The Project Gutenberg EBook of De Koran
This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.org
Title: De Koran
Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding
omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz.
Commentator: L. Ullmann, G. Weil, R. Sale
Editor: S. Keyzer
Translator: M. Kasimirski
Release Date: March 10, 2013 [EBook #19786]
Language: Dutch
Character set encoding: ASCII
*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE KORAN ***
Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/

[V]
Toen de eerste druk van den Koran, nu 20 jaar geleden onder toezicht van den bekwamen Hoogleeraar Keyzer bij mij het licht zag, werd er bepaald op gewezen, dat de kennis van de godsdienstgebruiken der Mahomedanen een noodzakelijk vereischte is, om tot een juiste beoordeeling te komen der geduchte macht, die haar hoofdzetel in Konstantinopel heeft, en vandaar zich over geheel Azië en Afrika uitstrekt.
Honderd dertig millioen Mahomedanen staan in de voornaamste werelddeelen steeds gewapend tegenover drie honderd zestig millioen Christenen.
Gedurende meer dan twaalf eeuwen is de Turk de openbare vijand van den Christen en heeft deze laatste den Mahomedaan als zijn erfvijand leeren beschouwen.
En toch is de Christen over het algemeen al zeer oppervlakkig in zijne beschouwing van den Muzelman, slechts schaars bekend met den godsdienst van Mahomed.
Sinds meer dan twaalf eeuwen hebben honderden millioenen menschen in dit geloof hun levensgids gevonden. Men noeme dezen godsdienst een dwaling: ’t is zeker, dat geen Christensecte tot op dezen dag voor haar geloof zóó heeft geleden en gestreden als deze geminachte Muzelman voor het zijne.
De leer van Mahomed heeft slechts drie geloofsartikelen: “Er is maar één God;”—“Mahomed is Zijn profeet;”—“Niemand kan het lot, dat éénmaal onveranderlijk over hem is vastgesteld, ontgaan!”
Mahomed noemde zichzelf Gods profeet,... de Christenwereld noemde Mahomed een kwakzalver. Het is bezwaarlijk aan te nemen, dat een Godsdienst, waarin honderden millioenen [VI]schepselen, van gelijke beweging als wij, leven en sterven, gedurende nu meer dan twaalf eeuwen,.... dat zulk een godsdienst geheel op kwakzalverij berust.
Wanneer wij er Mahomed een verwijt van maken, dat hij zijn godsdienstige leerstellingen doordreef met het zwaard, dan mogen wij, Christenen, niet vergeten, dat de grondlegger van onzen godsdienst wel een godsdienst des vredes en der liefde predikte, doch dat Karel de Groote eveneens het zwaard gebruikte om de door hem overwonnen volkeren tot het Christendom te bekeeren.
En als de Christen zijn Bijbel hoog in eere houdt, dan zien wij, dat de eerbied, die den Muzelman voor zijn Koran heeft vooral niet minder is.
Is het Mahomedanisme in Europa nog een groote kracht, gelijk uit den laatsten worstelstrijd met Rusland blijkt; blijft het in het Britsch-Indische rijk het allesbeheerschend element, ook in onze Nederlandsch-Indische bezittingen is het opgegroeid tot eene verbazende macht.
Sedert Europa en Indië in versnelde gemeenschap zijn, de afstand tusschen beiden van maanden tot weken is ingekrompen, elke maand honderden van Europa naar Azië afreizen, is de noodzakelijkheid vermeerderd om de grondbeginselen te kennen van de kracht, die daar alles beheerscht, welker voorhoede reikt tot aan de grenzen van Rusland en Oostenrijk, en eenmaal zelfs voor de poorten van Weenen de vlag van den profeet ontplooide.
Ziedaar, waarom het wenschelijk mag genoemd worden, dat een tweede vermeerderde druk van de Nederduitsche vertaling van den Koran daarin een licht ontsteke, dat velen welkom zal zijn.
Haarlem 1878. J. J. van Brederode. [VII]
Wat de vorige uitgever, in zijn Voorbericht bij den Tweeden Druk, ten opzichte van doel en strekking van dit boek heeft gezegd, is heden nog even juist en actueel als het destijds was; bij dezen vierden druk behoeft daaraan niets te worden toegevoegd.
Alleen aangaande het Overzicht van de Geschiedenis der Turken, zij opgemerkt, dat dit hoofdstuk door Dr. N. Japikse geheel opnieuw werd geschreven ten behoeve van den derden druk, en thans weder door hem werd herzien.
De drie kaartjes bij dit hoofdstuk behoorend werden speciaal voor deze uitgave ontworpen en geteekend door den heer H. Hettema Jr.
Rotterdam 1916. D. Bolle. [IX]
I.
II.
De Koran. Algemeen overzicht 41
III.
De Islam. Algemeen overzicht 57
IV.
| I. | Inleiding. Gegeven te Mekka.—7 verzen | 69 | ||||
| II. | De Koe. Gegeven te Medina.—286 verzen | 70 | ||||
| III. | De familie Imram. Gegeven te Mekka.—200 verzen | 108 | ||||
| IV. | De Vrouwen. Gegeven te Medina.—175 verzen | 129 | ||||
| V. | De Tafel. Gegeven te Medina.—120 verzen | 152 | ||||
| VI. | Het Vee. Gegeven te Mekka.—165 verzen | 171 | ||||
| VII. | Al Araf. Gegeven te Mekka.—205 verzen | 189 | ||||
| VIII. | De Buit. Gegeven te Medina.—76 verzen | 211 | ||||
| IX. | De Verklaring van Vrijstelling. Gegeven te Medina.—130 verzen | 219 | ||||
| X. | Jonas. Gegeven te Mekka.—109 verzen | 235 | ||||
| XI. | Hoed. Geopenbaard te Mekka.—123 verzen | 245 | ||||
| XII. | Jozef. Gegeven te Mekka.—111 verzen | 260 | ||||
| XIII. | De Donder. Gegeven te Mekka.—43 verzen | 276 | ||||
| XIV. | Abraham. Geopenbaard te Mekka.—52 verzen [X] | 282 | ||||
| XV. | Al Hedjr. Geopenbaard te Mekka.—99 verzen | 288 | ||||
| XVI. | De Bij. Gegeven te Mekka.—128 verzen | 294 | ||||
| XVII. | De nachtelijke Reis. Geopenbaard te Mekka.—111 verzen | 309 | ||||
| XVIII. | De Spelonk. Geopenbaard te Mekka.—110 verzen | 322 | ||||
| XIX. | Maria. Geopenbaard te Mekka.—98 verzen | 336 | ||||
| XX. | T. H. Geopenbaard te Mekka.—135 verzen | 344 | ||||
| XXI. | De Profeten. Geopenbaard te Mekka.—112 verzen | 355 | ||||
| XXII. | De Pelgrimstocht. Gegeven te Mekka.—78 verzen | 365 | ||||
| XXIII. | De ware Geloovigen. Geopenbaard te Mekka.—118 verzen | 374 | ||||
| XXIV. | Het licht. Geopenbaard te Medina.—64 verzen | 381 | ||||
| XXV. | Al Forkan. Geopenbaard te Mekka.—77 verzen | 393 | ||||
| XXVI. | De Dichters. Geopenbaard te Mekka.—228 verzen | 400 | ||||
| XXVII. | De Mier. Gegeven te Mekka.—95 verzen. | 410 | ||||
| XXVIII. | De geschiedenis (of de lotgevallen). Gegeven te Mekka.—88 verzen | 419 | ||||
| XXIX. | De Spin. Geopenbaard te Mekka.—69 verzen | 429 | ||||
| XXX. | De Grieken. Geopenbaard te Mekka.—60 verzen | 435 | ||||
| XXXI. | Lokman. Geopenbaard te Mekka.—34 verzen | 441 | ||||
| XXXII. | De Aanbidding. Gegeven te Mekka.—30 verzen | 445 | ||||
| XXXIII. | De Verbondenen. Geopenbaard te Medina.—73 verzen | 448 | ||||
| XXXIV. | Sara. Geopenbaard te Mekka.—54 verzen [XI] | 461 | ||||
| XXXV. | De Engelen, of de Schepper. Geopenbaard te Mekka.—45 verzen | 468 | ||||
| XXXVI. | Y. S. Geopenbaard te Mekka.—83 verzen | 472 | ||||
| XXXVII. | Zij die zich in orde scharen. Geopenbaard te Medina.—182 verzen | 478 | ||||
| XXXVIII. | S. Geopenbaard te Mekka.—88 verzen | 485 | ||||
| XXXIX. | De Scharen. Geopenbaard te Mekka.—75 verzen | 491 | ||||
| XL. | De ware Geloovige. Geopenbaard te Mekka.—85 verzen | 498 | ||||
| XLI. | De duidelijk Uitgelegden. Geopenbaard te Mekka.—54 verzen | 505 | ||||
| XLII. | Overweging. Geopenbaard te Mekka.—53 verzen | 510 | ||||
| XLIII. | De gouden Versierselen. Geopenbaard te Mekka.—89 verzen | 515 | ||||
| XLIV. | De Rook. Geopenbaard te Mekka.—59 verzen | 520 | ||||
| XLV. | De Nederknieling. Geopenbaard te Mekka.—36 verzen | 523 | ||||
| XLVI. | Alahkaf. Geopenbaard te Mekka.—35 verzen | 526 | ||||
| XLVII. | Mahomet. Geopenbaard te Medina.—40 verzen | 530 | ||||
| XLVIII. | De Overwinning. Geopenbaard te Medina.—29 verzen | 534 | ||||
| XLIX. | De Binnenvertrekken. Geopenbaard te Medina.—18 verzen | 539 | ||||
| L. | K. Geopenbaard te Mekka.—45 verzen | 541 | ||||
| LI. | De Verspreiding. Geopenbaard te Mekka.—60 verzen | 544 | ||||
| LII. | De Berg. Geopenbaard te Mekka.—49 verzen | 547 | ||||
| LIII. | De Ster. Geopenbaard te Mekka.—62 verzen | 549 | ||||
| LIV. | De Maan. Geopenbaard te Mekka.—55 verzen [XII] | 552 | ||||
| LV. | De Barmhartige. Geopenbaard te Mekka.—78 verzen | 555 | ||||
| LVI. | De Onvermijdelijke. Geopenbaard te Mekka.—96 verzen | 558 | ||||
| LVII. | Het IJzer. Geopenbaard te Mekka of te Medina.—29 verzen | 562 | ||||
| LVIII. | De Klaagster. Geopenbaard te Medina.—22 verzen | 565 | ||||
| LIX. | De Landverhuizing. Geopenbaard te Medina.—24 verzen | 568 | ||||
| LX. | Zij, die beproefd is. Geopenbaard te Medina.—13 verzen | 571 | ||||
| LXI. | Slagorde. Geopenbaard te Mekka.—14 verzen | 574 | ||||
| LXII. | De Vergadering. Geopenbaard te Medina.—11 verzen | 575 | ||||
| LXIII. | De Huichelaars. Geopenbaard te Medina.—11 verzen | 577 | ||||
| LXIV. | Wederzijdsche Teleurstelling. Gegeven te Mekka.—18 verzen | 578 | ||||
| LXV. | De Echtscheiding. Geopenbaard te Medina.—12 verzen | 579 | ||||
| LXVI. | Het Verbod. Geopenbaard te Medina.—12 verzen | 581 | ||||
| LXVII. | Het Koninkrijk. Geopenbaard te Mekka.—30 verzen | 584 | ||||
| LXVIII. | De pen. Geopenbaard te Mekka.—52 verzen | 586 | ||||
| LXIX. | De onvermijdelijke Dag. Geopenbaard te Mekka.—52 verzen | 588 | ||||
| LXX. | De trappen. Geopenbaard te Mekka.—44 verzen | 590 | ||||
| LXXI. | Noach. Geopenbaard te Mekka.—29 verzen | 592 | ||||
| LXXII. | De Geniussen. Geopenbaard te Mekka.—28 verzen | 594 | ||||
| LXXIII. | De Omwikkelde. Geopenbaard te Mekka.—20 verzen | 596 | ||||
| LXXIV. | De (met den mantel) Bedekte. Geopenbaard [XIII]te Mekka.—55 verzen | 598 | ||||
| LXXV. | De Opstanding. Geopenbaard te Mekka.—50 verzen | 600 | ||||
| LXXVI. | De Mensch. Geopenbaard te Mekka.—31 verzen | 601 | ||||
| LXXVII. | De Gezondenen. Geopenbaard te Mekka.—50 verzen | 603 | ||||
| LXXVIII. | Het nieuws. Geopenbaard te Mekka.—41 verzen | 605 | ||||
| LXXIX. | Zij, die de zielen uitscheuren. Geopenbaard te Mekka.—46 verzen | 606 | ||||
| LXXX. | Hij fronste het Voorhoofd. Geopenbaard te Mekka.—42 verzen | 607 | ||||
| LXXXI. | De opgevouwen Zon. Gegeven te Mekka.—29 verzen | 609 | ||||
| LXXXII. | De gespleten Hemel. Geopenbaard te Mekka—19 verzen | 610 | ||||
| LXXXIII. | De Bedriegers. Geopenbaard te Mekka.—36 verzen | 611 | ||||
| LXXXIV. | De geopende Hemel. Geopenbaard te Mekka.—25 verzen | 612 | ||||
| LXXXV. | De Hemelteekenen. Geopenbaard te Mekka.—22 verzen | 613 | ||||
| LXXXVI. | De Nachtster. Geopenbaard te Mekka.—17 verzen | 614 | ||||
| LXXXVII. | De Verhevenste. Geopenbaard te Mekka.—22 verzen | 615 | ||||
| LXXXVIII. | De Overvallende. Geopenbaard te Mekka.—26 verzen | 616 | ||||
| LXXXIX. | De Morgenschemering. Geopenbaard te Mekka.—30 verzen | 617 | ||||
| XC. | Het Grondgebied. Geopenbaard te Mekka.—20 verzen | 618 | ||||
| XCI. | De Zon. Geopenbaard te Mekka.—15 verzen | 619 | ||||
| XCII. | De Nacht. Geopenbaard te Mekka.—21 verzen | 619 | ||||
| XCIII. | De Ochtendglans. Geopenbaard te Mekka.—11 verzen [XIV] | 620 | ||||
| XCIV. | Hebben wij niet geopend? Gegeven te Mekka.—8 verzen | 621 | ||||
| XCV. | De Vijg. Gegeven te Mekka of te Medina.—8 verzen | 621 | ||||
| XCVI. | Het gestolde Bloed. Geopenbaard te Mekka.—19 verzen | 622 | ||||
| XCVII. | Al Kadr. Geopenbaard te Mekka of te Medina.—5 verzen | 623 | ||||
| XCVIII. | Het duidelijke Teeken. Geopenbaard te Mekka of te Medina.—8 verzen | 623 | ||||
| XCIX. | De Aardbeving. Geopenbaard te Mekka of te Medina.—8 verzen | 624 | ||||
| C. | De Oorlogspaarden. Geopenbaard te Mekka of te Medina.—11 verzen | 625 | ||||
| CI. | De Slag. Geopenbaard te Mekka.—8 verzen | 625 | ||||
| CII. | De Begeerte zich te Verrijken. Geopenbaard te Mekka of Medina.—8 verzen | 626 | ||||
| CIII. | De Namiddag. Geopenbaard te Mekka.—3 verzen | 626 | ||||
| CIV. | De Lasteraar. Geopenbaard te Mekka.—9 verzen | 627 | ||||
| CV. | De Olifant. Geopenbaard te Mekka.—5 verzen | 627 | ||||
| CVI. | De Koreïshieten. Geopenbaard te Mekka.—4 verzen | 628 | ||||
| CVII. | De Aalmoes. Geopenbaard te Mekka of te Medina.—7 verzen | 628 | ||||
| CVIII. | Al Kauther. Gegeven te Mekka.—3 verzen | 629 | ||||
| CIX. | De Ongeloovige. Geopenbaard te Mekka.—6 verzen | 630 | ||||
| CX. | De Hulp. Geopenbaard te Mekka.—3 verzen | 630 | ||||
| CXI. | Aboe Lahab. Geopenbaard te Mekka.—5 verzen | 631 | ||||
| CXII. | Gods Eenheid. Geopenbaard te Mekka of te Medina.—4 verzen [XV] | 631 | ||||
| CXIII. | De Dageraad. Geopenbaard te Mekka of te Medina.—5 verzen | 632 | ||||
| CXIV. | De Menschen. Geopenbaard te Mekka of te Medina.—6 verzen | 632 | ||||
V.
Algemeen Register der voornaamste onderwerpen in den Koran behandeld, en der noten desbetreffende 633
VI.
Kort Overzicht van de Geschiedenis der Turken, voornamelijk in hunne verhouding tot het overige Europa 667
| I. | Inleiding | 667 | ||||
| II. | De Opkomst en Bloei der Turksche macht in Europa | 675 | ||||
| III. | De Achteruitgang der Turksche macht in Europa | 691 | ||||
De Koran is eene onregelmatige en onsamenhangende verzameling van zedelijke, godsdienstige, burgerlijke en politieke voorschriften, gemengd met vermaningen, of beloften en bedreigingen, met het leven hier namaals in betrekking staande, zoowel als van verhalen, die nu eens getrouw en dan weêr op ongetrouwe wijze, aan de bijbelsche oudheid, aan de Arabische overleveringen, en zelfs aan de geschiedenis van de eerste eeuwen des Christendoms ontleend zijn. Evenzeer vindt men er toespelingen op zaken die gebeurd zijn ten tijde dat de Koran geschreven is, op pogingen door den nieuwen godsdienst aangewend, om overwicht te krijgen op den afgodendienst, of op de worstelingen die zij had te bestaan. Die toespelingen zijn echter, doorgaans, in zulke algemeene en onbepaalde uitdrukkingen vervat, dat zin en beteekenis ons dikwijls zouden ontsnappen, indien wij hier geen geleiders vonden in de uitleggers van den Koran en de historische verhalen ten opzichte der vestiging van den Islam of het Islamisme.
Niet meer dan drie van Mahomets tijdgenooten worden, in het voorbijgaan, door den Koran genoemd. Wat Mahomet zelven betreft, wordt deze alleen vermeld bij wijze van toespraak, die God verondersteld wordt tot hem te richten. Daaruit volgt, dat de Koran ons bijna geene narichten geeft omtrent het leven en den persoon van den profeet der Arabieren. Deze bijzonderheid is overigens in overeenstemming met het algemeene en erkende karakter van den Koran: deze toch stelt Gods woord voor, dat aan Mahomet geopenbaard en door diens mond aan het Arabische volk overgeleverd is. Als een muzelman een gezegde uit den Koran aanhaalt, dan zegt hij nooit: Mahomet heeft het gezegd; maar: God (of de Allerhoogste, het Opperwezen) heeft het gezegd; en het was daarom niet te wachten, dat God aan [2]de medeburgers van Mahomet bijzonderheden omtrent diens verwanten, zijn’ oorsprong en zijne levensgevallen zou openbaren1. Dat stilzwijgen van den Koran wordt echter door de overlevering ruimschoots vergoed, en wij bezitten over Mahomet, ten minste van het oogenblik dat hij als Godsgezant optrad, historische bronnen, die, hoezeer met legenden vermengd, den beoefenaar tot een onbedriegelijk richtsnoer verstrekken, waaraan zijne openbaringen verbonden kunnen worden.
De gezellen van den profeet (de Ashab), zijne helpers (de Ansar), de aanhangers van den profeet die hun vaderland om de zaak van den nieuwen eeredienst hadden verlaten (de Moehadjirs), allen die Mahomet gevolgd zijn (de Tabi’, in het meervoud Tabi’in), en allen die dezen hebben opgevolgd, hadden het zich tot plicht gesteld, òok de minst beteekenende bijzonderheden uit het leven van hunnen apostel, wetgever en zoowel geestelijk als tijdelijk opperhoofd, met godsdienstigen eerbied te bewaren en aan hunne nazaten over te leveren. Die bijzonderheden zijn overgegaan in de eerste historische boeken, door de Muzelmannen2 samengesteld, en vormen heden ten dage een werkelijk en onmisbaar gedeelte van elk werk over de algemeene geschiedenis, en dus voorzeker van eene geschiedenis der Arabieren. Men bevroedt gemakkelijk, dat door de godsdienstige geestdrijverij onder een volk, hetwelk, over het algemeen, ongeletterd en van het overige gedeelte der wereld afgezonderd was, waarin menige twijfelachtige verhalen en verdachte overleveringen hebben moeten binnensluipen; dat de fictie en het wonderbaarlijke, voor zeker gedeelte, gemengd zijn in de geschiedenis van Mahomets zending, even als dit in de geschiedenis van de meeste andere godsdiensten plaats heeft. Misschien kan echter de geschiedenis van Mahomets zending, gemakkelijker dan eenige andere godsdienst uit het Oosten, van dat inmengsel van versiering en het wonderbaarlijke worden ontdaan, voor hetwelk slechts een Muzelman zich verplicht acht, met eerbiedigheid te blijven staan. Maar zelfs indien men er het karakter van heiligheid aan ontneemt, is zoowel het ontstaan als de voortplanting van het Islamisme desniettemin een der buitengewoonste gebeurtenissen in de jaarboeken des menschdoms.
Het is niet overbodig hier te doen opmerken, dat het groote Arabische schiereiland niet altijd door éen volk van hetzelfde [3]ras en met dezelfde taal is bewoond geworden. De Arabische schrijvers onderscheiden er drie verschillende menschenrassen, die elkander in Arabië hebben opgevolgd en die allen Arabieren genoemd zijn geworden. Het eerste ras wordt er aangeduid door den naam van Arabieren, el-Ariba3 volbloed-Arabieren of van onvermengd ras, of met andere woorden, oorspronkelijke Arabieren. Dit ras bevat de volken, die langen tijd voor Mahomet uitgestorven of uitgeroeid waren. Dit zijn de Adieten, de Thémoedieten, de Amalika of Amalekieten, de bevolkingen van Tasm en Djadis, die, volgens de Arabische geschiedschrijvers, uit Sem of Cham, zonen van Noach, zijn gesproten. Het tweede ras is dat van de Arabieren, Moetéarriba (Arabieren die dat zijn geworden). Men beschouwt deze als voortgekomen uit Kaktan of Joktan, zoon van Heber; dezen hebben zich aanvankelijk in het gebied van Yemen (in Gelukkig Arabië) gevestigd, van waar zij zich naar alle overige gedeelten van Arabië hebben verbreid, door het uitzenden van volkplantingen, en nu eens door zich met de oorspronkelijke stammen te vermengen, of dan eens door hen te vervangen in het uitsluitende bezit van verschillende streken. De Himyarieten behooren tot de Moetéarriba-Arabieren, of, zoo als Caussin de Pergeval hen noemt, secondaire Arabieren. Het derde ras is dat van de Moesta’riba-Arabieren, (die met de andere Arabieren gelijk zijn gesteld); dit zijn de afstammelingen van Ismaël, den zoon van Abraham. Deze hebben zich in het gebied Hedjaz (woest Arabië) gevestigd en achtereenvolgens zich in al de andere gedeelten van Arabië verspreid: dit zijn de tertiaire, of Ismaëlitische Arabieren. Tot dat ras behooren de Arabieren, die sedert onheugelijke tijden rondom Mekka gevestigd zijn, en in het bijzonder het geslacht der Koreïshieten, waaruit Mahomet geboren werd. Alhoewel de Arabieren de grootste zorg hebben gedragen om hunne geslachtslijsten te bewaren, zijn toch al de pogingen der Arabische geschiedschrijvers, om de rechtstreeksche afstamming vast te stellen van Mahomet tot Ismaël, gedurende een tijdverloop van twintig eeuwen, vruchteloos geweest; maar over het algemeen komen zij wel overeen betrekkelijk zijne geslachtsrekening tot Adnan, die voor een’ afstammeling van Ismaël gehouden wordt. Neemt men drieëndertig jaren voor elk menschengeslacht aan, dan kan men het tijdvak van Adnan op omstreeks 130 jaren voor Chr. stellen, zoodat er dan alleen enkele namen overblijven van degenen, welke door de geschiedschrijvers vermeld worden, om de heele tijdruimte aan te vullen, die er verloopen is tusschen Ismaël, den zoon van Abraham, en Adnan, een’ persoon die meer nabij ons tijdvak heeft geleefd. [4]
Hoe groot nu ook die gaping zij, zoo bestaat er toch geen eenige grond om het geslachtsregister van Mahomet in twijfel te trekken. Integendeel zijn er twee beschouwingen, die ten voordeele daarvan schijnen te pleiten. In de eerste plaats zijn dit onderscheiden gedeelten van den Bijbel, te beginnen met de boeken van Mozes tot aan de profeten4, die daarin overeenkomen, dat zij de Arabieren uit Woest Arabië (van Hedjaz en Mekka) als Ismaëlieten beschouwen, en voorts ook de eerbied dien zij voor de nagedachtenis van Abraham hebben bewaard. Inderdaad zou, volgens de overlevering uit den tijd voor Mahomet, de vermaarde tempel van Caaba, die ten doel strekte van de pelgrimstochten der Arabieren, en veel ouder is dan de stad Mekka zelve, door Abraham gedurende zijn verblijf in Arabië opgericht zijn; en eindelijk in dienzelfden tempel, welke eene soort van pantheon voor de Arabieren is geworden, zag men, ten tijde van Mahomet, een figuur, die Abraham, den stichter der eeredienst van den eenigen God, voorstelde en naast de Arabische godheden of de Christen heiligen geplaatst was. Moge nu die aaneenschakeling al of niet gegrond zijn, moge zij zeer oud wezen of nabij het tijdstip van den Islam liggen, zooveel is waar, dat die afkomst van Mahomet eene belangrijke rol in zijne zending speelt, en niet weinig tot zijn’ opgang bijgedragen moet hebben. Vooral in den aanvang van zijn apostelschap, toen het er nog op aankwam, de Arabieren van de afgodendienst los te maken, vond Mahomet in het voorbeeld van Abraham een grooten steun voor den door hem gepredikten godsdienst, en hij plaatste dien godsdienst onder de bescherming van een’ persoon, wiens nagedachtenis onder zijne landgenooten algemeen geëerbiedigd werd.
De stad Mekka is niet vroeger dan in de vijfde eeuw onzer jaartelling gesticht; maar de vallei van Mekka strekte sedert de vroegste tijden tot verblijf der Arabische stammen, die zich in den omtrek der overblijfsels van den Caaba-tempel nedersloegen, waarvan zij de bewaking en het bestuur als eene eer en als gevende aanspraak op den eersten rang, elkander onafgebroken betwistten. Omstreeks het jaar 200 der gewone jaartelling, werd een der afstammelingen van Adnan, Firh geheeten en El Koreïsh bijgenaamd, de stamvader van den vermaarden stad der Koreïshieten, die in het vervolg een’ grooten invloed te Mekka verkreeg. Kossaï, een van zijn afstammelingen in het vijfde geslacht, slaagde er niet alleen in, de Khozzaas, een andere Arabischen stam, als beheerders van Mekka uit den zadel te lichten, maar ten einde die belangrijke betrekking ten eeuwigen dage aan zijn geslacht te verzekeren, wist hij de Koreïshieten te belezen, rondom den Caaba-tempel eene stad te bouwen, waarvan de verschillende gedeelten door de leden van den uitgestrekten stam der Koreïshieten bewoond zouden worden. [5]Voor zich zelven bouwde Kossaï een huis, dat aanzienlijker dan de andere was, en vestigde er den zetel van den raad (nadwa), waarin al de Koreïshieten toegang hadden en waarin alle zaken in het openbaar werden behandeld. In dat Raadhuis (Dar-ennadwa) ontvingen de Koreïshieten, als zij een’ anderen stam gingen bevechten, de banier uit handen van Kossaï. Op Kossaïs raad gaven de Koreïshieten hunne toestemming om zich aan eene belasting te onderwerpen, rifada (hulp) genaamd, welke zij, in het tijdvak van den pelgrimstocht, aan Kossaï betaalden, en die door dezen werd besteed om aan de behoeftige pelgrims, gedurende drie dagen dat zij te Mina, op eenigen afstand van Mekka, verbleven, kosteloos levensmiddelen te verschaffen. Kossaïs gezag vermeerderde nog, toen hij op zijnen persoon eenige andere posten wist te vereenigen, die met den dienst in den Caaba-tempel in verband stonden. Die ambten waren de volgenden: sikaïa, bestuurder van het water en de uitreiking daarvan, hidjaba, wachter van den Caaba-tempel en van den dienst in dezen. Bij dezen ambten dient men die te voegen van rifada, de ontvangst van de belasting der hulpverstrekking, van liwa, die het recht gaf eene kap van witte stof aan den standaard der Koreïshieten te hechten, als deze ten strijde gingen, en van nadwa, raad, zijnde het voorzitterschap van de vergadering Eenige mindere betrekkingen werden door Kossaï aan andere Arabische stammen overgelaten. Door het vorenstaande ziet men, dat de Koreïshieten, omstreeks twee honderd jaren voor Mahomet (tegen het jaar 440 na Chr.) niet alleen te Mekka in het bezit waren van een regelmatig gevestigd gezag, maar ook dat hun invloed en aanzien zich naar buiten verbreidden, en eindelijk dat de naam der Koreïshieten, door den toevloed van pelgrims naar de alouden tempel van Caaba, in al de gedeelten van Arabië bekend was. Door den handel dien zij met voortbrengsels van Gelukkig Arabië (Yemen) in Syrië, Mesopotamië en Egypte dreven, en van waar zij, in ruiling, stoffen, graan en andere voorwerpen5 terugbrachten, hadden zij een zekere gegoedheid, ja zelfs aanmerkelijke rijkdommen verkregen. [6]
Kossaï of Koesseï had vier zonen. Abdeddar, Abdelozza, Abd en Abdmenaf. Wij zullen alleen over dezen laatsten tijd spreken, omdat hij in de rechte lijn de voorzaat van Mahomet is. Abdmenaf werd evenzeer vader van vier zonen, zijnde: Abdchams, Nowfal, Hachim, en Mottalib. Hachim, die de rijkste der broeders en, bijgevolg, het best in staat was, in de behoefte der pelgrims te voorzien en de zaken van Mekka te besturen, werd met de gewichtigste betrekking der vereeniging bekleed.
Deze voerde onder de Koreïshieten ’t gebruik in, jaarlijks twee karavanen uit te zenden: de eene des winters, naar Yemen en de andere, ’s zomers, naar Syrië, ook was hij het, die het eerst aan de behoeftige Koreïshieten eene soort soep uitdeelde, welke tharid genoemd werd en samengesteld was uit vleeschnat en tot kruim gewreven brood, hetgeen oorzaak was, dat zijn oorspronkelijke naam Amr in dien van Hachim—den kruimelaar—veranderd werd. En den naam van Hachmieten wordt aan den geheelen opgaanden zijtak van Mahomet gegeven.
Cheïba, de zoon van Hachim, werd ook Abdelmottalib genaamd, omdat hij door zijn oom Mottalib als zoon werd aangenomen. Hij volgde zijn vader te Mekka in diens gewichtigste ambten op, te weten in die van sikaïa en rifada. Zijne edelmoedigheid en zijn braaf gedrag hadden hem de algemeene achting doen winnen. Deze hoedanigheden scheen echter in de oogen zijner landgenooten het middel niet, te vergoeden, dat hij maar een’ eenigen zoon had; want evenals de Israëlieten, stelden de Arabieren den hoogsten prijs op een groot aantal mannelijke nakomelingen. Dat denkbeeld was bij de Arabieren zóó vast geworteld, dat Abdelmottalib op zekeren dag van een’ zijner landgenooten beleedigingen moest ondergaan, omdat hij maar één’ zoon had. In zijne ergernis zwoer hij, dat indien God hem tien mannelijke kinderen gaf, hij hem er één’ voor den Caaba van zou offeren. Abdelmottalibs wensch werd verhoord. Na de geboorte van zijn’ eersten zoon (528 na Chr.) tot het jaar 569 kreeg hij twaalf zonen en zes dochters. Op zekeren dag verzamelde hij, vast besloten zijn eed te vervullen, de tien oudste van zijne zonen; hij deelde hun den eertijds door hem gedane eed mede; een ieder van deze wilde er zich aan onderwerpen, het slachtoffer te worden, en allen begaven zich naar den Caaba voor den afgod Hobal om te loten. Het lot viel op Abdallah, die door zijn’ vader het meest werd bemind. Het offer stond op het punt volbracht te worden, op eene plaats die gewoonlijk bestemd was voor het slachten der offers, toen de Koreïshieten toesnelden, den arm van Abdelmottalib tegenhielden en hem rieden, eene waarzegster te raadplegen die zich te Kaïbar bevond, dat eene versterkte en door Israëlieten bewoonde Stad was. De waarzegster vroeg, wat de boete [7]was, die voor een’ manslag werd betaald, en toen men haar antwoordde, dat de boete tien kameelen bedroeg, ried zij, Abdallah aan de eene zijde, en aan de andere tien kameelen te plaatsen; dat men daarna het lot zou raadplegen, en verklaarde zich dit tegen Abdallah, dat men wederom tien kameelen bij de eerste voegen en daarmede telkens voortgaan zou, tot het lot op de kameelen viel. Abdelmottalib onderwierp zich aan de uitspraak der waarzegster, en nademaal het lot tienmalen achtereen ten nadeel van Abdallah uitviel, kocht de vader zijn’ eed eerst tegen honderd kameelen los. Sedert dien tijd werd de bloedprijs onder de Arabieren op honderd kameelen bepaald. Dadelijk na deze gebeurtenis huwde Abdelbottalib zijnen zoon Abdallah uit aan Amina, de dochter van Wahb, een’ der afstammelingen van Abdmenaf. Uit dit huwelijk werd Mahomet geboren.6
Mahomets geboortejaar kan niet gemakkelijk worden vastgesteld. Er zijn echter drie gegevens, die dienen kunnen om het ten minste bij benadering te bepalen. Volgens de overlevering zou Mahomet gezegd hebben: “Ik ben geboren onder de regeering van den rechtvaardigen koning.” Die rechtvaardige koning was Kesra Anoechirvan (Kosroës de Groote), die zevenenveertig jaren en acht maanden heeft geregeerd. Neemt men nu met een’ Arabischen geschiedschrijver (Ibn El-athir) aan, dat Mahomet zeven jaren en acht maanden voor Anoechirvans dood ter wereld kwam, dan zou zijn geboortejaar in het jaar 570 n. Chr. vallen. Ten andere valt Mahomets geboorte, volgens de overlevering, in het jaar van den krijgstocht van den Æthiopischen koning Abraha tegen Mekka (zie de noot op hoofdstuk CV van den Koran). Deze krijgstocht eindigde door de volkomene vernieling van Abrahas leger; maar de Arabische geschiedschrijvers stemmen zoo weinig ten aanzien van dien krijgstocht overeen, dat Mahomets geboorte in het 34e of in het 40e of in het 41e, of in het 42e jaar der regeering van Kesra Anoechirvan zou vallen. Ook is algemeen de meening aangenomen, dat Mahomet, in 632, in den ouderdom van drie en zestig jaren gestorven zij, waardoor zijne geboorte in het jaar 569 zou vallen. Hierdoor ontstaat een nieuw vraagpunt, en wel dat, of het cijfer van die drie en zestig jaren, bij benadering, is opgegeven in maanjaren, gelijk die bij de Arabieren in gebruik zijn, of dat daarbij gerekend zij op de tusschenvoeging welke in 413 geschied is7. [8]
De Muzelmansche godvruchtigheid bleef niet ten achter bij de ingeschapen neiging, die de wieg van buitengewone menschen door den glans van mirakelen en merkwaardige natuurverschijnsels doet omringen. Die godvruchtigheid is oorzaak, dat de verhalen daarvan volgaarne worden aangenomen, zonder bron of grondslag te onderzoeken; door diezelfde beweegoorzaak worden zij voortgeplant en als geloofspunt vastgesteld. Volgens die verhalen, welke wij niet met stilzwijgen zouden kunnen voorbijgaan, omdat zij den Muzelman altijd voor den geest zijn, zoude, op het oogenblik waarop de toekomstige profeet der Arabieren geboren werd, de geheele wereld in beweging geweest zijn. Het paleis van Cosroë te Clesiphon schudde, en veertien van zijne torens stortten in: het heilige vuur der pyreen ging uit, in weerwil van het onafgebroken toezicht der magiërs; het meer van Sawa droogde uit, de groot-moubed der Perzianen droomde, dat Perzië door de Arabische kameelen en paarden bezet zou worden, en Amina verhaalde haren schoonvader, dat zij gedurende hare zwangerschap had gedroomd, dat een buitengewoon licht zich uit haren boezem verspreidde om de wereld te verlichten; Abdelmottalib, eindelijk, die op zekeren dag zijn kleinzoon was komen zien, bemerkte tot zijne verwondering, dat hij besneden geboren was. Het kind, dat door zijnen grootvader Mahomet genaamd werd (en hij was de eerste die dezen naam onder de Arabieren droeg), werd door zijne moeder toevertrouwd aan eene Bedouinsche min, die Halima heette, en welke het naar heuren stam in de woestijn medenam. Na twee jaren werd hij gespeend, maar zijne aanwezigheid in Halimas gezin, had daar zoo veel geluk en overvloed in schijnen te brengen, dat zij Amina verzocht haar het kind te laten opvoeden. De overlevering verhaalt, dat het kind aan eene ziekte onderhevig was, waarvan men zich geene rekenschap wist te geven, maar welke men aan de werking des duivels toeschreef8. Toen Mahomet later een voorval verhaalde, dat grooten schrik aan zijne min had gebaard, zeide hij, dat, in zijne kinderjaren, toen hij met zijne jeugdige makkers in de vlakte speelde, twee in het wit gekleede mannen, dat engelen waren, hem op den grond geworpen, de borst geopend en het hart er uitgenomen hadden, om het te wasschen en te zuiveren.
