegenomen. De geestelijkheid wilde niets weten van, kende zelfs deze plek van ellende niet, waarheen de processie zich had moeten begeven als naar een plaats van verheerlijking. Daar had het arme kind in een kouden nacht, liggend tusschen haar beide zusjes, haar droom begonnen, in een aanval van haar kwaal en terwijl de geheele familie in zwaren slaap verzonken lag; vandaar was zij vertrokken en had onbewust dien droom medegenomen, welke in het volle daglicht opnieuw in haar wortel schoot, om zoo liefelijk op te bloeien tot een visionnaire legende. En niemand liep thans meer dienzelfden weg nog eens af, de kribbe was vergeten, in donker en vocht liet men die kribbe, waarin het zoo nederige zaadje ontkiemd was, dat nu daar ginds opwies tot wonderdadige oogsten, welke de arbeiders, die komen als het werk is afgeloopen, te midden van de koninklijke pracht en praal der ceremoniën binnenhaalden.

Pierre, dien de groote echt-menschelijke ontroering over dit alles tot huilen toe bewoog, vatte met zachte stem al zijn gedachten in dezen enkelen zin samen:

“Dit is Bethlehem.”

“Ja,” zeide dr. Chassaigne, “in een armzalige woning, in een ellendig asyl worden de nieuwe godsdiensten van lijden en medelijden geboren … En soms vraag ik me wel eens af, of het zoo eigenlijk niet beter is, of het niet wenschelijk is, dat deze kamer in dezen armoedigen en verlaten toestand blijft. Het komt me dan voor, dat Bernadette daardoor niets verliest, want wanneer ik hier een uur kom doorbrengen, voel ik mij nog meer tot haar aangetrokken.” [365]

Weer zweeg hij even, doch ging dan met een gebaar van verzet voort:

“Neen, neen, ik kan niet vergeten, die ondankbaarheid maakt me woedend … Ik heb je al gezegd, dat ik voor mij overtuigd ben, dat Bernadette zich vrijwillig naar het klooster in Nevers begeven heeft. Maar al heeft dan niemand haar laten verdwijnen, wat een opluchting voor degenen, voor wie zij hier hinderlijk begon te worden. En dezelfde mannen, die hier zoo graag de onbeperkte meesters wilden zijn, doen nu al het mogelijke, om de herinnering aan Bernadette uit te wisschen … O, beste jongen, als je alles eens wist!”

Langzamerhand gaf hij aan zijn overvol hart lucht. De paters van de Grot vreesden de doode Bernadette, wier werk zij zoo hebzuchtig exploiteerden, nog meer dan de levende. Zoolang zij leefde, verkeerden zij ongetwijfeld voortdurend in angst, dat zij naar Lourdes zou terugkeeren, om de prooi te deelen; haar nederigheid en haar ootmoed stelden hen echter al spoedig gerust, want zij was in het minst niet heerschzuchtig, zij zelf had het donker der verzaking gekozen, waarin zij sterven zou. Maar tegenwoordig sidderden zij meer bij het denkbeeld, dat een wil krachtiger dan de hunne, de reliquieën der helderziende zou kunnen terugbrengen. Onmiddellijk na haar dood was er wel in de gemeenteraad over gesproken: de stad wilde een graftombe voor haar oprichten, en men sprak erover een inschrijving te openen. Zeer beslist hadden de zusters van Nevers geweigerd het lijk, dat, naar zij beweerden, haar toebehoorde, uit te leveren. Achter de zusters had iedereen toen den invloed der paters gevoeld, die in hun groote ongerustheid zich in het geheim verzetten tegen den terugkeer van het vereerde gebeente, waarin zij een mogelijke concurrentie met de Grot zagen. Wat een vreeselijke bedreiging was dat niet! Een graftombe op het kerkhof, waarheen de pelgrims zich in processie zouden begeven, waarvan de zieken het marmer zouden gaan kussen, waarbij zich te midden van een heilige geestdrift wonderen voltrekken zouden. Dat was de werkelijke, doodende concurrentie, de verplaatsing der devotie en van het wonder. En steeds weer kwam die eeuwige, die groote vrees terug te moeten deelen, het geld elders heen te zien vloeien, wanneer de nu wijs geworden stad uit de graftombe voordeel zou weten te trekken.

Zelfs werd den paters een laag-arglistig plan toegeschreven. Zij zouden op het denkbeeld gekomen zijn het lijk van [366]Bernadette, dat de zusters van Nevers dan voor hen in den vrede van haar kapel zouden bewaren, voor zichzelf te reserveeren. Maar zij wachtten, zij wilden het niet terugbrengen voor de toevloed van pelgrims zou beginnen af te nemen. Waar zou die plechtige terugkeer goed voor zijn, nu de scharen steeds talrijker samenstroomden, terwijl men van te voren zien kon welk een nieuw ontwaken van het geloof de plechtige terugkeer zou veroorzaken, waarbij de christenheid het gebeente der uitverkorene bezit zou zien nemen van den gewijden grond, waaruit zij zoovele wonderen had doen opschieten, wanneer het buitengewone succes van Notre-Dame de Lourdes, evenals dat met alle aardsche dingen gebeurt, zou gaan tanen. En op het marmer van haar graftombe vóór de Grot of in de Basilica zouden de wonderen opnieuw beginnen.

“Je kunt zoeken, zooveel als je wilt,” ging dr. Chassaigne voort, “maar je zult in heel Lourdes niet een met goedkeuring der geestelijkheid gemaakt beeld van Bernadette vinden. Zeker, haar portret wordt verkocht, maar nergens, in geen enkel heiligdom, is het te vinden … Dit is niets anders dan een, als ik het zoo noemen mag, stelselmatig in den doofpot stoppen, het komt voort uit het gevoel van ongerustheid, dat de stilte en de veronachtzaming bewerkt heeft in deze trieste kamer, waarin we ons nu bevinden. Evenals men bang is voor een mogelijke vereering op haar graf, is men bang, dat de menigte hier zou komen neerknielen wanneer twee kaarsen branden, of twee rozenruikers dezen schoorsteen versieren zouden. En als een verlamde opstond met den uitroep, dat zij genezen was, wat een ergernis, wat een onrust zou dat veroorzaken in die koopmanszielen van de Grot, die daardoor hun monopolie leelijk in gevaar gebracht zouden zien!… Zij zijn de meesters en willen de meesters blijven; zij willen niets loslaten van de prachtige bezitting, die zij veroverd hebben en uitbuiten. Maar zij sidderen toch, ja zij sidderen voor de herinnering aan de oorspronkelijke arbeiders, aan dat kleine meisje, dat een zoo groote doode is en wier erfenis hen met zulk een verterende hebzucht vervult, dat zij, na haar weggezonden te hebben, om in Nevers te leven, zelfs haar lijk, dat onder den grond van een klooster gevangen ligt, niet durven terugbrengen.”

O, welk een erbarmelijk lot van dit arme wezentje, dat van de levenden afgezonderd was en wier lijk nu ook in ballingschap blijven moest. Welk een diep medelijden had Pierre [367]met dit ongelukkige schepseltje, dat slechts uitverkoren scheen te zijn, om zoowel tijdens haar leven als in den dood te lijden. Zelfs aangenomen, dat een krachtige, slechts daarop gerichte wil haar niet had doen verdwijnen en haar daarna in haar graf bewaakt, welke een vreemde en zonderlinge samenloop van omstandigheden dan toch, juist alsof iemand, ongerust om de onbegrensde macht, die zij zou kunnen krijgen, steeds ijverzuchtig getracht had haar op den achtergrond te houden. In Pierre’s oogen bleef zij de uitverkorene, de martelares, en ook al kon hij niet meer gelooven, ook al was de geschiedenis van dit ongelukkige kind voldoende, om het geloof geheel en al in hem te vernietigen, desniettemin ontroerde zij hem in zijn broederlijk gevoel door hem een nieuwen godsdienst te openbaren, den eenigen, waarvan zijn hart nog vol was, den godsdienst van het leven, van het menschelijk lijden.

Juist toen zij de kamer wilden verlaten, riep dr. Chassaigne uit:

“Hier, jongen, moet je gelooven! Kijk hier naar dit donkere gat en denk dan aan de schitterende Grot, aan de triompheerende Basilica, aan die nieuw-gebouwde stad, aan die samenstroomende menschenmassa’s! Maar zou, wanneer Bernadette een visionnaire, een krankzinnige was, het avontuur niet nog verwonderlijker, nog onverklaarbaarder zijn. Wat, geloof je werkelijk, dat de droom van een krankzinnige voldoende zijn zou, om de volkeren zoo in beroering te brengen?… Neen, neen, hier is een goddelijke ademtocht door gestreken, die alleen het wonder verklaren kan.”

Pierre was op het punt te antwoorden. Ja, hier was een ademtocht langs gestreken, de snik van het lijden, het onuitbluschbare verlangen naar de oneindige hoop. Dat de droom van een lijdend kind voldoende geweest was, om de volkeren hier te brengen, om het millioenen te doen regenen en een nieuwe stad uit den grond te doen oprijzen, was dat niet een gevolg van het feit, dat die droom den honger der arme menschheid, den onverzadigbaren honger, dien zij hebben om bedrogen en getroost te worden, eenigszins gestild had? Bernadette had, ongetwijfeld op een maatschappelijk en historisch gunstig oogenblik, het onbekende weer ontsloten; en de menigten hadden er zich hals over kop ingestort. O, zijn toevlucht te vinden in het mysterie, wanneer de werkelijkheid zoo hard is, zich toe te vertrouwen aan het wonder, omdat de wreede natuur één lang, schreeuwend onrecht is! [368]Maar hoe men het onbekende ook organiseert en in dogma’s samenvat en er een geopenbaarden godsdienst van maakt, in zijn diepste diepte is en blijft de lijdenskreet, de kreet van het leven, dat gezondheid, vreugde en geluk eischt, ja bereid is, deze in een andere wereld te aanvaarden, als zij op deze aarde niet bestaanbaar zijn. Waartoe te gelooven aan dogma’s? Is het niet voldoende, als men weent en liefheeft?