Een hoofdstuk van de Koran (hoofdstuk XCIV) begint inderdaad met woorden die aldus vertaald kunnen worden; Openen wij niet den boezem, of zetten wij de borst niet uit, of wel; hebben wij [9]de borst niet geopend. Terwijl nu zekere uitleggers daarin slechts een figuurlijke uitdrukking zien, voor een hart, dat door God geschikt is gemaakt om de wijsheid en de openbaring er in op te nemen, willen andere er eene toespeling in vinden op het voorval, dat door de overlevering vermeld wordt, en volgens hetwelk Mahomets hart werkelijk door de engelen gewasschen en gereinigd, en zoodoende sedert zijne kindsheid een uitverkoren vat zou zijn geworden. Overigens is dat niet het eenige gedeelte van den Koran, waarin een figuurlijke of overdrachtelijke uitdrukking, ingevolge de overlevering, eene gewrongen uitlegging en een’ bovennatuurlijken en wonderbaarlijken zin hebbe verkregen (zie Hoofdst. XVII, LIV). Op den ouderdom van zes jaren verloor Mahomet zijne moeder en werd door zijn’ grootvader Abdelmottalib opgenomen, die hem eene vaderlijke genegenheid toedroeg. Drie jaren later ontviel Mahomet ook die steun, daar Abdelmottalib in den ouderdom van meer dan tachtig jaren stierf. Toen belastte Aboe-Talib, zijn oom, zich met hem en nam hem later met zich naar Syrie, waarheen de karavaan der Koreïshieten Arabische voortbrengselen ging voeren. Toen zij te Bosra waren gekomen, ontmoetten zij een’ Arabischen christen monnik, welken de Arabieren Bahira en de Christenen Bjirdjis (George) of Serdjis (Sergius) noemden. Er wordt verhaald, dat Bahira door Mahomets uiterlijk getroffen zou zijn geweest en in diens gelaat zijne toekomstige bestemming hebben weten te lezen, en dat hij, bij het afscheid nemen van de Arabische karavaan, Aboe Talib aanbevolen zou hebben over Mahomet te waken en hem te bewaren voor de kunstenarijen der Joden, die het op zijn leven zouden toeleggen, indien zij tot de ontdekking kwamen, dat hij, Bahira, in dien knaap het zegelmerk der profetie had ontdekt. Dit zegelmerk van profetie was, naar men zegt, een teeken, dat Mahomet tusschen de schouders had, even als dit het geval met al de andere profeten en met al zijne voorzaten uit den stam Ismaël was, maar op eene veel duidelijker wijze dan bij deze allen.
Bij den terugkeer van dien tocht nam Mahomet, veertien jaren oud zijnde, aan den tweeden der oorlogen deel, die bij de Arabieren bekend zijn onder den naam der oorlogen van el-fidjar, of der schending van de heilige maand, of ook van de misdaad, welke oorlogen de Koreïshieten tegen den stam der Benou-Hawasin voerden. Volgens het verhaal echter van Mahomet zelven, dat door de overlevering bewaard is gebleven, bepaalde zich het aandeel, dat hij in dien tweeden oorlog nam, bij het oprapen der pijlen, die door de vijanden afgeschoten waren, en deze aan zijn ooms ter hand te stellen, welke een werkdadiger deel in den strijd namen. De overlevering heeft geen enkel belangrijk feit van Mahomets leven bewaard, gedurende de tien jaren, die na deze gebeurtenis verliepen. Alles wat men weet is, dat de jeugdige Koreïshiet, door zijn gedrag [10]en manier van handelen, zijne snedigheid en ernstig karakter, dat tot gepeinzen en eenzaamheid neigde, de achting en eerbied zijner medeburgers wist te winnen.
Op den ouderdom van vijfentwintig jaren belastte hij zich met het doen eener handelreize naar Syrië voor eene rijke weduwe, Khadidja genaamd, dochter van Khowaïlid, even als Mahomet gesproten uit Kossaï, over wien boven gesproken is. Mahomet kweet zich met zulk een goed gevolg van zijne taak, dat Khadidja een gunstige meening voor hem opvatte. Dit gunstige denkbeeld nam nog toe, toen Khadidjas’ slaaf, die Mahomet naar Syrië had vergezeld, haar verhaalde, dat hij onderweg Mahomet eens door twee engelen met hunne vleugels tegen de hitte der zonnestralen had zien beschutten. Khadidja bood Mahomet derhalve hare hand aan en alhoewel zij op dat tijdstip tusschen de dertig en veertig telde, dat een meer dan rijpe leeftijd voor eene Arabische vrouw is, nam Mahomet den voorslag spoedig aan. Naar het gebruik der Arabieren, biedt de man, aan de door hem te huwen vrouw eene huwelijksgift aan, welke sadak wordt genoemd: Mahomet bood dan ook Khadidja, als zoodanige gift, twintig kameelen aan. Het huwelijksmaal, waaraan de verwanten van man en vrouw deel namen, was schitterend en vroolijk en werd door dans en muziek begeleid, en voor de talrijke gasten werden twee kameelen geslacht. Bij Khadidja kreeg Mahomet weldra een zoon, dien hij El-kachim noemde en sedert dien tijd werd hij Aboelkachim (vader van El-kachim) genoemd. Khadidja schonk hem nog twee zonen, die echter op zeer jeugdigen leeftijd stierven, en vier dochters. In het jaar van zijn huwelijk met Khadidja, werd Mahomet lid van eene vereeniging, die zich onder de Koreïshieten had gevormd tot bescherming der vreemdelingen, of der zwakke burgers van Mekka tegen de onrechtvaardigheden der machtige Koreïshieten, en hij stelde er altijd eene eer in, tot deze vereeniging te hebben behoord, welke zelfs nog na de vestiging van het Islamisme bleef bestaan. Sedert zijn huwelijk hield Mahomet zich weinig meer met handelszaken bezig, maar wijdde zich meer aan godsdienstige bespiegelingen. In die neiging werd hij vooral versterkt door een’ neef zijner vrouw, Waraka Ibn Raufa genaamd, welke reeds te voren den afgodendienst had verworpen, die in Arabie heerschte, en zoowel den Mozaïschen als den Christelijken godsdienst had leeren kennen. Door dezen Waraka, die niet ongeletterd was, had hij waarschijnlijk het Israëlietische Monotheïsme leeren kennen, en Mozes en Christus als Godsgezanten aanzien; maar beide godsdiensten schenen hem de oorspronkelijke zuiverheid verloren te hebben. Alleen Abraham, die menschenmin met het geloof aan een eenig God verbond, scheen hem in den Bijbel, dien hij ten deele vervalscht achtte, de beste verpersoonlijking van een’ Godsgezant. Bovendien kon hij, bij die keuze en het voorstellen van Abraham als toonbeeld, op te meer sympathie [11]rekenen, nademaal diens herinnering niet slechts in geheel Arabie nog levendig was, maar de overlevering hem daar, als stamvader, in eerbiedig aandenken gehouden had en hem was blijven vereeren als den grondvester des heiligen tempels, naar welken men sedert onheugelijke tijden in bedevaart optrok.
Wij hebben reeds gezegd, dat Mahomet in zijne jeugd de algemeene achting had weten te winnen; zijne erkende eerlijkheid had hem El-Emin, de rechtschapene, de vertrouwen verdienende, de getrouwe doen noemen. Eene toevallige gebeurtenis, die er plaats had toen hij vijfendertig jaren oud was, schonk hem in de oogen zijner medeburgers nog meer aanzien. In 605 besloten de Koreïshieten den Caaba-tempel te herbouwen, die eenige jaren te voren door brand vernield was. De eerbied voor dat overblijfsel uit de Ismaëlitiesche oudheid boezemde aan alle takken van den stam der Koreïshieten een’ buitengewonen ijver in: tegelijkertijd werd echter daardoor een wederkeerige naijver opgewekt. Toen de werkzaamheden van den bouw gevorderd waren tot de hoogte waar de zwarte steen geplaatst moest worden, die het voorwerp van bijzondere vereering was, betwistten al de takken der Koreïshieten elkander de eer van die taak. De mannen van twee takken des stams, die besloten hadden hunne aanspraken tegen al de anderen staande te houden, dompelden hunne handen in een vat dat met bloed gevuld was, en zwoeren veeleer te sterven dan toe te geven. De werken werden geschorst, en men riep eene vergadering in het binnenste van den tempel zelven bijeen, om over de middelen te beraadslagen, ten einde den burgeroorlog af te wenden, die dreigde uit te barsten. Een oude Koreïshiet deed nu eensklaps den voorslag, den eerste, die de ruimte zou binnentreden waar de vergadering werd gehouden, tot scheidsman te nemen. Men kwam dit overeen, en toen nu aller blikken op den ingang gevestigd waren, verscheen El-Emin (Mahomet) en werd tot scheidsrechter genomen. Hij doet een’ mantel op den grond uitspreiden, kiest de vier aanzienlijkste personen uit de vier voornaamste takken van den stam, en laat elk van hen eene slip van den mantel vasthouden, waarop de steen rust. Zoodra de steen door dit middel op voegzame hoogte is geheven, vat Mahomet hem met zijne eigene handen, om hem in den muur te bevestigen, en bevredigt dusdoende de aanspraken der mededingers, terwijl hij bovendien een aanzienlijk deel in die verrichting neemt. Weinig tijds daarna verloor Mahomet al de mannelijke kinderen, die Khadidja hem had gebaard; derhalve ook omdat de schaarschte van levensmiddelen, die toen zich te Mekka, voornamelijk bij de mingegoede en met een talrijk gezin bezwaarde personen deed gevoelen, nam hij den jongen Ali, zoon van zijnen oom Aboe-Talib tot zich. Sedert dien tijd was Ali zijn onafscheidelijke, trouwe gezel en zijn verkleefdste volgeling. Dikwijls vervulde hij de betrekking van secretaris bij hem, [12]huwde later Mahomets dochter Fatima en werd eindelijk tot Khalif verheven.
Eerst op veertigjarigen ouderdom voelde Mahomet zich geroepen, een nieuwe godsdienst aan de Arabieren te prediken. Te zijnen tijde vormde het Arabische ras niet een enkel volk: de Perzen en Romeinen oefenden op de Arabische stammen, die het dichtste bij de provinciën der Perzen en van het Romeinsche keizerrijk woonden, een zekere heerschappij uit, ofschoon die ten deele in naam bestond. De Arabieren der woestijn daarentegen leefden in volslagen onafhankelijkheid en zonder dat zij eenig middenpunt van nationaal gezag bezaten. Zij beleden ook niet allen denzelfden godsdienst: onder de Arabieren in de steden had zich de Christelijke godsdienst verspreid; eenige stammen, die evenzeer in steden gevestigd waren, beleden den Mozaïschen godsdienst, zooals de stammen der Koraïza, Nadhir, die Yathrib (Medina) en Khaibar bewoonden; maar de overgroote meerderheid der Arabieren was aan den afgodendienst overgegeven. De Caaba-tempel, die, gelijk wij hebben gezien, werd aangemerkt als de vroegere verblijfplaats van Abraham en de zetel van den dienst aan een eenig God, was het middenpunt geworden van al de Arabieren, die den afgodendienst volgden. Elke stam had eene godheid, een’ bijzonderen afgod dien hij aanbad; maar even als het Romeinsche heidendom, in zijn pantheon of afgodentempel, aan alle eerediensten eene plaats inruimde en zelfs geneigd was er Christus in toe te laten, zoo waren ook de Arabieren zeer verdraagzaam ten aanzien der godheden, van welken oorsprong die ook waren, als men maar den eeredienst van de hunne eerbiedigde, en niet aan de gebruiken en bijgeloovigheden raakte, die in de zeden waren overgegaan. Bij een zwervend volk, dat door zijne geographische ligging van het overige der wereld afgescheiden en bijna in den toestand van wilden was, konden de wetenschappen en kunsten der andere staten, die in beschaving meer vooruit waren, zich alleen met moeite en door middel der handelsbetrekkingen met het Romeinsche Keizerrijk en Perzië verspreiden, welke betrekkingen zeer beperkt waren, even als dit het geval was met de voortbrengselen, welke dat volk kon aanbieden en met de behoeften die het had te voldoen.
De oude schriften der Himyarieden (van Yemen) waren bijkans verloren gegaan; die der Hebreeuwen en der Syriërs gingen alleen de Israëlietische Christelijke Arabieren aan, en datgene wat bekend is onder den naam van Dejzm, en in Mekka weinig tijds voor Mahomets geboorte werd ingevoerd, was alleen aan een klein getal bekend. De Arabieren der woestijn kenden derhalve geene andere bezigheid dan den oorlog, geene andere geschiedenis dan die van hunne geslachtsrekening. Zij bekreunden zich dan ook om niets dan om hunne kudden schapen en kameelen; zij beoefenden geene andere kunsten dan de dichtkunst en hunne taal, die buigbaar, bovenal zeer rijk [13]en, naar men zou zeggen, sedert hare geboorte aan zeer vaste regels gebonden was. Ten tijde van Mahomet bestonden de hartstochten, zeden en gebruiken der Arabieren in dobbelspelen, het dikwijls onmatig gebruik van wijn, de veelwijverij, welke overigens aan alle volken van het Semitische ras gemeen was, het sluiten van huwelijken, die elders voor bloedschande werden gehouden; in liefdesavonturen en persoonlijke wraakoefeningen, die dikwijls in hardnekkige oorlogen tusschen geheele stammen ontaardden; het gebruik om de meisjes levend te begraven, ten einde zich zoo van vele monden te ontdoen, die in tijden van schaarschte overbodig zouden zijn; het stelen en rooven, dat dikwijls met gastvrijheid en edelmoedige vormen gepaard was. Op dat tijdstip werd de aldus gevestigde Arabische maatschappij door niets ter wereld tot eenige daad naar buitengedreven. In zulke oogenblikken van kalmte heeft de maatschappij meer tijdruimte om in eigen boezem te zien. Zoowel het Joden- als het Christendom maakten weinig proselieten, maar beiden traden vrijelijk op en predikten, juist onder begunstiging van de godsdienstige onverschilligheid of den twijfel, die meer verbreid was dan men wel denkt. Juist uit die innerlijke werking eener heidensche maatschappij heeft het voorgevoel kunnen ontstaan van eene op handen zijnde hervorming, welke door eenige schrijvers ten tijde van Mahomet werd aangeduid, maar welke ons toeschijnt, noch aan dat tijdstip eigen, noch genoegzaam betoogd te zijn. Mahomet was niet de eenige die zich door den beklagenswaardigen, zedelijken toestand der Arabieren getroffen voelde, maar hij was de eenige, die de vastberadenheid bezat en vooral de roeping gevoelde, daarin verandering te brengen. Indien men op de overlevering afgaat, die uit zijn eigen verhaal is geput, dan openbaarde zich dat besluit in hem als een plaatselijke lichtstraal. Mahomet, die ernstig van aard was en van nature tot peinzen overhelde, dwaalde dikwijls in de ravijnen rond die nabij Mekka lagen, en werd toen ongetwijfeld reeds door het denkbeeld beheerscht, dat God uit het binnenste eens bergs tot hem zou spreken, even als tot Mozes, over wien hij op zijne reize naar Syrië, of in zijne gesprekken met de Joden en de Christenen, of wel met een’ Arabier—Waraka, zoon van Nowval, een neef van Khadidja—een man die, gelijk wij boven zeiden, in de schrift bedreven was9, had hooren spreken. Tot dien tijd kon hij ter goeder trouw wezen.
Hij had de gewoonte de maand ramadhan op den berg Hira, nabij Mekka, in afzondering door te brengen. Op zekeren nacht (in December 610 of Januari 611), zond Khadidja, toen zij hem niet meer naast zich vond, bedienden uit om hem op te zoeken. Ondertusschen kwam Mahomet terug en verhaalde haar [14]het volgende: “Ik lag in diepen slaap, toen een engel mij in droom verscheen. Hij hield een stuk zijden stof in zijne handen dat met schriftkarakters bedekt was; hij bood het mij aan met de woorden: ‘Lees!’—Wat zal ik lezen? vroeg ik. Hij omwikkelde mij toen met die stof en herhaalde zijn gezegde ‘Lees!’ Ik herhaalde mijne vraag; Wat zal ik lezen? Hij antwoordde: ‘Lees! In den naam van den God die alle dingen heeft geschapen, lees; bij den naam van uwen Heer, die edelmoedig is; Hij is het die het schrift onderwezen heeft. Hij heeft den mensch geleerd wat deze niet wist’10. Ik sprak die woorden na den engel uit en hij verwijderde zich. Ik ontwaakte en ging uit om naar de berghelling te gaan. Daar hoorde ik boven mijn hoofd eene stemme die sprak: ‘O Mahomet! gij zijt de gezant van God en ik ben Gabriël.’ Ik sloeg de oogen op en bemerkte den engel; ik bleef onbewegelijk staan, met den blik op hem gevestigd, tot hij verdween.”
Khadidja was door dat verhaal getroffen, en deelde het aan Waraka mede, van wien wij boven hebben gesproken. Sedert dien tijd ontving Mahomet, die naar Mekka terug was gekeerd, gedurig goddelijke openbaringen, door tusschenkomst van den engel Gabriël (Djebreil). De eerste zaak welke de engel hem onderwees, bestond in het gebed, door wasschingen voorafgegaan. Op zijne beurt onderwees Mahomet dit aan Khadidja, die langs dien weg de eerste proseliet van het Islamisme werd: zijn tweede bekeerling was Ali, de zoon van Aboe-Talip. Vervolgens Zeïd of Seïd, zijn aangenomen zoon, die de eenige van Mahomets volgelingen is, welke in den Koran wordt vermeld11. Bovendien wordt aangehaald Abdelcaaba, bijgenaamd el-Atik, (de edele), een man, wien, uithoofde zijner kennis van de Arabische geslachten, groote eerbied werd toegedragen. Hij was bekleed met een ambt van boet- of lijfstraffelijk rechter, en moest uitspraak doen in zaken van moord en boeten, en men wendde zich tot hem tot het uitleggen van droomen. Toen Abdelcaaba (dienaar van den Caaba) het nieuwe geloof aannam, welks grondslagen nauwelijks gevormd waren, nam hij ook den naam aan van Abdallah (dienaar Gods, en dus gelijk staande met Gottschalk en Godschalk), terwijl hij later, toen hij zijne dochter Aïcha aan Mahomet ter vrouw gaf, den naam van Aboebekr (vader der maagd) aannam. Dit nu is dezelfde, die vervolgens de eerste Khalif, of opvolger van Mahomet werd. De eerste bekeeringen tot het nieuwe geloof, welks voornaamste en steeds zeer gewichtig leerstuk, de volstrekte eenheid Gods was, en hetwelk [15]de strekking had tot afschaffing der afgoderij12 geschiedden in het geheim, en gedurende drie jaren was Mahomets zending alleen bij zijne aanhangers bekend. Dit wordt door den geloofwaardigsten geschiedschrijver van Mahomets zending gezegd. Deze omstandigheid verdient opmerking: zij verklaart ten deele het zeer treffende verschil, dat er bestaat tusschen de laatste hoofdstukken van den Koran (die, wat den stijl betreft, zeer veel overeenkomst hebben met het hoofdstuk, dat, volgens Mahomets verhaal, het eerste geopenbaard is geworden) en de hoofdstukken die, volgens de tegenwoordige redactie van den Koran, de voorste plaatsen innemen. Deze dragen den stempel van eene godsdienstige geestdrijverij, die zich in het onbepaalde uitgiet en zich aan niets stelligs hecht, terwijl de lange hoofdstukken afkomstig zijn van een’ man, die met zijne tegenstanders aan het worstelen is; van een’ zendeling, die voor een volk spreekt; van een’ wetgever.
Op Gods stellig bevel begon Mahomet zijn’ godsdienst in het openbaar te prediken. Zijn eerste predikingen wekten in den aanvang alleen spotternij en gelach op; zijne volharding, zijne lastigheid, zijne stoutmoedigheid om in den Caaba zelven de vernieling der afgoden te prediken, gaf, van de zijde der Arabieren, weldra aanleiding tot beleedigingen, tegen welke hij nochtans door zijne ooms beschermd werd, hoezeer dezen het Islamisme nog niet hadden omhelsd. Mahomet had aanvallen en handtastelijkheden te verduren; somtijds dreigde men hem om te brengen; dikwijls vervolgde de samengerotte menigte hem met geschreeuw en gejouw, en men schold hem dan: logenaar, bedrieger, gek en bezetene. Tot een van die tusschengebeurtenissen zijner zending heeft hoofdst. LXXIV betrekking, dat hem geopenbaard werd om hem over dit hoonen te troosten en hem aan te moedigen, zijn’ arbeid voort te zetten. Het aantal zijner aanhangers nam voortgaande toe gedurende de pelgrimsreis naar Mekka, toen de bedevaartgangers, die uit alle hoeken van Arabie bijeengestroomd waren, en wien zijne predikingen niet onbekend konden zijn, het verhaal van deze naar hunne woonplaatsen terug brachten. Op deze wijze werd het getal zijner aanhangers te Yathria (Medina) door nieuwe aanhangers vermeerderd, welke hem weldra tot groote hulp waren. Ten gevolge der geheime bekeeringen en der openbare predikingen zag men, gelijk dit verschijnsel bij het invoeren van nieuwe godsdiensten, ja zelfs bij wijzigingen en hervormingen van bestaande, zich altijd heeft opgedaan, dikwijls gezinnen in twee godsdienstpartijen verdeeld. In zulke gevallen baarden de vernederingen, die den lasteraar der goden kwistig werden toegevoegd, een onverzoenlijken en hevigen haat. Aangezien nochtans eenige daad van [16]geweld, op Mahomet gepleegd, onmisbaar tot bloedvergieten zou hebben geleid, stelden eenige Koreïshieten bij hem eene laatste poging in het werk, Mekka te verlaten, of zijne predikingen te staken. Men bood hem rijkdommen en eereplaatsen in zijne geboortestad aan, en wilde eindelijk zich verbinden, de bekwaamste geneesheeren te doen komen, om hem van zijne ziekte te genezen zoo zijne handelingen inderdaad het gevolg van geestverbijstering of van den invloed des duivels waren. Tot eenig antwoord begon Mahomet, voor hen die tot hem spraken, met het opzeggen van het hoofdstuk Ha-mim: Zie hier de openbaring, die van den grootmoedige over den barmhartige komt, enz., zijnde hoofdstuk XLI. Toen de Koreïshieten zagen dat zij hem niet konden overtuigen, vroegen zij hem ten minste eenige wonderwerken van God voor Mekka te verkrijgen. Het antwoord door Mahomet gegeven is, in menig opzicht, hoogst opmerkelijk en spreekt te zijner gunste; want hij zeide, dat zijne zending alleen bestond in het prediken van den eeredienst aan den eenigen God, en de menschen tot de waarheid te roepen, maar dat hem het doen van wonderwerken niet gegeven was.
De Koreïshieten, die door dit antwoord ongeduldig waren geworden, beschuldigden hem toen, dat hij alleen de weerklank van eenige Christenen was13, en het ontbrak in Mekka niet aan menschen, voor wie die voorgewende openbaringen des Hemels niets anders waren, dan een onsamenhangend weefsel van verhalen, die, èn wat vorm èn wat wezen betreft, veel minder beteekenden dan de godsdienstige boeken en zelfs dan de historische of poëtische geschriften der andere volken14. Volgens eenige levensbeschrijvers van Mahomet, zouden de Koreïshieten eene deputatie naar de rabbijnen van Yathrib (Medina) hebben gezonden, om hun Mahomet af te malen, hun een kort bericht over diens godsdienst te geven en om hun te vragen wat zij er van dachten. De rabbijnen zouden, volgens die levensbeschrijvers, geantwoord hebben: “vraagt hem, wie zekere lieden der verloopen eeuwen zijn, wier voorval een wonder vormt? Wie is de man die de grenzen der aarde ten oosten en ten westen heeft bereikt? Wat is de ziel? Antwoordt hij nu,” zouden zij gezegd hebben, “op die en die wijze, dan is hij werkelijk een profeet, zoo niet, dan is hij een bedrieger.” Toen de afgezondenen te Mekka terug waren gekeerd, deden zij Mahomet de drie vragen; hij beloofde des anderen daags te antwoorden, maar uithoofde hij vergeten had daarbij te voegen: als het Gode behaagt, strafte God hem en deed hem veertien [17]dagen op die openbaring wachten, gedurende welken tijd de ongeletterde man daarop eenig antwoord wist in te winnen. Na verloop van veertien dagen eindelijk antwoordde hij door de geschiedenissen der zeven slapers en van Alexander de Groote (hoofdstuk XVIII). Wat de vraag ten aanzien der ziel betrof, antwoordde hij, juist ter snede, dat God alleen wist, wat deze was15. Zijne levensbeschrijvers zeggen, dat die zegepraal van Mahomet op de ongeloovigen de teleurstelling en wrok der Koreïshieten ten top voerde, en zij toen een’ ieder verboden, de predikingen des profeets aan te hooren. Door de strenge maatregelen die men tegen de aanhangers van den nieuwen eeredienst nam, werd een zeker aantal (in het vijfde jaar van Mahomets zending, zijnde in het jaar 615) weldra gedwongen, Mekka te verlaten en een toevluchtsoord in Abyssinië te zoeken. Daar werden zij met welwillendheid door den koning van Abyssinië ontvangen, die christen was. Spoedig werd de eerste landverhuizing door eene tweede gevolgd: in het geheel bedroegen die twee groepen honderd vijftien personen van beiderlei geslacht. De Koreïshieten zonden eene deputatie naar Abyssinië, om de uitlevering dier uitgewekenen te vragen; maar de koning weigerde dit, terwijl hij hun gedrag in zoodanige uitdrukkingen lof toezwaaide, dat zij, volgens de Muzelmansche geschiedschrijvers, tot een bewijs konden strekken voor zijn heimelijk overhellen naar den Islam.
De partij van den nieuwen eeredienst werd op dat tijdstip onvoorziens versterkt, door dat er zich een man bijvoegde, die sedert in de Mohammedaansche jaarboeken zeer vermaard is geworden, en welke, meer dan al de anderen, bijdroeg, om dezen eeredienst te verbreiden. Dit was Omar, de zoon van Khattar, die, even als zijn vader, aanvankelijk Mahomet zeer vijandig was en, uithoofde van zijnen moed en zijne hevigheid, zich bij de Muzelmannen zeer gevreesd had gemaakt. De Islam had in zijne familie, en vooral bij de vrouwelijke leden, toegang gevonden. Onder deze was Fatima zijne zuster; maar de vrees voor haren broeder gaf haar aanleiding om den Koran niet anders dan in het geheim te lezen. Op zekeren dag verraste Omar haar te midden van dat lezen, en vervoerd door toorn kwetste hij haar. Op het zien van het vloeien des bloeds zijner zuster bedaart hij eensklaps; daarop doet hij zich eenige verstrooide bladen van den Koran toonen; hij staat opgetogen van bewondering, is tegelijk verteederd, en begeeft zich dadelijk tot Mahomet, om in zijne handen belijdenis van het Muzelmansche geloof af te leggen. Al die gelukkige gebeurtenissen wekten bij den grooten hoop der Koreïshieten zwaren wrok op twee takken van den stam, namelijk die der Hachim en die der Mottalib, welke uithoofde hunner verwantschap met Mahomet, hem een’ machtigen steun gaven. Er werd een verbond tegen die twee [18]takken gevormd, met het doel, hen van alle burgerlijke en handelsbetrekkingen uit te sluiten, en deze soort van ban werd geschreven door eene, op perkament geschreven acte, die in den Caaba nedergelegd werd. Deze maatregel baarde aan de beide in den ban gelegde takken ernstige ongerustheid ten aanzien van hunne veiligheid. Zij besloten derhalve, op een enkel punt van Mekka samen te trekken, in plaats van, gelijk tot hiertoe het geval was geweest, huizen te bewonen, die door de stad verspreid waren. Dit gebeurde in het zevende jaar van Mahomets zending.
Deze staat van vijandelijkheid in de Muzelmansche of niet-Muzelmansche gezinnen der Koreïshieten, duurde tot in het tiende jaar der zending; toen besloot men eene verzoening te bewerken; maar op zekeren dag, terwijl men over deze zaak beraadslaagde, verscheen Aboe-Talib, de oom van Mahomet, en verkondigde aan de afgoden-dienende Koreïshieten, dat Mahomet door eene openbaring vernomen had, dat de acte van het verbond, die in den Caaba was bewaard, door God aan de wormen ten prooi gegeven was. Men begaf er zich heen en vond, naar het bericht der geschiedschrijvers, het perkament door de wormen geheel weggeknaagd, met uitzondering der woorden: “In Uwen naam, o God,” die zich aan het hoofd bevonden. Aangezien de acte nu vernietigd was, viel ook het verbond uiteen, en de gezinnen die in den ban gedaan waren, betrokken hunne oude woningen weder. Het blijkt intusschen niet, dat de afgodendienaars door die voorgewende bewijzen voor het goddelijke van Mahomets zending zóó sterk getroffen zouden zijn geworden, dat zij daardoor den Islam zouden hebben omhelsd. Mahomet, die in zijn geboortestad teruggestooten werd, begaf zich naar Taif eene stad die met Mekka wedijverde; maar zijne predikingen ontmoetten er even sterke tegenkanting, beleedigingen en haat. Mahomet keerde toen weder naar Mekka terug en gedroeg zich voorzichtiger; hij predikte toen niet meer in het openbaar en onthield zich ook van het beleedigen en bespotten der afgoden. Zijn verblijf te Mekka werd nochtans steeds onhoudbaarder, vooral toen hij zich in 619 of 620, door den dood van Aboe-Talib16 en Khadidja, van hunnen steun beroofd zag. In zulk een gevaarlijken toestand was het voor Mahomet van gewicht, eenige andere stad te vinden, die tot middenpunt voor zijnen werkkring kon dienen. Hij vond deze te Yathrib. Die stad [19]was hoofdzakelijk bewoond door twee stammen van afgodendienende Arabieren en twee Joodsche stammen.
De Arabieren, die de Israëlieten hadden hooren spreken van de te verwachten verschijning eens profeets, welke de geheele wereld aan zijn bestuur onderwerpen zou, en waarmede deze natuurlijk den te verwachten Messias bedoelden, voelden zich niet ongeneigd, het verhaal van de predikingen, door Mahomet te Mekka gehouden, gunstig op te nemen. De pelgrimstocht naar Mekka bracht hen gemakkelijk in betrekking met Mahomet, en ten gevolge van eenige enkele bekeeringen van Arabieren uit Yathrib, begon de nieuwe eeredienst er weldra talrijke aanhangers te bezitten. In het elfde jaar van Mahomets zending, hadden twaalf personen, die van Yathrib gekomen waren, met hem eene samenkomst op den berg Akaba, een’ heuvel in de nabijheid van Mekka, in welke bijeenkomst hij hun de hoofdpunten van zijn’ godsdienst ontvouwde en hen vermaande, die te volgen. Deze bijeenkomst is bekend onder den naam van de eerste eed van Akaba, omdat die twaalf personen daar zwoeren, de voorschriften door Mahomet ingeprent te volgen. Op dat tijdstip zijner zending vergde hij van zijne bekeerlingen nog niet, zich ter verdediging van zijn godsdienst te wapenen, maar het duurde niet lang of zij verbonden zich daartoe, en wel bij de volgende gelegenheid: in het volgende jaar, zijnde het twaalfde zijner zending, of het jaar 622, begaf eene karavaan van de inwoners van Yathrib zich naar Mekka; zij was samengesteld uit Muzelmannen en afgodendienaars. Onder begunstiging van den nacht, toen de afgodendienaars in diepen slaap waren gedompeld, hadden de Muzelmannen eene geheime samenkomst met Mahomet; daarin beloofden zij hem te ondersteunen en eene schuilplaats te verleenen, ja zij noodigden hem zelfs, zich bij hen te komen vestigen. “Als wij het leven voor u laten, wat zal dan onze belooning zijn?” vroegen zij hem. “Het Paradijs!” antwoordde Mahomet—“Maar als wij tot het welgelukken uwer onderneming bijdragen, zult gij ons dan niet verlaten om naar Mekka terug te keeren?”—“Nooit! Ik zal bij u leven en sterven!” hernam hij, en deze belofte werd met een’ handslag bezegeld. Tot eer van Mahomet dient men hier te doen opmerken dat deze belofte nimmer door hem gebroken, maar met de meeste eerlijkheid gehouden is, (wat ook de geschiedenis bevestigt) welke gronden en omstandigheden hem later daartoe ook mochten hebben uitgelokt. Dit was de tweede, of groote eed van Akaba ook de eed der vrouwen genoemd. Welke pogingen men ook moge hebben aangewend, om het verbond met de Arabieren van Yathrib zeer geheim te houden, werd het echter aan de Koreïshieten bekend, waarop deze besloten, zich van Mahomet te ontdoen. Nademaal Mahomet de mogelijkheid voorzag, dat er geweldige maatregelen konden worden genomen, drong hij bij vele Muzelmannen van Mekka aan, naar Yathrib uit te wijken. Deze Muzelmannen zijn bekend onder den naam [20]van moehadjirs (uitgewekenen). Mahomet zelf, eindelijk, wist de waakzaamheid zijner vijanden te ontgaan, die al zijne stappen bespiedden, en verliet Mekka in de eerste helft van Juni des jaars 62217. Deze vlucht, hidjret genaamd, waarvan wij hedjira of hegira hebben gemaakt, is het aanvangspunt der Mahomedaansche jaartelling. Deze is nochtans zeventien jaren later, onder den Khalif Omar ingesteld. Op zijne vlucht werd Mahomet door Aboe Bekr vergezeld. De twee vluchtelingen, die door een’ troep Koreïshieten vervolgd werden, verborgen zich in eene grot van den berg Thour, op drie mijlen zuidelijk van Mekka gelegen. Reeds maakten de Koreïshieten, die hem vervolgden, zich gereed om er binnen te dringen, toen zij bemerkten, dat eene duif aan den ingang van het hol twee eieren had gelegd, en eene spin haar webbe had gesponnen. Daaruit maakten zij op, dat niemand kort geleden in die grot kon zijn doorgedrongen en verwijderden zich18. Mahomet kwam na eenige omwegen, ten noorden van Mekka, op den weg naar Yathrib, waar hij in het begin van Juli 622 aankwam, nadat hij te Koba, een dorp op twee mijlen afstands van Yathrib, den eersten steen voor de eerste Muzelmansche moskee had gelegd.
Dadelijk na zijne aankomst te Yathrib, begon hij eene moskee te bouwen en vestigde zijne woonplaats in die stad, welke van dien tijd Medinet-en-nabi (stad van den profeet) of el-Medineh (de stad), Medina begon genoemd te worden. De twee Arabische stammen van Yathrib, die, na jaren van haat en oorlog, door den Islam verzoend waren, ontvingen de benaming van ansar (helpers, bondgenooten), zoodat Mahomets aanhangers op dit tijdstip bestonden uit de moehadjirs (uitgewekenen van Mekka) en de ansar (van Medina), die allen begrepen werden onder den naam van ashab (gezellen).
De Muzelmannen die zich op deze wijze te Medina kwamen vestigen, waren niet aan de genade der inwoners overgegeven; maar om hunne veiligheid nog beter te verzekeren, sloot men eene overeenkomst, waarbij hunne wederzijdsche betrekkingen en hunne rechten werden vastgesteld.
Krachtens die overeenkomst moesten de Koreïshieten, inwoners [21]van Mekka, en de Arabieren van Medina voortaan slechts een enkel volk uitmaken. Onder die bepalingen kwamen er ook voor, van eenen aard, welke men niet alleen in dat verwijderd tijdstip en uitsluitend in het Muzelmansche burgerlijk wetboek aantreft, maar waarvan nog negen, tien en elf eeuwen daarna en nog later, de wetboeken van de meeste Europeesche volken bedroevende en menschonteerende stalen opleveren, terwijl die nog in den tegenwoordigen tijd—om maar iets te noemen—ten aanzien der Russische lijfeigenen enz. in Europa voorkomen; van andere werelddeelen willen wij niet eens spreken. De bedoelde bepalingen waren, b.v., dat een Muzelman geen’ Muzelman mocht dooden, om den dood van een’ ongeloovige te wreken, en ook niet voor een’ ongeloovige tegen een’ Muzelman partij mocht trekken. Voorts moesten de rijke en machtige lieden de zwakken eerbiedigen. Geene partij der geloovigen mocht afzonderlijk vrede met de ongeloovigen sluiten. De Israëlietische bondgenooten der Muzelmannen moesten voor alle beleedigingen of afpersingen beveiligd worden, en mochten hunnen godsdienst vrijelijk uitoefenen; maar zij moesten zich ook bij de Muzelmannen voegen, om Medina tegen alle aanvallen te verdedigen, of moesten tot de oorlogskosten bijdragen. Eindelijk vond men er eene bepaling, volgens welke iedere twist, die er mocht ontstaan tusschen hen, welke het verbond hadden gesloten, aan het oordeel van God en van Mahomet zou worden onderworpen. Om elken naijver tusschen de Ansar en de Moehadjirs te voorkomen, vormde Mahomet eene soort van broederschap, in welke een ieder van de Ansar bij een’ Moehadjir gevoegd was. Op dat tijdstip waren vele godsdienstige instellingen en voorschriften nog niet gevestigd: zoo wendde men zich, b.v., bij het gebed naar de zijde van Jeruzalem, dat noordelijk lag, gelijk men de Israëlieten zich daarheen zag wenden, in stede van zich zuidelijk, naar den Caaba te keeren. De edhan of izan—de oproeping tot het gebed—werd eerst eenige maanden na Mahomets vestiging te Medina vastgesteld, maar er bestond reeds eene zekere organisatie, die alleen de bezegeling der zegepraal noodig had om te wortelen. Zoodanige overwinning kwam Mahomets werk weldra ter hulp. Het was in de maand Ramadhan van het jaar 624 en in het tweede jaar der hedjira. Mahomet had toen vernomen, dat eene karavaan van Syrië, tusschen Medina en de zee, naar Mekka terugkeerde. Hij nam het besluit haar aan te vallen; maar het hoofd der karavaan, die van Mahomets voornemen onderricht werd, deed ijlings te Mekka hulp vragen. Die van Mekka kwamen, ten getale van omtrent duizend manschappen en honderd paarden, de karavaan helpen. Mahomet had niet meer dan driehonderd veertien manschappen, die slechts zeventig kameelen bezaten; dit was dus één kameel op vier of vijf personen, die den kameel beurtelings bereden. Bij dien troep waren slechts drie paarden, wier namen, zoowel als de kleinste bijzonderheden [22]dier onderneming, bewaard zijn gebleven. In weêrwil van het mindere aantal zijner lieden, viel Mahomet de Koreïshieten te Bedr aan en sloeg hen, na een’ tamelijk warmen strijd van eenige uren, op de vlucht. Dat gevecht had plaats den 16den dag der maand Ramadhan in het tweede jaar der hedjira. De Muzelmannen, die zelven over hunne zegepraal verbaasd stonden, schreven die aan de hulp der engelen toe, welke zij, naar hun zeggen, de ongeloovigen hadden zien bestrijden; en Mahomet zegt uitdrukkelijk in den Koran (III, 119 en VIII, 9), dat God drieduizend engelen te zijner hulpe had gezonden. In het begin van het gevecht onthield Mahomet zich in eene hut, en zond vurige gebeden tot God op; doch zoodra de strijd algemeen was geworden, kwam hij er uit, en terwijl hij zich onder de strijdenden mengde, wierp hij eene handvol zand op de vijanden. Die trek wordt onder de door Mahomet verrichte wonderwerken geteld.
De karavaan die kennis had van Mahomets bewegingen, vermeed Bedr en naderde de zee, terwijl zij tevens den weg naar Mekka vervolgde. Mahomet, die de hoop had opgegeven haar nog te bereiken, keerde met de gevangene Koreïshieten en den krijgsbuit naar Medina terug. Behalve het na kort proces en spoedig ter dood brengen van eenige Koreïshieten, door wie Mahomet voorheen beleedigd en zijne zending bespot was, hadden al de andere gevangenen reden, over de menschelijkheid der Muzelmannen voldaan te zijn. Na verloop van zes weken werden die gevangenen door de bewoners van Mekka losgekocht. Wel verre dat de laatstgenoemden door de nederlaag van Bedr ontmoedigd zouden zijn geweest, besloten zij integendeel daarover wraak te nemen, en besteedden de helft der winst welke de ontzette karavaan had gemaakt, aan het uitrusten der troepen; terzelfder tijd stuurden zij zendelingen uit, om de Arabische stammen ten krijg tegen Mahomet op te zetten. Zij hadden weldra drieduizend strijders vereenigd, waaronder een zeker aantal, die hunne vrouwen mede namen, welke in last hadden op tambourijns te slaan, liederen ter eere van de bij Bedr gedoode krijgslieden te zingen, en door hare aanwezigheid den ijver harer mannen aan te vuren. Het leger der Koreïshieten trok eerst op Medina aan, toog de stad toen voorbij en nam ten noordoosten, nabij den berg Ohod, eene stelling in.
Mahomet trok Medina aan het hoofd van duizend man uit, om de Koreïshieten aan te vallen. De Muzelmannen putten hun vertrouwen uit de herinnering van den gelukkigen uitslag te Bedr; de Koreïshieten daarentegen vonden zich bemoedigd door hun getal en hunnen haat; en hun aanvoerder had twee afgodsbeelden met zich gevoerd, om den moed zijner troepen aan te wakkeren. De strijd was zeer hardnekkig, en reeds waande Mahomet dat hij overwinnaar was, toen een gedeelte zijner troepen bij het vervolgen van den vluchtenden vijand zich op de bagage wierp om die te plunderen. De Koreïshieten hereenigden [23]zich toen en vielen de Muzelmannen aan. Mahomet stort in een ravijn en wordt door een’ steen getroffen, die hem een tand aan stukken slaat; desniettemin roept hij zijn krijgsmakkers toe: “wie wil zijn leven voor mij geven? Hij die zijn bloed met het mijne vermengt, zal niet door het helsche vuur bereikt worden.” Men snelde te zijner hulp, maar eenigen van zijne dapperste krijgsmakkers werden daarbij gedood, en de Muzelmannen trokken naar een hollen weg terug, waar zij door de Koreïshieten niet vervolgd werden. Het gevecht bij Ohod was verloren en men vatte van wederzijde het voornemen op, het volgende jaar elkander te Bedr nogmaals te ontmoeten. In den Koran heeft Mahomet de oprechtheid gehad, de nederlaag van Ohod niet te verzwijgen, maar toe te schrijven aan het te groot vertrouwen der Muzelmannen op hunne krachten en aan de groote hebzuchtigheid, waarmede zij zich op den buit hadden geworpen. Bij die gelegenheid was het, dat Mahomet verbood de dooden van het slagveld te vervoeren om die elders te begraven. Hij verbood zelfs hun het bloed af te wasschen, daar hij zeide, dat de martelaars op den dag der opstanding met hunne bloedende wonden verschijnen en eene muskuslucht van zich geven zouden. Hij beval hun slechts aan, een gebed voor de lijken te doen. Wij zouden de grenzen van deze levensschets te buiten gaan, door hier een omstandig verhaal te geven van de tochten, de marschen en gevechten, waartoe Mahomet, in de jaren die op de gevechten van Bedr en Ohod volgden, bij zijne botsingen, vooral met de afgodendienaars, verplicht was. Wij zullen ons derhalve bij een zeer beknopt verslag van die worstelingen bepalen. De Koreïshieten kwamen in het vierde jaar der hedjira niet opdagen voor het treffen bij Bedr, gelijk men elkander in het vorige jaar beloofd had, doch daarentegen vormde zich tegen Mahomet een verbond van Arabische en Joodsche stammen, naar Mahomets meening vooral op aandrijven der Joden van Medina, die den stam van Koraïza uitmaakten. Dit verbond liep uit op het belegeren van Medina en aangezien de Muzelmannen op drie zijden van Medina eene gracht groeven, is die oorlog bekend onder den naam van den oorlog der gracht. Deze gebeurtenis had plaats in het vijfde jaar der hedjira (627), en op dat verbond heeft het hoofdstuk uit den Koran betrekking, het welk Al-ahzab (de verbondenen) heet, zijnde het XXXIIIe. Bij die gracht hadden eenige gevechten tusschen de belegerden en de belegeraars plaats. Het beleg duurde omstreeks eene maand, maar door den naijver welken de heimelijke aanhangers van Mahomet in het leger wisten op te wekken, ging het verbond, dat tienduizend man telde weldra uiteen en het beleg werd toen opgeheven. Aan het hoofd van drieduizend man ging Mahomet nu, terecht of niet, wraak nemen op den Joodschen stam Koraïza—aan den anderen waagde hij zich niet—en belegerde hen in hunne versterkingen. De Koraïza, die geene levensmiddelen hadden, gaven zich [24]na eenigen tijd over. Mahomet deed toen al de hoofden ombrengen en verdeelde al de overigen benevens hunne vrouwen, hunne kinderen en al hunne roerende en onroerende eigendommen, onder de Muzelmannen. In het zesde jaar der hedjira ondernam Mahomet, zoowel in eigen persoon als door zijne krijgsbevelhebbers, eenige kruistochten tegen onderscheidene Arabische stammen, welke hij spoedig onderwierp. Zonder moeite namen deze den Islam aan. Uit dien tijd verhalen Mahomet’s levensbeschrijvers een’ menschlievenden trek van hem ten aanzien der afgodendienende Koreïshieten. Er waren eenige pas bekeerde stammen die geweigerd hadden Mekka van levensmiddelen te voorzien, waar toen schaarschte daarvan was, doch Mahomet hief dat verbod op. Het was evenzeer na een’ dezer krijgstochten—dien tegen de Mostaliks—dat de gebeurtenis voorviel met Aïsha, Mahomets vrouw, die door het algemeen gerucht beschuldigd werd, in misdadige betrekking te staan tot een jong Muzelman. De openbaring nu, vervat in Hoofdstuk XXIV is door Mahomet niet alleen gewijd aan het doel om Aïsha te zuiveren van de lasteringen te haren aanzien verbreid, maar ook om in het vervolg de rechtspleging in gevallen van overspel te regelen. In het zesde jaar der hedjira beschouwden Mahomet en de Muzelmannen, die sedert hunne vlucht uit Mekka niet ter bedevaart naar den heiligen tempel waren geweest, het als plicht, dit te bewerkstelligen. Mahomet deed daartoe de Koreïshieten verlof vragen, tegelijkertijd verklarende, dat zijne bedoelingen vredelievend waren, hetzij nu dat hij werkelijk geene andere voornemens koesterde, hetzij dat hij op eenige gunstige gebeurtenis wachtte, om zich van Mekka meester te maken, bij gelegenheid dat hij deze bedevaart zou houden aan het hoofd der Muzelmannen, bij welke zich de Arabieren zouden hebben gevoegd, welke nog den afgodendienst waren toegedaan. Maar de Koreïshieten lieten zich niet gemakkelijk belezen om dat verlof toe te staan, en al de stappen door Mahomet gedaan, hadden alleen tot uitslag, het sluiten eener overeenkomst, welke als eene zedelijke nederlaag kan worden beschouwd. Deze overeenkomst bepaalde: 1º. een tienjarig bestand zal getrouwelijk tusschen de Muzelmannen en de Koreïshieten in acht worden genomen; 2º. ieder persoon die de Koreïshieten mocht verlaten, om, zonder verlof zijner hoofden, tot Mahomet over te gaan, zal aan de Koreïshieten uitgeleverd worden; 3º. zij die van Mahomets partij tot die der Koreïshieten mochten overgaan, zouden niet uitgeleverd worden; 4º. den Arabischen stammen wordt vrijheid gelaten, zich met de Koreïshieten of met de Muzelmannen te verbinden; 5º. Mahomet en de zijnen zullen onmiddellijk zich uit den omtrek van Mekka terugtrekken; 6º. het volgende jaar zullen zij den Caaba kunnen bezoeken, maar zij zullen er niet langer dan drie dagen blijven, en geene andere wapens dragen dan hunne sabels, die zij niet uit de scheede zullen trekken. Deze overeenkomst, waarin het gewone verschijnsel—overmoed [25]tegen de zwakken, kruipen voor de sterken zichtbaar was—mishaagde den Muzelmannen zeer, maar Mahomet deed, vooral ten aanzien der artikelen 2 en 3, opmerken, dat God degenen niet zou verlaten, welke aan de Koreïshieten mochten worden overgeleverd, en wat diegenen betrof, welke tot de afgodendienaars mochten overgaan, dat het openlijke verlaten door eenige huichelaars veeleer voor- dan nadeel was. Deze overeenkomst werd gesloten te Hodaïbiia.
Voor dat jaar moest Mahomet van de bedevaart naar Mekka afzien, en zelfs weinig tijds na het sluiten der overeenkomst, toen een Koreïshiet tot den Islam overging en door zijne hoofden opgeëischt werd, haastte zich Mahomet om hem uit te leveren, waarover de Muzelmannen zeer misnoegd waren; maar hij deed het stilzwijgen der overeenkomst ten aanzien der vrouwen gelden, toen eenige vrouwen na het verlaten van Mekka in zijn kamp den Islam kwamen omhelzen, en gaf haar niet aan hare mannen terug, die haar kwamen opeischen. In hetzelfde jaar, het zesde der hedjira, zond Mahomet een’ gezant aan den koning van Perzië, om bij hem aan te dringen tot het aannemen van zijn godsdienst. De brief dien hij Cosroës toezond, begon met de volgende woorden: Mohammet zoon van Abdallah, gezant van God, aan Kesra (Cosroës), koning van Perzië. Men kan begrijpen met welke verachting dat schrijven door de Perzianen ontvangen moet zijn, als men weet, dat deze al de Arabieren als een lomp en barbaarsch volk beschouwden, dat ten deele aan de macht van Perzië onderworpen was. De koning en de koningin verscheurden Mahomets brief. Toen deze het vernomen had, riep hij uit: “Dat God zijn rijk verscheure!” en deze vloek werd aangezien als een onfeilbaar voorteeken van den spoedigen val der Perzische monarchie. Die voorzegging werd echter eerst in het achttiende jaar der hedjira onder het khalifaat van Omar vervuld.
Volgens de Muzelmansche geschiedschrijvers werden de gezantschappen, die door Mahomet aan den koning van Abysenie en den gouverneur van Egypte werden gezonden, met eerbied ontvangen. Het zevende jaar der hedjira werd door eene belangrijke overwinning gekenmerkt en wel door die op de Joden van Khaïbar, eene stad die door onderscheidene forten verdedigd werd, en die drie of vier dagreizen van Medina, te midden eener vruchtbare landstreek was gelegen. Mahomet toog naar Khaïbar aan het hoofd van veertien honderd man, waarbij twee honderd ruiters. Het beleg duurde omstreeks twaalf dagen, en de Muzelmannen vonden er een’ krachtigen tegenstand; maar na eenige hardnekkige gevechten, in welke Ali, Mahomets schoonzoon zich onderscheidde, werden al de forten, het een na het andere ingenomen, en daardoor de macht der Joden van Khaïbar vernietigd. Maar aangezien zij aan hun land waren gehecht, bleven zij in het bezit er van; dit was echter niet langer als eigenaars, maar als pachters der Muzelmannen, en [26]dit tengevolge eener met Mahomet gesloten overeenkomst. Deze wederrechtelijke en door niets te weeg gebrachte nederlaag der Israëlieten, deed bij eene van Mahomets vrouwen, die ook tot dezen godsdienst behoorde, de zucht ontstaan haar landgenooten te wreken. Zij gaf hem daarom een stuk vergiftigd schapenvleesch te eten, en alleen ternauwernood was het, dat hij aan den dood ontsnapte.
De overmeestering van Khaïbar werd door die van Fadak gevolgd, zijnde dit een vlek dat tot Khaïbar behoorde. Mahomet maakte Fadak tot zijn bijzonder eigendom, hetwelk aan zijn dochter Fatima overging, die met Ali gehuwd was. De Israëlieten van Wadi-l-Kora ondergingen hetzelfde lot, en die van Taima, op de grenzen van Syrië, achtten het voorzichtig, eene onvermijdelijke vernieling voor te komen, en zonden hunne onderwerping aan Mahomet in. In hetzelfde jaar zond de nieuwe profeet een’ gezant aan keizer Heraclius19 die zich toen, bij zijn terugkeer van den veldtocht naar Perzië, in Syrië bevond. De Muzelmansche levensbeschrijvers zeggen, dat Heraclius den Muzelmansche gezant met onderscheiding ontving; maar de gezantschappen die Mahomet aan twee Ghassanidisch-Arabische vorsten zond, welke leenmannen van het Romeinsche keizerrijk waren, werden met verontwaardiging en verachting ontvangen; in zijne brieven had Mahomet hen uitgenoodigd, het Islamisme te omhelzen.
Op het einde van het zevende jaar der hedjira (629), hetgeen het tijdstip was voor de bedevaart naar Mekka, vastgesteld in de overeenkomst, die in het vorige jaar met de Koreïshieten gesloten was geworden, kon Mahomet eindelijk de gelofte van het bezoeken der heilige plaatsen volbrengen, en hij volbracht haar op vreedzame wijze. Hij trok Mekka binnen, te midden van een grooten toeloop van afgodendienaars. Hij zat op zijn wijfjes-kameel Koswa en werd omringd door zijne leerlingen, die te voet waren en de sabel op zijde hadden. Hij nam al de godsdienstgebruiken waar, en wel niet alleen diegene, welke sedert onheugelijke tijden ingesteld waren, en door niets gekenmerkt werden wat naar afgoderij geleek, maar ook die, welke hij, in zijne hoedanigheid van apostel, zelf pas had ingesteld. De zeven omgangen rondom den Caaba, de zeven gangen tusschen de heuvels van Safa en Merwa, het slachten der offers in de vallei van Mina en het Muzelmansche gebed, dat door zijn bijzonderen uitroeper aangekondigd werd, kortom alles had vreedzaam en in ongestoorde orde plaats; maar de Koreïshieten stonden er op, dat hij, onmiddellijk na het verblijf van drie dagen, dat door de overeenkomst was bepaald, vertrekken zou, en wilden zelfs niet de uitnoodiging aannemen tot een gastmaal, dat Mahomet hun voor zijn vertrek wenschte te geven.
Tengevolge van dien vreedzamen tocht, welke Mahomet wist [27]dienstbaar te maken aan het vermeerderen zijns aanziens in de oogen der Arabieren, en die oorzaak werd dat er vele en belangrijke bekeeringen plaats hadden, ondernam de profeet der Arabieren, die reeds door den glans eens vorsten omringd was, een’ krijgstocht tegen het Romeinsche keizerrijk, of om beter te zeggen tegen de Ghassanidisch-Arabische vorsten, die aan de Romeinen schatplichtig waren, en door Romeinsche troepen ondersteund werden. Een Muzelmansch leger, drie duizend man sterk en door zijn’ vrijgemaakten slaaf Seïd aangevoerd, toog naar Moeta, een vlek in het zuid-oostelijke uiteinde van Syrië, en had daar bloedige gevechten te bestaan tegen de Arabieren en Romeinen, die veel sterker in getal waren. De uitslag van dien oorlog was voor de Muzelmannen noodlottig. Nadat zij achtereenvolgens twee opperbevelhebbers hadden verloren, waren zij genoodzaakt naar Medina terug te trekken. Intusschen deed dat verlies Mahomets macht niet verzwakken; want eenige Bedouynsche stammen haastten zich het Islamisme te omhelzen en zich onder zijne banier te scharen; daaronder behoorde de stam Abs, waartoe de vermaarde held Antara20 had behoord. Mahomet, welke de afgezanten van dien stam ontving, zeide hun dat Antara, voor eenige jaren gestorven, de Bedouynsche held was, welken hij het sterkst had verlangd te zien. Om al den voorspoed in Arabië de kroon op te zetten, ontbrak Mahomet nog maar de vermeestering van Mekka. Daartoe deed zich in het achtste jaar der hedjira, eene gunstige gelegenheid op, toen de stam Khozaa, die Mahomets bondgenoot was door de overeenkomst, twee jaren vroeger te Hodaïbiia geteekend, door den stam Doïl (bondgenoot van Mekka) en door die van Mekka zelven werd aangevallen. Mahomet achtte zich daarvoor van alle verplichtingen ontslagen, en besloot dadelijk de meeste partij van die breuk te trekken; daarom wees hij de openingen der Koreïshieten af, ten aanzien eener voldoening en eener schikking. Hij vertrok uit Medina op den 10den dag der ramadhan van het achtste jaar der hedjira (630) aan het hoofd der Ansar en der Moehadjir, en waarbij onderweg zich de stammen kwamen voegen, die kortelings tot zijne leer waren overgegaan. Volgens Mahomets geschiedschrijvers beliep dat leger tien duizend man. Tien dagen later trok het Muzelmansche leger de heilige stad binnen, zonder dat er eenige verdediging plaats had en zelfs zonder veel wederstand; zóó geheim had men den beraamden tocht weten te houden, en zóó snel waren de bewegingen geschied; maar een troep Koreïshieten, die de Muzelmansche voorhoede bij het intrekken van Mekka aanviel, werd nedergesabeld [28]en alleen Mahomets spoedige aankomst op de slagplaats was in staat, een groot aantal schuldelooze offers te sparen. Zeventien bewoners van Mekka werden van de algemeene kwijtschelding uitgesloten, en Mahomet gaf verlof hen te dooden, al waren zij ook in den Caaba verborgen. Mahomet begaf zich dadelijk naar den tempel, ging er zevenmalen omheen, en raakte met eerbiedigheid den zwarten steen met zijn’ mihdjan aan, zijnde dit een staf, die aan het eene einde omgebogen was. Hij vroeg vervolgens den sleutel van den tempel en drong in het binnenste door. Hij zag er beelden en voorstellingen van engelen, die op de muren geschilderd waren, eene houten duif die aan de zoldering was opgehangen en die vermoedelijk ontleend was, hetzij aan de Oud-Testamentaire vrededuif, aan de duif der Samaritanen, of misschien aan het zinnebeeld van het Nieuwe Testament; voorts een beeld, hetwelk men zeide dat van Abraham te zijn, en hetwelk de pijlen in de hand had, door middel van welken de Arabieren gewoon waren het lot te raadplegen. In den tempel waren drie honderd zestig afgodsbeelden vereenigd; naarmate Mahomet deze voorbijging, hief hij zijn mihdjan op, en na dat teeken verbrijzelde men die terstond, terwijl hij de woorden sprak: “De waarheid verscheen en de logen verdween.” Op het middaguur klom zijn bijzondere uitroeper, Belal genaamd, op den Caaba en verkondigde het uur van het gebed.
Denzelfden dag werd de geheele bevolking van Mekka verwittigd, dat zij zich had te begeven naar den heuvel Safa, om den profeet te erkennen en hem den eed van gehoorzaamheid bi’at bi’a te doen, welke daarin bestond, dat een ieder Mahomet de hand moest geven. Bij die gelegenheid was Omar Mahomets vertegenwoordiger; hij stak elk der omstanders de hand toe, terwijl Mahomet op een’ verheven zetel geplaatst was. Na de mannen, werden de vrouwen toegelaten, om evenzeer den eed te doen; zij beloofden, noch schelmerij, overspel, hoererij noch kindermoord te plegen, en zich aan geen liegen of kwaadspreken schuldig te maken.
Mahomet bleef omstreeks veertien dagen te Mekka. Gedurende dien tijd deed hij, in den omtrek, de afgodsbeelden en de tempels der afgodendienaars vernielen, en zond detachementen ruiterij uit, om de bewoners der omgelegen streken tot den Islam te roepen. Hoezeer hij zijne troepen had bevolen, hunne wapenen niet anders dan alleen in den uitersten nood te gebruiken, volgden eenige hoofden deze orders niet op en richtten moordtooneelen aan, welke Mahomet zich verplicht achtte, openlijk te ontkennen als op zijn bevel geschied te zijn, en die te veroordeelen. Een enkele machtige stam, die sedert lang naijverig op de Koreïshieten was, weigerde zich te onderwerpen, en trok tegen Mekka op. Mahomet trok die stad binnen aan het hoofd van een indrukwekkend leger, en het gezicht van die strijdmacht boezemde de Muzelmannen een zoodanig vertrouwen [29]in, dat zij zich onverwinbaar achtten. Dat vertrouwen wordt echter in den Koran (IX:25) gegispt; inderdaad toen dan ook, de Muzelmannen eene enge vallei binnentrokken en te Honaïn aankwamen, dat op tien mijlen afstands van Mekka is gelegen, werden zij door de Hawazin, en wel met zulke hevigheid aangevallen, dat er wanorde in hunne gelederen ontstond, en dat het Mahomet eerst na de uiterste pogingen gelukte, de vluchtenden tot staan te brengen en hen te hereenigen. Hij beval zijn’ witten muilezel Doldol te gaan liggen, en wierp toen, even als te Bedr, eene handvol zand naar den vijand, en door dit wonderwerk, zeggen de geschiedschrijvers verschafte hij zich de overwinning. De vijand werd op de vlucht gedreven en trok af naar Taif, eene stad ten westen van Mekka gelegen, en omringd door eene zeer vruchtbare streek, welke stad door den handel rijk geworden en door muren omringd was. Toen nu de belegering der stad lang begon te duren, wilde Mahomet eerst al de wijngaarden in den omtrek verwoesten, maar zag, op de aanhoudende verzoeken van de Arabieren uit den omtrek, daarvan af; terzelfder tijd deed hij echter afkondigen, dat iedere slaaf die uit Taif naar het leger der Muzelmannen overliep, vrij zoude zijn. In weêrwil nochtans dat daarop een aanmerkelijk getal overloopers aankwamen, hield de stad hare verdediging vol, en Mahomet achtte het raadzaam het beleg op te breken, nadat hij twintig dagen lang vergeefsche pogingen had aangewend om de stad te onderwerpen. Het mislukken van dien tocht werd echter door de onderwerping van andere stammen vergoed.
Toen Mahomet te Medina terugkwam, liet hij te Mekka een’ onderbevelhebber achter, die belast was met het bestuur over de feesten en plechtigheden der pelgrimstochten. Wat hierbij opmerking verdient, is, dat de afgodendienaars onder de Arabieren, die er aankwamen, van die plechtigheden niet uitgesloten waren. Het volgende jaar echter deed Mahomet dit gebruik eindigen en gebood, dat de afgodendienaars volstrektelijk zouden uitgesloten wezen, waarbij hij hun een’ termijn van vier maanden liet, om zich te bekeeren.
Het 9e jaar der hedjira (631) was getuige van de bekeering en onderwerping van eenige andere, zoowel heidensche als christenstammen. De bekeering der laatsten had plaats na eene redetwist, die door Mahomet zelven werd gehouden met bisschoppen en Christenen van Nedjram, in welken redetwist de Christenen, volgens het zeggen van de Muzelmansche geschiedschrijvers, zich overwonnen verklaarden. Op het einde van hetzelfde jaar richtte Mahomet, die vernomen had, dat er een Romeinsch leger tegen de Muzelmannen in aantocht was, eene algemeene oproeping aan al de ongeloovigen, en vereenigde een leger van dertigduizend man, dat hij naar Taboek op de grenzen van Syrië voerde. Men zag toen, dat de tijding van het aanrukken der Romeinen valsch was, maar de aanwezigheid van zulk een aanmerkelijk leger had de onderwerping van Aïla [30]tengevolge, dat eene handeldrijvende stad aan de Roode zee was, en ook van eenige plaatsen in de nabijheid van Taboek gelegen. De stad Taïf, die, ten vorige jare de aanvallen van Mahomet had wederstaan, onderwierp zich in dit jaar evenzeer. Dit jaar werd dan ook het jaar der gezantschappen genoemd, uithoofde van het aantal deputatiën die elkander onophoudelijk opvolgden, om aan Mahomet de onderwerping van steden en stammen te komen betuigen.
Het volgende jaar, zijnde het 10e der hedjira (632), groeide het aantal bekeeringen en onderwerpingen nog altijd aan. Tot hiertoe zich hebbende bepaald bij Hedjaz en de noordelijke streken van Arabië, breidden zij zich, van toen, naar de zuidelijke en oostelijke gedeelten uit. Nu huldigden de streken, welke bekend zijn onder de namen Hadramaut, Yemen en Nedjd den eeredienst onder een eenig God en tegelijk ook de profetenzending van Mahomet. Het dient daarbij opgemerkt te worden, dat de profeet der Arabieren zich niet tevreden hield met de belijdenis van den eeredienst des eenigen Gods, als die niet het erkennen zijner zending tot gevolg had. “Er is geen andere God dan God (Allah) en Mahomet is Gods gezant”, was de vastgestelde formule: dit waren de twee onmisbare getuigenissen (Chehadeteïn), om aangezien te worden als Muzelman (Moeslim), of als man die aan Gods wil onderworpen is.
Het werk van Mahomet was dan nu, na twintigjarige, volhardende pogingen, verricht, de eerste helft van welk tijdverloop hem niet anders dan teleurstelling scheen te bereiden, en hem niets anders dan bespotting, beleedigingen en haat had opgeleverd. Om den gelukkigen uitslag zijns arbeids plechtig te vieren, maakte Mahomet, in het 10e jaar der hedjira, zijn voornemen kenbaar, eene plechtige bedevaart naar Mekka te doen, en dadelijk stroomde van alle zijden van Arabië eene groote menigte toe, om hem in dat herkomstige godsdienstgebruik te vergezellen. Volgens eenigen bestond de stoet uit negentig duizend, volgens anderen uit honderdveertigduizend man. Toen de karavaan te Mekka was aangekomen, verrichtte Mahomet al de plechtigheden, welke door het gebruik waren vastgesteld; zeide de gebeden op en begaf zich den volgenden dag naar den berg Arafat, waar hij eene toespraak hield, welke vervolgens werd herhaald door een’ Koreïshiet, die eene doordringende stem bezat, ten einde de menigte, die langs de helling van den berg bijeen was, hem zouden kunnen hooren. Die toespraak, welke door de overlevering is bewaard gebleven, bevatte een beknopt overzicht van de voornaamste voorschriften, die in den Koran vervat zijn. De aanspraak prentte rechtvaardigheid, menschelijkheid, welwillendheid, broederschap tusschen de Muzelmannen, goede behandeling der vrouwen en rechtschapenheid bij alle betrekkingen van het maatschappelijk verkeer in; zij verbood ook het invoegen van dagen, om de maanmaanden te verbeteren. Mahomet eindigde met de woorden: “Ik laat u eene [31]wet achter, die u voor dwaling zal behoeden; eene wet, die duidelijk en stellig is; een boek eindelijk, dat van boven is neêrgezonden.” Hij besloot met uit te roepen: “O! mijn God! heb ik mijne zending vervuld?” waarop aller stem antwoordde: “Ja, gij hebt haar vervuld!”