Toch kleedde Pierre zijn gedachten niet in woorden. Hij hield het antwoord, dat naar zijn lippen steeg, terug, overtuigd als hij trouwens was, dat de eeuwige drang naar het bovennatuurlijke in den door lijden bezochten mensch het eeuwige geloof zou doen verklaren. Het wonder, dat niet te bewijzen was, moest het voor de menschelijke vertwijfeling noodige brood blijven. En bovendien, had hij zichzelf niet gezworen in zijn barmhartige liefde niemand meer door zijn twijfel te bedroeven?

“Welk een wonder, niet waar?” bleef de dokter aandringen.

“Zeker,” zeide hij eindelijk. “In dit armzalige, zoo vochtige en zoo donkere kamertje heeft zich het geheele menschelijke drama afgespeeld, hebben alle ongekende krachten gewerkt.”

Zwijgend bleven zij nog enkele minuten staan. Nog eenmaal keken zij naar de muren, naar de zwart geworden zoldering, naar het kleine, groenachtige binnenplaatsje. Die armoedigheid met haar spinnewebben, met haar oude, vuile tonnen, haar onbruikbare gereedschappen, haar hoopen rommel, die in de hoeken lagen te verrotten, het was inderdaad hartverscheurend. En zonder verder een woord te zeggen, gingen zij weg, terwijl een onzegbare droefheid hun keel dichtkneep.

Eerst op straat scheen dr. Chassaigne weer te ontwaken. Hij rilde even, versnelde zijn pas en zeide:

“Wij zijn nog niet klaar, jongen; ga mee … Nu gaan we de andere schreeuwende onrechtvaardigheid in oogenschouw nemen.”

Hij sprak over abbé Peyramale en diens kerk. Zij staken de place du Porche over en sloegen de rue Saint-Pierre in; binnen enkele minuten waren zij er. Het gesprek was intusschen weer op de paters van de Grot gekomen, op den vreeselijken oorlog, dien pater Sempé, zonder kwartier te geven, tegen den vroegeren pastoor van Lourdes gevoerd had. Overwonnen, was deze in een hevige verbittering gestorven; en na hem aldus door verdriet gedood te hebben, [369]hadden zij ook zijn kerk, die hij onvoltooid, zonder dak en open liggend voor wind en regen, had achtergelaten, vermoord. Sedert men hem uit het bezit der Grot verdreven, uit het werk van Notre-Dame de Lourdes, waarvan hij met Bernadette de pionier geweest was, weggejaagd had, werd zijn kerk zijn revanche, zijn protest, zijn eigen deel in den roem, het Godshuis, waarin hij in gewijde gewaden triompheeren, van waaruit hij ontelbare processies leiden zou, om den uitdrukkelijken wensen der Heilige Maagd te vervullen. De autoritaire heerscher, die hij in den grond der zaak was, de herder der groote scharen, de tempelbouwer vond er een ongeduldige vreugde in om de werken te verhaasten met de onvoorzichtigheid van alle hartstochtelijke menschen, die zich niet bekommeren om schulden en het geld met handen vol uit te geven, mits er steeds maar een leger van werklieden op de stellages stond. In zijn geest zag hij de kerk grooter worden, zag hij haar op een mooien zomerochtend voltooid in de opgaande zon glinsteren.

Dat telkens weer voor zijn geestesoog opdoemende visioen gaf hem te midden van den sluipmoord, waardoor hij zich omringd voelde, den moed om verder te strijden. Zijn, het groote plein beheerschende kerk, rees eindelijk in haar grootsche majesteit op. Hij had haar in Romaanschen stijl, groot en eenvoudig, negentig meter lang en honderd veertig meter hoog gewenscht. Den vorigen dag van haar laatste stelling ontdaan, glinsterde zij nu in de volle zon nog in de jonge bekoring van haar jeugd, met haar groote, regelmatig opgebouwde steenlagen. In zijn gedachten liep hij om haar heen, verrukt over haar naaktheid en haar kinderlijk-maagdelijke kuischheid, zonder een beeld, zonder een versiering, die haar onnoodig belast zou hebben. De daken van het schip, de kruisbeuk en de apsis lagen op gelijke hoogte onder de streng versierde lijst. Ook de ramen der zijbeuken en van het hoofdschip hadden geen andere versiering dan van lijstwerk voorziene booggewelven.

Hij bleef staan voor de groote ramen van de dwarsbeuk, waarin de rosetten fonkelden; zette dan zijn wandeling voort en liep achter de ronde apsis om, waartegen de sacristie haar twee verdiepingen kleine ramen rijde; dan ging hij weer terug en werd niet moede te kijken naar de koninklijke verdeeling van het bouwwerk, naar de groote lijnen, die zich tegen het blauw afteekenden, naar de boven elkaar gelegen daken, naar die enorme massa, die in haar kracht den eeuwen [370]weerstand bieden zou. Maar wanneer hij zijn oogen sloot, riep hij in een verrukking van trots vooral den gevel voor zijn geest: beneden het voorportaal met zijn drie boven-galerijen, de galerij rechts en de galerij links, waarvan de steenen daken een krans vormden, terwijl de klokketoren, die uit de centrale galerij oprees, zich in het midden met een krachtigen zwaai in de lucht verhief. Ook daar droegen de op sokkels rustende zuilen slechts met lijstwerk versierde booggewelfjes. Tegen den geveltop, op de spits van een tinne, tusschen de twee hooge vensteropeningen van het hoofdschip, stond onder een baldakijn een beeld van Notre-Dame de Lourdes. Daarboven bevond zich nog een verdieping met galmgaten, die met de licht geschilderde klankborden voorzien waren. De beeren rezen op de vier hoeken uit den grond op, van verdieping tot verdieping dunner wordend, tot zij, licht, maar krachtig, de torenspits bereikten, een vermetele, steenen spits, door vier kleinere klokketorentjes geflankeerd en eveneens slechts met tinnen versierd, trotsch in de hoogte rijzend, tot zij zich in den hemel verloor. En het kwam abbé Peyramale voor, alsof zijn vurige priesterziel grooter geworden en met die spits omhoog gestegen was, om daarboven, dicht bij God, door alle eeuwen heen te getuigen van haar geloof.

Andere oogenblikken bracht een ander visioen hem nog meer in verrukking. Dan meende hij op den dag, dat hij er zijn eerste plechtige mis zou celebreeren, het inwendige van zijn kerk te zien. De geschilderde ruiten lieten vurig licht door, dat als edelgesteente fonkelde, de twaalf kapellen der zijbeuken stonden in den gloed van kaarsen. Hij zelf was op het marmeren en gouden hoofdaltaar; de veertien zuilen van het hoofdschip, blokken Pyreneesch marmer uit één stuk en prachtige giften uit alle windstreken der Christenheid, rezen statig op en steunden het gewelf, dat de dreunende orgelklanken met een jubelzang vervulden. Een volk van geloovigen verdrong zich, neergeknield op de vloertegels, tegenover het door een als kantwerk zoo licht hek omgeven koor, dat met prachtig houtsnijwerk bekleed was. De kansel, een koninklijk geschenk van een voorname dame, was een uit eikenhout gesneden kunstwerk. De doopvonten waren door een kunstenaarshand uit hardsteen gehouwen. Schilderijen van meesters versierden de muren, kruisen, hostievazen, kostbare monstransen, gewijde gewaden, schitterend als zonnen, lagen in ontelbaren getale in de kasten der sacristie. [371]Welk een heerlijke droom de hoogepriester van zulk een tempel te zijn, erin te heerschen, na hem eerst met hartstochtelijke geestdrift gebouwd te hebben, er de uit alle hoeken der wereld samengestroomde scharen te zegenen, terwijl de vol klinkende klokken aan de Grot en aan de Basilica verkondigden, dat zij daar in het oude Lourdes een mededingster hadden, een overwinnende zuster, bij wie God eveneens zijn triomfen vierde.

Na een oogenblik de rue Saint-Pierre gevolgd te hebben, sloegen dr. Chassaigne en Pierre de kleine rue de Langelle in.

“Wij zijn er dadelijk,” zeide de dokter.

Pierre keek om zich heen, maar zag geen kerk. Er stonden niets dan armoedige krotten, een echte voorstadswijk met vuile gebouwen. Eindelijk zag hij achterin een slop een stuk van de oude, half vergane omheining, die nog steeds om het groote, vierkante terrein stond, dat door de rues de Saint-Pierre, de Bagnères, de Langelle en des Jardins ingesloten was.

“We moeten links af,” zeide de dokter, die een smalle, tusschen de puinhoopen door leidende gang ingeloopen was. “We zijn er!”

En plotseling verscheen de ruïne te midden van de leelijke en vuile omgeving, die haar maskeerde.

Het geheele, machtige geraamte van het schip en de zijbeuken, van het dwarsschip en van de apsis stond nog. Overal rezen de muren op tot aan het begin der gewelven. Men kwam er als in een echte kerk, kon er in rondloopen en de gewone deelen van een godshuis onderscheiden. Doch wanneer men opkeek, zag men den hemel: het dak ontbrak, de regen viel, de wind gierde vrij binnen. Sedert weldra vijftien jaar lag het werk nu stil en was alles in denzelfden toestand gebleven als waarin de laatste metselaar ze achtergelaten had. Het eerst vielen dadelijk de tien zuilen van het schip en de vier zuilen van het koor op, de prachtige zuilen uit één blok Pyreneesch marmer, die men, om ze tegen alle schade te beschermen, met een mantel van planken bedekt had. De voeten en de kapiteelen waren nog ruw en wachtten op de beeldhouwers. Zij maakten een triesten indruk, die zoo alleen staande, met hout bekleede zuilen. En ook uit de geheele, ommuurde ruimte en uit het gras, dat den woesten, hobbeligen grond van de zijbeuken en van het schip bedekte,—een dicht kerkhofgras, waardoor vrouwen langzamerhand voetpaden gemaakt hadden—steeg een diepe melancholie op. Die vrouwen kwamen hier haar wasch bleeken of drogen. [372]Een echte wasch van armoedzaaiers, dikke lakens, gescheurde hemden, luiers lag er juist te drogen in de laatste zonnestralen, die door de breede ruitlooze ramen binnenvielen.

Langzaam, zonder te spreken liepen Pierre en dr. Chassaigne het inwendige rond. De twaalf kapellen der zijbeuken vormden als het ware een soort compartimenten vol puin en vuil. De grond van het koor was met cement bedekt, blijkbaar om de crypt tegen het doorsijpelen van het water te beschermen; ongelukkig echter schenen de gewelven wat te zakken, want er had zich een inzinking gevormd, die het onweer van den vorigen nacht in een klein meertje herschapen had. Die deelen van het dwarsschip en van de apsis hadden het minst geleden. Geen steen was daar van zijn plaats geraakt, de groote midden-rosetten, boven het triforium, schenen op hun ramen te wachten, terwijl zware eiken platen, die boven op de muren der apsis waren blijven liggen, den indruk hadden kunnen wekken, dat men den volgenden dag met afdekken beginnen zou. Maar toen zij op hun passen teruggekeerd waren en naar buiten gingen, om den gevel te zien, kwam het verschrikkelijk verval van die jonge ruïne nog meer uit. Aan deze zijde was men met het werk niet zoo ver gereed gekomen; en de vijftien jaar van veronachtzaming waren voor de winters voldoende geweest om het beeldhouwwerk, de kleine zuiltjes en het lijstwerk weg te vreten, een werkelijk vreemd en bijzonder vernielingswerk, alsof de sterk ingevreten steen onder tranen weggesmolten was. Het hart kromp ineen bij het zien van die verwoesting, welke het werk reeds aantastte zelfs nog voordat het geheel voltooid was. Nog niet zijn en dan reeds in de open lucht afbrokkelen. Plotseling in den groei tot een reusachtigen kolos gestoord te worden, om langzamerhand tot puin te vervallen!

Zij gingen het schip weer binnen en vonden er de troostelooze triestheid van den op het monumentale gebouw gepleegden moord. Het groote, woeste terrein was door de puinhoopen van steigers versperd, die men, half vermolmd, had moeten afbreken, uit vrees, dat ze anders instorten en mogelijk in haar val menschen verpletteren zouden; overal zag men in het hooge gras planken, steigerhout, balken en hoopen oud touw liggen, dat door het vocht opgevreten werd. Ook stond er een ingevallen geraamte van een lier, dat zich als een galg verhief. Stelen van spaden, gebroken stukken van kruiwagens slingerden nog rond tusschen vergeten gereedschap en hoopen groenachtig geworden, met [373]mos bedekte steenen, waarop slingerplanten bloeiden. Onder de brandnetels zag men hier en daar de rails terug van de kleine spoorbaan, die men voor het vervoer der materialen aangelegd had, terwijl een daarbij behoorende tip ondersteboven in een hoek lag. Maar het meest triest van al die ten doode gedoemde dingen was toch de locomobiel, die onder het dak van een loods, welke haar beschermde, was blijven staan. Sedert vijftien jaar stond zij daar, koud, dood. De loods was ten slotte boven haar ingestort, groote gaten lieten haar bij iedere stortbui doornat van den regen worden. Een uiteinde van de drijfriem, die de lier in beweging bracht, hing als een reusachtige draad van een spin slap neer. Ook stalen en koperen deelen verteerden onder roest en mos en waren met allerlei woekerplanten bedekt, welker geelachtige vlekken haar het aanzien gaven van een heel oude machine, die met gras overwoekerd en door vele winters weggevreten was. Deze doode en koude machine met haar uitgedoofden haard en haar zwijgenden stoomketel was de ziel zelf van het werk, dat stil was blijven liggen in het vergeefsche wachten op het grootmoedige, liefdadige hart, welks komst door de wilde rozestruiken en braamstruiken de Doornroosje-kerk uit haar zwaren puinhoopslaap moest wekken.

Eindelijk begon dr. Chassaigne te spreken.

“O, en te denken, dat vijftig duizend francs voldoende geweest zouden zijn, om zoo’n ramp te verhoeden. Met vijftig duizend francs zou men hebben kunnen afdekken, was het groote werk gered en had men den tijd om te wachten … Maar zij wilden het werk dooden, zooals zij den man gedood hadden.”

Met een gebaar duidde hij de paters der Grot aan, die hij vermeed te noemen.

“En dan te denken, dat zij jaarlijks een inkomen hebben van negenhonderd duizend francs! Maar zij zenden liever geschenken naar Rome, om daar machtige vriendschappen te onderhouden.”

Ondanks zichzelf trok hij weer te velde tegen de tegenstanders van abbé Peyramale. Die heele geschiedenis vervulde hem met een rechtvaardigen, heiligen toorn. Bij het zien van die jammerlijke ruïne vatte hij nog eenmaal de feiten samen: de pastoor wierp zich geestdriftig op den bouw van zijn kerk, maakte schulden, rekende niet meer, terwijl pater Sempé, die op den loer lag, gebruik maakte van ieder van zijn fouten, hem bij den bisschop in discrediet bracht en [374]ten slotte erin slaagde de bron der giften te verstoppen en de werkzaamheden te doen ophouden. Dan volgden, na den dood van den overwonnene, eindelooze processen, vijftien jaren van processen, die aan de winters den tijd gegeven hadden om het werk op te vreten. Nu verkeerde het in zoo’n deerniswaardigen staat, was de schuld tot een zoo hoog bedrag opgeloopen, dat alles voor goed uit scheen. De langzame dood, de dood der steenen voltrok zich. Onder haar ingestorte loods zou de locomobiel, gegeeseld door den regen en opgevreten door het mos, in stukken vallen.

“Ja, ik weet het wel, zij kraaien nu victorie, zij zijn er alleen nog maar, dat is het, wat zij altijd gewild hebben: onbeperkt heer en meester zijn, voor zichzelf alleen al de macht en al het geld behouden … Ja, ik kan je zeggen, dat hun vrees voor concurrentie zoo ver gaat, dat zij de religieuze orden, die zich te Lourdes wilden komen vestigen, daar steeds van verwijderd gehouden hebben. Jezuïeten, Dominicanen, Benedictijnen, Capucijners, Carmelieten hebben erom verzocht; altijd zijn de paters der Grot erin geslaagd het te beletten. Zij dulden slechts vrouwenorden; zij willen alleen maar een kudde … De stad behoort hun toe, zij houden er winkels, zij verkoopen er God in het groot en in het klein.”

Langzaam loopend was hij in het midden van het schip teruggekomen. Met een groot gebaar wees hij op de verwoesting, die hem omringde.

“Kijk eens naar deze verschrikkelijke, troostelooze ellende … En de Rozenkranskerk en de Basilica daar hebben meer dan drie millioen gekost.”

Evenals in het donkere en natte kamertje van Bernadette zag Pierre ook nu, stralend in haar triomf, de Basilica voor zich oprijzen. Niet hier had de droom van abbé Peyramale zich verwezenlijkt, niet hier, waar hij als hoogepriester de knielende menigte had willen zegenen, terwijl het orgel zijn jubelzang uitdreunde. Voor zijn geestesoog rees de Basilica op, waarin alle klokken luidden, die dreunde van het gejuich der bovenmenschelijke vreugde over een wonder en geheel van vlammen gloeide, de Basilica met haar banieren, haar lampen, haar harten van goud en zilver, haar in goud gekleede geestelijkheid, haar monstrans, die was als een gouden zon. Zij vlamde in de ondergaande zon, zij raakte met haar torenspits den hemel aan, terwijl milliarden gebeden, waarvan haar muren beefden, uit haar omhoog zweefden. En hier de kerk dood alvorens geboren te zijn, de kerk door een bisschoppelijk [375]bevel buiten dienst gesteld, de kerk, openstaande voor de vier winden, in puin vallend. Iedere storm nam iets mee van haar steenen; groote, dikke vliegen bromden in de brandnetels, die op den vloer van het schip woekerden; er waren geen andere geloovigen, dan de vrouwen, die er haar armoedige wasch, die op het gras lag, kwamen keeren. In de droefgeestige stilte scheen een stem zacht te snikken, de stem der marmeren zuilen misschien, die onder haar mantel van planken haar onnoodigen luxe beweenden. Soms vlogen vogels door de verlaten apsis en stieten er hun kreten uit. Groote troepen ratten, die onder de puinhoopen der afgebroken steigers een toevlucht gevonden hadden, beten elkaar en sprongen in een duivelschen galop uit hun gaten. Men kon zich niets benauwenders, niets neerdrukkenders denken dan deze met opzet gewilde ruïne, vergeleken bij haar triompheerende mededingster, de van goud stralende Basilica.

Wederom zeide dr. Chassaigne eenvoudig:

“Ga mee!”

Zij gingen de kerk uit, liepen langs den linkerzijbeuk en kwamen voor een ruw, uit enkele over elkaar gespijkerde planken gemaakte deur; toen zij een houten, half vermolmde trap, waarvan de treden onder hun voeten zwiepten, afgedaald waren, bevonden zij zich in de crypt.

Het was een lage ruimte met platte gewelven, die precies de indeeling van het koor weergaf. De in ruwen toestand gelaten, kort in elkaar gedrongen zuilen wachtten ook hier op haar beeldhouwwerk. Overal slingerde materiaal rond, op den grond lagen stukken hout te vermolmen; de geheele groote ruimte was wit van de kalk. Drie op den achtergrond aangebrachte vensteropeningen, die vroeger van ruiten voorzien geweest waren, waarvan er echter geen een meer over was, verlichtten de melancholieke naaktheid der muren met een hel, koud licht.