Den volgenden dag, zijnde voor de slachtoffers bestemd, offerde Mahomet, met eigen hand, drieënzestig kameelen en schonk aan drieënzestig slaven de vrijheid, welk getal juist gelijk was aan zijnen ouderdom, in maanjaren geteld, welker behoud hij pas had aanbevolen. Vervolgens deed hij zich het hoofd kaal scheren; want gedurende den pelgrimstocht is het niet geoorloofd, het hoofd te scheren of de nagels te knippen. De personen die het dichtst bij hem waren, verdeelden toen de afgesneden haren onder elkaâr. De bedevaartstocht, waarvan wij zoo even hebben gesproken, wordt de afscheidspelgrimage genoemd. In Mahomets aanspraak op den berg Arafat had hij doen doorschemeren, dat het hem wellicht niet zoude vergund zijn, Mekka weêr te zien. Inderdaad werd hij eenigen tijd na zijn’ terugkeer te Medina ziek. Hoezeer die krankte zijne lichaamskrachten verzwakte, werden zijne geestvermogens er niet door benadeeld. Gedurende die ongesteldheid vormde hij het plan voor eenen nieuwen tocht tegen de Romeinsche provinciën, en wees zelfs Oekama, den zoon van zijn vrijgemaakten slaaf Seïd, aan, als het hoofd der troepen, die dezen krijgstocht zou aanvoeren. Omstreeks dat tijdsgewricht brak er een storm in Arabië zelf uit. In drie verschillende provinciën, noemden drie onderscheidene personen zich profeet der Arabieren. Een van dezen was Tolaïka, de tweede was Mossaïlama, en de derde Aïhama (die ook el-Aswad of de zwarte werd genaamd) van den stam der Ans of der el Ansia. Deze profeten, welke door de Muzelmannen niet anders dan als valsche profeten konden worden beschouwd, hadden onder de kortelings bekeerde, maar van Medina verwijderde stammen eenige vorderingen gemaakt; en Mossaïlama richtte zelfs een schrijven aan Mahomet, waarin hij hem voorsloeg, de macht met hem te deelen, aangezien zij beiden gelijkelijk profeten en Godsgezanten waren. Op deze boodschap antwoordde Mahomet door de volgende woorden: “Mahomet, gezant van God, aan Mossaïlama, den bedrieger. Heil, hun die den rechten weg volgen21. De aarde behoort aan God en Hij geeft haar bezit aan wien het hem behaagt. Zij alleen die den Heer vreezen, hebben voorspoed.” De uitdrukkingen van dat antwoord gaven te kennen, dat Mahomet niet van de beslissing der wapenen zoude laten afhangen, aan wien de macht zou behooren; in afwachting daarvan zond hij aan zijne legerhoofden bevelen, om de vorderingen der bedriegers te beletten. [32]Hem werd echter alleen de nederlaag van el-Aswad bekend, welke door een’ van zijne eigene bevelhebbers werd gedood. Meer vernam hij niet; want de koorts die hem verlaten had, keerde na weinig tijds terug en deed al zijne krachten zinken. Toen hij gevoelde, dat hij al zwakker en zwakker werd, vestigde hij zich in het verblijf zijner vrouw Aïsha, en bepaalde zeer nauwkeurig de wijze waarop hij begraven wilde worden.
“Zoodra gij mij gewasschen en in de doodskleederen zult hebben gehuld,” zeide hij tot zijne verwanten, “zult gij mij, op dit bed, aan den rand van mijn graf plaatsen, dat in ditzelfde vertrek gegraven moet worden, op de plaats waar ik mij nu bevind; daarna zult ge mij alleen laten en wachten tot de engel Gabriël en al de engelen des hemels voor mij gebeden hebben. Vervolgens zult gij binnen komen, namelijk eerst mijn gezin en hierna al de Muzelmannen, om bij mij te bidden.”
In weêrwil zijner zeer groote zwakte, begaf hij zich nog, door zijn beide neven ondersteund, naar de moskee of Mahomedaansche kerk, en toen hij er het gestoelte (minber) had bestegen, hield hij de volgende toespraak aan de Muzelmannen.
“O! Muzelmannen, heb ik iemand onder u geslagen, zie hier dan mijn rug; laat hij mij terugslaan. Is er iemand door mij beleedigd geworden, laat hij mij dan beleediging met beleediging vergelden; heb ik iemand zijn goed ontroofd, laat hij het dan terug nemen. Men vreeze niet, daardoor mijn’ haat op te wekken; de haat ligt niet in mijne natuur22.” Een persoon kwam toen drie dirhems23 van hem terug vorderen. Mahomet gaf hem die dadelijk terug, met de woorden; “Het is beter schande in deze wereld, dan in de andere te hebben.” Toen hij, eenige dagen daarna, zich te zwak gevoelde om het bed te verlaten, zeide hij eensklaps, in een oogenblik waarin hij schier aan het ijlen was geraakt, tot de omstanders: “Laat men mij inkt en papier brengen; ik zal u een geschrift geven, dat u altijd voor dwaling zal behoeden.” Maar Omar belette het uitvoeren van dat bevel. “De profeet is aan ’t ijlen,” zeide hij. “Hebben wij niet den Koran om ons te leiden?” Onderwijl men aan’t twisten was over de vraag, of men de bevelen moest uitvoeren van iemand die reeds stervende was, zeide Mahomet tot de omstanders:
“Gaat heen! het is niet voegzaam in tegenwoordigheid van den gezant Gods aldus te twisten.”
Hij verscheen nog eens in de moskee, waartoe men uit zijne kamer toegang had, en dezen keer gaf hij de aanbeveling, den Koran te volgen, als eene onfeilbare gids te midden der beproevingen, die de Muzelmannen stonden te wachten. Deze raadgevingen werden uitgesproken met eene krachtige en helderklinkende stem die scheen aan te duiden, dat de krachten [33]terugkeerden. Dit was echter niet meer dan het laatste opflikkeren van een licht, dat weldra uit zoude gaan. Toen hij in zijn vertrek was teruggekeerd, bleef hij eenige uren ineengezakt zitten, nadat hij eenige afgebroken woorden had uitgesproken, als: “Mijn God ... ja... met den gezel van boven (de engel Gabriël).” Hij stierf op de knieën van Aïsha, den 13den dag der maand Rabi van het tiende jaar der hedjira (8 Juni 632), hetgeen Maandag was. Zijn graf is derhalve te Medina, welke stad, uit dien hoofde den bijnaam monewwereh, de verlichte, heeft verkregen. De tijding van zijnen dood verspreidde zich weldra te Medina, en veroorzaakte er eene algemeene verslagenheid. Eenigen wilden het niet gelooven, anderen waren geneigd om weder tot den afgodendienst terug te keeren; maar Aboe Bekrs besluit, dat met spoed genomen werd, verstikte de wanorde in de kiem en vestigde voor altijd de toekomst van den Islam. Door hetgeen hier gezegd is, ziet men, dat Mahomet volstrekt geen opvolger had aangewezen24. Bij zijn afsterven liet hij geen enkel kind van het mannelijk geslacht na. Hij had in alles vijftien vrouwen gehuwd en met twaalf van haar echtelijke gemeenschap gehad. Met uitzondering van Israhim, een zoon, welken hij bij de Kophtische Maria had, die eerst zijn bijwijf en naderhand zijne vrouw was geweest, en welke zoon vóór hem stierf, waren ook al de andere kinderen hem door zijne eerste vrouw, Khadidja, gebaard, en de zonen der overige vrouwen vóór hem gestorven. Dit waren vier zonen: Kacim, Taiib, Tahir, Abdallah, en vier dochters: Fatima, die gehuwd was met Ali, Rokaïa en Omm Kolthoem, beiden gehuwd met Othman, die later Khalif was, en eindelijk Zeïnab (Zenobia). Onder diegene zijner vrouwen, welke eenige vermaardheid hebben verkregen, behooren: Khadidja, dochter van Kwowaïlid; Aïsha, dochter van Aboe Bekr; Hafsa, dochter van Omar; Omm Habiba, dochter van Aboe Sofian, een der machtige Koreïshieten; Safia eene Israëlietin en Zeïnab, dochter van Djahch, die eerst gehuwd was aan zijn vrijgemaakten slaaf Seïd (zie Hoofdstuk XXXIII ten aanzien van dat huwelijk). Negen van zijne vrouwen overleefden Mahomet; maar aangezien hij de Muzelmannen had verboden, haar na zijn dood te huwen (XXXIII : 53), hertrouwde geene van haar. Dat aantal vrouwen is lijnrecht in strijd met het voorschrift van den Koran, waarbij aan de Muzelmannen verboden wordt, te gelijk meer dan vier wettig gehuwde vrouwen te hebben, (Hoofdst. IV) [34]maar het was een voorrecht, dat Mahomet, in zijne hoedanigheid van geestelijk opperhoofd en profeet, voor zich zelven had ingeroepen.
Mahomet had, zegt men, in tegenwoordigheid van Aboe Bekr verklaard, dat al wat een profeet bij diens dood bezat, weer aan het volk, dat is aan den Staat, terug moest komen. Bij zijnen dood ging men waarschijnlijk van deze woorden uit, om aan zijne vrouwen een jaargeld op de schatkist aan te wijzen, en, anderdeels, om zijner dochter Fatima de eigendom te ontnemen van Fadak, een vlek, dat op de joden veroverd was. Krachtens de voorschriften van den Koran, had het hoofd van den Staat, die ook het geestelijke hoofd, of de opperpriester was, aanspraak op het vijfde gedeelte van den buit welke op den vijand was veroverd. Nadat Mahomet zijn vijfde gedeelte, na elken gelukkigen tocht had genomen, besteedde hij een groot gedeelte aan ondersteuning van armen, weduwen en weezen. Zijne matige en eenvoudige levenswijze, zijne onafgebroken werkzaamheid brachten hem niet tot bovenmatige uitgaven; maar het onderhouden van een groot aantal vrouwen, waarvan elkeen een afzonderlijk huis of verblijf bewoonde, verzwolg zijn vermogen.
Hij bezat tweeëntwintig paarden, twee ezels Ofair en Ya’foer; vijf muilezels, vijf wijfjes kameelen, welke hij bereed, waartoe ook die behoorde, welke bekend was onder den naam van Koswa (met afgesneden ooren); voorts nog twintig melkkameelen, honderd schapen en eenige geiten. Van negen sabels was diegene de beroemdste, welke naderhand in het bezit van Ali overging en dhoelfikar heette; zijnde een sabel die bestond uit twee klingen, welke naar de punt uiteenliepen; voorts had hij drie lansen, drie bogen, zeven harnassen, drie schilden, een standaard (liwa) van een witte kleur, en een andere, die zwart was en okuk (zwarte adelaar), genoemd werd, en welke, naar men zegt, nog dezelfde is, dien men tot op onze dagen, onder den naam van sandjak sherif (doorluchtige vaan) te Konstantinopel bewaard heeft. Vervolgens liet hij na: een mantel (borda) thans nog in de laatstgenoemde stad bewaard, onder den naam van kherkaï sherifsh en, naar men zegt, dezelfde welken Mahomet aan den dichter Ca’b gaf, die zijne lofrede had geschreven. De groene tulband werd later het onderscheidingsteeken van de afstammelingen, die uit zijne dochter Fatima waren voortgesproten, terwijl de zwarte dat van den zijtak werd, die uit Abbas, den stamvader des Abbassiden, voortgesproten waren.
Mahomet was, wat zijn uiterlijk voorkomen betreft, van middelbare gestalte en had een stevig gebouwd en welgevormd lichaam. Hij had zwarte oogen, zwart, sluik haar, een’ arendsneus, gladde en blozende wangen, en zijne tanden stonden een weinig van een. In weêrwil van zijn gevorderden ouderdom, bemerkte men nauwelijks eenige grijze haren aan hem. Overigens [35]had hij, naar het gebruik der Arabieren, de gewoonte, die zwart te verven, en zijne nagels door middel der henna te kleuren, en collyre op zijn oogleden te doen. Hij was er op gesteld, een spiegel te gebruiken, of zich in een met water gevuld vat te spiegelen, om zijn tulband in orde te schikken. Wat zijne neigingen betreft, vermeldt men van hem de woorden: “waar ik ter wereld het meest op gesteld ben, zijn de vrouwen en de reukwerken, maar wat mij de ziel verstrekt, is het gebed.” Het innemende van zijn uiterlijk voorkomen werd overigens door eene sterke uitdrukking van goedheid en minzaamheid verhoogd. Hij verliet nimmer het eerst dengeen die hem aansprak, en trok zijne hand nooit terug, vóór de hand van dengeen die haar drukte, werd teruggetrokken. In Hoofdstuk LXXX doet hij zich een streng verwijt, omdat hij een armen man op onvriendelijke wijze had ontvangen. Hij gebruikte nochtans de voorzorg, zich van de lostigheden en de onbeschoftheid zijner medeburgers te vrijwaren, door gedeelten van den Koran, waarin de regelen der wellevendheid worden onderwezen. Hij, die zich bovenal met zijn voornamen doel bezig hield, wist scheldwoorden en beleedigingen met geduld te verdragen, en vond niet het minste behagen in het voldoen zijner persoonlijke wraak, als het goede gevolg zijner zaak die nutteloos maakte. Na het innemen van Mekka, voerde men een zijner hardnekkigste vijanden voor hem; hij zweeg geruimen tijd en eindigde met hem vergiffenis te schenken. “Ik heb gezwegen,” zeide hij tot zijne aanhangers “in afwachting, dat er een opstaan en dien man dooden zou.” Zij antwoorden daarop: “wij hebben een teeken van u, o profeet, afgewacht,” Hij hernam: “Teekens van verstandhouding geven, die een verraad zouden zijn, voegt den profeet niet.” Daarmede scheen hij eenigermate kenbaar te maken, hoedanig men het zwijgen van den profeet tegenover een vijand had uit te leggen. De overlevering heeft onderscheidene trekken uit Mahomets leven bewaard, die hem als een zeer zachtaardig, zeer menschelijk en zeer welwillend man schetsen, ten aanzien van allen die aan hem verknocht waren. Hij had echter een diep gevoel van de hekeldichten, door sommige dichters der afgodendienaars geschreven, en belastte eenigen van hem, die zijne partij hadden omhelsd, hun te antwoorden. De vermaardste dier aan Mahomet verknochte dichters zijn Hassan, zoon van Thabit en Ca’b, zoon van Zohaïr. Wat hemzelven betreft, was poëzie hem zóó vreemd, dat men voorbeelden van hem aanvoert, waarin hij, bij het herhalen van het vers eens dichters, de woorden derwijze verplaatste, dat maat en rijm er geheel door verloren gingen. Het oordeel, dat hij in den Koran (hoofdstuk XXVI), over de dichters in het algemeen velt, mag doen aannemen, dat hij evenzeer geneigd was, zich, in zijn’ Muzelmanschen staat, zonder hen te behelpen, als Plato het was, om hen uit zijne republiek te verjagen. Terzelfder tijd dient men te erkennen, dat de godsdienstige [36]overspanning, welke het medeslepen door den nieuwen eerdienst voorbracht, de poëtische verheffingen van het heidendom eenklaps heeft onderdrukt. Een beroemd Arabisch dichter, Lebid genaamd, schreef geene verzen meer, van het oogenblik dat hij Muzelman was geworden, en Mahomets lofdichters kunnen niet wedijveren met Amrilkaïs, Chanfara, Tarafa enz.
Het laat zich moeilijk beslissen, of Mahomet lezen en schrijven kon. Het gedeelte van den Koran, waarin de engel Gabriël hem zegt: “Lees!” en zijn antwoord: “wat zal ik lezen?” zoude doen aannemen, dat hij kon lezen, terwijl de omstandigheid, dat hij weinige dagen voor zijnen dood, pen en inkt vroeg, om zijne meeste beschikkingen op te schrijven, grond schijnt te leveren tot het veronderstellen, dat hij schrijven kon. In allen gevalle en hoe het daarmee gelegen zij, bediende hij zich gaarne van zijne secretarissen, welke nederschreven wat hij hun voorzegde. Die geheimschrijvers waren Ali, Othman, Seïd, Obaï, Moawia. Wat nu eenige letterkennis betreft, gelijk die, op dat tijdstip, onder de Israëlieten en Christenen kon bestaan, zoo bezat hij deze niet, en kende van de heilige schriften dier beide godsdiensten alleen brokstukken, gelijk men ze in gesprekken of van hooren zeggen opdoet. Dit is dan ook oorzaak, dat eenige bijbelsche verhalen, welke door den Koran worden aangevoerd, verminkt en verward zijn, en dat het valsche en twijfelachtige er, bijna doorgaans, naast het ware en echte ligt. Overigens erkent Mahomet zelf, dat hij een ongeletterd profeet (ommi) is, die tot de ongeletterden gezonden was, hetgeen waarschijnlijk geschiedde om zijn karakter, als man die door den hemel bezield was, des te beter te doen uitkomen. Eenige Muzelmansche schrijvers wenden nochtans voor, dat het woord ommi (moederlijk, of gelijk men is als men uit het moederlijf komt, te weten: onwetend, ongeletterd), als het op Mahomet toegepast wordt, niets anders beteekent, dan dat hij geboortig was van Mekka, welke stad Ommoel-Koera of moeder der steden, genoemd wordt25. De eigen bekentenis, welke Mahomet bij herhaling van zijne gebrekkige kunde aflegt en van zijne onbekendheid ten aanzien der toekomst, zijn voor zijne metgezellen, en nog veel meer voor de latere geslachten, geen beletsel geweest, om hem de gaaf toe te schrijven, in de toekomst te lezen en mirakelen te doen. De godsdienstige overspanning, de ijver voor het uitbreiden van eenen godsdienst, die reeds grond had gewonnen, en ook het godsdienstbedrog—al welke oorzaken aanleiding geven tot zoodanige wonderwerken, welke in geene enkele der verkondigde godsdiensten ontbreken—hebben zich tot de onwetenden en lichtgeloovigen gewend en Mahomet als den bewerker van duizende mirakels doen voorkomen26. [37]Daarbij bleef men echter zelfs niet staan. Toen, op de natuurlijke helling van eenen eeredienst in de ontwikkelingsperiode, de godsdienstige redetwisten over de leerstukken geopend werden; toen de Muzelmansche eerdienst met het joden- en christendom in aanraking kwam, werd men tot de verzekering gebracht, dat de Koran, die voor eene rechtstreeksche openbaring van God en zijn woord werd verklaard, eene zaak even eeuwig als God, en niet geschapen was.
Zoodra men zekerheid had, dat Mahomet gestorven was, begonnen de twisten over de keuze van een’ Khalif. Aangezien Ali echter niet daaraan deel nam, zoo had de partij die voor Aboe Bekr was, alleen de aanspraken van een deel van die van Medina te bestrijden, aan welker hoofd Saad Ibn Ibada stond. Aboe Bekrs welsprekendheid en Omars zielskracht, gevoegd bij de tweespalt tusschen Medinas inwoners, waren oorzaak van het beslissen der zege, en dat de eerstgenoemde door de aanzienlijkste Muzelmannen te Medina gehuldigd werd. Wij vermelden hier nog, dat zijne grafstede, vroeger in de woning van Aïcha of Aïsha gelegen, later, door de vergrooting der moskee, binnen deze kwam.
Nog het een en ander willen wij omtrent zijne vrouwen hierbij voegen en terwijl wij de Kophtische Maria, welke hij van den stadhouder van Egypte ten geschenke had gekregen, slechts in het voorbijgaan aanvoeren; omdat zij aanleiding heeft gegeven [38]tot eenige merkwaardige Koranverzen, zullen wij eenige oogenblikken langer verwijlen bij Aïsha of Aïcha, die evenzeer oorzaak is van het ontstaan van een gedeelte des Korans. Met Aïsha, de dochter van Aboe Bekr verloofde Mahomet zich eenige maanden na Khadidjas dood; aangezien zij echter toen niet ouder dan zeven jaren was, huwde hij haar eerst later te Medina. Zij was de eenige van Mahomets vrouwen, welke hij niet als weduwe gehuwd had, en zij werd ook het meest door hem bemind. Zij oefende een’ grooten invloed op hem uit en gaf het bestaan aan de meeste overleveringen, welke tot grondslag dienen, zoowel van de Muzelmansche legenden, als van de geschiedenis der vestiging van het Islamisme, terwijl zij zelfs eene rol speelde in de burgeroorlogen, die onder het Khalifaat van Othman begonnen en met de overwinning der Omejjaden eindigden.
Alvorens echter over te gaan tot het mededeelen der gebeurtenis, waardoor Aïsha aanleiding gaf tot een gedeelte van den Koran, en waardoor eene belangrijke bijdrage wordt geleverd tot de kennis van Mahomet als wetgever en profeet, noemen wij nog eene andere zijner vrouwen. Dit is Hafsa, de dochter van Omar, welke evenzeer aanleiding gaf tot het ontstaan van eene plaats in den Koran, en bovendien degene was, bij welke de eerste verzameling bewaard bleef van de fragmenten des Korans, door Aboe Bekr bijeen gebracht, en waarvan Othman verdere afschriften maakte. De bedoelde plaats in den Koran, waartoe Hafsa aanleiding gaf, ontstond bij de volgende gelegenheid: Mahomet had namelijk op zekeren dag eene heimelijke bijeenkomst met de reeds genoemde Maria, en wel, op zeer onvoegzame wijze, in de woning van Hafsa, die hen bijeen vond. Om nu de minijverige en gekwetste echtgenoot tevreden te stellen, beloofde hij niet weêr gemeenschap met Maria te hebben. Hafsa maakte desniettemin geen geheim van de zaak, en Mahomet werd door zijn’ geheelen harem, maar vooral door Hafsa en Aïsha met zulke kleinachting behandeld, dat hij eene geheele maand in een zolderkamertje alleen doorbracht. Toen echter dreigde hij, in naam des Hemels, met echtscheiding, en veroorloofde zich, evenzeer ten gevolge eener openbaring, weder den omgang met Maria27.
De Openbaring en de wet op overspel, waartoe Aïsha aanleiding gaf, ontstond bij eene belangrijke gebeurtenis. Aïsha (of Aïcha) vergezelde Mahomet op een’ veldtocht tegen de Benoe Moestalik. Zij bleef nochtans op den laatsten dag van den terugkeer achter, toen de troepen in de vroegte opbraken, en [39]kwam toen met Moeattal, die tot de achterhoede behoorde, eenige uren later te Medina aan. Daardoor gold Aïsha in de oogen der menigte natuurlijk als een overspeelster, en Mahomet vond in dat voorval grond genoeg, om aan hare echtelijke trouw te twijfelen; want hare verontschuldiging scheen hem niet geheel voldoende. Zij verklaarde namelijk, dat zij, toen zij in haren draagstoel wilde stijgen, haar halsketen gemist had, en dat zij weder was teruggekeerd, om die op te zoeken. Intusschen hadden nochtans hare kameeldrijvers, meenende dat zij werkelijk ingestegen was, den draagstoel, als gewoonlijk, op den kameel vastgebonden en dezen voortgedreven. Toen zij nu terug kwam, was de draagstoel verdwenen, en de manschap reeds zoover vooruitgetrokken, dat zij dezen niet meer kon inhalen. Mahomet behandelde haar koel en met onverschilligheid, gedurende de ziekte, waaraan zij—schijnbaar of werkelijk—kort na hare aankomst leed, en liet haar zelfs later naar het huis harer ouders brengen. Geheel Medina sprak over dat voorval, en zelfs Mahomet maakte er bij zijne vrienden geen geheim van, dat hij aan Aïshas onschuld twijfelde. Omstreeks eene maand nochtans na die treurige gebeurtenis, zegepraalde de liefde voor Aïsha, en misschien ook het gevoel voor zijn’ oudsten en getrouwsten aanhanger—zijn schoonvader Aboe Bekr—bij hem, op den minnenijd en het wraakgevoel. Hij bezocht haar toen in haars vaders woning en verklaarde, na een’ aanval van vallende ziekte, door welke zijne openbaringen dikwijls werden voorafgegaan, in naam des Hemels, dat zij onschuldig was. Diegenen, welke op de meest bepaalde wijze tegen zijne vrouw hadden gesproken, werden gegeeseld, en deze straf werd ook van toen af, tegen een’ ieder bepaald, welke eens anderen vrouw van ontrouw beschuldigt en zijne beschuldiging niet door vier geloofwaardige getuigen kan bewijzen.28
De zwakheid, welke Mahomet in zijne betrekking tot het vrouwelijke geslacht vertoonde, en die gewis reeds volstaat om een zeer dubbelzinnig licht op zijn karakter als profeet te werpen, is overigens de eenige, welke wij in zijn bijzonder leven opmerken. In elk ander opzicht was hij een toonbeeld van huisselijke en gezellige deugd. In zijne woning, manier van leven en spijze, heerschte de grootste eenvoud, ja zelfs was daarin somtijds gebrek en armoede. Hij maakte zoo weinig aanspraak op hulde, dat hij niet wilde, dat zijne aanhangers hem eenigerhande uiterlijk bewijs van eerbied zouden geven, ja dat hij diensten welke hij zelf verrichten kon, niet eens van zijne slaven aannam, zoodat hij dikwijls in persoon ter markt ging, om levensmiddelen in te koopen en deze zelf toebereidde, zijne kleederen verstelde, zijn geiten melkte en zijne woning veegde. [40]Een elk had vrijen toegang tot hem, en zelfs op straat verleende hij elkeen gehoor, welke iets had te verzoeken. Zijne weldadigheid en mildheid waren onbegrensd, zoodat hij, in spijt van zijn groot aandeel in allen buit, altijd arm bleef en bij zijnen dood slechts weinige dinars naliet. Niet alleen jegens armen echter maakte zijne weldadigheid zich kenbaar; hij zocht ook, op alle mogelijke wijzen, alle andere lijdenden te troosten. Niemand was in Medina ziek, of hij bezocht hem, en niemand stierf daar ter stede, of hij voegde zich bij hen die het lijk volgden. Niemand ondervond eene onrechtvaardigheid, die hij niet ter hulpe ijlde; overal waar het gold, den zwakke tegen den sterke te verdedigen, was hij. Alleen waar de staatkunde het gebood, kon hij zich tot de grootste wreedaardigheden laten wegslepen; maar in alle overige gevallen, toonde hij zich uiterst toegevend en grootmoedig. Men vindt wel menige voorbeelden van ter dood gebrachte misdadigers of werkzame vijanden van den Islam, maar in evenredigheid van den duur zijner heerschappij is het aantal van dezen zeer gering. Een der bloedigste moordtooneelen richtte hij onder de Benoe Koraïza aan. Dit was niet zoo zeer uit godsdiensthaat, als wel omdat zij hem in het oogenblik van gevaar verlaten hadden, en tot den vijand waren overgegaan; iets waardoor hij zijn’ ondergang nabij was geweest. Moesten wij nu Mahomet, die zich profeet en Godsgezant noemt, niet strenger beoordeelen dan een gewoon opperhoofd der Arabieren, dan zouden, in onze oogen, de vlekken, welke wij in zijne levensgeschiedenis waarnemen, des te gemakkelijker verdwijnen, uithoofde zij door de zeden en gebruiken van zijnen tijd zijn te rechtvaardigen. Wij zouden hem een’ sluwen staatsman noemen, welke, ten deele uit liefde tot zijn volk, ten deele uit eerzucht, groote zaken heeft volvoerd. Ook als verbeteraar der zeden, als verkondiger van het monotheïsmus of stelsels van de eenheid Gods, der leer van de onsterfelijkheid der ziel en de vergelding, welke hij ’t eerst in Arabië deed wortelen, kunnen wij hem onzen bijval en, met het oog op zijn menigvuldig lijden in den eersten tijd, zelfs onze bewondering niet onthouden. Dat hij echter volstrekt niet opgewassen was tegen de rol van stichter van eenen nieuwen godsdienst en van wetgever, blijkt uit een nauwkeurig onderzoek van den Koran, niet minder dan uit zijn leven. [41]
1 Iederen keer derhalve dat men de woorden vindt; Mahomet heeft gezegd, of de waarheidlievendste van alle menschen heeft gezegd, is er geene sprake van een gezegde uit den Koran, maar van Mahomets woorden, welke door de overlevering bewaard zijn.
2 Muzelman of, naar der Oosterlingen spreekwijze Moslemim, in het Arabisch een belijder van den Islam of van het ware geloof, welke naam door Mahomet (eigenlijk Mohammed) reeds vroeg aan zijne leer is gegeven. Van dit woord hebben de Europezen Muzelman gevormd.
3 Opmerkelijk is het dat Arabier met het woord ערב (avond, het westen) en Saraceen met זרה (schijnen, het oosten) in verband staat, en dus het eene Westerling en het andere Oosterling zou beteekenen.
4 Gen. XXXVII, Rigter. VI, VIII, Jes. XXI, Ezech. XXVII.
5 De Arabische woordenboekschrijvers zijn het niet eens ten aanzien der beteekenis van het woord Koreïsh. Er bestaan ten minste zes verschillende verklaringen van dien naam, welke alle meer of min gewrongen zijn. Naar den spraakkunstigen vorm te oordeelen is Koreïch het verkleinwoord van karch, dat een zeer vraatzuchtige vischsoort beteekent, die andere visschen verslindt. Aanvankelijk is het dus niet anders dan een spot- of bijnaam geweest, die in het vervolg van tijd de naam is geworden van een geheel, uit Fihr-Koreïch of Koreïsh voortgesproten geslacht.
Wat overigens deze afleiding schijnt te bevestigen, is, dat de reeds in het O. Test. voorkomende naam Korach, in de overlevering als type van inhalige vrekkigheid is bewaard gebleven. Dat woord schijnt mede in verband te staan met hetgeen de knapen Elisah nariepen Kerach, omdat hij hun, als waterscheppers, het brood uit den mond nam, door (2 Kon II : 23) [6n]het water zoet te maken, hoewel de meeste en daaronder de bewerkers van den Staten-bijbel “kaalkop” vertalen.
6 De naam Mahomet wijkt eenigszins van de werkelijke Arabische spelling af. Men behoorde Mohammed (de verheerlijkte) te zeggen. De Turken spreken het woord Mehemet uit, als zij van een levend persoon spreken die den naam Mohammed draagt. Het gebruik der andere volken is integendeel, zich van den vorm Mahommed te bedienen, als er van levende Arabieren gesproken wordt, dien denzelfden naam dragen.
7 Caussin de Perceval Histoire des Arabes (D. I. bl. 268–283) die [8n]dat vraagpunt op uitvoerige wijze heeft onderzocht, bepaalt Mahomets geboorte op 29 Augustus 570.
8 Deze ziekte kan de vallende ziekte geweest zijn. Inderdaad gelooft de mindere man in het Oosten, dat zij, die met vallende ziekte behept zijn, door den duivel bezeten worden.
9 Men wil dat Waraka een gedeelte van het Evangelie in het Arabisch zou hebben vertaald.
10 Deze woorden bevinden zich in het begin van Hoofdstuk XCVI. De woorden die nu volgen hebben geenerlei betrekking op de eerste openbaring.
11 De twee andere personen die in den Koran genoemd worden, Aboe-Djahl en Aboe-Lahab, waren hardnekkige vijanden van den nieuwen eeredienst.
12 De Arabieren, die de afgoderij toegedaan waren, erkenden ook wel den God (Allah), maar baden terzelfder tijde ook andere godheden aan.
13 Er was te Mekka een christen goudsmid Djebr, dien Mahomet dikwijls zou hebben bezocht.
14 Er was te Mekka vooral een Koreïshiet, Madhr genaamd, die veel gereisd had, en dikwijls vergelijkingen tusschen Mahomets predikingen en de historische verhalen der Perzen maakte, welke zeer ten nadeele der eerste uitvielen.
15 Zie hoofdstuk XVII, 87.
16 Aboe-Talib beschermde zijnen neef uithoofde der banden van bloedverwantschap; want hij was afgodendienaar, en bekeerde zich eerst op zijn doodbed tot den Islam; ja zelfs wordt er aan zijne bekeering getwijfeld. Onder de Muzelmannen draagt Khadidja den naam van Ommoel-moemenin, moeder der geloovigen.
17 Mahomet, die onderricht was, dat men een complot tegen zijn leven gesmeed had, verliet zijne woning door eene achterdeur en liet zijnen neef Ali in zijn bed stijgen.
18 Hoe klein en nietig die bijzonderheden en andere, soortgelijke ook mogen schijnen, hebben wij gemeend, die in deze schets te moeten opnemen, daar zij, om zoo te zeggen, de Muzelmansche Mythologie vormen, en ook omdat zij bij de Mahomedaansche volken zijn overgegaan. Intusschen wordt het oorspronkelijke der vinding vernietigd door hetgeen de Bijbel verhaalt van hetgeen met David in de grot is gebeurd, toen hij door Saul werd vervolgd. Ook daar toch was de ingang der grot door een webbe oversponnen. Medrash.
19 Dit was Heraclius I, geb. 575, gest. 641.
20 Antar of Antara was een beroemd Arabisch opperhoofd en een van de zeven bekroonde prijsdichters, wier bekroonde gedichten, met goud en zijde gestikt, aan de poort van den Caaba werden bevestigd en daarom Moallaka (de opgehangene) genoemd worden. Antars gedicht is door Wilmet (1816) te Leiden uitgegeven.
21 Hier is op te merken, dat de Muzelmansche vorsten hunne brieven aan niet-Muzelmansche vorsten met dien vorm van heilwensen beginnen.
22 Dit denkbeeld had hij van het O.T. overgenomen. Zie 1 Sam. XII : 3.
23 Volgens anderen drie dinars.
24 Het ware noodeloos, hier de bewijsgronden te onderzoeken, welke door de Chiiten worden aangevoerd ten voordeele van Ali, schoonzoon van Mahomet, welke bewijsgronden uit onderscheiden gedeelten van den Koran en uit de overlevering getrokken zijn. Al die bewijsgronden worden in het breede vermeld in een overzicht van het leerstelsel der Chiiten, getiteld: Hakkoel-Yakin (de zekere waarheid), een Perzisch werk, in 1696 door Mohammed-bakir, zoon van Mohammed Taki, geschreven en te Ispahan gedrukt.
25 Deze verklaring van het woord Ommi wordt gegeven in het Perzische werk, getiteld: Hakkoel-Yakin.
26 Eenige van de wonderwerken, welke door Mahomet zouden zijn verricht, [37n]of van de wonderdadige eigenschappen, welke hij zoude hebben bezeten, laten wij hier volgen:
Eens heeft hij, ten aanzien van een ieder, de maan in tweeën gespouwen; op zijn verzoek heeft God de zon achteruit doen gaan (vergel. 2 Kon. XX : 9–11), ten einde Ali het namiddaggebed zou kunnen verrichten, dat door hem verzuimd was, uithoofde de profeet op zijne knieën was ingeslapen, en Ali hem niet wilde wekken; elken keer dat de profeet naast een ander ging, scheen het altijd alsof Mahomet, ofschoon hij eene middelbare lengte had, een hoofd langer was dan degeen die naast hem ging; zijn gezicht schitterde altijd van licht (vergel. Ex. XXXIV : 29) en als hij zijne vingers voor zijn aangezicht hield, dan schitterden zij, door den glans dien zij aan zijn aangezicht ontleenden, als fakkels; men heeft Mahomet dikwijls door steenen, boomen en planten hooren begroeten en dezen zich voor hem zien buigen; dieren, zooals gazellen, wolven en hagedissen spraken tot Mahomet en een geheel gebraden geitebok richtte evenzeer het woord tot hem; hij had volstrekte macht over de duivelen of booze geesten, die hem vreesden en aan zijne zending geloofden. Hij heeft blinden het gezicht hergeven, zieken genezen en zelfs dooden opgewekt (zoowel Oude als N. Test.); op zekeren dag heeft hij voor Ali en zijn gezin, die honger hadden, een geheel gedekte tafel uit den hemel doen nederdalen; hij heeft voorzegd, dat zijn nageslacht, uit Fatima gesproten, het slachtoffer van onrechtvaardigheden en vervolgingen zoude zijn, en dat de Omejjaden duizend maanden zouden regeeren, hetgeen juist zoo uitgekomen is, enz. Men zie ook de noot op Hoofdst. XVII, 1 over Mahomets wonderdadige reize naar de hemelen.