En daar in het midden sliep het lijk van pastoor Peyramale. Fijngevoelige vrienden waren op het roerende denkbeeld gekomen hem in de crypt van zijn onvoltooide kerk te begraven. Het op een breed voetstuk rustende grafteeken was geheel van marmer. In gouden letters aangebrachte opschriften vertolkten de gedachten der gevers; zij waren als een kreet van waarheid en genoegdoening, die uit het graf oprees. Op de voorzijde las men: “Vrome obolen, uit de geheele wereld saamgekomen, hebben dit grafteeken opgericht tot gezegende [376]nagedachtenis van den grooten dienaar van Notre-Dame de Lourdes.” Aan den rechterkant las men deze woorden uit een breve van Pius IX: “Gij hebt u geheel opgeofferd om een tempel te bouwen voor de Moeder Gods,” terwijl men links het Evangeliewoord las: “Zalig zijn zij, die vervolgd worden om der gerechtigheid wille.” Was dit niet de waarachtige klacht, de gerechtvaardigde hoop van den overwonnene, die zoo lang gestreden had in de eenige begeerte de bevelen der Heilige Maagd, die Bernadette hem overgebracht had, stipt uit te voeren? En Notre-Dame de Lourdes was daar: een klein beeldje, dat boven het grafopschrift aangebracht was tegen den grooten kalen muur, welke alleen versierd was met enkele, aan spijkers opgehangen paarlenkronen. Voor het grafteeken stonden, evenals voor de Grot, vijf of zes banken voor de geloovigen, die hier eenige oogenblikken vertoeven wilden.

De dokter kon een zucht niet onderdrukken.

“Het regent, het regent nu op hem!”

Pierre bleef in een soort heilige ontzetting onbeweeglijk staan. Onder dit neervallend water, onder de windvlagen, die hier ’s winters moesten binnengieren door de gebroken ruiten der ramen, leek deze doode hem zoo deerniswaardig en tragisch. Hij kreeg iets woest grootsch, daar heel alleen in zijn rijk marmeren grafgewelf te midden van de puinhoopen en de ruïne van zijn kerk. Hij was er de eenzame bewaker van, de in slaap gevallen en droomende doode, die de ledige ruimte, welke voor alle nachtvogels open stond, beschermde. Hij was hier het zwijgende, hardnekkige, eeuwige protest. Liggend in zijn kist en de eeuwigheid hebbend om geduld te oefenen, wachtte hij er onvermoeid op de werklieden, die misschien op een mooien Aprilochtend zouden terugkomen. Als zij er tien jaar voor noodig hadden, dan zou hij er zijn; als zij er een eeuw voor noodig hadden, zou hij er nog zijn. Hij wachtte totdat de vermolmde steigers daarboven tusschen het gras van het schip, door een wonder weer zouden worden opgewekt als dooden en langs de muren zouden staan. Hij wachtte tot de met mos bedekte locomobiel plotseling weer gestookt worden en haar adem terugvinden zou, om de dakbalken op te hijschen. Zijn geliefd werk, de reusachtige bouw, stortte in boven zijn hoofd, met gevouwen handen en gesloten oogen bewaakte hij de puinhoopen en wachtte.

Fluisterend vertelde de dokter de wreede geschiedenis [377]verder, hoe men, na pastoor Peyramale en diens werk vervolgd te hebben, thans zijn graf vervolgde. Vroeger was er een borstbeeld van den pastoor geweest en hadden vrome handen het vlammetje van een lamp brandende gehouden. Maar toen een vrouw voorover op den grond gevallen was en zeide, dat zij de ziel van den afgestorvene gezien had, geraakten de paters der Grot in onrust. Zouden daar wonderen gaan gebeuren? Reeds brachten zieken geheele dagen door op de banken voor het grafteeken. Anderen knielden ervoor neer, kusten het marmer, smeekten om genezing. Dat was een schrik: stel je voor, dat zij genazen, dat de Grot een concurrent kreeg in dezen martelaar, die hier alleen lag tusschen oude, door de metselaars vergeten gereedschappen! De bisschop van Tarbes werd op de hoogte gebracht en bewerkt en vaardigde een bevel uit, waarbij de kerk buiten dienst gesteld en iedere vereering, iedere bedevaart, iedere processie naar het graf van den voormaligen pastoor van Lourdes verboden werd. Evenals het met Bernadette gebeurd was, werd ook zijn nagedachtenis in den ban gedaan, was zijn officieel portret nergens te vinden. Even verbitterd als de paters tegen den levende geweest waren, zoo verbitterd waren zij tegen de nagedachtenis van den grooten doode. Zij vervolgden hem tot in zijn graf. Zij alleen verhinderden thans nog, dat het bouwwerk hervat werd, legden telkens nieuwe hinderpalen in den weg, weigerden hun rijke oogst van aalmoezen te deelen. En zij wachtten tot de winterregens vallen en het werk der vernietiging voltooien zouden, tot het gewelf, de muren, het geheele reusachtige bouwwerk op het marmeren grafteeken, op het lijk van den overwonnene in puin vallen zou, zoodat het eronder verpletterd en begraven werd.

“Ach,” prevelde de dokter, “en ik, die hem zoo dapper, zoo vol geestdrift voor edele werken gekend heb! Nu, je ziet het, nu regent het, regent het op hem!”

Moeilijk knielde hij neer en zocht kalmte in een lang gebed.

Pierre, die niet bidden kon, bleef staan. In zijn algemeene menschenliefde had een zoo groote ontroering zich van hem meester gemaakt, dat zijn hart vol schoot. Hij hoorde de zware droppels één voor één in een langzaam rhythme, dat te midden der diepe stilte, de seconden der eeuwigheid te tellen scheen, op het graf uiteenspatten. Hij dacht aan de eeuwige ellende van deze wereld, waarin altijd de besten tot lijden uitverkoren zijn. De twee groote pioniers van [378]Notre-Dame de Lourdes, Bernadette en pastoor Peyramale, leefden weer voor hem op als twee deerniswaardige slachtoffers, gemarteld gedurende hun leven, verbannen na hun dood. Dat alleen zou reeds voldoende geweest zijn om het geloof geheel in hem te dooden, want de Bernadette, die hij aan het einde van zijn onderzoek terugvond, was slechts een mensen, een met alle smarten beladen zuster. Maar desniettemin bleef hij voor haar een vereering vol broederlijke toegenegenheid voelen. En twee tranen rolden langzaam over zijn wangen. [379]


1 Loof, Sion, den Verlosser! 

2 Mijn ziel verheerlijkt den Heer. 

3 En mijn geest heeft gejuicht in God, mijn redder. 

4 Hij heeft de machtigen vernederd en de nederigen verhoogd. 

5 Zooals hij gesproken heeft tot onze vaderen, tot Abraham en zijn zaad in eeuwigheid. 

[Inhoud]

VIJFDE DAG

[Inhoud]

I.

Ook dien nacht kon Pierre in het Hôtel des Apparitions geen oog dicht doen. Na eerst aan het Hôpital te zijn gaan vragen naar Marie, die onmiddellijk na haar terugkeer van de processie in een diepen, gezonden en versterkenden slaap gevallen was, was hij, hoewel een weinig ongerust over het lange uitblijven van mijnheer de Guersaint, zelf ook naar bed gegaan. Hij had hem op het laatst tegen het middagmaal terug verwacht; zeker had een ongeluk hem te Gavarnie opgehouden; hij dacht aan het verdriet van het jonge meisje, wanneer haar vader haar den volgenden ochtend vroeg niet zou komen omhelzen. Met dien zoo bekoorlijk verstrooiden man met zijn vogelhersenen waren alle veronderstellingen, alle vermoedens mogelijk.

Misschien zou die ongerustheid in den beginne voldoende geweest zijn, om Pierre, ondanks zijn groote vermoeidheid wakker te houden, maar later had bovendien het nachtelijk lawaai in het hotel ondragelijke afmetingen aangenomen. De volgende dag, Dinsdag, was de dag van vertrek, de laatste dag, die de nationale bedevaart te Lourdes zou doorbrengen, en ongetwijfeld maakten de pelgrims gulzig van de laatste uren gebruik, kwamen van de Grot terug, gingen er weer heen, trachtten door hun opwinding, zonder eenige behoefte aan rust, den hemel te dwingen. De deuren werden toegeslagen, de vloeren zwiepten, het geheele huis dreunde als onder den ongeregelden galop van een menigte. Nog nooit hadden de muren van zoo hardnekkige hoestaanvallen, van zulke dikke, onverstaanbare stemmen weerklonken.

Pierre, die steeds wakkerder werd, sprong telkens met een schrik op, daar hij steeds weer dacht, dat het mijnheer de Guersaint was, die thuiskwam. Gedurende enkele minuten luisterde hij dan ingespannen, maar hij hoorde niets dan het [380]buitengewone lawaai op de gang, waarin hij niets duidelijk onderscheiden kon. Was het links de priester, de moeder en haar drie dochters, het oude echtpaar, die tegen de meubelen aanliepen? Of was het rechts die andere talrijke familie, de ongetrouwde mijnheer, de dame alleen, die onbegrijpelijke gebeurtenissen in avonturen stortten? Een oogenblik sprong hij uit zijn bed, wilde in de ledige kamer van den afwezigen mijnheer de Guersaint gaan kijken, vast overtuigd als hij was, dat daar erge dingen gebeurden. Maar hoe hij ook luisterde, hij hoorde achter het dunne beschot niets dan het teeder gefluister van twee liefkoozende stemmen. Plotseling dacht hij aan madame Volmar en rillend ging hij weer naar bed.

Eindelijk, tegen het aanbreken van den dag, sliep Pierre in, toen een heftig kloppen op zijn deur hem weer wakker deed schrikken. Ditmaal vergiste hij zich niet, een krachtige, door angst echter verstikte stem riep:

“Mijnheer de abbé, mijnheer de abbé, word als het u blieft wakker!”

Het was ongetwijfeld mijnheer de Guersaint, dien men minstens dood thuis bracht. Hevig verschrikt vloog hij in zijn hemd naar de deur, opende die en stond tegenover mijnheer Vigneron.

“Kleed u als het u blieft dadelijk aan, mijnheer de abbé. Wij hebben u als priester noodig.”

Toen vertelde hij, dat hij even opgestaan was om op zijn horloge te kijken, dat op den schoorsteen lag, toen hij een akelig gesteun hoorde komen uit de kamer, waarin madame Chaise sliep. Uit vriendelijkheid had zij de verbindingsdeur open laten staan, om op deze wijze nog meer met hen te zijn. Natuurlijk was hij dadelijk naar binnen gegaan, had de luiken open gegooid, om zoodoende licht en lucht te krijgen.

“En wat een schouwspel, mijnheer de abbé! Onze arme tante languit op haar bed, half blauw reeds, haar mond wijd open, zonder dat zij echter adem kan halen, terwijl haar handen krampachtig de lakens omvat hielden … U begrijpt, dat komt van haar hartkwaal … Kom gauw mee, mijnheer de abbé, om haar bij te staan.”

In zijn verbouwereerdheid kon Pierre noch zijn broek, noch zijn soutane vinden.

“Natuurlijk, natuurlijk ga ik mee. Maar ik kan haar niet bedienen, daarvoor heb ik het noodige niet hier.”

Mijnheer Vigneron hielp hem zich aan te kleeden, bukte zich om naar Pierre’s pantoffels te zoeken. [381]

“Dat komt er niet op aan, alleen het zien van u zal haar het scheiden makkelijker maken, wanneer God ons die beproeving zendt … Trek eerst uw pantoffels aan en kom dan dadelijk!”

Als een wervelwind vloog hij weer weg en stormde de kamer ernaast binnen. Alle deuren waren wagenwijd open blijven staan. De jonge priester, die hem dadelijk naging, zag in het eerste vertrek, waarin een ongelooflijke wanorde heerschte, slechts den kleinen Gustave, die, half naakt, onbeweeglijk, heel bleek en rillend te midden van dit drama op den canapé zat, dien hij als bed gebruikte. Leeggemaakte koffers versperden den doorgang, restjes van vleeschwaren lagen nog op de tafel, het bed van vader en moeder leek door de catastrophe als verwoest, de dekens waren er afgetrokken en lagen op den grond. In de tweede kamer zag hij onmiddellijk de moeder, die inderhaast een ouden, gelen peignoir aangeschoten had, met een door schrik vertrokken gelaat voor het bed staan.

“Nu, vrouwlief, nu?” stotterde mijnheer Vigneron.

Zonder te antwoorden wees madame Vigneron met een gebaar op madame Chaise, die met verstijfde handen en met haar hoofd achterover, onbeweeglijk op het kussen lag. Haar gezicht was blauw, haar mond stond wijd open als in den laatsten ademtocht, die haar ontvloden was.

Pierre boog zich over haar heen en fluisterde:

“Zij is dood!”

Dood! Dit woord weerklonk in deze beter opgeruimde kamer, waarin een zware stilte heerschte. Verbijsterd keken man en vrouw elkaar aan. Was het dan werkelijk uit? De tante stierf vóór Gustave, de kleine erfde de vijfhonderdduizend francs. Hoe dikwijls hadden zij dezen droom gedroomd, welks plotselinge verwezenlijking hen met stomheid sloeg! Hoe dikwijls hadden zij gewanhoopt, vreezend, dat het arme kind vóór haar sterven zou! Dood! Lieve God, was dat hun schuld? Hadden zij dat werkelijk aan de Heilige Maagd gevraagd? Zij was zóó goed voor hen, dat zij bang waren geen wensch te kunnen uitspreken zonder verhoord te worden. Reeds hadden zij in den zoo plotselingen dood van den chef de bureau, wiens plaats mijnheer Vigneron zou innemen, den machtigen vinger der Heilige Maagd gezien. Overstelpte zij hen nu nog meer met hun genade, door zelfs de onbewuste droomerijen van hun wenschen te verhooren? Toch hadden zij nooit iemands dood gewild, zij waren brave [382]menschen, niet in staat tot een slechte daad, die hun godsdienstplichten zeer trouw waarnamen, geregeld biechtten, zonder vertoon ter communie gingen. Wanneer zij dachten aan de vijfhonderd duizend francs, aan hun zoon, die vóór haar had kunnen sterven, aan de ergernis, die zij zouden voelen, indien zij dat fortuin naar een anderen neef, die het minder verdiende, zagen gaan, dan bleef dat toch diep in hun hart verborgen en was het in den grond der zaak zoo naïef en natuurlijk. Ongetwijfeld hadden zij er vóór de Grot aan gedacht, maar was de Heilige Maagd niet de hoogste wijsheid, wist zij niet beter dan wij zelf wat zij doen moest voor het geluk der levenden en der dooden?

Madame Vigneron brak, heel oprecht, in snikken uit en beweende haar zuster, die zij aanbad.

“O, mijnheer de abbé, ik heb haar zien sterven, onder mijn oogen heeft zij den laatsten adem uitgeblazen. Hoe jammer dat u niet eerder gekomen zijt, om haar ziel te ontvangen!… Zij is gestorven zonder priester, uw tegenwoordigheid zou haar zoo getroost hebben!”

Zijn oogleden zwaar van tranen en zelf ook toegevend aan zijn ontroering, troostte mijnheer Vigneron zijn vrouw.

“Je zuster was een heilige, gistermorgen nog heeft zij het Avondmaal gevierd, je kunt gerust zijn, haar ziel is regelrecht naar den hemel gegaan … Zeker zou het haar troost gegeven hebben mijnheer den abbé, als hij nog tijdig genoeg gekomen was, te zien … Maar wat eraan te doen? De dood was sneller. Ik ben onmiddellijk naar hem toe gevlogen, wij behoeven ons tot het laatste oogenblik toe niets te verwijten.”

En zich tot den priester wendend:

“Mijnheer de abbé, ik ben er zeker van, dat haar al te groote vroomheid de crisis verhaast heeft. Gisteren heeft zij bij de Grot reeds een zóó hevige benauwdheid gehad, dat wij het ergste vreesden. En ondanks haar groote moeheid heeft zij erop gestaan met de processie mede te gaan. Ik heb wel gedacht, dat het haar slecht bekomen zou. Maar het was zoo’n moeilijk geval, je durfde het haar niet te zeggen uit vrees haar schrik aan te jagen.”

Pierre knielde neer en sprak de gebruikelijke gebeden uit met die menschelijke ontroering, welke bij hem in het aangezicht van het eeuwige leven, den eeuwigen dood, de plaats van het geloof innam. Dan bleef hij nog een oogenblik op zijn knieën liggen en hoorde de fluisterende stemmen van het echtpaar. [383]

De kleine, op zijn bed vergeten Gustave was blijkbaar ongeduldig geworden. Hij huilde en riep:

“Mama! Mama! Mama!”

Eindelijk ging madame Vigneron hem kalmeeren. En zij kreeg den inval om hem in haar armen te nemen, opdat hij voor de laatste maal zijn arme tante een zoen zou kunnen geven. Eerst spartelde hij tegen, wilde hij niet, begon hij harder te huilen. Mijnheer Vigneron moest er zich mede bemoeien en zeggen, dat hij zich schamen moest. Wat, hij, die nergens bang voor was! Hij, die tegenover het lijden altijd even moedig was als een man! En dan nog wel zijn arme tante, die altijd zoo lief voor hem geweest was en wier laatste gedachte ongetwijfeld hem gegolden had!

“Geef hem mij maar!” zeide hij tegen zijn vrouw, “hij zal wel gehoorzaam zijn!”

Gustave sloeg zijn armen om de hals van zijn vader. Hij was in zijn hemdje, rilde, liet de naaktheid van zijn jammerlijk, door klieren opgevreten lichaampje zien. Wel verre van genezing aan te brengen, scheen het wonderwater der vijvers de wond in zijn zijde erger gemaakt te hebben, terwijl zijn mager beentje, dat aan een uitgedroogde stok denken deed, er slap bij hing.

“Geef haar een kus,” zeide mijnheer Vigneron weer.

Het kind boog zich voorover en drukte een kus op het voorhoofd van zijn tante. Niet de dood maakte hem bang of deed hem zich verzetten. Sedert hij in de kamer was, keek hij met nieuwsgierige kalmte naar de doode. Hij hield niet van haar, daarvoor had hij te veel door haar geleden. Hij had gedachten, gevoelens als van een volwassen iemand, welker gewicht hem meer drukte, naar mate zij zich tegelijk met zijn kwaal meer ontwikkelden. Hij voelde heel goed, dat hij te klein was, dat kinderen de dingen, die in het diepste innerlijk der menschen gebeuren, niet begrijpen moesten.

Zijn vader die wat achteraf was gaan zitten, hield hem op zijn schoot, terwijl zijn moeder het raam dicht deed en de kaarsen in de beide kandelaars, die op den schoorsteenmantel stonden, aanstak.

“Lieve jongen,” prevelde hij in zijn behoefte om te spreken, “het is een groot verlies voor ons allemaal. Nu is onze reis heelemaal bedorven, want het was onze laatste dag, we vertrekken vanmiddag … En de Heilige Maagd was juist zoo genadig voor ons …” [384]

Maar bij het zien van den verwonderden blik van zijn zoon, een blik van oneindige melancholie en verwijt, verbeterde hij gauw:

“Ja zeker, ik weet wel, dat zij je nog niet heelemaal genezen heeft. Maar je moet nooit twijfelen aan haar welwillendheid. Zij houdt te veel van ons, zij overstelpt ons te zeer met haar genade en zij zal ten slotte jou ook genezen, daar zij ons nog slechts die groote gunst te bewijzen heeft!”