27 Koran LXVI, 1–6. Waarschijnlijk behoort daartoe ook XXXIII, 27 en 28, in welke plaats Mahomet aan zijne vrouwen den voorslag eener echtscheiding doet, ingeval zij de praal van deze wereld boven het loon hier namaals verkozen.
28 Koran XXIV, 4, 5, 11–20. Waar de echtgenoot zelf als aanklager optreedt heeft er (naar het Oude Testament Num. Hoofdst. V) een reinigingseed plaats. Koran XXIV, 6–10.
Wat wij Mahomet niet kunnen vergeven, is, dat hij zijne voorgewende of werkelijke openbaringen, welke, gelijk hij zelf zich dikwijls uitdrukt, de geloovigen voor alle tijden licht en leiding zouden verschaffen, niet bij zijn leven, volgens chronologische orde, of volgens den inhoud, tot een geheel heeft doen verzamelen1.
De Muzelmannen, wel is waar—doch blijkbaar alleen met het doel om hunnen profeet te verontschuldigen en de echtheid des Korans te verdedigen—stellen vast, dat dit niet noodig was, omdat de door hem geopenbaarde verzen door zijne volgelingen van buiten geleerd, en langs dien weg aan de vergetelheid onttrokken werden. Zien wij echter niet bij Mahomets dood, dat, behalve Aboe-Bekr, niemand iets van een vers wist, waarin Mahomets sterfelijkheid bepaald uitgedrukt zou geworden zijn?2 [42]
Stelt ook Omar niet vast, dat het vers, waarbij, echtbreuk met den dood wordt gestraft, en eenige andere verloren zouden zijn gegaan? En hoe dikwijls werden niet vroegere voorschriften door latere veranderd, zonder dat altijd degenen, welke zich de vroegere voorschriften in het geheugen hadden geprent, bij het herroepen tegenwoordig waren? Moest Mahomet toen niet veronderstellen—wat naderhand inderdaad gebeurde—dat er ten minste over de letter zijner openbaringen, later twist zou ontstaan. Moest hij niet vreezen, dat men er geheel vreemdsoortige dingen onder zoude schuiven? Dit toch moest hij te eerder, omdat hij aanneemt, dat zoowel de Joden als de Christenen de Heilige Schrift vervalscht hebben? Voor deze zorgeloosheid nu weten wij geen’ anderen grond op te geven, dan dat de meeste dusgenoemde openbaringen alleen door de omstandigheden van het oogenblik in het leven werden geroepen, en derhalve niet meer dan een tijdelijke beteekenis hadden, zoodat het bewaren van deze, hem niet zeer gewichtig scheen te zijn. Voorts schijnt het, dat hij, uithoofde der menigvuldige tegenstrijdigheden in zijne openbaringen vervat, hebbe geaarzeld, deze als een geheel aan de toekomst over te geven, terwijl hij ook vóór zijnen dood, waarvan hij natuurlijk het oogenblik niet kende, speelruimte wilde houden om er verbeteringen en bijvoegsels in te brengen. De volgende overlevering van een rechtzinnigen Muzelman toont ons, hoe gewichtig het voor Mahomet was, zijne openbaringen elk oogenblik te kunnen wijzigen, wat niet zoo gemakkelijk had kunnen geschieden, indien hij die, bijeengebracht en gerangschikt, aan de handen der geloovigen had overgegeven. Toen het vers verscheen: “Zijn ook misschien zij die te huis blijven, (voor God) gelijk aan hen die voor hun geloof strijden3?” zeide Abd Allah Ibn Djahsh en Ibn Um Maktum tot Mahomet: “Wij zijn blind, en zou nu geene uitzondering met ons gemaakt worden?” en dadelijk openbaarde hem God: “Met uitzondering dergenen, welke lichaamsgebreken hebben.” De profeet deed zich hierop het schouderblad brengen, waarop dit vers geschreven was en beval zijnen secretaris Zeïd Ibn Thabit, die woorden er bij te voegen. “Ik verbeeld mij—verhaalde Zeïd naderhand—als zag ik nog die plaats naast eene spleet op het schouderblad.” Eene andere overlevering, volgens welke Abd Allah Ibn Masoed, een der gezellen van Mahomet, des avonds een vers opschreef, dat hij [43]den volgenden ochtend niet meer vond, en tot wien Mahomet zeide, dat het weder in den hemel teruggenomen, of met andere woorden, dat het door hem des nachts uitgewischt was, bewijst, dat, indien eene nieuwe openbaring met eene vroegere streed, hij er zich niet mede vergenoegde, deze als niet geldig te verklaren, maar haar vernietigde, zoo het nog in zijne macht stond. Nog eene onbetwiste overlevering in den Koran zelf4 bevestigt dit, gelijk ook, dat, indien herroepen openbaringen reeds van buiten waren geleerd, zij weder moesten worden vergeten. Wij gelooven derhalve niet te ver te gaan, door aan te nemen, dat, volgens Mahomets bedoeling, de Koran in het geheel geene herroepene plaatsen moet bevatten, en dus Aboe Bekr tegen den wil des profeets handelde, toen hij verzen, welke desniettemin opgeteekend, of bij eenig Muzelman in het geheugen gebleven waren, in den Koran opnam. Mahomet immers heeft zelfs de goddelijkheid des Korans ook, onder anderen, willen betoogen door de omstandigheid, dat die vrij van tegenstrijdigheden was.
Maar hebben wij Mahomet eens gekenschetst als een man, die er voor terugdeinsde, datgene wat hij, in eene reeks van drieëntwintig jaren, in den naam des Hemels had verkondigd, aan de geloovigen als een volkomen godsdienst- en wetboek achter te laten; hebben wij hem daarin de grootste schuld opgeladen, die tegen zijne waarheidsliefde en rechtschapenheid spreekt, zoo mogen wij toch de gebreken, welke wij thans in den Koran waarnemen, niet hem, maar wel aan Aboe Bekr en Othman toeschrijven. Na den oorlog met den valschen profeet Mossaïlama, die aan vele Koranlezers het leven kostte, liet de eerstgenoemde alles wat van Mahomets openbaringen op perkament, palmbladen, beenderen, steenen en andere ruwe schrijfmaterialen opgeteekend en onder de Muzelmannen verstrooid was, bijeenzamelen en, uit wezenlijke of gehuichelde vroomheid, zonder eenigerlei zifting opzamelen.
Ook de khalif Othman, die later eene tweede redactie van den Koran bezorgde5, droeg geene zorg voor diens inwendige verbetering en rangschikking, maar vestigde zijn oogmerk slechts op één punt, en wel om er weder eenheid in te brengen, uithoofde reeds in zijnen tijd onderscheidene lezingen van den Koran in omloop waren, die natuurlijk onder de geleerden tot hevige twisten aanleiding gaven. Hij deed derhalve, naar de oorkonden, welke door Zeïd, onder Aboe Bekr, verzameld en door Omars [44]dochter Hafsa bewaard geworden waren, nieuwe afschriften vervaardigen, welke slechts in zooverre van die van Aboe Bekr verschilden, dat de onderscheiden lezingen, welke door dezen opgenomen waren, achterwege bleven en daarin slechts ééne leeswijze opgenomen werd. Aan de kritiek des Korans bracht Othman nochtans het grootste nadeel toe, door het bevel, hetwelk hij gaf, al de vroegere afschriften van den Koran te verbranden, zoodat slechts de lezingen die van hem waren uitgegaan, in de kopieën van deze, voor het nageslacht bewaard bleven. Wel is waar de Muzelmannen stellen vast, dat die varianten alleen verschillen van dialecten hadden gegolden, nademaal de Koran door Mahomet zelven in zeven verschillende dialecten geopenbaard zoude zijn geworden, en dat Othman, onder deze, het dialect gekozen had, hetgeen het nauwste met dat der Koreïshieten verwant was. Maar deze stelling is tegenover eene gezonde kritiek niet alleen onhoudbaar, zij is ook in strijd met andere erkende en geloofwaardige Muzelmansche overleveringen. In de eerste plaats toch wordt verhaald, dat Omar het 25e hoofdstuk eens door Hisham anders had hooren lezen, dan het hem door Mahomet geopenbaard was geworden. Hij geleidde hem derhalve tot den profeet en deed dat hoofdstuk door hem herhalen; toen zei ook hij het op, en Mahomet gaf beiden gelijk, terwijl hij verklaarde, dat de Koran naar zeven verschillende leeswijzen geopenbaard was geworden. Wij gelooven reeds uit die overlevering te kunnen besluiten, dat er hier geen sprake van eenige provincialismen kan zijn; want dan hadden immers niet beiden het geheele hoofdstuk behoeven te lezen. De genoemde stelling der Muzelmannen wordt echter nog krachtiger door de volgende overlevering wedersproken: “Elk jaar in de maand Ramadhan herhaalde Mahomet voor den engel Gabriël, wat tot dat tijdstip van den koran geopenbaard was: men zegt zelfs, dat hij in zijn laatste levensjaar dit twee malen zoude herhaald hebben. Zoo dikwijls hij nu eene nieuwe lezing er bij voegde, of iets wegliet, waaruit de eerste zeven uitgaven ontstonden, prentten zijne volgelingen zich die wijzigingen dadelijk in het geheugen; en handelden overeenkomstig die bijvoegsels of veranderingen6. Hier zien wij duidelijk [45]dat de voorgewende, van elkaâr afwijkende openbaringen, waardoor Mahomet, in gevallen, als dat tusschen Omar en Hisham, zich uit elke verlegenheid vermocht te redden, niet alleen de uitdrukkingen maar ook den inhoud betroffen. Onder de verschillen die Othman wegliet, behooren derhalve ook dezulken en zijne weglatingen bepaalden zich geenszins alleen bij dialectverschillen, gelijk men tot hiertoe meende. Door het vernietigen van alle varianten of tekstverschillen, wilde Othman dus éénen Koran vormen, over welks inhoud niet meer getwist kon worden Aan de zuiverheid en gelijkmatigheid, uit het oogpunt van spelling en spraakleer, schijnt hij echter minder zorg besteed te hebben. In dien zin verstaan wij dan ook eene overlevering, volgens welke Otham, toen hij in de afschriften des Korans, welke op zijn bevel waren vervaardigd, spelfouten ontdekt had, gezegd zoude hebben: “Laat die staan! De Arabieren zullen die wel verbeteren.” Op dezelfde wijze begrijpen wij ook de volgende overlevering, waaraan door de Muzelmannen de zonderlingste uitleggingen worden gegeven, om elken twijfel aan de reinheid van den Koran tegen te gaan: “Hisman de zoon van Urwas verhaalt, dat zijn vader eens Aïsha gevraagd had, hoe er toch zoo menigvuldige feilen tegen de Arabische woordvoeging in den Koran hadden kunnen ontstaan;” waarop hem geantwoord werd, “dat dit het gevolg van misslagen der afschrijvers was geweest.”
De handelwijze moge nu ook door de politiek gerechtvaardigd kunnen worden; uit het oogpunt nochtans der kritiek, zoowel als uit dat van het geloof, moet zij veroordeeld worden, en de ontevredenheid der geloovigen zoowel als der geleerden nog verhoogen. Ongelukkigerwijze waren de afschriften van den Koran toen ook nog zóó zeldzaam, dat het hem werkelijk schijnt gelukt te zijn, al die er bestonden te verzamelen en te verbranden, en degenen welke eigenhandig door hem geschreven, of de afschriften, die naar deze vervaardigd en aan de hoofdsteden van het rijk toegezonden waren, aan den geheelen Islam op te dringen. Het valt nochtans te betwijfelen, of Othmans exemplaar zóó lang bewaard gebleven zij7, en door de Mahomedaansche Masorethen, tot het vaststellen van den tekst kon worden gebruikt, gelijk onderscheidene Muzelmannen aannemen. Daarentegen is het bewaard blijven der door hem bezorgde afschriften, zoowel als der kopieën, welke door [46]onderscheidene tijdgenooten vervaardigd zijn, wel schier niet aan eenigen twijfel onderhevig8. Men kan derhalve bepaald aannemen, dat, na Othman, niet verder wezenlijke veranderingen in den Korantekst, of ten minste opzettelijke toevoegsels of weglatingen plaats vonden. Desniettemin mogen wij echter ook de oudste der bekende afschriften niet volkomen als het werk van Othman aanzien, omdat ten tijde van Othman het Arabische schrift nog geene teekens bezat ter onderscheiding van eenige naar elkander gelijkende letters, of toonteekens tot aanwijzing der verschillende klinkers had. Deze punten en strepen werden eerst in de tweede eeuw gebezigd, toen er ten aanzien van menige letters en klinkers reeds twijfelingen bestonden. Daardoor zijn dan ook, tot op onzen tijd, vele daaruit ontstane en van elkaâr afwijkende lezingen bewaard gebleven; die dikwijls den grootsten invloed op den zin uitoefenen.
Onbegrijpelijk blijft het altoos, dat Othman, die, bij de redactie van den Koran, op minder bezorgde en nauwlettende wijze dan Aboe Bekr te werk ging, niet ook een deel hebbe weggelaten van de wetten, leerstellingen en legenden, welke somwijlen met dezelfde woorden zijn herhaald, en welke Mahomet wel onderscheiden keeren kon hebben voorgedragen, doch hem voorzeker eigenlijk maar eenmaal hebben kunnen geopenbaard worden; ook voorts dat hij niets voor het vaststellen van eene stelselmatige en tijdrekenkundige orde in de reeks van Soeren of hoofdstukken en verzen hebbe gedaan. De wanorde die in den Koran heerscht, verwart niet alleen den Europeeschen geleerde, al is hij uiterst bekend met Mahomets leven, maar zelfs de degelijkste Muzelmansche uitleggers weten dikwijls geen raad, en twisten met elkaêr, zoowel over enkele verzen, als over geheele kapittels; over de aanleiding tot hunne verschijning, en of zij reeds van Mekka, dan wel van Medina, na Mahomets vlucht of uittocht, dagteekenen. Maar zelfs ook waar zij tijd en aanleiding der openbaring op bepaalde wijze vermelden, zijn zij niet te vertrouwen, omdat zij meer de doode letter eener overlevering volgen, die dikwijls valsch is, dan wel dat zij op een zelfstandigen, levenden, kritischen geest gegrond zijn. Dat de indeeling des Korans in honderd veertien hoofdstukken, gelijk zij thans voor ons liggen, niet van Mahomet afkomstig is [47]gelijk de rechtzinnige Muzelmannen gelooven, is in het leven van Mahomet bewezen; ofschoon niet tegengesproken kan worden, dat Mahomet ten minste een deel van den Koran in afdeelingen openbaarde, die hij Soeren of hoofdstukken noemde. Zij die den Koran van buiten leerden, hebben mogelijk, om hun geheugen ter hulp te komen, een bijzonderen naam aan elke afdeeling gegeven. Van vele dier afdeelingen, vooral van de oudste, schijnt echter het grootste gedeelte verloren gegaan of opzettelijk vernietigd te zijn, zoodat nog slechts hare namen en weinige verzen er van overgebleven zijn, terwijl bij de latere en uitgebreider afdeelingen, vele gedeelten bijeen werden geworpen, welke volstrekt niet bij elkaêr behooren.
Wij hebben gepoogd, niet alleen den tijd der verschijning van de geheele hoofdstukken, maar ook, vooral bij de wetgevende stukken uit Medina, dien der afzonderlijke gedeelten van elk hoofdstuk te bepalen.
Bij deze laatsten is het ons ook doenlijk geweest eene juiste tijdorde der afzonderlijke hoofdstukken op te geven, terwijl die uit Mekka, omdat zij algemeener van aard zijn en sterk op elkaâr gelijken, in slechts drie tijdvakken zijn verdeeld. Bij het bepalen der tijdorde dienden ons tot leiddraad: a. Duidelijk blijkende betrekkingen op historische gebeurtenissen, waarvan het tijdstip uit andere biographische bronnen bekend is; b. Het karakter der openbaring, dat na den uittocht van Mekka geheel verandert, aangezien Mahomet niet meer uitsluitend als hervormer, maar ook als stichter van eenen nieuwen godsdienst en wetgever optreedt, en c. De uitwendige vorm; omdat Mahomet, in den eersten tijd zijner leer, zijne voordrachten, zoo al niet streng naar de regels der prosodie, nochtans in poteïsche, rhytmische taal kleedde, gelijk dit bij de vroegere Arabische waarzeggers plaats vond, terwijl hij in lateren tijd anders schreef, deels opzettelijk, om niet voor dichter of waarzegger te worden aangezien, deels omdat hij zich zelven uitgeput had, doch vooral ook omdat het hem, op latere jaren en op zijn standpunt als godsdienststichter, regeerder en wetgever, aan wezenlijke, innerlijke begeestering mangelde; zoodat hij zelfs dáár een geheel prozaïschen vorm bezigde, waar hij hetzelfde onderwerp behandelt, dat vroeger zijne geheele ziel had doorgloeid.
Naardien de hoofdstukken, in welke Mahomet, in zekeren zin, zelfs eerst tot ’s Heeren gezant gewijd wordt, voorzeker de oudsten zijn, zoo nemen wij de overlevering opzichtens de beide het eerst geopenbaarden aan, en geven als de zoodanigen op het 96e en 74e. Wij doen hier echter opmerken, dat waarschijnlijk eenige andere verzen of hoofdstukken, die verloren gegaan, in andere hoofdstukken gevoegd, of misschien later opzettelijk vernietigd zijn, en welke de kern der oorspronkelijke leer van Mahomet bevatten, gelijktijdig zijn verschenen; want blijkbaar zijn slechts de eerste vijf verzen van het 96e hoofdstuk en de eerste zeven verzen van het 74e hoofdstuk als eene wijding [48]tot profeet aan te zien. In de volgende verzen is er slechts sprake van de zoodanigen, die Mahomet geen gehoor schenken en met den Koran spotten. Overigens duiden reeds de eerste woorden van hoofdstuk 96, zoo al niet rechtstreeks op een volslagen godsdienstboek, dan toch ten minste op eene gelijktijdig verschenen openbaring, welke hij lezen en voorlezen moest. Het 31e vers van het 74e hoofdstuk behoort gewisselijk tot een later tijdvak. Ook de eerste acht verzen van hoofdstuk 73 rekenen wij onder de oudsten; de tien volgende verschenen later, en het laatste voorzeker eerst te Medina. Zonder twijfel behooren ook vers 77–104 van het 26e hoofdstuk tot de vroegste openbaringen, in welke Mahomet opgeroepen wordt, slechts één God te aanbidden en zijne stamgenoten voor afgoderij te waarschuwen; en evenzeer hoofdstuk 106, hetwelk voornamelijk op de Koreïshieten betrekking heeft. Daarop volgt dan hoofdst. 111, dat een verwensching bevat, die gericht is tegen Mahomets oom Aboe Lahab, welke, gelijk wij uit biographische bronnen weten, tegen zijnen neef een steen ophief, toen deze zijn eerste prediking hield. Evenzeer is dit waarschijnlijk het geval met de laatste zes verzen van het 15e hoofdstuk waarin hem bevolen wordt, zijne leer luide en niet alleen voor stamgenooten en vrienden te verkondigen. Het geheele overige gedeelte van hoofdstuk 15 behoort tot het tweede tijdvak.
Nu volgt eene reeks hoofdstukken, waarin Mahomet zelfs vermaand wordt, standvastig op het betreden pad te blijven, en zich door de tegenspraak der Mekkanen niet van het geloof aan een eenigen God te laten aftrekken; daarin wordt voorts de goddelijkheid des Korans verkondigd. Mahomets karakter als profeet, als des Heeren gezant wordt nauwkeurig opgegeven; van dat der bezetenen, der dichters, der toovenaars en waarzeggers onderscheiden, en de leer van de opstanding en vergelding tegen de spotzieke Arabieren verdedigd. Al deze hoofdstukken welke wij in de eerste vijf jaren van Mahomets zending plaatsen, dragen den stempel eener echte begeestering en van eene diepe, innige overtuiging, en degene welke op Mahomet zelven betrekking hebben, zelfs dien van een wezenlijk visioen. Dit gaat zoo ver, dat men tot het denkbeeld moet komen, dat Mahomet zelf, ten minste in den eersten tijd, slechts het werktuig van een’ wezenlijken hervormer was, die hem als engel verscheen. Hoe laten zich wel anders verzen verklaren, in welke aan Mahomet bevel wordt gegeven, den Koran, zoolang die hem wordt voorgelezen, niet na te zeggen, maar te wachten, tot de engel voleindigd hebben zou9. Hoe zou men anders eene verklaring kunnen geven van zoodanige verzen, waarin hem bevolen wordt, zich van de ongeloovigen te verwijderen, als zij met den Koran spotten, en, indien de satan hem dit [49]gebod mocht doen vergeten, het althans op te volgen zoodra hij het zich herinnerde10? Is het wel denkbaar, dat Mahomet tot zich zelven zou hebben gezegd: Wellicht laat gij een deel der openbaring achterwege, omdat het gesnap der spotters u de borst vernauwt11; of: volgt gij hunne (der ongeloovigen) begeerten, dan is God uw beschermer niet meer12; of: als gij den Koran leest, dan neem uwe toevlucht bij God tegen den Satan13. Deze en soortgelijke verzen, bij welke zich geen bedrog laat veronderstellen—want wij kunnen daarin slechts eene gekunstelde naïviteit zien, die al te zeer zou strijden met de waarheid der leerstellingen, welke in den eersten tijd werden geopenbaard en met de geestdrift waarmede zij voorgedragen zijn—geven ons derhalve aanleiding, ook bij andere uit dien tijd, elke verdenking van opzettelijke misleiding, zelfs van Mahomets zijde te verwijderen, en hem veeleer voor een godsdienstigen dweper vol zelfmisleiding, dan voor een bedrieger te houden.
Ten aanzien der hoofdstukken, in welke, behalve de leer van God, Mahomet, den Koran en van de opstanding, slechts hier en daar ook eenige zedelijke voorschriften gevlochten zijn, die de leer van elken godsdienst vormen, en waarin ook niet meer dan korte aanwijzingen voorkomen van vroegere volken, die, uithoofde van hun ongeloof, zijn ondergegaan, kan men, uithoofde van hunnen gelijksoortigen inhoud en vorm, de tijdorde niet met eenige nauwkeurigheid bepalen. Uit dien hoofde tellen wij diegene, welke wij in dat tijdvak plaatsen, naar de volgorde op, gelijk zij in de vroeger vermelde overlevering op elkaar volgen. Wij behoorden hier dan ook niet met hoofdstuk 81 te beginnen, dat volgens die overlevering na het 111e hoofdstuk volgt, omdat dit hoofdstuk, gelijk vooral uit vers 23 volgt, waarschijnlijk te gelijk met het 53e hoofdstuk verscheen. Beide spreken over Mahomets visioen, in hetwelk hij geloofde in den hemel gedragen te zijn, en dat, volgens de opgave van de meeste levensbeschrijvers, eerst na zijnen terugkeer van Taïf plaats had14. Nademaal echter hunne schrijfwijze tot de oudste behoort gelijk reeds blijkt uit hun volslagen afwijken van het hoofdstuk der geniën, dat werkelijk eerst na de terugkomst van Taïf verscheen, zoo is voorzeker in beide sprake van eenig ander visioen, en deze verzen werden eerst later, valschelijk, tot ondersteuning van de legende der hemelvaart gebezigd. Dit is des te waarschijnlijker, nademaal vers 17 en 18 van het 53e hoofdstuk, zelfs volgens de Muzelmansche levensbeschrijvingen, kort na den eersten veldtocht naar Abyssinië verschenen, en aanleiding [50]geven tot terugkeer der eerste uitgewekenen15. Slechts, vers 30, 31 en 32 schijnen tot de laatste verzen uit Mekka te behooren. Na de bovengenoemde hoofdstukken komen de 68e, 87e, 92e, 89e, 93e en 94e soeras. Het 103e hoofdstuk volgt, dat waarschijnlijk, evenals menig ander hoofdstuk, slechts uit afzonderlijke verzen bestaat, die geen eigen hoofdstuk moesten vormen, of van welke een gedeelte verloren is. Hierna komen de hoofdstukken 100, 108, 102 en 107. Hoofdstuk 109, hetgeen onderscheidene uitleggers zelfs tot de Medinasche tellen, behoort gewis niet tot het eerste tijdvak, maar in het tweede, waarin. Mahomets leer reeds zóó zeer verbreid was, dat de afgodendienaars hem eenige concessiën wilden doen. Dan volgen hoofdstuk 105, 113, 114, 112, 80, 97, 91, 85, 90, 95, 101, 75, 104, 77 en 86. Vervolgens 7016, 78, 79, 82 en 84, in welken de dag des oordeels, op meesterlijke wijze, in zeer korte, rhytmische zinnen wordt geschilderd; evenzeer hoofdstuk 56, 88, 52, 69 en eindelijk 83. Ook hoofdst. 99, hetwelk door onderscheiden Muzelmannen onder de Medinasche wordt gerangschikt, behoort nog tot de oudste van Mekka.
Het tweede tijdvak omvat ook nog zeer poëtische hoofdstukken; in welken tijd Mahomet reeds meer als profeet dan als een in verrukking verkeerende optreedt, en waarbij men in zijne voorstelling reeds meer spel en kunst, dan rechtstreeksche uitgietingen van een overvloeiend gemoed opgemerkt. Mahomet komt reeds meer in bijzonderheden, zoo wel in het gispen der bijgeloovige Mekkanen, als opzichtens zijne grondvesting des waren geloofs. De hel en het paradijs worden gaandeweg wijdloopiger beschreven; ook worden er de goddelijke attributen nader bepaald en met bewijsgronden gestaafd. De legenden der profeten vermeerderen en worden bepaalder van teekening, hetgeen reeds bij die van Mekka den argwaan opwekte, dat Mahomet een medearbeider had. Deze argwaan wordt zelfs uitgedrukt en niet behoorlijk wederlegd17. Immers indien ook zij, welke door de Mekkanen als zijn leermeesters worden aangezien, vreemdelingen en de Arabische taal niet volkomen machtig waren, zoo konden zij hem des niettemin de stof voor zijne openbaringen geleverd hebben, welke hij dan vrij bewerkte. Totdat tijdvak, hetgeen zich tot Mahomets terugkeer van Taïf uitstrekt, rekenen wij te behooren, behalve de reeds genoemde ook de hoofdstukken: 1, 5118, 36, 50, 54, 44, 19, 20, 21, 23, 25, [51]67, 37, 38, 43 en 71, en eindelijk nog 55 en 76, welke door vele Muzelmannen worden aangezien, als te Medina geschreven te zijn.
De hoofdstukken in de laatste jaren te Mekka verschenen, en welke zich van toen nog maar zeldzaam boven het gewone proza verheffen, doch in welke echter nog veel redenaarstalent aanwezig is, zijn de hoofdstukken: 7, 72, 35, 27, 28, 17, 10, 11, 12, 6, 31, 34, 39, 40, 32, 42, 45, 46, 18, 16, 14, 41, 30, 29, 13 en 64. De beide laatste worden gewoonlijk onder de Medinasche hoofdstukken geteld. In het laatste vindt men, wel is waar, in het 14e vers: “O gij, die gelooft!” eene wijze van aanspreken, die gewoonlijk in de Medinasche hoofdstukken voorkomt; doch deze wijze van aanspreken kan door Mahomet nochtans reeds te Mekka gebezigd zijn geworden, als hij iets openbaarde, wat diegenen betrof, welke reeds tot den Islam bekeerd waren.
Alvorens wij tot de hoofdstukken overgaan, die te Medina geschreven zijn, en bij welke, uithoofde zij tot historische feiten in betrekking staan, eene nauwkeuriger tijdsbepaling mogelijk en, uit genoemden hoofde, ook noodzakelijker is, moeten wij nog enkele aanmerkingen laten volgen, over de hoofdstukken die te Mekka geschreven zijn. Volgens eene Muzelmansche overlevering zou vers 93 van het 6e hoofdstuk niet dan later verschenen zijn en op valsche profeten betrekking hebben, welke eerst na Mahomets uittocht opkwamen. Intusschen kan het mogelijk wezen, dat Mahomet, zonder toespeling op anderen, alleen om des te meer geloof te vinden, gezegd hebbe: Bestaat er wel iets snooders, dan God logen toe te dichten, of te zeggen: mij is iets geopenbaard, indien dit niet waar is, enz. Als wilde hij daardoor zeggen; hoe kunt ge mij voor zoo goddeloos houden?
Vers 30 van het 7e hoofdstuk moet gelijkerwijze eerst in Medina en wel eveneens eerst na de verovering van Mekka verschenen zijn, hetgeen ontwijfelbaar is, indien men dat vers als een gebod aanneemt. Het blijft echter altijd mogelijk, dat het slechts een vermaning ware tegen de Koreïshieten, welke den bedevaartgangers nieuwe kleederen wilden opdringen, of hen dwongen, maakt den tempel om te trekken; zoodat het reeds vroeger verschenen kon zijn.
Van het 17e hoofdstuk is voorzeker vers 35 (waar gezegd wordt: “wij hebben den bloedverwant eens vermoorden reeds macht over een moordenaar gegeven,” en waarin waarschijnlijk op hoofdstuk 2 vers 173 wordt verwezen), eerst in Medina verschenen, waar Mahomet een uitvoerende macht bezat. Ook vers 78 kon eerst te Medina geopenbaard zijn; want er wordt van eene poging gesproken, om Mahomet uit het land te verdrijven, hetgeen die van Mekka werkelijk gedaan hadden. De volgende echter en vers 83 kunnen reeds in Mekka geopenbaard zijn; want reeds voor de verovering van die stad kon hij zeggen: “De waarheid is gekomen, de leugen is ontvloden.” Wat het [52]eerste vers van dit hoofdstuk betreft, zoo houden wij het niet alleen niet te behooren tot die, welke in Mekka zijn geschreven, maar voor een, dat eerst na Mahomets dood verdicht, of bij vergissing in den Koran opgenomen is. Onderscheiden Koranplaatsen pleiten er voor, dat Mahomet zelf de nachtelijke reize, naar Jeruzalem en den hemel, slechts als een visioen aangezien wilde hebben. Reeds Mahomets gedurige verzekeringen, dat hij niet meer dan een prediker en geen wonderdoener was19, behoorde ook overigens de geloovigen te overtuigen, dat er geen grond voorhanden is, om hier aan het doen eener werkelijke reize, gelijk ook aan eene gespleten maan te denken. Desniettemin had deze legende zich spoedig na den dood van den profeet verbreid, en langs dien weg kon ook dit vers, door eenig geloovige voor zich zelven opgeteekend, wellicht reeds ten tijde van Aboe Bekr, in den Koran overgegaan zijn. Dat vers komt overigens volstrekt niet bij het daaropvolgende, is voor een ieder, die de legende niet kent, onverstaanbaar, en bovendien voor dengeen, die er mede bekend is, duister en taalkundig onjuist. Woordelijk luidt het vers: “Geprezen zij degeen, die met zijn knecht des nachts reisde, van den heiligen tempel naar den verwijderden tempel, wiens omgeving wij gezegend hebben20, opdat wij hem onze wonderen toonen. Gewisselijk hij is de hoorende, de zienden.”
In vers 85 van hoofdst. 28 moet, volgens eenige Koranverklaarders, aan Mahomet voorspeld zijn, dat hij eens naar Mekka terug zou keeren. Ten gevolge daarvan zou dat vers zeker in Medina, of tenminste daarheen geschreven moeten zijn. Er komt echter een woord in voor (Maad) hetgeen woordelijk “plaats des terugkeers” beteekent, zoodat daarmede even goed de wereld hier namaals, als Mekka bedoeld kan zijn.
Vers 9 en 10 van hoofdstuk 29 schijnen ook naar Medina verplaatst te moeten worden; want daarin wordt gezegd: dat zekere lieden zich van de geloovigen afscheiden, indien zij in kommer zitten, maar zich weder bij hen voegen als er bijstand van God komt; dat echter God de ware geloovigen wel van de huichelaars weet te onderscheiden. De vijf eerste verzen van Hoofdstuk 30, welke betrekking hebben op de zegepraal der Perzen op de Grieken, behooren tot het vroegere tijdvak.
Het 15e vers eindelijk van het 46e Hoofdstuk, ten minste de tweede helft er van, welke door de Muzelmannen betrokken wordt op Aboe Bekr, wiens vader, zoon en kleinzoon zich tot den Islam bekeerden, is niet minder verdacht dan het 1e van Hoofdstuk 17.
Tot de nog overige drieëntwintig Medinasche Soeras overgaande, volgen wij het algemeene gevoelen, en noemen de [53]2e Soera (die van de Koe) als de eerste van Medina, omdat Mahomet in den eersten tijd voorzeker niets belangrijkers te doen kon hebben dan de Joden, die te Medina in grooten getale aanwezig waren en grooten invloed bezaten, te zijnen voordeele te stemmen, en dit wel te meer, nademaal hij te Mekka zich dikwijls op de getuigenis der Joden beroepen had21. Dit is het thema, waarover namelijk het eerste gedeelte van dat hoofdstuk loopt. Hij toont de Joden van Medina uit hunne eigene geschiedenis aan, hoe het hun, zelfs toen Mozes onder hen was, aan waar geloof en vertrouwen had ontbroken, en stelt Abrahams natuurlijken godsdienst tegenover het strenge Mozaïsme en het van dogmas zoo zeer vervulde Christendom. Hij kent geene andere verboden spijzen dan bloed (wat overigens ook in het vroegere Christendom verboden was) aas of krengen, varkensvleesch en wat ter eere van eenigen afgod geslacht was22. En dit verbod komt ook reeds in Mekkasche hoofdstukken voor, in verband met verschillende andere gebruiken, die onder de bewoners van Mekka heerschten23. Ook schrijft hij in den eersten tijd geen ander gebod voor, dan het geloof aan God, engelen, opstanding, profeten en hunne openbaring; milddadigheid jegens armen, weezen, bloedverwanten, reizigers en slaven; gebed, vervulling van zijn woord en lijdzaamheid in het ongeluk. Op de richting des lichaams bij het gebed komt het niet aan; God is Heer van het Oosten en Westen24. Op deze algemeene leer der plichten, door Mahomet in den vroegsten tijd van zijn verblijf te Medina geopenbaard, volgden intusschen andere wetten, welke eerst in het tweede jaar verschenen. De oorlog tegen ongeloovigen wordt er nu bevolen en zelfs in de heilige maanden veroorloofd. Niemand mag zich echter in al te groote gevaren storten, en in zulke gevallen mag het gebed zelfs onder het rijden of gaan verricht worden, terwijl het anders ten deele staande, deels knielend gedaan wordt. Mekka wordt nu als de plaats aangewezen, waarheen men zich bij het doen van het gebed moet richten. Het genot van den wijn en de hasardspelen wordt zoo al niet bepaald verboden, dan toch ten minste gegispt. De maand Ramadhan wordt als vaste-maand bepaald. Ook worden in dien tijd eenige wetten ten opzichte van gezondheids-maatregelen en omtrent burgerlijke en lijfstraffelijke aangelegenheden bepaald. Van dien aard zijn de bepalingen omtrent [54]de reiniging der vrouwen25; testamenten26, schuldverbintenissen27, woeker28, echtscheiding en rechten der vrouwen29, huwelijk met ongeloovigen30 en moord31 Alleen vers 192–199, welke de voorschriften omtrent de bedevaart bevatten, behooren voorzeker tot een lateren tijd, en wel waarschijnlijk tot het 6e of 7e jaar der hedjirah.