Madame Vigneron, die geluisterd had, kwam naar hem toe.

“Wat zou het heerlijk geweest zijn als we alle drie gezond naar Parijs hadden kunnen terugkeeren. Maar volkomen geluk bestaat hier op aarde niet.”

“Zeg,” riep mijnheer de Vigneron plotseling uit; “ik zal vanmiddag niet met jullie mee kunnen teruggaan door al die formaliteiten … Als mijn retour nu morgen nog maar geldig is!”

Opgelucht ondanks de genegenheid, die zij steeds voor madame Chaise gevoeld hadden, herstelden zij zich van den vreeselijken schok; zij vergaten haar reeds, zouden niets liever willen dan Lourdes zoo spoedig mogelijk verlaten, alsof het voornaamste doel van hun reis bereikt was. Een vreugde, die zij zichzelf niet bekennen wilden, maakte zich van hen meester.

“En wat zal ik in Parijs een boel te doen hebben!” begon hij weer. “Ik, die naar niets zoo verlang als naar rust … Doch dat komt er niet op aan ook; ik zal mijn drie jaar op het ministerie, tot ik pensioen krijg, nog uitdienen, vooral nu ik er zeker van ben als chef de bureau gepensionneerd te worden … Maar daarna hoop ik nog een beetje van het leven te genieten. Nu we dat geld krijgen, koop ik in mijn geboorteland het landgoed les Billottes, dat prachtige stuk grond, waar ik altijd van gedroomd heb. En ik verzeker je, dat ik me niet vervelen zal tusschen mijn paarden, honden en bloemen!”

De kleine Gustave zat nog op zijn schoot; zijn arm, klein, achterlijk gebleven insectenlichaampje huiverde onder het half opgetrokken hemdje, dat zijn magerte als van een stervend kindje zien liet. Toen hij merkte, dat zijn vader hem heelemaal vergat en geheel opging in zijn eindelijk verwezenlijkten droom van een onbezorgd leven, kwam dat raadselachtige, melancholieke, maar tevens boosaardige glimlachje weer om zijn lippen spelen.

“En ik, vader?” [385]

Als opgeschrikt uit een diepen slaap, scheen mijnheer Vigneron hem eerst niet te begrijpen.

“Jij, jongen?… Jij gaat natuurlijk met ons mee.”

Maar Gustave bleef hem strak aankijken, zonder dat het lachje van zijn magere, pijnlijk vertrokken lippen verdween.

“Gelooft u dat?”

“Zeker, geloof ik dat!… Je gaat met ons mee, je zult eens zien hoe prettig het is.”

Mijnheer Vigneron, die, toch al verlegen was en stamelde, omdat hij de goede woorden niet vinden kon, geraakte geheel van streek, toen zijn zoon zijn magere schouders optrok en met iets als wijsgeerige minachting zeide:

“O neen … dan ben ik al lang dood!”

Verbijsterd las plotseling de vader in den diepen blik van het kind, den blik van een ouden, in alle dingen ervaren man, die al de ellenden der wereld kende, omdat hij ze zelf geleden had. Maar vooral verschrikte hem de plotselinge zekerheid, dat dit kind steeds tot in het diepst van zijn ziel doorgedrongen was, meer daarin gelezen had dan hij zichzelf durfde bekennen. Hij herinnerde zich nu, hoe in de wieg reeds de oogen van den zieke kleine op de zijne gericht waren, die oogen, welke het lijden zoo scherp maakte en met de kracht van een buitengewoon vermogen, om alles te doorzien, begiftigde, zoodat zij zelfs de geheimste gedachten, die in het diepe donker van de hersenen bleven, raden konden. En door een zonderlinge wisselwerking vond hij de dingen, die hij zichzelf nooit bekend had, op dat oogenblik alle terug in de oogen van zijn kind; hij zag ze, las ze ondanks zichzelf. De geschiedenis van zijn lange hebzucht ontrolde zich voor zijn blikken; zijn ergernis, een zoo zwakken jongen te hebben; zijn angst bij het denkbeeld, dat het vermogen van madame Chaise in gevaar gebracht werd door een zoo breekbaar leven; zijn vurige wensch, dat zij spoedig sterven zou, terwijl de kleine nog leefde, zoodat de erfenis in zijn handen zou komen. Wie in dit duel het eerst sterven zou, was eenvoudig een quaestie van dagen. Want ten slotte kwam toch wederom de dood: de kleine zou op zijn beurt sterven; hij alleen stak dan het geld in zijn zak en zou een langen, vreugdevollen ouderdom hebben. Deze dingen lichtten zóó akelig-duidelijk uit die scherpe, melancholieke en glimlachende oogen van het ter dood veroordeelde kind òp, dat vader en zoon een oogenblik in de vaste overtuiging verkeerden, dat zij ze elkaar met luide stem toeriepen. [386]

Maar mijnheer Vigneron kwam er tegen op, wendde zijn hoofd af, protesteerde heftig:

“Wat, denk je, dat je dan dood zal zijn?… Wat een idée. Het is te gek om los te loopen zoo iets te denken!”

Madame Vigneron begon weer te snikken.

“Ondeugende jongen, hoe kun je ons zoo’n verdriet doen, nu we toch al zoo’n verlies te betreuren hebben?”

Gustave moest haar een zoen geven en haar beloven te zullen blijven leven, al was het alleen maar om hun een pleizier te doen. Toch was het glimlachje om zijn lippen blijven spelen, want hij wist heel goed, dat liegen noodzakelijk was, als men zich niet al te bedroefd wilde maken; trouwens hij had er zich reeds bij neergelegd, om zijn ouders gelukkig achter te laten, nu de Heilige Maagd zelf hem op deze wereld het kleine beetje geluk, waartoe ieder schepsel eigenlijk geboren behoorde te worden, niet geven kon.

Zijn moeder legde hem weer in zijn bed, en Pierre stond eindelijk op, juist op het oogenblik, dat mijnheer Vigneron de kamer eenigzins fatsoenlijk op orde gebracht had.

“U excuseert mij wel, niet waar mijnheer de abbé?” zeide hij, terwijl hij met den jongen priester naar de deur liep. “Mijn hoofd loopt een beetje om … Het is een moeilijk kwartiertje, maar ik moet mij er toch doorslaan.”

In de gang bleef Pierre even staan luisteren naar het geluid, dat de trap opkwam. Weer had hij aan mijnheer de Guersaint gedacht, meende hij zijn stem te herkennen. En terwijl hij daar zoo onbeweeglijk stond, gebeurde er iets, dat hem in de pijnlijkste verlegenheid bracht. Voorzichtig-langzaam was de deur van de door den ongetrouwden heer bewoonde kamer opengegaan; een in het zwart gekleede dame was er met zoo lichten tred uit gekomen, dat men nauwlijks den tijd gehad had in de half geopende deur den heer te zien, die, met zijn vinger op zijn mond, op den drempel stond. Doch toen de dame zich omkeerde, stond zij eensklaps tegenover Pierre. Dat alles geschiedde zoo plotseling, zoo brutaal, dat het hun onmogelijk was zich af te wenden en te doen, alsof zij elkaar niet herkend hadden.

Het was madame Volmar. Na drie dagen en drie nachten in volkomen opsluiting in die liefdekamer doorgebracht te hebben, verliet zij die nu vroeg in den morgen. Het was nog geen zes uur, zij hoopte door niemand gezien te worden, als een schim zoo licht weg te sluipen door de ledige gangen en trappen; zij wilde zich ook nog in het Hôpital laten zien [387]en daar den geheelen laatsten ochtend blijven, om haar gaan naar Lourdes te rechtvaardigen. Toen zij Pierre zag, begon zij vreeselijk te beven en stamelde eerst:

“O, mijnheer de abbé, mijnheer de abbé!”

Toen zij echter zag, dat de priester zijn deur wijd open had laten staan, scheen zij aan de koorts, die in haar brandde, aan een drang om over haar liefdevlam te spreken, zich te verontschuldigen, zich vrij te pleiten, toe te geven. Met een vuurroode kleur ging zij het eerst de kamer binnen, waarin hij, geheel door dit voorval van streek gebracht, haar wel volgen moest. Daar hij de deur wijd open liet staan, vroeg zij hem met een gebaar die te sluiten.

“O mijnheer de abbé, ik smeek u, denk niet te slecht van mij!”

Hij maakte een gebaar als om te zeggen, dat hij zich niet veroorloofde een oordeel over haar te vellen.

“Ja, ja, ik weet, dat u mijn ongeluk kent … Te Parijs hebt u mij eens achter de Drievuldigheidskerk met een heer gezien. En gisteren hebt u mij natuurlijk op het balcon herkend. Niet waar, u vermoedde wel, dat ik hier, vlak bij u, met dien persoon in de kamer daar leefde … Maar als u eens wist, als u eens wist …”

Haar lippen beefden, tranen hingen aan haar wimpers. Hij keek haar aan en stond verbaasd over de buitengewone schoonheid, waardoor haar gelaat verheerlijkt werd. Deze steeds zoo eenvoudig, altijd in het zwart gekleede vrouw, die nooit iets van juweelen droeg, verscheen hem nu, buiten de donkerte, waarin zij zich gewoonlijk terugtrok, eensklaps in den vollen glans van haar hartstocht. Zij, die op den eersten aanblik niet knap, te donker en te mager was met haar vermoeide trekken, haar grooten mond, haar langen neus, kreeg, hoe langer hij haar aankeek, een troubleerende bekoring, een onweerstaanbare veroveringsmacht. Haar oogen, haar groote, prachtige oogen, welker gloed zij gewoonlijk onder een sluier van onverschilligheid verborg, brandden als fakkels, wanneer zij zich met lichaam en ziel overgaf. Hij voelde, dat men haar aanbidden, dat men haar hartstochtelijk begeeren kon, ook al moest men erdoor ten gronde gaan.

“Als u eens wist, mijnheer de abbé, als ik u eens vertelde, wat ik geleden heb … Het zijn trouwens dingen, die u ongetwijfeld vermoed hebt, want u kent mijn man en mijn schoonmoeder. De enkele keeren, dat u bij ons geweest bent, hebt u natuurlijk begrepen, welke gruwelen er zich, ondanks [388]mijn tevreden manier van doen, in mijn stil en bescheiden hoekje afspeelden … Maar tien jaar zoo leven, nooit werkelijk mensch zijn, nooit liefhebben, nooit bemind worden, neen, neen, dat heb ik niet kunnen volhouden.”

Toen vertelde zij hem haar droevige levensgeschiedenis, haar huwlijk met den handelaar in diamanten, die schijnbaar tegenslag in zijn zaken gehad had; haar schoonmoeder, een hardvochtige gevangenbewaarder en beulenziel; haar man, een monster van lichamelijke leelijkheid en zedelijke verdorvenheid. Men sloot haar op, men liet haar zelfs niet alleen voor het raam zitten. Men had haar geslagen, haar neigingen, haar liefhebberijen, haar vrouwlijke zwakheden doodgedrukt. Zij wist, dat haar man allerlei meiden onderhield; en wanneer zij tegen een familielid lachte, wanneer zij, als zij zich eens een hoogst enkele maal vroolijk voelde, een bloem in haar corsage droeg, dan trok hij die bloem weg, kreeg aanvallen van razende jaloezie, brak haar, onder de vreeselijkste dreigementen, bijna haar polsen. Jaren lang had zij in die hel geleefd en toch nog steeds gehoopt, want in haar woonde een zoo sterke levenskracht, zoo’n vurige behoefte aan teederheid, dat zij altijd nog het geluk verwachtte en geloofde het ieder oogenblik te zullen zien binnenkomen.

“Ik zweer u, mijnheer de abbé, dat ik heb moeten doen, wat ik gedaan heb. Ik was te ongelukkig, mijn geheele wezen snakte ernaar zich te geven … Toen mijn vriend mij voor de eerste maal zeide, dat hij mij liefhad, liet ik mijn hoofd op zijn schouder vallen; het was beslist, voor eeuwig was ik zijn eigendom. Men moet zich in de zaligheid indenken: bemind te worden, bij zijn geliefde slechts gebaren en woorden van liefkoozing te vinden, het streven, om zoo voorkomend en vriendelijk mogelijk te zijn; te weten dat hij aan je denkt, dat er ergens een hart bestaat, waarin je leeft; samen één te zijn, geheel op te gaan in een omhelzing, waarin alles samensmelt, lichaam en ziel … O, als dat een zonde is, mijnheer de abbé, dan kan ik er geen berouw over hebben. Ik wil niet eens beweren, dat men er mij toe aangedreven heeft; ik zeg alleen maar, dat ik die zonde even natuurlijk bedreven heb als dat ik adem haal, omdat zij voor mijn leven noodzakelijk was.”

Zij had haar hand aan haar lippen gebracht, als wilde zij de wereld een kus geven. Pierre voelde zich ontroerd bij het zien van deze van liefde gloeiende vrouw, die de hartstocht, [389]de eeuwige begeerte zelf was. Dan begon een oneindig medelijden in hem op te komen.

“Arme vrouw!” prevelde hij.

“Niet voor den priester leg ik mijn biecht af,” ging zij verder, “neen, ik spreek tegen den man, tegen een man, door wien ik zoo graag begrepen zou willen worden … Neen, ik ben geen geloovige, de godsdienst is voor mij nooit voldoende geweest. Men beweert, dat vrouwen zich daarmede tevreden stellen, dat zij er een krachtige bescherming in vinden tegen de zonde. Maar ik heb steeds een gevoel van kilte in kerken gehad. En ik weet heel goed, dat het slecht is godsdienst te huichelen en dien voor mijn liefde te gebruiken. Maar wat eraan te doen? Ze dwingen me ertoe. Dat u mij indertijd te Parijs achter de Drievuldigheidskerk gezien hebt, komt, omdat die kerk de eenige plaats is, waar zij mij alleen naar toe laten gaan; dat u mij hier te Lourdes vindt, komt, omdat ik in een heel jaar slechts deze drie dagen van volkomen vrijheid, van volmaakt geluk heb.”

Weer doorhuiverde haar een rilling, weer rolden heete tranen over haar wangen.

“O, deze drie dagen, deze drie dagen! U kunt niet weten hoe vurig ik ernaar verlang, met welk een hartstocht ik ze doorleef, met welke onstuimige gevoelens ik de herinnering eraan mee naar huis terugneem.”

Alles stond in duidelijke trekken voor den zoo lang kuisch gebleven Pierre. Hij stelde zich deze zoo vurig tegemoet geziene, die gulzig doorleefde drie dagen en drie nachten voor in die hotelkamer met haar zóó dicht gesloten ramen en deuren, dat zelfs de kamermeisjes niet wisten, dat er een vrouw in was. Hij zag de eindelooze omhelzingen, den niet eindigenden kus, de algeheele overgave, het alles om zich heen vergeten, het volkomen opgaan, het volkomen wegzinken in de onuitbluschbare liefde. Ruimte en tijd waren verdwenen, niets bestond meer, niets dan de haast om elkaar toe te behooren, elkaar weer en nogmaals toe te behooren. En welk een hartverscheurende smart bij het afscheid! Voor dien gruwel sidderde zij; in haar verdriet haar paradijs te hebben moeten verlaten, liet zij zich gaan, schreeuwde zij, die anders zoo stil was, haar lijden uit. Elkaar nog een laatste maal te omarmen, in elkaar weg te willen smelten, om voor eeuwig één te blijven, zich te moeten losrukken, alsof de helft van je vleesch mede losgerukt wordt, en dan te moeten denken, hoeveel lange dagen, hoeveel lange nachten [390]er verstrijken zullen, zonder dat je elkaar ook maar ziet!

Pierre, wiens hart bloedde, toen hij zich die kwelling des vleesches voor den geest riep, kon slechts herhalen:

“Arme vrouw!”

“En dan, mijnheer de abbé,” ging zij voort, “denk eens aan de hel, waarin ik terugkeer. Weken, neen maandenlang is dan de hemel voor mij gesloten, duld ik zonder één enkele klacht mijn martelaarschap. Weer is mijn geluk voor een jaar dood. Lieve God, drie armzalige dagen en drie armzalige nachten; zou je niet krankzinnig worden bij die hartstochtelijkheid, waarmede ik ervan geniet, bij het geduld, waarmede ik wacht, tot zij terugkomen. Ik ben zoo ongelukkig, mijnheer de abbé, maar gelooft u ondanks alles toch niet, dat ik een fatsoenlijke vrouw ben?”

Hij werd diep ontroerd door dit vuur van echten hartstocht en oprechte smart. Hij voelde hier den adem der eeuwige begeerte, een onbeperkt heerschende liefde, die alles rein maakte. Zijn hart vloeide over van medelijden, en hij vergaf.

“Mevrouw, ik beklaag u en ik respecteer u meer dan ik zeggen kan.”

Zij zeide niets meer, keek hem slechts aan met haar groote, door tranen verduisterde oogen. Dan drukte zij in een plotselinge opwelling zijn beide handen en hield die tusschen haar brandende vingers vast. Even daarna verdween zij op het portaal met de lichtheid van een schim.

Doch toen zij er niet meer was, leed Pierre nog heviger dan bij haar aanwezigheid. Hij wierp het raam wijd open, om den liefdegeur, dien zij er achtergelaten had, te verjagen. Reeds dien Zondag, toen hij gezien had, dat er een vrouw in de kamer ernaast verborgen leefde, had hij dezen kuischen angst gevoeld en tegen zichzelf gezegd, dat zij de revanche van het vleesch was te midden van de mystieke verrukking van Lourdes, het onbevlekte. En nu kwam die angst terug, begreep hij de almacht, de onoverwinnelijke wilskracht van het leven, dat leven wilde. Liefde was sterker dan geloof, misschien was het bezit van een geliefd wezen het eenige goddelijke. Elkander lief te hebben, elkander ondanks alles toe te behooren, het leven te geven en het leven voort te planten, was dat niet het eenige doel der natuur? Een oogenblik was hij zich den afgrond, waarvoor hij stond, bewust: zijn kuischheid was zijn laatste steunpunt, gaf alleen nog waarde aan zijn mislukt leven van ongeloovig priester.

Hij begreep, dat, als hij, na aan zijn verstand toegegeven [391]te hebben, nu ook nog aan zijn vleesch toegaf, hij geheel verloren zou zijn. Zijn geheele trots op zijn kuischheid, al de kracht, die hij opgeroepen had om zijn ambt eerlijk te blijven waarnemen, kwamen weer terug, en opnieuw deed hij zichzelf de plechtige gelofte geen man te zijn, nu hij zich vrijwillig uit de rijen der mannen verbannen had.

Het sloeg zeven uur. Pierre ging niet meer naar bed, doch waschte zich met ijskoud water, blij, dat dit frissche water zijn koortsachtige opwinding geheel kalmeerde. Terwijl hij zich verder aankleedde, kwam bij het geluid van stappen, die hij in het portaal hoorde, de gedachte aan mijnheer de Guersaint weer in hem op. Ze hielden stil voor de deur; er werd geklopt; verlicht ging hij opendoen.

Maar dan uitte hij een kreet van blijde verrassing.

“Wat ben jij het? Ben je nu al op en ben je nu al aan het visites maken?”

Marie stond glimlachend op den drempel. Achter haar glimlachte zuster Hyacinthe, die met haar meegekomen was, ook met haar vriendelijke, trouwhartige oogen.