Gelijktijdig met het tweede Hoofdstuk, en alleen tot zijne aanvulling, verscheen waarschijnlijk het 98e Hoofdstuk, dat voornamelijk tegen de ongeloovige Joden en Christenen gericht is, en evenzeer het 62e, dat het gebod behelst over het vieren van den Vrijdag, of eigenlijk over de godsdienstoefening op dien dag, voorafgegaan door een twistgeschrijf tegen de Joden, en bijna met dezelfde woorden als in het 2e Hoofdstuk.
Het 65e Hoofdstuk is slechts ten deele eene herhaling, deels eene aanvulling der huwelijkswetten, welke in het 2e Hoofdstuk vervat zijn, en moet derhalve ook omstreeks denzelfden tijd geplaatst worden. Hoofdstuk 22, dat het verlof bevat tot het oorlog voeren, over de bedevaart handelt, gelijk zij door Abraham is vastgesteld32 en over het loon, dat de landverhuizers verbeidt, die sterven of gedood worden, behoort ook tot dezen tijd; maar, zelfs volgens het gevoelen de Mahomedanen is een gedeelte daarvan reeds te Mekka verschenen; want het bevat meer redetwisten tegen de afgodendienaars van Mekka dan tegen de bewoners van Medina. Vers 51–53, in welke Mahomet eene concessie terug neemt, welke hij aan de ongeloovigen heeft gedaan, en eene vroegere openbaring aan de kunstenarijen des satans toeschrijft, laten hierover niet den minsten twijfel bestaan.
Tot de eerste Medinasche Hoofdstukken behoort eigenlijk ook het 4e, waarin het verdere over het huwelijksrecht en het daarmede in verband staande erfrecht is bevat33 en voorts verbod van den zelfmoord34, bepalingen omtrent doodslag bij vergissing35; eenige krijgswetten, bijzonder tot bevrijding der te Mekka teruggehouden geloovigen: twistreden tegen afgodendienaars, Joden en Christenen36, verordeningen over het gebed in den oorlog en de reiniging vóór dezen, en eindelijk nog [55]eenige algemeene, zedelijke vermaningen, zooals over milddadigheid zonder vertoon te maken37, rechtschapenheid38 en waarheid39.
Aangezien het derde hoofdstuk, of tenminste een gedeelte daarvan, gezonden werd om de Muzelmannen over het verlies bij Ohod te troosten, zoo is het voorzeker in het derde jaar der hedjirah verschenen. De overige verzen van dat Hoofdstuk, welke ten deele twistgeschrijf en ten deele vriendelijk tegemoet komen ten aanzien van Joden en Christenen bevatten, met verwijzing op Abrahams geloof, kunnen ouder zijn: doch v. 82 daarentegen, dat elken niet-Muzelman in alle eeuwigheid verdoemt, is gewis eerst later verschenen.
Eene opmerkelijke bijzonderheid voeren wij uit Hoofdstuk 33 vers 47 aan. Nadat daarin gezegd is, de ongeloovigen en huichelaars niet na te volgen (of zoo als anderen vertolken, niet naar hen te luisteren), besluit het vers met te bevelen, hun geen leed te doen.
Hoofdstuk 48 betreft de verongelukte bedevaart, of den tocht van Hoedeïbia, en wordt daarin het verdrag, met de Mekkanen gesloten, als eene verovering afgeschilderd, en de onmiddellijk daarop volgende oorlog van Cheribar vermeld. Ook de drie verzen, welke het 110e Hoofdstuk vormen, zijn waarschijnlijk in dien tijd, zoo niet zelfs na de verovering van Mekka verschenen. Zoo is het ook met Hoofdstuk 61: vooral vers 13, waarin evenzeer de spoedige verovering wordt beloofd, en de vier eerste verzen, waarin den geloovigen verweten wordt, dat zij hun woord niet houden; waarbij hun achterblijven van den tocht naar Mekka wordt bedoeld. Eindelijk nog Hoofdstuk 60, dat het huwelijk tusschen geloovigen en ongeloovigen ontbindt—hetgeen dadelijk na den terugkeer van Hoedeïbia plaats had—en het huldigings-formulier der vrouwen voorschrijft. Het begin van dat Hoofdstuk zoude kort voor de verovering zijn verschenen, toen Hatib Ibn Baltaa zijne vrienden te Mekka van Mahomets voornemen wilde onderrichten. Het gebod, geene ongeloovigen tot vrienden te kiezen, wordt nochtans zoo dikwijls herhaald, dat het waarschijnlijk ook reeds vroeger werd medegedeeld, nademaal de vriendschapsbetrekkingen tusschen geloovigen en ongeloovigen reeds lang te voren niet wenschelijk kon toeschijnen.
Hoofdstuk 49, welks begin op het gedrag der afgevaardigden van de Thakifieten betrekking heeft, verscheen na de verovering van Mekka. In de volgende verzen tracht Mahomet de eendracht tusschen de verwonnelingen en de veroveraars te herstellen, en waarschuwt voor wantrouwen, argwaan, beluisteren, achterklap en geboortetrots, omdat die ondeugden onvrede [56]tusschen de geloovigen bewerkten, welke elkander als broeders moesten beminnen.
Het vijfde Hoofdstuk eindelijk bevat eenige verzen, welke Mahomet bij zijne laatste bedevaart geopenbaard heeft, en dat derhalve door eenige Muzelmannen als het laatst verschenen wordt beschouwd. Daartoe tellen wij diegenen, welke betrekking op de bedevaart hebben, en eenige spijswetten, vooral die, welke in het vierde vers herhaald zijn; uit hoofde van de tweede helft, waarin de godsdienstlessen thans als volkomen worden erkend. Het gebod van het wrijven met zand, bij gebrek aan water40, bevindt zich reeds in een vroeger Hoofdstuk, en is, zelfs naar de Muzelmansche overlevering, ouder. Zoo is het ook met den zoen voor een’ niet gehouden eed41, waarop reeds in Hoofdstuk 66 v. 2 wordt geduid.
Ook de wet, om bij testamenten twee getuigen te doen onderteekenen42, is waarschijnlijk reeds vroeger, met vers 176 van het 2e Hoofdstuk, verschenen. Evenzeer het gispen van het wijn drinken en dobbelspel43. Alleen de wet, die den diefstal met het afhouden der hand straft, kan nog bij de laatste bedevaart zijn gegeven. Het overige gedeelte van het hoofdstuk, dat Bijbelsche legenden bevat, en voorts twistgeschrijf tegen Joden en afgodendienaars, maar meer nog tegen Christenen, en vooral tegen de leer der Drieëenheid, is voorzeker nog ouder. Dit bewijst hoofdzakelijk v. 85, waarin de Christenen vrienden der muzelmannen genoemd worden, hetgeen althans na den slag van Moeta en den veldtocht van Taboek niet meer gezegd kon worden; ook vers 73, waarin, even als in Hoofdstuk 2 v. 59, den geloovigen Joden en Christenen eene zalige toekomst wordt beloofd, terwijl in het 3e Hoofdstuk wordt gezegd44: wie eenen anderen godsdienst dan den Islam aanhangt, wordt door haar niet (bij God) aangenomen en behoort in de toekomstige wereld tot de verdoemden; en evenzeer Hoofdstuk 48 v. 17: “wie niet aan God en zijnen gezant gelooft, voor zulke ongeloovigen hebben wij de hel bereid”. Immers het is niet aan te nemen, dat Mahomet in den laatsten tijd verdraagzamer en vrijzinniger jegens Joden en Christenen geworden zij, daar hun zelfs verboden wordt, het gebied van Mekka te betreden. [57]
1 Ontwijfelbaar is het, dat enkele gedeelten door zijne secretarissen opgeteekend zijn geworden. Ook schijnt hij groote zorg te hebben besteed, dat zijne openbaringen recht duidelijk en leesbaar zouden worden opgeteekend. Zoo luidt eene overlevering, dat hij tot Mu awia die later ook een zijner secretarissen was, zou gezegd hebben: trek de b recht, verdeel de s ter dege, enz. Deze overlevering geeft een nieuw bewijs, dat Mahomet, ten minste in lateren tijd, de schriftkarakters kende, indien hij ook misschien zelf niet in staat was vlug te schrijven.
2 Het zou ook mogelijk wezen dat Aboe-Bekr deze en eenige andere verzen, welke over Mahomets dood handelen, en die nergens in den samenhang passen, verdicht hebbe, en dat Mahomet inderdaad, ten minste in de laatste jaren, de geloovigen, ten aanzien zijner sterfelijkheid in twijfel hebbe willen laten. In dit geval zouden dan natuurlijk al de gezegden onecht zijn, die op zijnen dood zinspelen; in dit moeten ze ook wezen, anders had Omar niet het tegendeel kunnen verdedigen. Deze verdenking van Aboe-Bekr wordt overigens ook gedeeld door De Scay, dien gewis niemand van zucht voor hypothesen kan beschuldigen. Wel is waar, men kan Omar verontschuldigen, door aan te nemen, dat hij, in de eerste ontsteltenis, dit Koranvers zich niet herinnerde; indien nu, zelfs [42n]nadat Aboe Bekr het had opgezegd, niettemin Aboe Hoereira, de beste kenner des Korans, verklaart, dat het hun allen toegeschenen was, als hadden zij nooit iets van dat vers gehoord, en wij ook in den Koran nog eenige andere vinden, welke Mahomets sterfelijkheid uitdrukten, dan moet men, ten minste indien men eenigen kritischen geest bezit, het waarschijnlijk achten, dat er latere bijvoegingen hebben plaats gehad. Die plaatsen in den Koran zijn III 144 en 186, XXIX 57, XXI 35 en 36 en XXXIX 31.
4 Hoofdstuk II vs. 100 dat, volgens de beste, door Djalalein aangevoerde leeswijze, aldus luidt: “Wij herroepen geen vers of brengen er geen tot vergetelheid, zonder het door een beter of gelijksoortig te vervangen.”
5 De betrekking van Othmans arbeid tot dien van Aboe Bekr is overigens nog niet nauwkeurig bepaald. Het blijft twijfelachtig, of Aboe Bekr meer gedaan hebbe dan de oorkonden verzamelen, en of niet Othman het eerst voorkomene afschriften van deze hebbe doen maken [44n]en tot een geheel smelten. De geleerde Quatremère, een uitstekend Oostersche letterkundige, zegt dan ook, naar Moedjmil Attawarich, dat de khalif Othman, derde opvolger van Mahomet, met onvermoeibare vlijt zich bezig heeft gehouden, om de verspreide en onsamenhangende gedeelten van den Koran tot één lichaam te doen brengen. In de geschiedenis van Bekri (een handschrift op de bibliotheek te Gotha) leest men: Othman was de eerste die den Koran van alle verschillende lezingen zuiverde en hem deed afschrijven, gelijk hij zich op de hemelsche plaat bevindt.
6 Met de woorden: “de eerste zeven uitgaven” worden de tekstverschillen bedoeld, die door Aboe Bekr opgenomen zijn, ter onderscheiding [45n]van de zeven latere uitgaven der verschillende geleerde scholen, die slechts afwijkingen in toonteekens en letters van elkaar vertoonen.
7 Het exemplaar waarin Othman las, op het oogenblik dat hij werd vermoord, zoude naar Antartos gekomen en de zeer met bloed bevlekte bladen, zouden in de moskee van Cordova bewaard geworden zijn. Ook in Egypte geloofde men in het bezit te zijn eens Korans van Othmans hand, en evenzeer in Marokko en Tiberias. Het laatstgenoemde exemplaar zoude, ten tijde der kruistochten, naar Damascus gebracht zijn.
8 Een door Ali geschreven Koran zoude eerst in het jaar 755 der Hedjirah (1377) in Mesdjed Ali verbrand geworden zijn. Te Fostat bewaarde men nog langen tijd een’ Koran van de hand des khalifs Abd Alaziz. Hij had zóó veel zorg besteed om het afschrift vrij van alle feilen te houden, dat hij een’ ieder die daarin eene fout zoude ontdekken, een’ kameel en dertig dinars beloofde. Inderdaad vond men er slechts eene enkele letter in verplaatst. Ook is er langen tijd een afschrift des Korans van Chalid Ibn Aboel Hajadh, een tijdgenoot van Ali, en zijn, ook onderscheidene van den wreeden Hadjadj bewaard gebleven.
9 Hoofdst. LXXV v. 16–20 XX v. 113 en ook Hoofdst. LXXXVII v. 6 en 7.
11 Hoofdst. XI v. 15 vergel. ook v. 114 en Hoofdst. XXVIII v. 85–87, X v. 93, 94 en 108.
16 Vers 5 is mogelijk later bijgevoegd. Volgens dit hoofdstuk worden ook degenen het paradijs deelachtig, die God vreezen, hem aanbidden en aan den oordeelsdag gelooven; milddadig jegens behoeftigen zijn, uitspattingen vermijden, getuigenis der waarheid afleggen en het gegeven woord trouw vervullen.
17 Hoofdst. XVI v. 105; XXV 6, 7 en XLIV v. 13.
18 De 23 eerste verzen behooren wellicht nog tot de oudste.
19 Vergel. Hoofdst. XIII: v. 8 en 29, en XXIX: v. 50.
20 Is dit vers werkelijk van Mahomet, dan kan het evenzeer slaan op de reis van Mekka naar Medina, welke hij, om niet achterhaald te worden, des nachts deed.
21 Zie Hoofdstuk X v. 93 en Hoofdstuk XXVI v. 196; vergelijk ook Hoofdstuk XXVIII v. 52 en 53, XXIX v. 46, Hoofdstuk XLVI v. 11 en LXXXVII vs. 18 en 19.
22 v. 168 ook Hoofdstuk V v. 4, waar nog nader opgegeven is wat men onder aas hebbe te verstaan.
23 Hoofdstuk VI v. 146 en XVI v. 115.
24 v. 109 en 136. Over de wijze waarop de aalmoezen moeten worden gegeven, v. 265, enz.
28 v. 276.
33 v. 1–24, 33, 34, 126–129 en 175.
Wij zullen thans van de geschiedenis der uiterlijke ontwikkeling van den Koran en de ontleding zijner deelen, tot het innerlijke wezen overgaan, en hem meer beschouwen met betrekking tot het blijvend gehalte en in zijn geheel als godsdienst- en wetboek. Wij zullen met de geloofsleer van den Koran beginnen, zonder juist een dogmatiek in de streng wetenschappelijke beteekenis van het woord te geven, of in de subtiliteiten der latere, scholastieke dogmatici te treden; eensdeels dewijl ons dit te ver zou voeren, en anderdeels omdat, vooral bij een natuur-mensch als Mahomet, ook niet in het minst aan een systematisch leerstelsel kan worden gedacht. Dit blijkt reeds ten duidelijkste daaruit, dat de gewichtigste leerstellingen van den Islam, om hare onbestemdheid, niet minder dan die van het Christendom, een onderwerp der heftigste polemiek en later zelfs van de bloedigste oorlogen en vervolgingen zijn geworden; een verschijnsel, dat bij de volgelingen van Mahomet meer bevreemdend is dan bij die van Christus. Het Christendom toch is rijker aan geloofsstellingen, dan het Mahomedanismus, en leerstellingen als die van de Drieënigheid, van de wonderbare geboorte van Christus en diens opstanding, van de sacramenten en van de kerken, geven meer stof tot verschillende opvatting dan die van den Islam, welke slechts één eenige God kent, in Mahomet een profeet ziet en volstrekt niets van priesterdom weet, zelfs hoewel latere Imams zich, uit staatkundige redenen, tot hoogepriesters willen verheffen. Maar niet alleen het innerlijk wezen van het Christendom was eerder er toe geschikt, scheidingen te doen ontstaan, ook de wijze waarop het aan de nakomelingschap werd medegedeeld, begunstigde het sectenwezen meer dan de Islam. Christus zelf droeg zijne leerstellingen slechts mondeling en bij gelegenheid, grootendeels zonder stelsel en samenhang voor; zijne woorden werden eerst lang na zijnen dood opgeteekend, in vreemde talen vertolkt en met subjective meeningen vermengd, zoodat [58]reeds de in vele punten van elkander afwijkende bronnen van het Christendom de kiem tot verschillende godsdienstbegrippen in zich moesten bevatten. Mahomet daarentegen liet zelf, indien al niet den geheelen Koran, zoo als de Muzelmannen gelooven, dan toch een groot deel zijner openbaringen opteekenen, en het kleinere deel werd reeds twee jaren na zijnen dood aan het schrift overgeleverd, en dat wel in de Arabische taal; in de taal, waarin de profeet sinds zijne jeugd dacht, en welke ook die van zijn volk was en bleef. Desniettemin werd ook de Islam reeds in de eerste eeuwen der hedjira in vele secten verdeeld, en geloofsoorlogen, even bloedig als die door het Christendom veroorzaakt, verstoorden het Mahomedaansche rijk. Slechts omdat Mahomet er niet in het minst aan had gedacht, een bepaald leerstellig systeem te vormen, kon ook later, toen onder zijne volgelingen een sterkere drang naar kennis ontwaakte, dan dit bij hem het geval was geweest, over menig punt in zijne leer op verschillende wijze worden gestreden. Mahomet vorderde namelijk van zijne volgelingen slechts het geloof aan één eenigen, eeuwigen, alomtegenwoordigen, onzichtbaren, almachtigen, alwetenden, alwijzen, algerechten, algenoegzamen en genadigen God, schepper en onderhouder van het heelal, voorts aan Mahomet en de hem voorafgegane profeten, als overbrengers der goddelijke openbaringen, die de menschen voor dwaling behoeden en tot heil voeren zullen; aan de engelen, als de werktuigen van Gods wil, en eindelijk aan de opstanding der dooden en een leven hier namaals, waarin de vromen voor hunne werken beloond en de zondaren gestraft zullen worden. Hoe eenvoudig echter ook deze, bijna op ieder blad des Korans terugkeerende, drie grondleeren van den Islam: God, openbaring en laatst oordeel zijn, werden zij toch een voorwerp van strijd, zoodra slechts bij de Mohamedanen, nog voor zij met de Grieksche philosophie nader bekend werden, het verlangen levendig werd, deze leer eene speculatieve volmaking te geven, die zelfs aan Mahomet, welke gewoonlijk slechts sprak naar den oogenblikkelijken drang van het gevoel, geheel vreemd was. Menig punt, dat oppervlakkig en beeldsprakig in den Koran was voorgesteld, naar den aard zijner verzameling, waardoor de werkelijke samenhang van twee op elkander volgende verzen, en ook de tijd of de aanleiding hunner verschijning, nooit bepaald kan worden opgegeven, en menig schijnbare of werkelijke tegenspraak, openden natuurlijk een uitgebreid slagveld voor alle afwijkenden secten, wat in dezelfde mate nog in omvang won, toen de wijsgeerige studien der Arabieren zich uitbreiden, en al hetgeen op dit gebied verkregen was, door kunstmatige verklaring in de godgeleerdheid gebracht en uit de heilige schrift afgeleid moest worden.
Mahomet verliet deze wereld, zonder ook slechts de minste bepaling omtrent zijne opvolging gemaakt te hebben. Wij vinden niet alleen geene plaats in den Koran, welke over den toestand [59]van het rijk na zijnen dood handelt, maar ook geene authentieke, mondelinge overlevering, zoo als reeds uit de vergezochte bewijzen van iedere partij voor hun recht op het khalifaat blijkt; immers of Mahomet vermeed, in het geheel van zijne vergankelijkheid te spreken, en de verzen die hem sterfelijk noemen, zijn door Aboe Bekr tusschen gevoegd, of hij waagde het niet, door bevoorrechting der eene partij zich de andere tot vijand te maken. Het gold namelijk niet alleen tusschen Ali en Aboe Bekr te kiezen, en zijne geliefde dochter Fatima of zijne vrouw Aïsha—die vol intrigues was—in hare hoop teleur te stellen, maar ook tusschen de met hem uitgeweken burgers van Mekka en die van Medina, aan wier bescherming en bijstand hij de uitbreiding zijner macht had te danken. Intusschen was het ook mogelijk, dat hij zich in het algemeen niet gerechtigd achtte, in een land, waar de republikeinsche regeeringsvorm steeds de overhand had, eene erfelijke monarchie in te stellen, en dat hij daarom liever zweeg, in de verwachting, dat de beste zijner makkers zich wel den weg tot de heerschappij zoude banen. Hoe het zij, in geen geval mag de erfelijk monarchale, en nog minder de volstrekt despotische regeeringsvorm der Muzelmansche rijken, aan Mahomet zelf, of aan den door hem gestichten godsdienst worden toegeschreven zoo als dit dikwijls door Europeesche geleerden is geschied. Mahomet zelf wilde in het geheel niet als wereldlijk heerscher maar slechts als profeet worden aangezien. Toen hij, bij de verovering van Mekka, te midden der bondgenooten en uitgewekenen Abel Sofaïn voorbijtrok en deze tot Abbas zeide: “bij God, het rijk van uwen neef is groot,” hernam Abbas: “Hij is een groot profeet.” Daar Mahomet zich echter de laatste profeet noemde, zoo kan ook dan na hem geen sprake zijn van een goddelijk recht op eene geestelijke macht. Dit blijkt ook uit het eigen gedrag van Aboe Bekr bij de keuze der khalifen, die in het algemeen slechts van de voorrangen der uitgetrokkenen sprak en geene eigene rechter deed gelden, ja zelfs Omar of Aboe Ubeida tot khalif voorstelde. Was nu ook deze voorstelling misschien niet ernstig gemeend, omdat hij te voren wist, dat beiden de heerschappij bij zijn leven niet zouden overnemen, dan bewijst dit toch ten minste, dat de hoofden van het volk en geen aangeboren rechten over de opvolging zouden beslissen. Als wetgever kon een Muzelmansch vorst in het geheel geene macht hebben; want de Koran zou de eeuwige wet der Muzelmannen blijven, en was zeker ook in den eersten tijd des Islams volkomen toereikend. In den Koran echter wordt niet slechts het leven der geloovigen gewaarborgd, maar ook hunne bezittingen. Het eerste kan slechts den moordenaar ontnomen worden, en van het laatste kunnen alleen de wettelijk bepaalde belastingen gevorderd worden. De verrichtingen van het opperhoofd van den staat bestonden dus, naar het begrip van den Koran eenvoudig in het waken voor de navolging der wet, in de handhaving [60]der militaire macht, in haar gebruik, tot bevestiging en uitbreiding van het geloof. Mahomet dus verantwoordelijk te maken voor den regeeringsvorm, welke zijne opvolgers hebben ingevoerd, of zelfs voor de gruwelen, door enkele Moslemische heerschers gepleegd, ware nog veel onbillijker, dan indien wij het despotismus van verschillende Christelijke staten uit het Evangelie wilden afleiden. Gelijk overigens in het Christendom dikwijls is beproefd geworden, de erfelijke en onbegrensde macht op de Heilige Schrift te doen steunen1, zoo bekwam ook in den Islam de wereldlijke macht reeds vroeg eene godsdienstige wijding, en de leer van het Imamaat vormt een tegenhanger van die der kerk. Terwijl intusschen de factische khalifen, namelijk de drie eersten, zich nog meer als wereldlijke dan als geestelijke navolgers van Mahomet beschouwden, en hun recht meer op de keuze, of minstens op de overeenstemming der Muzelmannen steunden, grondden de aanhangers van Ali en zijn geslacht reeds onder de heerschappij van Othman, bijzonder echter gedurende den oorlog met Muawia en diens overwinning, hunne aanspraken op een vormelijk erfrecht. De Imams werden toen als bijzondere door God verlichte menschen aangezien, en ten laatste zelfs als eene incarnatie der Godheid vereerd en aangebeden. De versmade, ware Imams bleven zelfs na hunnen dood een voorwerp van vereering en hoop voor hunne partij, daar spoedig ook het geloof aan hunne, eens plaats te hebben terugkeer tot herstelling van het recht en der waarheid zich vormde, even als bij de Joden ten opzichte van den Messias.
De eene partij, die wij met den algemeenen naam van Schiïten zullen aanduiden, zonder ons met het bijzondere der verschillende secten bezig te houden, in welke zij verdeeld werden, had overigens de meest overdreven begrippen van de waardigheid en de heiligheid van den Imam. Andere Muzelmannen echter zagen, reeds ten tijde van Ali, in het khalifaat slechts eene zuiver staatkundige instelling, die het welzijn der volken tot eersten grondslag zou hebben. Zij leerden daarom dat het Imamaat, op zich zelven beschouwd, in het geheel niet noodig is, dat iedere deugdzame, hij zij vrij of slaaf, uit welk geslacht hij ook afstamme, daartoe kon worden verheven, en dat, indien de Imam of khalif niet aan zijn heiligen plicht voldeed, de wet veroorloofde, en zelfs gebood, zich tegen hem te verzetten en hem te bekampen. Deze meening, die natuurlijk door de machthebbenden ten sterkste werd bestreden, en wier bekenners den naam Charïdjiten2 ontvingen, vond zelfs onder de meest geleerde mannen van de eerste eeuw der hedjira talrijke aanhangers, en bewijst genoegzaam, dat de heilige schrift der Muzelmannen niet ter gunste van het khalifaat spreekt, gelijk zich dat later [61]vormde. Merkwaardig en pleitende voor den zoogenaamden orthodoxen Islam is het, dat deze leer hier verdoemd en hare bekenners als ketters werden bestraft, hoewel, naar eene zeer oude, authentieke overlevering, Aboe Bekr zelf, in zijne eerste rede, die hij als khalif in de moskee te Medina hield, zeide: “O, gijlieden! Gij hebt mij tot uw opperhoofd gekozen, hoewel ik niet de voornaamste onder u ben. Handel ik recht, zoo weigert mij uwe medewerking niet, bega ik een onrecht, zoo biedt mij tegenstand!.... Gehoorzaamt mij, zoo lang ik God en zijnen gezant gehoorzaam. Handel ik echter tegen de geboden van God en zijnen gezant, weigert mij dan gehoorzaamheid!”
Ook de leer van het goddelijke raadsbesluit is, in de strengheid en consequentie, die alle vrijheid van ’s menschen wil vernietigt, gelijk zij door menigen orthodoxen Muzelman opgevat en door alle vijanden van den Islam voorgesteld wordt, meer eene uitvinding der politiek, dan van het geloof. In den Koran verschijnt zij meer tot bekamping der vrees, tot bevestiging van het vertrouwen en der onderwerping aan den wil des Heeren, tot troost in het ongeluk en tot bewaring der bescheidenheid in het geluk, dan tot verlamming der menschelijke werkzaamheid, of wel tot berooving der zedelijke vrijheid. Roekeloosheid wordt uitdrukkelijk in den Koran verboden3. Voorzichtigheid wordt zeer dikwijls aanbevolen, en zelfs het gebed, de hoogste ceremoniëele wet van den Islam, ondergaat eene wijziging, zoo, door de verrichtingen volgens het voorschrift, de biddende in gevaar kon worden gebracht4. En indien het ook dikwijls wordt herhaald, dat God de menschen naar Zijnen wil voedsel geeft, zoo wordt toch nergens daarmede bedoeld, dat de Muzelmannen de handen werkeloos in den schoot moeten leggen. Veeleer is het zelfs veroorloofd, op den heiligen Vrijdag, na de verrichting van het gebed, zijne zaken te verrichten5. Ook moet slechts een klein gedeelte van den Koran bij het gebed worden gelezen, naardien velen het land moeten doorkruisen om hun levensonderhoud te zoeken6. Enkele andere plaatsen, in welke eene zekere zorgeloosheid tot deugd wordt verheven, kunnen dus slechts daarop doelen, dat de mensch door versaagdheid niet al te zeer in de zorgen voor zijn onderhoud moet worden tegengehouden, en daardoor zijne hoogere plichten, het trachten naar Gods welbehagen, door oefening der deugd, op den achtergrond plaatse, gelijk ook de apostel Petrus schrijft7 “Werp al uwe zorgen op Hem (God), want Hij zorgt voor u”. Wat de leerstelling van de volstrekte voorbestemming van den mensch tot zaligheid of tot lijden betreft, is Mahomets, [62]geheel op vrees en verwachting gebouwd godsdienststelsel niet alleen er tegen, daar hij voortdurend tot gelooven en tot vrome handelingen, om het loon in het paradijs, vermaant, en voor ongeloof en zonden waarschuwt, om de straf in de hel, en dus noodzakelijk ook het toekomstig lot van den mensch van zijn eigen wil afhankelijk moet maken; maar bovendien wederleggen eenige plaatsen in den Koran zulk eene Augustiniaansche predestinatieleer ten stelligste. Daar zij echter door de orthodoxe Imams aangenomen en voortdurend in alle Europeesche werken den stichter van den Islam worden toegeschreven en verweten. Zoo moeten wij hier uitvoeriger zijn en meer bewijzen voor Mahomets leer van de vrijheid des wils aanvoeren, dan eigenlijk noodig zou zijn. De mondelinge overleveringen kunnen wij omdat men er zich niet op kan verlaten, noch hier, noch bij andere verschillen in aanmerking nemen. Wat hiervan in dit opzicht kan worden aangenomen, blijkt voor den onderzoeker genoegzaam daaruit, dat zij Mahomet reeds vooruit laten zeggen: De Islam zou zich in drie-en-zeventig secten verdeelen, onder welke de bekenners van den vrijen wil als de Magiërs van den Islam worden aangeduid. Wij mogen alzoo op dit punt slechts naar den Koran verwijzen8.
Deze verzen, bij welke nog vele andere gevoegd kunnen worden, bewijzen genoegzaam, dat Mahomet niet slechts de consequente predestinatieleer, zooals zij door eenige secten in het Christendom en door de Djabariten en eenige andere secten in den Islam ontwikkeld werd, niet huldigde, maar dat hij in het algemeen veel meer nabij het Pelagiaansche stelsel was, dan het nieuw opgevatte Augustiaansche systeem. Hoe ware het overigens mogelijk, daar hij den val van den mensch niet als Augustijn en de Christelijke kerk aanneemt, en de leer der erfzonde loochent, die alleen de volstrekte predestinatieleer met de goddelijke gerechtigheid en heiligheid kan verzoenen. Volgens de leer van den Koran werd namelijk het eerste menschenpaar, om zijne ongehoorzaamheid, wel uit het hemelsche paradijs op de aarde verstooten, en ook wordt, voor zoo verre de eerste zonde door de zege van de baatzuchtigheid over Gods wil werd begaan, het menschenras wederkeerige haat en onvrede voorspeld; de Koran weet echter niets van eenen zich voortplantenden toestand van innerlijk verderf, ten gevolge der zonde van Adam, en neemt zich op vele plaatsen in acht voor het denkbeeld eener toerekening van vreemde zonden. Mahomet kent daardoor ook geene andere genade, dan de openbaring door profeten, deels tot volmaking der menschelijke erkenning van het goede en het kwade, deels als hulp tegen de verzoekingen van den satan, wien de mensch door zijnen val geheel [63]werd prijs gegeven, of eigenlijk zich zelven nog meer heeft blootgesteld. Adam had berouw over zijne zonde en God schonk het menschenpaar weder genade, terwijl hij zeide: “Verwijdert u van hier; ik zal u eene leiding geven: wie deze leiding volgt zal vrees noch droefheid kennen. Die deze echter niet gelooven en onze teekenen verloochenen, worden ten eeuwigen vure gedoemd9.” Iedere profeet, van Adam tot Mahomet, is diensvolgens een door God gezonden verlosser; om echter verlost te worden: dat is, tot het ware begrip en tot hoogere erkenning te geraken en, ten gevolge daarvan, weder de zaligheid van het paradijs te genieten, is het geloof aan de openbaring en het handelen daarnaar noodig. Beiden hangen zij echter alleen van den menschelijken wil af. Geheel werkeloos, blijft intusschen, ook bij het individu, de Goddelijke wil naar de leer van den Koran niet, maar hij uit zich voortdurend, naar gelang van het innerlijke van den mensch, als genade of gerechtigheid. Mahomet geeft namelijk ook toe, wat Pelagius aan Augustinus toestond; te weten, dat God desgenen meening in het geloof sterkt, die den wil tot het goede heeft, terwijl hij dengeen, bij wien de zucht naar het booze den boventoon voert, aan zijn altijd toenemend bederf overlaat, en dus in zekeren zin verhardt. Ook blijft het natuurlijk aan de raadsbesluiten der Hemelsche wijsheid overgelaten, op welken tijd en welk volk Zij door hare leiding genade wil schenken. Deze concessie der rede aan het geloof, welke zoowel in het Oude als in het Nieuwe Testament niet te loochenen is10, maar geene onvoorwaardelijke predestinatie, wordt op verschillende plaatsen gepredikt11. Uit deze verzen blijkt ten duidelijkste, dat de mensch, met betrekking tot geloof en deugd, geen werktuig der Goddelijke willekeur is, maar dat hij het in zijne macht heeft, het ware te gelooven en het goede te willen; dat God echter den voor het goede en ware vastbaren mensch ondersteunt, terwijl hij degenen, welke hun hart sluiten voor Zijne, zich als openbaring uitende genade, aan hunne verdorvenheid overlaat. De woorden, die dikwijls in den Koran worden gevonden, dat God leidt wien Hij wil en in dwaling laat wien Hij wil, welke, uit hun verband gerukt, in elk geval tot de leer van Augustinus konden voeren, moeten daarom, naar gelang van hun verband (hetgeen [64]echter, zoo als wij reeds hebben gezegd, niet altijd met zekerheid is te ontdekken), of in het algemeen op de zending van een profeet, òf op den goddelijken bijstand tot ontwikkeling van het geloof toegepast worden, hetwelk identisch is met het goede door zijnen wil te ondersteunen, terwijl het, door eene bijzondere inwerking, dwingen van den roekelooze tot gelooven, met de Hemelsche gerechtigheid zou strijden, en daarom ook niet in Haren wil kan liggen. Dit denkbeeld blijkt duidelijk uit het 209e vers van de tweede Soera, waar onmiddellijk na de woorden; “God zond de profeten om de waarheid te verkondigen,” volgt: “en God leidt de geloovigen naar de waarheid,” en daarna: “God leidt op den rechten weg wien hij wil.” Evenzoo ook in het 19e vers der 39e Soera. Iederen onpartijdigen lezer moet het daarom klaar zijn, dat Mahomet de vrijheid van den menschelijken wil in geenen deele loochende. Overigens trad reeds in de eerste eeuw der hedjira eene hevige oppositie op, tegen de door de regeering begunstigde bekenners der predestinatieleer, bij welke zich zelfs een zoon van Omar aansloot. Zij werd echter natuurlijk door de Omejaden bestreden en onderdrukt, dewijl hunne heerschappij, die op list en geweld berustte, tot hare ondersteuning en rechtvaardiging, te zeer behoefte had aan de leer der goddelijke raadsbesluiten en der predestinatie van alle menschelijke handelingen. Maabad, die aan het hoofd dezer oppositie stond, zeide luide van zijne tegenstanders: “Deze lieden vergieten het bloed der menschen en wagen het dan te beweren, dat al onze handelingen vooraf door een goddelijk raadsbesluit bepaald zijn.” Maar inderdaad werd hij dan ook wegens zijne meening, niet omdat zij tegen de heilige schrift aandruischte, maar omdat zij voor de willekeur van den heerscher gevaarlijk was, in het tachtigste jaar der hedjira, op bevel van den khalif Abd-Almalik, door den wreeden Haddjadi gefolterd en daarna opgehangen12. Desniettegenstaande plantte zich zijne leer voort, riep de secte der Mutaral in het leven en bleef zelfs niet zonder invloed op den orthodoxen Islam, die wel aan de leerstelling der voorbestemming van de uitverkorenen en verworpenen vasthoudt, doch inderdaad zonder dialectische consequentie, de predestinatie niet tot de enkele goede of slechte handelingen van den mensch uitbreidt, en dien ten gevolge ook, zoo als vele Christelijke dogmatici, eigenlijk slechts ten gevolge van vooruitweten eene predestinatie aanneemt13. De Koran verwerpt echter, zoo als uit de door ons aangehaalde verzen blijkt, ook dit dogma en bevat geene enkele plaats, die zoo beslissend daarvoor zou kunnen pleiten, als die van het Evangelie (Apost. [65]XIII vs. 48 en Rom. VIII vs. 28–30 enz.). Wij zullen ons niet lang meer met de overige leerstellingen van den Islam ophouden, deels dewijl zij niet zoo diep in het innerlijke wezen van het geloof grijpen, en minder betrekking op het leven hebben, deels omdat hare verdere ontwikkeling eerst tot een lateren tijd behoort, en dus met Mahomet en den Koran, waarmede wij ons hier bijzonder bezig houden, minder in verband staan dan met de Arabische wijsbegeerte. Al deze dogmen baarden vele tegenstrijdigheden en secten, daar de eenen aan de letter des Korans hingen, en de anderen eener meer vrije uitlegging de voorkeur gaven; dewijl de eenen zich blindelings aan de voorgewende uitspraken van den profeet onderwierpen, de anderen de wetten der onveranderlijke rede boven alles plaatsten, en met de elementen der Grieksche wijsbegeerte naar eenheid in het godsdienststelsel streefden.