“O, beste jongen,” zeide het jonge meisje, “ik kon niet in bed blijven. Zoodra ik de zon zag, ben ik eruit gesprongen, zoo’n behoefte had ik om te loopen, te springen, te dansen als een kind!… En ik heb zoo lang gezanikt en zoo lang gesmeekt, dat de zuster zoo vriendelijk is geweest, om met mij mede te gaan … Ik geloof, dat ik door het raam gegaan was, als ze de deur voor mij gesloten hadden!

Pierre had ze laten binnengaan, een onzeglijke ontroering snoerde zijn keel dicht, toen hij haar zoo vroolijk hoorde praten en haar zich zoo makkelijk, zoo ongedwongen, zoo gratieus bewegen zag. Haar, die hij jaren lang met afgestorven beenen en een loodkleurigen gelaatstint gekend had! Sedert hij haar den vorigen avond voor het laatst in de Basilica gezien had, was zij in jeugd en schoonheid opgebloeid. Een nacht was voldoende geweest om haar zóó te veranderen, dat hij het lieve schepseltje vol teederheid, het mooie meisje, dat hij vroeger achter de bloeiende haag zoo hartstochtelijk-wild gekust had, grooter en mooier terugvond.

“Wat ben je groot en wat ben je mooi, Marie!” kon Pierre zich niet weerhouden te zeggen.

Dan mengde zuster Hyacinthe zich in het gesprek.

“Niet waar, mijnheer de abbé, de Heilige Maagd heeft alles ten goede geschikt! Wanneer zij zich ergens mee bemoeit, dan kom je frisch en geurig als een roos uit haar handen.” [392]

“O,” viel het jonge meisje haar in de rede, “ik ben zoo gelukkig, ik voel me zoo sterk, zoo gezond, zoo blank, alsof ik pas geboren was.”

Het was een zalig gevoel voor Pierre. Het scheen hem toe, alsof wat er nog van de uitwaseming van madame Volmar hing, vervluchtigde. Marie vulde de kamer met haar reinheid, met den geur en den glans van haar jeugdige onschuld. En toch was die vreugde over haar reine schoonheid, over het leven, dat weer opbloeide, voor hem niet zonder droefheid. Het verzet, dat in de Crypt in hem opgekomen was, de wond van zijn mislukt leven moest zijn hart voor altijd bloedend houden. Zooveel weer tot leven gewekte gratie! De aangebeden vrouw werd weer tot haar vollen bloei herboren! En nooit zou hij de verrukking, die haar bezit geven moest, kennen, hij stond buiten de wereld, lag in het graf. Doch hij snikte niet meer; een grenzenlooze weemoed bekroop hem bij de gedachte, dat hij dood was, dat het nieuwe zonnegloren dezer vrouw opging over het graf, waarin zijn manlijkheid sliep. Het was de vrijwillig aanvaarde, zelf gewilde verzaking.

Evenals de andere, de hartstochtelijke, had ook Marie de handen van Pierre gedrukt. Maar haar kleine handjes waren zoo zacht, zoo frisch, zoo kalmeerend! Een beetje verlegen keek zij hem aan, als had zij een grooten wensch, dien zij niet durfde uitspreken. Dan dapper:

“Pierre, wil je mij een zoen geven? Dat zou me zoo gelukkig maken.”

Hij sidderde, zijn hart werd in een laatste marteling verbrijzeld. O, de kussen van vroeger, de kussen, die hij nog op zijn lippen proefde! Nooit daarna had hij haar een kus gegeven, en nu was het een zuster, die hem omhelsde. Zij drukte een klappenden zoen op zijn linker- en op zijn rechterwang, hield hem de hare voor, eischte, dat hij haar die teruggeven zou. Tweemaal kuste hij haar terug.

“Ik ben ook zoo gelukkig, zoo innig gelukkig, Pierre!”

Overmand door zijn ontroering en terwijl een gevoel van verrukking en bitterheid tevens zich van hem meester maakte, barstte hij in snikken uit, weende hij tusschen zijn gevouwen handen als een kind, dat zijn tranen verbergen wilde.

“Kom, kom, laten we niet al te week worden,” zeide zuster Hyacinthe vroolijk. “Mijnheer de abbé zou te verwaand worden, als hij dacht, dat we alleen om hem gekomen waren. Mijnheer de Guersaint is zeker hiernaast!” [393]

“O, die beste papa! Wat zal die ook gelukkig zijn!” riep Marie vol liefde uit.

Pierre moest nu vertellen, dat mijnheer de Guersaint nog niet terug was van zijn uitstapje naar Gavarnie. Zijn toenemende ongerustheid klonk duidelijk in zijn woorden door, hoewel hij trachtte het lange uitblijven te verklaren, tegenslagen, onvoorziene complicaties bedacht. Overigens was het jonge meisje heelemaal niet ongerust; zij begon weer te lachen en zeide, dat haar vader nooit op tijd geweest was. En toch zou zij hem zoo graag willen laten zien, dat zij liep, dat zij stond, als in haar nieuw ontbloeide jeugd herboren!

Zuster Hyacinthe, die over het balcon was gaan kijken, kwam in de kamer terug.

“Daar is hij … Hij stapt beneden uit het rijtuig!”

“Zeg,” riep Marie met de uitgelaten vroolijkheid van een schoolmeisje; “we moeten hem verrassen. We zullen ons verstoppen, en wanneer hij dan binnen is, laten we ons in eens zien.”

Reeds trok zij zuster Hyacinthe in de kamer ernaast.

Onmiddellijk daarna kwam mijnheer de Guersaint als een wervelwind door de gangdeur, die Pierre gauw geopend had; hartelijk drukte hij hem de hand.

“Daar ben ik eindelijk … Je hebt zeker niet geweten waar ik bleef, hè? Maar je kunt je niet voorstellen, wat een pech we gehad hebben: eerst is er een wiel van het rijtuig gebroken, toen we in Gavarnie aankwamen, en juist, toen we gisteravond een eindje op den terugweg waren, moesten we door een verschrikkelijk onweer den heelen nacht te Saint-Sauveur blijven … Ik heb geen oog dicht gedaan.”

Hij viel zichzelf in de rede.

“En hoe is het met jou?”

“Ik heb ook door al het lawaai, dat ze in het hotel gemaakt hebben, niet kunnen slapen.”

Maar reeds ratelde mijnheer de Guersaint weer:

“Enfin, het hindert niet, het was verrukkelijk. Dat moet ik je nog even vertellen … Ik was met drie charmante geestelijken. Abbé des Hermoises is ontegenzeggelijk de aardigste man, dien ik ooit ontmoet heb … Gelachen dat we hebben, gelachen!”

Weer hield hij op.

“En mijn dochter?”

Toen klonk achter hem een heldere lach. Hij keerde zich om, bleef met een open mond staan. Marie was daar, en zij [394]liep, haar gelaat straalde van blijde verrukking en heerlijke gezondheid. Nooit had hij aan het wonder getwijfeld, hij was ook in het minst niet verrast, want hij kwam terug met de overtuiging, dat alles goed afloopen zou, dat hij haar ongetwijfeld genezen terug zou vinden. Doch wat hem tot in het diepst van zijn ziel trof, dat was het wondere schouwspel, dat hij niet had voorzien: zijn dochter zoo mooi, zoo goddelijk in haar zwart japonnetje. Zijn dochter, die zelfs geen hoed medegebracht, doch haar bewonderenswaardige lokken slechts met een kanten doekje bedekt had! Zijn levende, bloeiende, triompheerende dochter, gelijk aan alle dochters van alle vaders, die hij al zoovele jaren benijdde.

“Mijn kind, mijn kind!”

En toen zij in zijn armen gevlogen was, drukte hij haar vast tegen zich aan, knielden zij samen neer. En alles straalde in een heerlijke uitvloeiïng van geloof en liefde. Deze verstrooide man met zijn vogelhersenen, die in slaap viel in plaats van met zijn dochter naar de Grot te gaan, die een uitstapje naar Gavarnie maakte op den dag, dat de Heilige Maagd haar moest genezen, vloeide over van vaderlijke teederheid, van een zoo door dankbaarheid bezield Christelijk geloof, dat hij een oogenblik verheven werd.

“O, Jezus, o Maria, hoe dank ik u, dat ge mij mijn kind teruggegeven hebt … O, kind, wij zullen nooit genoeg adem, nooit genoeg ziel hebben om Maria en Jezus te danken voor het groote geluk, dat hij mij geeft … O, kind, dat zij hebben opgewekt, o kind, dat zij zoo mooi gemaakt hebben, neem mijn hart, om het hun met het jouwe aan te bieden … Ik behoor aan jou en behoor aan hen, eeuwig en eeuwig, mijn geliefd, mijn aangebeden kind!”

Neergeknield voor het open raam, keken beiden met vurige blikken naar den hemel. De dochter leunde met haar hoofd tegen den schouder van haar vader, terwijl hij zijn arm om haar middel geslagen hield. Zij waren slechts één; langzaam begonnen tranen te vloeien over hun verrukte, in bovenmenschelijk geluk glimlachende gezichten, terwijl zij slechts onsamenhangende woorden van dank stamelen konden.

“Dank, o Jezus; dank, o heilige Moeder van Jezus … Wij hebben u lief, wij aanbidden u … Gij hebt het beste bloed onzer aderen verjongd, het behoort aan u, het klopt voor u … O, almachtige Moeder, o geliefde goddelijke Zoon, een dochter en een vader zegenen u en bezwijmen aan uw voeten van vreugde.” [395]

De omarming van deze twee schepselen, die na zooveel donkere dagen gelukkig waren, dit uitstamelen van hun geluk, dat als het ware nog in lijden gedrenkt was, dit geheele tooneel was zóó ontroerend, dat Pierre weer in tranen uitbarstte. Maar nu waren het weldadige tranen, die zijn hart tot kalmte brachten. O, de ongelukkige menschheid! Wat deed het goed haar een weinig