Aangezien wij hier niet verder willen gaan dan de bondgenooten van den profeet, volgen wij ook de geschiedenis der dogmen van den Islam niet langer, en merken slechts ten slotte nog aan, dat, hoezeer Mahomet ook in den Koran op het geloof aan een eenigen God, aan de profeten en de onsterfelijkheid der ziel aandringt, toch ook, op tallooze plaatsen, niet minder het volgen der geopenbaarde leer, een deugdzame, reine levenswandel, naar de voorschriften van den Koran, van den waren geloovige gevorderd en als het middel aangeduid worden, om Gods welbehagen en de zaligheid van het paradijs te erlangen. Men begaat dus ook hierin, omtrent den stichter van den Islam een onrecht, als men beweert, dat hij aan de uitoefening der deugd en het bekampen der hartstochten in het geheel geene waarde hecht, en slechts geloof vordert. Hoe dikwijls vindt men in den Koran de woorden terug: “die gelooven en goede daden verrichten, komen in het paradijs,” en dergelijken meer. Daar intusschen deze dwaling in den nieuweren tijd weder is herhaald, verwijzen wij hier naar eenige plaatsen in den Koran14. Indien dus op andere plaatsen, al gewis, het paradijs aan hen wordt beloofd, die aan God gelooven en voor de zaak Gods kampen, dan wordt daardoor in het geheel niet gezegd, dat de overige door God geopenbaarde voorschriften ter zijde mogen gesteld worden. Veeleer wordt bij den waren geloovige, die bereid is zijn leven ieder oogenblik voor zijnen God te offeren, eene volkomene heerschappij over de menschelijke hartstochten en een strikt volgen van den goddelijken wil, die in den Koran wordt verkondigd op den voorgrond geplaatst. De Muzelmansche dogmatici, die toch nog minder met Mahomet mogen worden verwisseld, dan de kerkvaderen met Christus, nemen wel aan, dat de geloovige, niettegenstaande zijne slechte handelingen, niet eeuwig uit het paradijs verstooten blijft, maar [66]zij geven toch toe, dat hij eerst voor zijne ondeugd wordt gestraft15. Overigens is toch ook door Christelijke secten beweerd, dat het ongeloof alléén den naam van zonde verdient en den mensch in het toekomstige leven wordt aangerekend, maar dat hij voor de goede werken op geene belooning aanspraak heeft.
Als hervormer, hetgeen Mahomet oorspronkelijk was en wilde zijn, verdient hij onze volkomene hulde en bewondering. Een Arabier, die de schaduwzijde van het toenmalige Joden- en Christendom openbaarde, en niet zonder levensgevaar trachtte, het veelgodendom te verdringen en zijn volk de leer van de onsterfelijkheid der ziel in te prenten, verdient niet alleen naast de grootste mannen der geschiedenis geplaatst te worden, maar ook, in zeker opzicht, den naam van profeet. Zoodra hij echter ophoudt te verdragen, zoodra hij der waarheid door het zwaard de zegepraal tracht te verschaffen, en in den naam Gods nieuwe ceremoniëele, burgerlijke, politie- en lijfstraffelijke wetten voorschrijft, drukt hij op zijne woorden den stempel van menschelijke zwakheid en vergankelijkheid.
De ceremoniëele wetten van den Islam zijn wel niet zoo talrijk als men gewoonlijk in Europa gelooft, maar een enkele is er bij, welke Mahomet ten minste van de blaam zuivert, dat hij in zijne voorschriften de zinnelijkheid der Arabieren zou hebben begunstigd. Wij bedoelen het vasten van den Ramadhan. Men verbeelde zich de gloeiende zandwoestijnen van Arabië16 met het verbod, gedurende eene geheele maand, van zonsopgang tot zonsondergang, zich met eenigerhande spijzen te laven, en ook geen droppel water te drinken, en men zal de vervulling der Mahomedaansche voorschriften niet meer zoo gemakkelijk vinden, en ook niet meer kunnen beweren, dat zij geen kamp tusschen geest en lichaam vorderen. Het dagelijks vijf malen te verrichten gebed, met de voorafgaande reiniging, is om zijne kortheid en omdat ieder het voor zich verrichten kan, minder bezwaarlijk, terwijl de pelgrimstocht naar Mekka eenmaal gedurende het leven, slechts voor hem verplichtend is, wiens omstandigheden zulk eene reis veroorloven.
De gewichtigste politiewetten bestaan in het verbod van hazardspelen, van het genieten van den wijn, het bloed van gestorvene, of ter eere eens afgods geslachte dieren en van het varkensvleesch.
De staatswetten van den Islam bepalen de op te brengen belastingen, de deeling van den buit, en de betrekking der geloovigen, zoowel tot de afgodendienaars als tot de Joden en Christenen. Volgens de strengere wet der laatste jaren, moeten de [67]eerstgenoemde beoorloogd worden, tot alle neiging tot afgoderij ophoudt, en de laatsten tot zij zich onderwerpen en schatting opbrengen. Wij hebben reeds bemerkt, dat Mahomet, hoewel hij, als mensch, onder de toenmalige omstandigheden niet anders leeren en handelen kon, nochtans door deze krijgswetten zijn profetisch karakter in zijn naaktheid heeft getoond. Hoe groot echter de verzoeking is, indien men eenmaal tot de macht is geraakt, om die tot het bekampen en onderdrukken van andersdenkenden te gebruiken, heeft ook het Christendom genoegzaam bewezen, van den dag dat het den troon der Cesars besteeg tot op den huldigen dag.
Het strafrecht van den Koran is uiterst vrijgevig. De doodstraf wordt slechts voor tegennatuurlijke vermenging der geslachten en moord toegepast; en willen de bloedverwanten van een vermoorden liever eene schadeloosstelling aannemen, dan zich wreken, dan blijft zelfs de moordenaar in het leven. Ook echtbrekers worden, ten minste in den tot ons gekomen Koran, niet met den dood gestraft. Voor lichamelijke verwondingen wordt geene wraak geduld, maar alleen geldstraffen, of liever schadeloosstelling.
De strengste crimineele wet, die echter kan worden gerechtvaardigd door de noodzakelijkheid, om de aangeboren lust der Arabieren tot diefstal en rooftochten te onderdrukken, is het afkappen der hand voor elke toeëigening van eens anderen goed.
De burgerlijke wetten van den Koran betreffen vooral het erf en huwelijksrecht, en hare hoofdstrekking is de vaststelling van de rechten der vrouwen en beperking van den willekeur des mans. De veelwijverij wordt niet opgeheven, doch aan voorwaarden onderworpen, welke de ware geloovige slechts zelden kan vervullen. De huwelijkstrouw wordt ook de man tot plicht gesteld. Een ander deel der burgerlijke wetgeving betreft het lot der slaven, hetwelk Mahomet niet minder dan dat der vrouwen tracht te verzachten. De geheele opheffing der slavernij wordt voorbereid en in grondbeginsel, vooral bij geloovigen, uitgesproken. Een volkomen emancipatie was echter, bij de voortdurende oorlogen, in welk slechts door de verandering der gevangenen in slaven den overwonnenen het leven kon worden gespaard, schier niet mogelijk. De armoede van den Koran aan burgerlijke wetten, hetwelk deels te verklaren is uit de eenvoudige omstandigheden waarin men leefde, meer echter nog daardoor dat hij waarschijnlijk daar, waar hij het bestaande behield, niets openbaarde, werd spoedig gevoeld. Men beriep zich echter ten eerste op mondelinge uitspraken van Mahomet, daarna op het voorbeeld van een eersten khalif, later op de besluiten der eerste Imams, en eindelijk, toen onder de geheel veranderde omstandigheden ook deze niet meer toereikend waren, handelde men analogisch: zoodat altijd de moeilijkste vraag, over een of ander onderwerp, al zou het ook den nadruk of de stoomvaart hebben betroffen, door een Muzelmansche rechtsgeleerde [68]even goed als door een rabijn, een christen geestelijke die naar de kanonnieke wet, of door een jurist die naar het Romeinsche recht uitspraak doet, in naam des Hemels kon worden opgelost.
De zedeleer van den Koran eindelijk kan als het volkomenste gedeelte van dit merkwaardige boek worden beschouwd. Zij is wel niet, even als de andere bouwstoffen, die er den inhoud van vormen, in een kapittel bij elkander verzameld; maar de schoonste zedekundige grondbeginselen en voorschriften loopen als gouden draden door het geheele weefsel van bijgeloof en misleiding, Ongerechtigheid, wraakzucht inbeelding, hoogmoed, logen, veinzerij, kwaadsprekerij, smaad, spot, gierigheid, verkwisting, buitensporigheid, ijdelheid, praal, wantrouwen en argwaan worden als goddelooze ondeugden verklaard; daarentegen worden milddadigheid, menschlievendheid, bescheidenheid, toegevendheid, geduld, standvastigheid, tevredenheid, oprechtheid, rechtschapenheid, tucht, vrede en waarheidsliefde, doch voor alles vertrouwen en onderwerping, als deugden aanbevolen, welke Gode het welgevalligst zijn. [69]
1 Zie Brief aan de Romeinen 13 v. 1–7.
2 Ketters.
4 Dezelfde Soera vs. 239 en 240. Hoofdstuk IV vs. 102–104.
8 X vs. 108, XXVII vs. 94, XVII vs. 16, XXXIX vs. 42, XVII vs. 19 en 20, XVIII vs. 28, 53, XXXIX vs. 55–60, XLI vs. 16, 17.
9 II, vs. 36, 37. Zie ook VII, vs, 11–19, XXXVIII vs. 72–85, en vooral XX vs. 114–124. Wij willen deze leer van de zonde en der verlossing welke met die van Pelagius zeer nauw verwant is, in geenen deele boven die der orthodoxe kerk verheffen; maar hoe moeilijk deze laatste is, bewijst reeds de omstandigheid, dat zij van Augustinus tot op onzen tijd, zeer dikwijls, zelfs door de meest geloovige theologen, aangevallen en gewijzigd werd.
10 Zie Exodus IV vs. 21 Jos. XI vs. 20. Rom. XI vs. 8–10. I vs. 28, IX vs. 17.
11 Koran V vs. 18, XIII vs. 30, 31, XLVII vs. 18, XVIII vs. 53, XVI vs. 38.
12 Makrizi bij de Sacy, Religion des Druzes I. Introduction p. IX–XII.
13 Zie Muradgea, d’Ohsson, schildering van het Ottoman rijk; vertaling van Beck, I bldz. 99–101.
14 Zie XVIII vs. 110, XXI vs. 94, XXII vs. 14, 23, en 49, V vs. 12, LXXIX vs. 38–41. LXXIV vs. 42–47, LXIX vs. 21–34, enz.
15 Zie Marraccius, bladz. 837.
16 Aangezien de Arabieren een zuiver maanjaar hebben, valt natuurlijk de Ramadhan afwisselend in alle jaartijden.
1 Koran of cour’an is lezing. Al is het voorzetsel de; boek, of boek bij uitnemendheid. Men noemt den Koran ook wel el kitâb het boek; kitub-oullah, Gods boek, kelimet-oullah, Gods woord; el tenzil, het boek van boven nedergedaald; el dhikr waarschuwing; el forkan onderscheiding (tusschen het niet verbodene en het verbodene, het goede en het slechte); el mos’haf (wetboek bij uitnemendheid).
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God2.
1. Lof aan God, meester des heelals3. 2. Den lankmoedige, den albarmhartige. 3. Rechter op den dag des gerichts. [70]4. U bidden wij aan, Uwe hulp roepen wij in. 5. Voer ons langs den rechten weg. 6. Langs den weg dergenen, die zich in Uwe weldaden verheugen4. 7. Niet langs den weg dergenen, die Uwen toorn hebben opgewekt, en niet op dien der dwalenden5.
1 Dit eerste hoofdstuk wordt al Fâtehat, of Fatihat el kitab, genoemd; hoofdstuk waarmede het boek geopend wordt. Men noemt het ook sab’ol messani, de zeven herhaalde (verzen); want de Muzelmannen spreken het meer uit dan de andere gebeden, en schrijven er de wonderbaarlijkste deugden aan toe. Zij betitelen het met verschillende grootsche namen als: het hoofdstuk des gebeds, des lofs, van dank, enz. Zij beschouwen het als den zakelijken inhoud van den geheelen Koran, en verhalen het dikwijls in hunne aandachtsoefeningen, zoowel in het openbaar als in hunne afzondering; even als de R.C. Christenen het Onze Vader.
2 Dit staat boven ieder hoofdstuk van den Koran, behalve boven het negende. De Mahomedanen spreken het uit als zij een dier slachten, bij het begin van hun gebed en bij alle belangrijke handelingen. Het is bij hen wat het teeken des kruises bij de R.C. Christenen is. Hoewel de hierboven gegeven vertaling het verschil tusschen de beide Arabische woorden niet genoeg aanduidt is die echter de meest gebruikelijke.
3 De oorspronkelijke woorden luiden, letterlijk vertaald: Heer der [70n]werelden, hoewel âlamina hier en in de andere hoofdstukken van den Koran eigenlijk de drie soorten van redelijke schepselen beteekent; zijnde: menschen, geniën en engelen. Savary vertaalt het: “Vorst der werelden.”
4 De profeten en de godsgezanten die Mahomet vooraf gingen.
5 Hiermede worden de Joden en Christenen bedoeld, voor zij van hunne primitieve instellingen afweken, maar niet de tegenwoordige belijders van den laatstgenoemden godsdienst die van de ware leer van Jezus zijn afgeweken en in een doolhof van dwaling verward zijn (Jallalo’ddin, Al Beiddawi, enz.).
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. A. L. M.2 Dit is het boek, waaromtrent geen twijfel bestaat; de richtsnoer van de godvreezenden, 2. Van hen, die de mysteriën3 gelooven, het gebed nauwlettend doen, en weldaden [71]verspreiden van de bezittingen, die wij hun verleenen. 3. Van hen, die aan openbaringen gelooven, u van boven gezonden en voor u gezonden4; van hen die aan het volgend leven5 gelooven. 4. Zij alleen zullen door hunnen Heer worden geleid; zij alleen zullen welzalig zijn. 5. Den boozen is het gelijk, of gij hun de waarheid verkondigt of niet. 6. God heeft hunne harten en ooren verzegeld, hunne oogen geblinddoekt en eene verschrikkelijke straf wacht hen. 7. Er zijn menschen, die zeggen: “Wij gelooven aan God en aan het jongste gericht,” en toch behooren zij niet tot het getal der geloovigen. 8. Zij trachten God en de geloovigen te misleiden; maar zij zullen slechts zich zelven misleiden, en begrijpen het niet. 9. Eene ziekte zetelt in hunne harten, en God zal die slechts doen toenemen6; eene pijnlijke straf blijft hun bewaard; want zij hebben de profeten7 voor leugenaars gehouden. 10. Als men hun zegt: “Verleidt de wereld toch niet”8 dan antwoorden zij: “Verre van daar, wij zijn rechtschapen lieden.” 11. Helaas! zij misleiden de wereld, maar zij begrijpen het niet. 12. Zegt men hun: “Gelooft [72]toch, gelijk zoo veel anderen gelooven,”9 dan antwoorden zij: “Zullen wij gelooven als de zotten?” Helaas! zij zelven zijn zotten, maar zij gevoelen het niet. 13. Ontmoeten zij geloovigen, dan zeggen zij: “Wij gelooven ook,” maar zoodra zij weder bij hunne verleiders10 zijn, zeggen zij: “Wij houden het met u, en deze bespotten wij slechts.” 14. Maar God zal met hen spotten: Hij zal hen langen tijd in hunne dwaling laten, onzeker heen en weder geslingerd. 15. Zij zijn het, die de dwaling voor de munt der waarheid gekocht hebben; maar hun handel heeft hun geen winst opgebracht; want zij zijn van den rechten weg afgedwaald. 16. Zij gelijken op hem, die een vuur ontsteekt11 en dat, wanneer het zijn licht op de omringende voorwerpen heeft geworpen12, door God wordt uitgebluscht, hen in de duisternis latende opdat zij niet kunnen zien. 17. Doof, stom en blind zijn zij en kunnen daarom op den afgelegden weg niet terugkeeren13. 18. Of zij zijn gelijk aan hen, die, wanneer een van regen zwangere wolk met donder en weêrlicht14 van den hemel nederdaalt, voor het gerol van den donder en omdat zij den dood vreezen, hunne ooren met hunne vingers dichtstoppen, terwijl God de ongeloovigen aan alle zijden aangrijpt. 19. Weinig is er slechts noodig, opdat de bliksem hun het gezicht ontroove; als de bliksem alles om hen heen verlicht, wandelen zij in zijn licht; wordt het weder duister om hen heen, dan staan zij onbewegelijk. Als God slechts wilde, zou Hij hen van het gezicht en gehoor berooven; want Hij is Almachtig. [73]Menschen15 dient uwen Heer, die u en uwen voorgangers heeft geschapen, opdat gij Hem vereert. 20. Hij heeft u de aarde tot een tapijt en den hemel tot een overwelfsel gegeven. Hij laat het water van den hemel stroomen, om vruchten tot uw onderhoud voort te brengen. Stel dus geen gelijke naast God, tegen beter weten aan. 21. Twijfelt gij aan het boek, dat wij onzen dienaar hebben geopenbaard, brengt dan, al is het slechts een der hoofdstukken voort, die het bevat, roept uwen getuigen buiten God16 ter hulp, indien gij waarheid spreekt. 22. Doet gij dit niet, en gij zult het niet doen, vreest dan voor de ongeloovigen het vuur dat menschen en steenen17 verteert. 23. Verkondig hun die gelooven en wel doen, dat zij tuinen tot woonplaats zullen hebben, van beken doorsneden, Iederen keer als zij eenig voedsel van de vruchten dier tuinen zullen nemen, zullen zij uitroepen: “Ziedaar de vruchten, waarmede wij ons vroeger hebben gevoed”, zoo zullen zij daarop gelijken18. Daar zullen zij reine en onbevlekte vrouwen vinden, en eeuwig zullen zij daar verwijlen. 24. Voorwaar God behoeft zich niet te schamen, vergelijkingen met insecten of nog kleinere voorwerpen te maken19. De geloovigen wisten, dat slechts waarheid [74]van hunnen Heer komt; maar de ongeloovigen zeggen: “Wat heeft God met deze vergelijkingen bedoeld? Hij doet velen daardoor dwalen en wijst anderen daardoor terecht, maar slechts de boozen zullen dwalen. 25. Die het met God aangegane verbond verbreken; die het door hem vereenigde zullen scheiden, die verderf op aarde stichten, zullen ondergaan. 26. Hoe kunt gij God verloochenen? Gij waart eens dood; Hij heeft u het leven hergeven en Hij zal u weder dooden en weder levend maken; dan zult gij eens tot hem terugkeeren? 27. Hij is het, die alles op de aarde voor u geschapen heeft, daarna den hemel uitbreidde en dien tot zeven hemelen maakte; Hij, de alwetende.” 28. Toen God tot de engelen zeide: “Ik wil een stadhouder op aarde20 plaatsen,” zeiden zij: “Zult Gij er een plaatsen, die daar wanorde sticht en bloed vergiet? Wij echter zingen Uw lof en heiligen U.” Hij zeide echter; “Ik weet wat gij niet weet.” 29. God leerde daarop aan Adam de namen van alle dingen, en vertoonde die daarop aan de engelen, zeggende: “Noem mij de namen dezer dingen indien gij oprecht zijt.” Zij antwoordden: 30. “Geloofd zijt Gij! wij weten slechts wat Gij ons hebt geleerd; want Gij zijt de Alwetende, de Alwijze.” 31. God zeide: “Adam, [75]noem hun de namen.” Toen hij (Adam) dit had gedaan, zeide God: “Heb ik u niet gezegd, dat ik de geheimen van hemel en aarde ken, en weet wat gij bekent en wat gij verbergt?” 32. En toen wij tot de engelen zeiden: “Knielt voor Adam,” deden zij het, slechts Eblis21 weigerde; hij was ongeloovig,22. 33. Wij zeiden: “o Adam bewoon den tuin23 met uwe vrouw en geniet er van wat gij wilt, maar nadert dezen boom niet24; anders zult gij zondaar zijn.” 34. Maar Satan verleidde hen en dreef hen er uit, en wij zeiden; “Weg van hier25; de een zij des anderen [76]vijand26; de aarde zal uwe woonplaats zijn en tot tijdelijk gebruik.” 35. Daarop leerde Adam woorden des gebeds van God, en hij keerde tot den Heer terug; want Hij is de lankmoedige en barmhartige. 36. Wij zeiden: Verwijdert u van hier, Ik zal u eene leiding geven; wie deze leiding volgt, zal vrees noch droefheid kennen. 37. Die deze echter niet gelooven en onze teekenen27 verloochenen, worden ten eeuwigen vure gedoemd. 38. o Kinderen Israëls28 bedenkt het goede, dat ik u heb gedaan; weest getrouw aan mijn verbond; ook ik wil daaraan getrouw zijn, en vereert slechts mij, en gelooft wat wij tot bevestiging uwer vroegere openbaring thans geopenbaard hebben, en weest niet de eersten, welk niet daaraan gelooven; en verruil het niet met nietigheden en vereert mij. 39. Kleedt de waarheid niet in het gewaad der leugen en verbergt de waarheid niet tegen beter weten aan. 40. Doet nauwkeurig het gebed, geeft aalmoezen en buigt u met hen die zich buigen29. 41. Hoe zoudt gij anders de menschen tot vroomheid aansporen, zoo gij het welzijn uwer eigene ziel vergeet. Gij leest het boek30: moet gij het dan niet [77]ook verstaan. 42. Roept geduld en gebed ter hulpe; het gebed is licht voor den geloovige. 43. Die gelooven, dat zij eens hunnen Heer zien, en tot Hem terugkeeren zullen. 44. o Kinderen Israëls, herinnert u de weldaden, die ik u heb bewezen, terwijl ik u boven alle volkeren bevoorrechtte. 45. Vreest den dag, waarop geene ziel genoegdoening voor eene andere zal kunnen geven, geene smeeking van anderen aangenomen, waarop geen losgeld ontvangen zal worden; waarop niets kan helpen. 46. Denkt er aan, hoe wij u van Pharaos volk hebben gered, dat u met hardheid onderdrukte, uwe zonen doodde en slechts uwe vrouwen31 liet leven; dit zij u een groot bewijs voor de goedheid van uwen God. 47. Gedenkt, hoe wij de zee ter uwer redding hebben gespleten en voor uw oogen Pharaos volk lieten verdrinken32. 48. Gedenkt, dat, toen ik gedurende veertig nachten met Mozes sprak, gij het kalf33 hebt aangebeden; en gij hebt snood gehandeld. 49. Wij hebben u later vergeven, opdat gij dankbaar zoudt zijn. 50. Wij gaven Mozes de schriften en de onderscheiding34, opdat gij op den rechten weg zoudt geleid worden. 51. Mozes zeide tot zijn volk: Gij hebt uwe zielen door dit kalf verontreinigd, keert tot uwen Schepper terug of doodt u zelven; dit zal uwen Schepper welgevalliger zijn. Hij zal zich weder tot u wenden; want Hij is vergevensgezind en albarmhartig. 52. En toen gij tot Mozes zeidet: O Mozes, wij willen u niet [78]eerder gelooven, dan na dat wij God met eigen oogen hebben gezien, toen kwam er straf over u, terwijl gij er naar zaagt. 53. Wij wekten u op na uwen dood, opdat gij het dankbaar zoudt erkennen. 54. Wij gaven wolken om u te overschaduwen en zonden manna en kwartels35, zeggende: eet van de heerlijke spijzen, die wij u hebben gegeven. Zij hadden ons geen leed gedaan, maar zich zelven. 55. Wij zeiden: Gaat in deze stad36, geniet naar welbehagen van hetgeen zich daar bevindt: treedt de poort aandachtig binnen, en roept uit: Vergiffenis Heer!37 Wij willen u uwe misstappen ook vergeven, en het geluk der goeden verhoogen. 56. Maar de boozen veranderen dit woord met een ander38, wat hun niet was gegeven, en wij hebben onzen toorn op de boozen uit den hemel neêrgezonden, om hunne goddeloosheid te straffen39. 57. Mozes bad God om water, en wij zeiden: “sla met uwen staf op de rotsen,” en er ontsprongen twaalf bronnen, opdat allen hunne bron zouden erkennen. Eet en drinkt van de weldaden die God u geeft, en doet geen boosheid meer op aarde. 58. Toen zeidet gij: O Mozes! wij kunnen niet langer immer dezelfde spijzen verdragen; bid uwen Heer, dat hij voor ons de vruchten der aarde doe groeien, groenten, komkommers, knoflook, linzen en uien40. Mozes antwoordde: “Verkiest gij het slechte boven het goede? keert dan naar Egypte terug, daar vindt gij wat gij verlangt.” Vernedering en armoede spreidden zich over hen uit; zij waren in den goddelijken toorn vervallen, daar zij niet aan zijne wonderen geloofden, [79]en brachten hunne profeten onrechtvaardig ter dood41. Ziedaar het gevolg van hunne weêrspannigheid en hun geweld. 59. De geloovigen, het mogen Joden, Christenen en Sabëisten42 zijn, indien zij slechts aan God en aan den oordeelsdag gelooven en wel doen, zullen door hunnen Heer beloond worden; noch vrees noch droefheid zal over hen komen. 60. Toen wij het verbond met u sloten en den berg Sinaï43 over uw hoofd verhieven, zeiden wij: Ontvangt met vastheid hetgeen wij u geopenbaard hebben; bedenkt den inhoud, en bewaart dien. 61. Maar gij zijt daarop er van afgekeerd; en had God u niet beschermd en zich over u erbarmd, dan waart ge reeds lang verdelgd. Gij wist reeds wat hun was wedervaren die den Sabbat hadden ontwijd, en tot welken wij zeiden: “Verandert in apen en zijt uit de maatschappij gestooten”44. 62. En wij lieten hen dienen tot een voorbeeld voor hunne tijdgenooten en voor hunne nakomelingen, en tot eene waarschuwing voor de vromen. 63. Toen Mozes tot [80]zijn volk zeide: “God gebiedt u eene koe te offeren,”45 toen antwoordden zij; “Spot gij met ons?” Hij zeide: “God beware mij tot de zotten te behooren.” Zij antwoordden: “Bid uwen Heer voor ons, dat hij ons duidelijk verklare welke een koe dit zijn moet.”—“God wil,” zeide hij, “Dat dit noch eene oude koe, noch een vaars zij, maar van middelbaren ouderdom. Doet derhalve wat u bevolen is.” 64. De Israëlieten antwoordden: “Bid uwen Heer, ons duidelijk te verklaren welke kleur zij moet hebben.”—“God zeide,” antwoordde hij, “zij zijn rood en geel, en aangenaam voor het oog des beschouwers.” 65. “Bid uwen Heer, ons duidelijk te verklaren hoe deze koe moet zijn; want wij vinden wel koeien die elkander gelijken, en zij zullen dan alleen goed in onze keuze geleid worden, als God het wil.” 66. Mozes hernam: “God zegt u: “Het zij eene koe die niet vermagerd is door het beploegen of besproeien van het veld, maar het zij eene zonder gebrek.” “Nu,” zeiden zij, “komt gij met de waarheid.” Zij doodden de koe, doch er ontbrak weinig aan of zij [81]hadden het niet gedaan46. 67. Indien gij iemand vermoord hebt en over de daders strijdt, dan zal God uitbrengen wat gij geheim houdt. 68. Wij bevalen den doode met een deel der koe47 te slaan48 en God zal den doode weder levend maken; Hij toont u zijne wonderen, opdat gij wijs zoudet worden. 69. Maar spoedig daarop werden uwe harten verhard; zij zijn als steenen en nog harder; want uit sommige steenen ontspringen bronnen, andere splijten en er vloeit water uit; andere zakken in elkander uit vreeze voor God; maar inderdaad, God is niet onbekend met uwe daden. 70. Meent gij thans dat zij u gelooven zullen. Maar een deel van hen heeft het woord Gods vernomen: maar zij hebben het daarna, tegen beter weten aan, verdraaid. 71. Als zij de geloovigen ontmoeten, zeggen zij; wij gelooven, doch als zij onder zich bij elkander komen, zeggen zij; wilt gij hun dan verhalen, wat God u geopenbaard heeft, opdat zij u daarover voor uwen Heer zouden bestrijden. Begrijpt gij dat niet. 72. Weet gij dan niet, dat God kent wat zij verbergen en wat zij openbaren. 73. Er zijn wel onwetende menschen onder hen, welke de schrift (de vijf boeken) niet verstaan, maar alleen de leugenachtige verhalen, en zij weten het niet. Wee hun, welke de schrift met hun eigene handen schrijven, en uit nietige winzucht zeggen49: “Dit is van God. Wee hun om hunner handen [82]schrift, wee hun om hunne winzicht. 74. Zij zeggen: als het vuur ons kwetst, zal dit slechts voor weinige dagen zijn50; zeg hun: Hebt gij deze verzekering van God? zal God om u zijne gelofte breken? Of zegt ge iets van God wat gij niet weet? 75. Waarlijk, die slechte daden51 verricht en der zonde vervalt, dien treft eeuwig vuur. 76. Die echter gelooft en goed doet, komt voor eeuwig in het paradijs. 77. Toen wij met de kinderen Israëls een verbond sloten, bevalen wij: Vereert een eenigen God, weest goed omtrent uwe ouders, bloedverwanten, weezen en armen, en wenscht den menschen slechts goeds; doet het gebed en geeft aalmoezen; doch spoedig daarop zijt gij enkelen uitgezonderd, afgevallen en daarvan afgekeerd. 78. Toen wij een verbond met u sloten, geen bloed te vergieten, niemand uit zijne woning te verdrijven, hebt gij verklaard daaraan vast te houden. 79. Doch spoedig daarop hebt gij elkander vermoord52, een deel uwer uit hunne woningen verjaagd. Gij stondt elkander bij in vijandschap en ongerechtigheid. Maar komen zij als gevangenen tot u, dan koopt gij hen weder, hoewel het u verboden was, hen uit hunne woningen te verjagen. Gelooft gij dan slechts een deel van uwe schrift en wilt gij het andere loochenen? Wie dit doet, dien zal schande treffen in dit leven, en de hardste straf op den dag der opstanding; want God is niet onopmerkzaam omtrent hetgeen gij doet. 80. Het zijn diegene welke dit leven ten koste van het toekomstig verkoopen; hunne straf wordt niet verzacht en nimmer worden zij geholpen. 81. Eens openbaarden wij Mozes de schrift, lieten hem door nog andere boden volgen, rusteden Jezus, den zoon van Maria, met kracht van overtuiging uit en wij gaven [83]hem den heiligen geest53. Maar telkens als een dezer boden iets bracht wat u niet beviel, bleeft gij halsstarrig: eenige hebt gij van bedrog beschuldigd, en anderen gedood. 82. Zij zeiden: “Onze harten zijn onbesneden,”54. Maar God heeft hen om hun ongeloof vervloekt, en slechts weinigen hebben geloofd. 83. Toen zij nu de schrift van God ontvingen, waardoor hunne vroegere schriften werden bevestigd, en hoewel zij vroeger om hulp tegen de ongeloovigen hadden gesmeekt, wilden zij toch deze loochenen, hoewel zij die kennen, Gods vloek ruste op deze ongeloovigen. 84. Voor eene nietigheid hebben zij hunne zielen verkocht. Zij loochenen de openbaring Gods55 uit nijd: want God zendt zijne gunsten aan zijne dienaren, die hem behagen. Toorn op toorn komt over hen; schandelijke straf treft de ongeloovigen. 85. Zegt men hun: Gelooft wat God heeft geopenbaard, dan antwoorden zij: Wij gelooven slechts aan datgene, wat ons werd geopenbaard56, en zoo loochenen zij al het daarop volgende, hoewel het waarheid is en het vroegere slechts bevestigt. Zeg hun: Waarom hebt gij dan, als gij geloovigen zijt de vroegere profeten Gods gedood? 86. Toen Mozes met wonderkracht tot u kwam, hebt gij desniettegenstaande een kalf vereerd en boos gehandeld. 87. Toen wij een verbond met u sloten en den berg boven u verhieven, zeiden wij: Neemt met vastheid aan wat wij openbaren, en hoort. Zij antwoorden: Wij hoorden het wel, maar wij gehoorzamen niet, en zij moesten het kalf in hun hart drinken57. Zeg hun: Een zware taak legt uw geloof u op, zoo ge er een hebt58. 88. Zeg hun: Indien gij dan eens eene bijzondere woning bij God, gescheiden van de overige menschen hoopt, dan moet gij den dood verlangen, indien gij oprecht zijt. 89. Maar nimmer wenscht gij dien, om het werk uwer handen, dewijl God de booswichten kent. 90. Gij zult vinden, dat juist zij, meer nog dan de afgodendienaars, dit leven vurig wenschen; ieder bidt dat hij duizend jaren moge leven. Maar al zou hij ook duizend jaren leven, dan nog zou hij de straf niet ontgaan want God ziet wat zij gedaan hebben. 91. [84]Zeg: Wee den vijand van Gabriël59, die u, door Gods wil de openbaring ingegeven heeft; diegeene welke gij reeds bezit, bevestigend als een richtsnoer en eene belofte voor de geloovigen. 92. Wee hem, die den vijand van God, van zijn engelen, zijne boden, van Gabriël en Michaël is. Waarlijk God is een vijand der ongeloovigen. 93. Wij hebben u overtuigende kracht van wonderen gegeven60, en niemand kan die betwijfelen dan de goddeloozen. 94. Hoe dikwijls zij ook ons geloof bezweren, een deel van hen verwerpen het toch: ja de meesten onder hen gelooven niet daaraan. 95. Toen de apostel Gods tot hen kwam, de schrift bevestigende, die hen reeds vroeger was gegeven, wierp een deel der schriftgeleerden het boek Gods achter hunnen rug, als kenden zij het niet. 96. Zij volgden de plannen, die de duivelen tegen den koning Salomo61 hadden verzonnen; en Salomo was geen ongeloovige, maar de duivels waren het, en leerden de menschen tooverkunsten, die de beide engelen van Babel: Haroet en Maroet62, waren medegedeeld. Maar zij leeren [85]deze kunst niemand, tenzij hij zegge: “Wij zijn geneigd tot de verzoeking,” wees daarom geen ongeloovige. Van hen leerde men ook wat oneenigheid tusschen man en vrouw sticht, maar zij doen niemand kwaad dan met Gods toestemming. Wat zij leeren brengt nadeel en heeft geen nut, en daarbij wisten zij, dat hij die deze kunst had gekocht, geen deel aan het leven hier namaals zou hebben. Voor een onzaligen prijs hebben zij hunne zielen verkocht. Hadden zij het geweten! 97. Ach! hadden zij maar geloofd en God gevreesd, dan ware hun een schooner loon geworden. Indien zij het hadden geweten! 98. O, gij geloovigen, zegt niet Raïna, maar Ondhorna63 en gehoorzaamt; den ongeloovigen wacht eene groote straf. 99. De ongeloovigen en de schriftbezitters wenschen, even als de heidenen, dat geenerhande gunst van uwen Heer op u nederdale; maar God beweldadigt wien hij wil; want God is almachtig. 100. Als wij verzen uit dit boek afschaffen of u doen vergeten, dan geven wij betere, of vervangen die door gelijksoortige. Weet gij dan niet dat God almachtig is. 101. Weet gij niet dat hij regeerder van den hemel en van de aarde is; en gij buiten hem geen beschermer en helper hebt? 102. Wilt gij van uwen profeet vorderen wat men eens van Mozes vorderde64? Maar wie het geloof [86]tegen het ongeloof verwisselt, is reeds van den weg afgedwaald. 103. Velen der bezitters van de schrift wenschen, dat gij, nadat gij geloovig zijt geworden, weder ongeloovig zoudt worden, uit nijd hunner zielen, daar zij de waarheid hebben gezien. Vergeeft hun, laat hen gaan, tot God gebiedt65; want God is almachtig. 104. Verricht het gebed, geeft aalmoezen; en het goede wat gij hier voor uw zielenheil doet, vindt gij eens bij God weder; want God weet wat gij doet. 105. Zij zeggen: slechts Joden en Christenen komen in het paradijs, zegt hun echter: Toont uwe bewijzen, indien gij waarachtig zijt. 106. Neen, wie zijn aangezicht tot God wendt, en deugdzaam is66, ontvangt belooning van zijnen Heer; noch vrees, noch droefheid zullen hem treffen. 107. De Joden zeggen: De Christenen gronden zich op niets, de Christenen zeggen: de Joden gronden zich op niets, en toch lezen beiden de schriften. Zij die niets kennen67, spreken evenzoo. Maar God zal eens, op den dag der opstanding, datgene beslechten, waarover zij thans oneenig zijn. 108. Wie is onrechtvaardiger dan hij, welke de tempelen beletten wil, waar Gods naam geprezen zal worden en deze tracht te vernietigen. Slechts sidderend kunnen zij die binnentreden. Zij zullen in deze wereld door smaad, in de toekomende door strenge straf getroffen worden. 109. God is Heer van Oost en West, en waar gij u heen wendt, is het oog van God68: want God is alomtegenwoordig en alwetend. 110. Eenigen zeggen; God heeft kinderen voortgebracht. Dit zij verre69! Hemel en aarde [87]behoort hem en alles gehoorzaamt hem. 111. De schepper van hemel en aarde is bezitter van alles; zoo hij slechts bezielt, indien hij slechts zegt: Wees! dan bestaat het. 112. En zij die niets kennen, zeggen: wij willen niets gelooven, tot God zelf met ons spreekt, of gij ons wonderen toont. Zóó zeiden anderen, die vóór hen bestonden; hunne harten zijn gelijk. Wij hebben reeds genoeg bewijzen gegeven voor hen die gelooven wilden. 113. Wij hebben u in waarheid gezonden, met goede tijdingen en ook straffende, maar zij die ter helle zullen gaan, zullen u zelfs niet ondervragen. 114. Maar de Joden en Christenen zullen niet eerder met u tevreden zijn, dan zoo gij tot hunnen godsdienst overgaat; zeg echter slechts: het richtsnoer dat van God komt, is het ware. En waarlijk, indien gij hun verlangen waart nagekomen, na de reeds door u verkregen kennis70, gij hadt bij God geene bescherming en geene redding gevonden. 115. Zij wie wij de schrift hebben gegeven en die haar lezen, zooals zij gelezen moet worden, gelooven er aan; die welke er echter niet in gelooven, storten zich in de ellende. 116. O Kinderen Israëls, herinnert u het goede, dat ik u heb gedaan, dat ik u boven de andere natiën bevoorrecht heb. 117. Vreest den dag waarop de eene ziel niets voor de andere vermag, waarop geen losgeld aangenomen worden, geene bemiddeling baten en geene redding zijn zal. 118. Toen God Abraham met zekere woorden beproefde71 en deze Zijne geboden vervulde, zeide God: Ik stel u aan als hoogsten priester72 voor de menschen. Hij antwoordde: En mijn gezin ook? God antwoordde: de boozen zijn niet begrepen in mijn verbond. 119. En toen wij een huis tot verzameling der menschen en een toevluchtsoord oprichtten73 zeggende: Neemt Abrahams huis74 bedeplaats, sloten wij een verbond met Abraham en Ismaël, dat zij dit huis [88]zouden reinigen, zoowel voor die welke er om heen gaan, als voor diegenen welke het bezoeken en zich er biddend nederwerpen75. 120. Toen Abraham zeide: Heer maak dit eene plaats van zekerheid en geef aan zijne bewoners, die aan God en aan het laatste oordeel gelooven, het voedsel uwer vruchten, toen antwoordde God: ook de ongeloovigen wil ik spijzen, maar slechts met weinig en hen dan in het vuur der hel drijven. Eene harde reis zal dat zijn. 121. Toen Abraham en Ismaël den grondslag voor dit huis legden, baden zij: o Heer neem het genadig van ons aan; want gij hoort en kent alles. 122. Heer, maak ons u geheel onderworpen76 en onze nakomelingen tot een u onderworpen volk; toon ons onze heilige ceremoniën en wend u tot ons; want gij zijt de genadige en barmhartige. 123. Heer zend een gezant onder hen, die hun uwe wonderen openbare, en hun de schrift77 en de wijsheid verklare en hen zuivere; want gij zijt de machtigste en wijste. 124. Wie zal afkeer voor den godsdienst van Abraham hebben? Slechts hij, wiens hart ingebeeld is. Wij hebben hem reeds op deze wereld gekozen en in de andere zal hij tot het getal der rechtvaardigen behooren. 125. Toen God tot hem zeide: wees mij onderworpen, antwoordde hij: ik onderwerp mij den meester van het heelal. 126. En Abraham leerde zijnen kinderen dien godsdienst, en ook Jacob deed dat, zeggende: O mijn kinderen! waarlijk, God heeft dezen godsdienst voor u uitverkoren; sterft niet zonder God onderworpen te zijn (muzelmannen). 127. Waart gij tegenwoordig, toen Jacob op het punt was te sterven, en tot zijne zonen zeide: Wien wilt gij vereeren na mijnen dood? Zij antwoordden: wij zullen uwen God aanbidden, en den God uwer vaderen Abraham, Ismaël en Izaak; den eenigen God; hem willen wij onderworpen zijn. 128. Dit volk is voorbijgegaan; zij hebben wat zij verdienden: gij zult mede ontvangen wat gij zult verdienen, en men zal u niet vragen wat anderen gedaan hebben. 129. Zij zeggen: weest Joden of christenen, dan zijt gij op den rechten weg. Zegt hun: Wij volgen het geloof van Abraham, den waren geloovige, die geen afgodendienaar was. 130. Zegt; wij gelooven aan God en wat hij ons heeft geopenbaard, en wat hij heeft geopenbaard aan Abraham, Ismaël, Izaak en Jacob en [89]de stammen, en aan datgene wat Mozes, Jezus en de profeten door hunnen God werd gezonden. Wij maken geen onderscheid tusschen hen, en zijn God onderworpen. 131. Gelooft gij nu wat wij gelooven, dan zijt gij op den rechten weg; dwaalt gij echter daarvan af, dan maakt gij tweespalt. God zal u ondersteunen tegen hen; want God hoort en weet alles. 132. Wij hebben Gods doop en wat is beter dan Gods leer78? Hem dienen wij. 133. Wilt gij met ons over God strijden79? Wie is onze God en de uwe? Wij hebben onze handelingen en gij de uwe, en wij zijn hem oprecht onderworpen. 134. Wilt gij zeggen dat Abraham, Izaak, Jacob en de stammen, Joden of Christenen zijn geweest? Zegt: zijt gij wijzer dan God? En wie is schuldiger dan hij, die de getuigenis verduistert welke hij van God heeft ontvangen? Maar God is niet onopmerkzaam nopens hetgeen gij doet. 135. Dit volk is voorbijgegaan; wat het verdiende, heeft het ontvangen, en ook gij zult ontvangen wat gij verdient hebt; maar men zal u niet vragen wat anderen gedaan hebben. 136. De dwazen onder de menschen zullen vragen: Wat heeft hen van hunne Kebla afgewend, welke zij vroeger aangenomen hadden80? Zegt hun; God behoort het Oosten en het Westen; hij geleidt wien hij wil op den rechten weg. 137. Zoo hebben wij u geplaatst [90]als een bemiddelend volk81, opdat gij getuigen zoudt zijn tusschen de menschen, en dat de apostel een getuigen tegen u zou wezen. 138. Wij hebben de Kebla daarom veranderd, opdat men zou kunnen onderscheiden tusschen hen, welke hem volgen en diegenen welke hem den rug toekeeren82. Menigeen hindert dit, doch niet hun die door God worden geleid. Maar God beloont uw geloof83; want God is genadig en barmhartig omtrent de menschen. 139. Wij hebben gezien, dat gij uw gezicht naar den Hemel wendt, maar wij willen het eene richting geven die u aangenaam is. Wendt daarom uw gezicht naar den heiligen tempel; waar gij u ook bevindt, wendt uw aangezicht daarheen. Zij die de schrift ontvingen, weten het wel, dat deze waarheid van hunnen Heer komt, en God is niet onopmerkzaam omtrent hunne daden. 140. En indien gij zelfs de bezitters der schrift nog zoo vele bewijzen zoudt brengen, zouden zij nog uw Kebla niet volgen; volgt dus de hunne niet. Zelfs onder hen volgt de eene den andere niet na84. Indien gij echter, na de kennis welke gij hebt opgedaan, hun verlangen zoudt volgen, dan behoordet gij tot de goddeloozen. 141. Zij die de schrift bezitten, kennen hem (onzen apostel), zoo goed als zij hunne eigen kinderen kennen85, maar velen van hen verbergen de waarheid tegen hun beter weten aan. 142. De waarheid komt van uwen Heer, behoort dus niet tot den twijfelenden. 143. Ieder volk heeft eene richting van den hemel, waarheen het zijn gezicht wendt; keert u echter tot de betere, dan zal God u eens terugbrengen, waar gij ook zijn moogt; want God is almachtig. 144. En aan welke plaats gij ook komen moogt, wendt uw aangezicht naar den heiligen tempel; want dit is de waarheid die van uwen God komt, en God is niet onopmerkzaam nopens hetgeen gij doet. 145. Van waar gij ook komen moogt, wendt uw aangezicht naar den heiligen tempel. Waar gij ook mocht zijn, wendt uw aangezicht daarheen, opdat de menschen geen voorwensel tot strijden tegen u hebben. Wat de goddeloozen betreft, vreest hen niet, maar vreest mij, opdat ik u mijne genade verleene en op den rechten weg voere. 146. Wij hebben u een apostel uit uw midden gezonden, om u onze wonderen te brengen; om u te reinigen en u het boek en wijsheid te [91]leeren, en u te onderrichten nopens datgene wat ge nog niet weet. 147. Denkt aan mij, opdat ik u gedenke. Weest dankbaar en wordt niet ongeloovig. 148. O geloovige! smeekt hulp met geduld en gebed; want God is met de geduldigen. 149. Zegt niet van hen welke op Gods weg86 gedood werden; “Zij zijn dood,” maar; “Zij leven,”87 want dit verstaat zij niet. 150. Waarlijk wij willen u beproeven door vrees en honger, en door schade, welke gij aan vermogen, leven en vruchten zult lijden. Maar verkondig heil aan de vrome lijdenden. 151. Hun die bij een ongeluk uitroepen: Wij behooren God en keeren eens tot hem terug88. 152. Over hen komt Gods zegen en barmhartigheid: zij zijn op den rechten weg. 153. Ook Safa en Merwa89 zijn gedenkstukken van God, en wie in bedevaart naar den tempel gaat of die plaats bezoekt, dien treft geen kwaad, indien hij om beiden heen gaat. Die het goede uit eigene beweging doet, zal beloond worden; want God beloont alles en is alwetend. 154. Zij die de duidelijke leer en leiding verbergen, welke wij geopenbaard en in de schrift geleerd hebben, worden van God vervloekt en, allen die vloeken, zullen hen vervloeken90. 155. Maar zij die berouw hebben, en zich beteren en terugkeeren, neem ik weder in genade aan; want ik ben genadig en barmhartig. 156. Waarlijk zij die niet gelooven en ongeloovig sterven, hun treft Gods vloek en de vloek van de engelen en van al de menschen. 157. Eeuwig zal die op hen rusten; hunne straf wordt niet verzacht [92]en nimmer zal God op hen nederzien91. 158. Uw God is een eenige God; er is geen God buiten hem, de albarmhartige. 159. In de schepping van hemel en aarde, en de wisseling van nacht en dag; in het schip dat op de zee zeilt, met hetgeen nuttig voor de menschen is, en in het water dat God van den hemel doet stroomen, om de in den nood verkeerende aarde te doen herleven, waarop hij de verschillende diersoorten verspreidt; in de verandering der winden, en de beweging der wolken, tot het verrichten van den dienst tusschen hemel en aarde92 bestemd, zijn wonderen voor nadenkende menschen gelegen. 160. Toch zijn er nog menschen, die afgoden naast God plaatsen, en deze beminnen, zooals men slechts God moet beminnen; maar zij die gelooven, beminnen God nog inniger. O mochten de ongeloovigen, wanneer de straf hen bereikt, het inzien, dat God alleen alle macht is, en dat Hij streng in zijne straffen is. 161. Wanneer de verleiden zich eens van de verleiders afzonderen93 en de straffen zien, en hoe alle banden tusschen hen scheuren. 162. Dan zullen de verleiders zeggen: Indien wij konden herleven, dan zouden wij ons van hen afscheiden, zooals zij thans ons vlieden. Zoo zal God hun hunne werken toonen, dan zullen zij zuchten van smart, maar zullen niet uit het vuur komen. 163. O menschen! geniet wat goed en geoorloofd is op aarde, en volgt niet de stappen van satan; want hij is uw verklaarde vijand. 164. Hij beveelt u het booze en schandelijke, en leert u van God zeggen wat ge niet kent. 165. Als men hun zegt: Volgt datgene wat God heeft gezonden! dan antwoordt gij: Neen, wij volgen de gebruiken onzer vaderen. Maar waren hunne vaderen dan geen onverstandigen en verkeerd geleiden? 166. De ongeloovigen gelijken op iemand, die een man roept, welke slechts den klank der stem en het geluid hoort, zonder de woorden te kunnen onderscheiden. Doof, stom en blind zijn zij, en verstaan het niet. 167. O geloovigen! geniet het goede dat wij u tot voeding hebben gegeven, en dankt God daarvoor, indien gij Hem vereert. 168. Er is u verboden, doode dieren, bloed, varkensvleesch en elk dier te eten, waarover men een [93]anderen naam dan dien van God heeft aangeroepen94. Maar hij die gedwongen, onvrijwillig of zonder boos opzet daarvan geniet, zal geene zonde begaan hebben; want God is genadig en barmhartig. 169. Hun die verbergen wat God in de schrift geopenbaard heeft, en het voor een nietig loon verkoopen, zullen de ingewanden door vuur verteerd worden. God zal hen op den dag der opstanding niet aanspreken en hen niet voor rein verklaren, en zij zullen eene strenge straf ondergaan. 170. Zij zijn het, die de ware richting voor de dwaling verwisselen en genade voor straf; maar wat zullen zij van het vuur moeten lijden. 171. Daarom zullen zij lijden, omdat God dit boek met waarheid openbaarde, en zij die daarover in strijd komen, in eene groote dwaling geraken. 172. De godvruchtigheid bestaat niet daarin, dat gij uw gezicht (bij het gebed) naar het Oosten of het Westen wendt. Godvruchtig is hij die aan God gelooft, aan den jongsten dag en de engelen, en de schrift en de profeten: die van zijn vermogen geeft aan aanverwanten; weezen en armen en de vreemdelingen, en hun die vragen; hij die gevangenen loskoopt, het gebed verricht en aalmoezen geeft; die aangegane verbintenissen nakomt; die geduldig is in tegenspoed, nood en krijgsgevaar; hij is rechtvaardig; hij is godvreezend. 173. O geloovigen! u is het vergeldingsrecht voor den doodslag voorgeschreven. Een vrije man tegen een vrijen man, een slaaf tegen een slaaf, eene vrouw voor eene vrouw95. Indien echter de broeder96 den moordenaar vergeeft, dan kan deze toch naar rechterlijke uitspraak en billijkheid bestraft worden97. 174. Dit is genade en barmhartigheid van uwen Heer. Wie dit echter overtreedt, zal eene groote straf ondergaan. 175. In deze wedervergeldingswet98 ligt uw leven, indien gij verstandig en godsvruchtig zijt. 176. U is voorgeschreven: Indien een uwer op het punt is van te sterven en vermogen [94]nalaat, zal hij daarvan, naar billijkheid99, zijne ouders door testament achterlaten. Het is een plicht voor geloovigen. 177. Die echter dit testament vervalscht, nadat hij het kent, laadt schuld op zich100. God hoort en weet alles. 178. Vermoedt men echter, dat hij die het testament achterliet, eene dwaling of eene onrechtvaardigheid heeft begaan, en zoekt men het te schikken, dan laadt men geene schuld op zich; want God is vergevend en barmhartig. 179. O geloovigen! eene vaste is u bevolen, even als die uwen voorgangers bevolen was, opdat gij godvreezend zoudt zijn. 180. Een zeker getal dagen zult gij vasten. Indien echter iemand onder u ziek of op reis is, dan zal hij een gelijk getal andere dagen vasten. Die het echter kan101 en het toch niet doet, moet daarvoor een arme voeden102. Hij die dit echter vrijwillig doet, handelt beter, en nog beter indien hij de vasten daarbij in acht neemt. Mocht gij dat inzien. 181. De maand Ramadan, waarin de Koran werd geopenbaard, als eene leiding voor de menschen en tot onderscheiding van goed en kwaad, zult gij vasten. Daarom laat hem welke onder u tegenwoordig is103 die maand vasten; doch hij die ziek of op reis is, zal later een gelijk getal andere dagen vasten. God wil het u gemakkelijk maken; hij wil slechts dat gij de bepaalde vastendagen houdt en God verheerlijkt, omdat hij u op den rechten weg geleid heeft, en dat ge hem zoudt danken. 182. Als mijne dienaren u omtrent mij ondervragen, zal ik nabij hem zijn; ik wil [95]het gebed hooren van hen die mij gelooven; doch dat zij naar mij luisteren, en mij gelooven; opdat zij langs den rechten weg geleid mochten worden. 183. Het is veroorloofd, in den nacht van den vastentijd uwe vrouwen te naderen104. Zij zijn uw deksel en gij het hunne. God weet dat gij u zelven (daarin) bedriegt, daarom keert hij tot u terug en vergeeft u dit. Nadert haar daarom en begeert ernstig wat God u veroorloofd heeft, en eet en drinkt, tot gij bij den ochtendglans een witten draad van een zwarten draad kunt onderscheiden; dan vast gij tot den nacht: nadert haar niet en brengt den tijd in het bedehuis door. Dit zijn de grenzen die God heeft gesteld105; komt die niet te nabij. Zoo leert God den mensch zijne teekenen106, opdat zij hem vreezen. 184. Verteert uw vermogen niet onder u in ijdele zaken107; besteekt den rechter niet daarmede, om het vermogen van uwe naasten onrechtvaardig, tegen uw eigen geweten, te bekomen. 185. Zij zullen u ondervragen omtrent de maansveranderingen. Antwoord; zij dienen om den mensch den tijd en de bedevaart naar Mekka te bepalen. De gerechtigheid bestaat niet daarin, dat gij uwe huizen van achteren ingaat108; maar hij is rechtvaardig, die God vreest. Gaat daarom uwe huizen door de deur binnen, en vreest God, opdat gij gelukkig moogt zijn 186. Strijdt voor Gods weg109 tegen hen die u bestrijden, maar [96]begaat geene ongerechtigheid en begint niet met de vijandelijkheden; want God bemint de zondaren niet. 187. Doodt hen overal waar gij hen vindt, verdrijft hen van waar zij u verdrijven; want de verzoeking tot afgoderij is sterker dan de doodslag. Bestrijdt hen nochtans niet in de nabijheid van den heiligen tempel: zoo ze u echter daar aangrijpen, doodt hen ook daar. Dit zij het loon der ongeloovigen. 188. Indien zij zich beteren, dan is God genadig en barmhartig. 189. Bestrijdt hen daarom, tot de verzoeking ophoudt en Gods richting gezegevierd heeft. Maar indien zij zich beteren, dan geene vijandelijkheid meer, behalve tegen de boozen. 190. Zelfs de maand Haram voor de maand Haram, en de heilige grenzen van Mekka als wedervergeldingsrecht110. Wie u vijandig aangrijpt, grijpt gij op gelijke wijze aan. Vreest God en weet dat God met hen is die hem vereeren. 191. Draagt bij tot verdediging van Gods weg, en stort u niet met eigene hand in het verderf111. Doet goed; want God bemint hen die goed doen. 192. Doet de bedevaart en bezoekt den tempel112, en indien gij belegerd zijt, brengt dan een klein offer. Scheert uw hoofd niet, tot uw offer de offerplaats bereikt heeft. Wie echter ziek is, of aan eene hoofdziekte lijdt, moet boete doen door vasten, aalmoezen geven, of een ander offer113. Indien gij veilig zijt voor vijanden, en iemand nalaat het bedehuis tot de bedevaart te bezoeken, zal hij een klein offer brengen. Wie dit echter niet kan, vaste drie dagen gedurende de bedevaarten en zeven na den terugkeer; te zamen dus tien dagen. Dit zal hij doen, wiens gezin niet in den heiligen tempel tegenwoordig is. Vreest God en weet dat hij streng in zijne straffen is. 193. De bedevaart moet in de bekende maanden geschieden114. Wie echter de bedevaart ondernemen wil, zal zich van den bijslaap moeten onthouden, even als van alle onrecht en krakeel [97]gedurende de reis. Het goede echter wat gij doet, ziet God. Voorziet u van het noodige voor de reis, doch het meest noodige is vroomheid. Daarom vereert mij, gij die verstandig zijt. 194. Het is geene zonde indien gij gunsten van uwen God afsmeekt115. Als gij met de sterke schreden den berg Arafat116 afdaalt, gedenkt dan God nabij de heilige plaats117 en denkt aan hem, daar hij u op den rechten weg heeft gebracht en gij vroeger tot de dwalenden hebt behoord. 195. Gaat dan in optocht zooals de anderen, en bidt God om genade; want God is genadig en barmhartig. 196. Als gij uwe heiligen gebruiken hebt voleindigd, denkt dan aan God, zooals gij aan uwe vaderen denkt, maar met meer eerbied. Er zijn menschen die zeggen: O Heer! geef ons ons deel in deze wereld. Deze hebben geen deel in het volgende leven. 197. Er zijn anderen die zeggen: O Heer! geef ons goed in deze en in de volgende wereld en bevrijd ons van het vuur der hel. 198. Zij zullen het deel hebben dat zij verdienen; want God is snel in het opmaken van rekeningen118. 199. Gedenkt God op de bepaalde dagen119. Die het vertrek uit de vallei van Mina zal hebben verhaast, zal niet schuldig zijn. Ook hij niet die nog langer blijft, indien hij God slechts vreest. Vreest daarom God en weet dat gij eens tot hem verzameld wordt. 200. Er is [98]een man die u verbazen zal door zijn spreken in dit leven, en die God tot getuige zal roepen over de gedachten van zijn hart; maar hij is de hardnekkigste uwer tegenstanders. 201. Zoodra hij zich echter van u verwijdert, haast hij zich, verderf op de aarde aan te richten, en vernietigt alles wat groeit en opschiet. Maar God bemint het verderf niet. 202. En indien iemand tot hem zegt: “Vrees God” dan maken zich trotschheid en misdaad van hem meester; maar de hel zal zijne belooning zijn120, en dat is eene ongelukkige rustplaats. 203. Een ander heeft zichzelven verkocht om God te behagen121. God is barmhartig voor hen die hem dienen. 204. O geloovigen neemt den waren godsdienst aan, volgt niet de voetstappen van satan, hij is uw verklaarde vijand. 205. Indien gij echter afwijkt na de u geopenbaarde teekenen, weet dan dat God almachtig en alwijs is. 206. Of verwachten de goddeloozen dat God zelf met de engelen in de schaduw der wolken tot hen zal komen. Maar het is reeds bepaald; eens zal alles tot God terugkeeren. 207. Vraag de kinderen Israëls hoeveel duidelijke teekenen ik hun heb gegeven. Wie echter Gods genade verwisselt nadat hij die bekomen heeft, voor dien is hij een strengbestraffend God. 208. Het leven in deze wereld is voor hen die niet gelooven en de geloovigen bespotten; maar zij die God vreezen, zullen boven hen staan op den dag der opstanding; want God is genadig zonder maat omtrent dengene die hem behaagt. 209. De menschen hadden vroeger één geloof, en God zond hen profeten, om hun het heil te verkondigen en met straffen te bedreigen. Door hen openbaarde hij de schrift in waarheid, om tusschen de menschen en het voorwerp hunner twist uitspraak te doen. Maar juist nadat zij de schrift hadden ontvangen, twisten zij uit nijd met elkander. En God leidt de geloovigen naar die waarheid, waarover zij twisten, naar zijnen wil; want God leidt op den rechten weg wien hij wil. 210. Gelooft gij in het paradijs te komen, zonder dat gij ondergaan hebt wat anderen voor u hebben geleden? Zij ondergingen ongeluk, tegenspoed en droefheid, zoodat de apostel en zij die met hem geloofden, uitriepen: Wanneer komt Gods hulp? Waarlijk Gods hulp is nabij. 211. Zij zullen u vragen, welke aalmoezen zij moeten geven. Zeg hun: Geeft aan ouders, verwanten, weezen, armen en reizigers. God kent het goede dat gij doet. 212. De oorlog is u voorgeschreven en gij haat dien. 213 Mogelijk dat gij haat wat u goed is en dat gij mint wat u nadeel doet. God weet het, maar gij weet het niet. 214. [99]Zij zullen u ondervragen omtrent den oorlog in de maand Haram. Antwoordt hun: Slecht is het in deze maand krijg te voeren, maar af te wijken van Gods weg, hem niet getrouw te zijn en den heiligen tempel, en zijn volk er uit te verdrijven, is nog veel slechter. De verzoeking (tot afgoderij) is erger dan de krijg (in de heilige maand). Zij zullen niet ophouden u te bestrijden, tot het hun gelukt is, u van uw geloof af te brengen; maar degene onder u, die van zijn geloof afvallig wordt en als ongeloovige sterft, diens werken zullen op deze en op de volgende wereld te vergeefs zijn. Zij zullen ter hel gedoemd wezen en eeuwig daarin blijven. 215. Zij echter die gelooven en hun land verlaten, en strijden voor Gods zaak, zij mogen op Gods genade hopen; want God is genadig en barmhartig. 216. Zij zullen u ondervragen omtrent wijn122 en gelukspel123. Zeg hun: In beiden is groote zonde, maar ook nut voor de menschen124; maar de zonde is grooter dan het nut. Zij zullen u vragen, wat zij aan aalmoezen moeten besteden. 217. Antwoord hun: Uw overvloed. Zoo heeft God u zijne teekens geopenbaard, opdat gij zoudt nadenken. 218. Over deze en de volgende wereld. Zij zullen u vragen omtrent weezen. Zeg hun: Het beste is goed met hen te handelen. 219. Zoodra gij u met hen inlaat, zijn zij uwe broeders. God weet den gerechtige van den ongerechtige te onderscheiden, en indien God wil, kan hij u bedroeven; want God is machtig en wijs. 220. Huwt niet met vrouwen die afgoden dienen, tot zij geloovig geworden zijn; waarlijk een slavin die gelooft, is beter dan eene vrije die niet gelooft; zelfs indien deze u meer behaagt. Huwt ook geene aan een afgodendienaar uit, tot hij geloovig is geworden; want eene geloovige slaaf is beter dan een vrije afgodendienaar; zelfs indien deze u meer bevalt. 221. Zij noodigen u tot het vuur der hel. God noodigt u tot het paradijs en tot de vergiffenis, zooals hij wil. Hij verklaart de menschen zijne teekens, opdat zij hem gedenken. 222. Zij zullen u ondervragen omtrent de maandelijksche reiniging der vrouwen. Zeg hun: Dit is een onreinheid. Scheidt u daarom gedurende de maandelijksche reiniging van de vrouwen af; komt haar niet nabij, tot zij gereinigd zullen zijn. Maar [100]als zij gereinigd zijn, gaat dan tot haar, zoo als God u heeft bevolen. Want God bemint hen die berouw hebben en de reinen. 223. Uwe vrouwen zijn uw veld. Gaat in uw veld zoo als gij wilt, maar doet eerst iets wat goed is voor uwe zielen. Vreest God en weet dat gij eens voor hem zult verschijnen. Kondigt de geloovigen goede daden aan. 224. Maakt God niet tot onderwerp uwer eeden, dat gij rechtvaardig, vroom en vredebevorderend zult zijn; want God weet en hoort alles. 225. God zal u niet straffen voor een onbedacht woord in uwe eeden; hij zal u straffen voor de voorbedachtzaamheid uws harten. God is genadig en mild. 226. Hun die de gelofte afleggen, zich van hunne vrouwen te onthouden, is het vergund, zich vier maanden te bedenken; nemen zij dan die gelofte terug, dan is God verzoenend en barmhartig. 227. Besluiten zij bepaald tot eene echtscheiding, dan ziet God het en weet het. 228. De vrouwen die gescheiden zijn, zullen zoo lang wachten, tot zij driemaal hare reiniging gehad hebben, en zij zullen niet verbergen, wat God in haar lichaam heeft geschapen, als zij aan God en aan den jongsten dag gelooven. Hare mannen zullen rechtvaardiger zijn, door haar in dien staat te hernemen indien zij hereeniging verlangen. Zij zullen dan wederkeerig naar het rechtvaardige voorschrift omgaan; maar de man heeft de macht over de vrouw, God is machtig en wijs. 229. De echtscheiding mag tweemaal plaats hebben; dan moet hij haar met rechtvaardigheid behandelen, of met edelmoedigheid ontslaan. Het is u niet veroorloofd iets te behouden wat gij haar hebt geschonken, tenzij gij beiden vreest, Gods geboden niet te kunnen vervullen. Vreest gij echter Gods geboden niet te kunnen vervullen, dan is er geene zonde in, dat zij zich door haar weduwgift loskoope. Dit zijn de geboden Gods (overtreedt die niet); wie die overtreedt, behoort tot de zondaren. 230. Scheidt hij zich nogmaals (ten derden male) van haar, dan mag hij haar niet weder terug nemen, of zij moest weder met een ander man getrouwd en van dien gescheiden zijn125; dan is het geene zonde, indien zij zich weder vereenigen, als zij meenen Gods geboden te kunnen vervullen. Dit zijn de geboden Gods, welke hij het volk heeft bekend gemaakt, dat verstandig is. 231. Maar indien gij u van uwe vrouwen scheidt en zij hebben haren voorgeschreven tijd vervuld, dan moet gij haar met billijkheid behouden, of met edelmoedigheid ontslaan. Houdt haar echter niet met geweld terug, om onrechtvaardig omtrent haar te handelen. Wie dit doet, bezondigt zijne eigene ziel. Maakt de teekenen van God niet tot spotternij, en herinnert u Gods weldaden jegens u, en dat hij het boek en de wijsheid tot u gezonden heeft tot onderricht. Vreest God en beseft dat hij alwetend is. 232. Indien gij u van [101]uwe vrouwen scheidt, en zij hebben den haar voorgeschreven tijd vervuld, verhindert haar dan niet een anderen man te nemen, indien zij zich naar billijkheid willen vereenigen. Dit is tot onderricht van hen onder u, die aan God en den jongsten dag gelooven. Dit is gerechter en reiner126 voor u God weet, maar gij weet niet. 233. Moeders zullen hare kinderen twee volle jaren zogen, indien de vader wil dat de zoging volkomen zij. De vader zal verplicht zijn, haar voeding en kleeding naar billijkheid (gedurende dien tijd) te geven. Niemand is echter verplicht, boven zijne krachten te gaan. Noch de moeder zal in hare belangen ten opzichte van het kind benadeeld worden, noch de vader. De erfgenaam van den vader heeft dezelfde plichten. Indien de echtgenooten verkiezen, het kind (vóór den bepaalden tijd) te spenen, zal dit geene zonde zijn. En indien gij verkiest, eene min voor het kind te nemen, zal dit geene zonde zijn, ingeval gij haar ten volle betaalt wat gij haar hebt beloofd. Vreest God en weet dat hij alles weet wat gij doet. 234. Indien zij die sterven vrouwen nalaten, moeten deze vier maanden en tien dagen wachten.
Is deze tijd verloopen, dan is het geene zonde, als zij naar billijkheid met zich zelven handelen. God weet wat gij doet. 235. Ook is er geene zonde in, zoo gij vóór dezen tijd127 openlijk eene vrouw ten huwelijk vraagt of dit voornemen in uwen boezem verborgen houdt. God kent uwe wenschen. Doet haar echter geene beloften in het geheim, dan wanneer gij dit met kuische woorden doet. 236. Gaat echter de verbintenis zelve niet aan, tot de bestemde tijd is verloopen: weet, dat God kent wat in uwe harten geschiedt, en weet, dat hij genadig en barmhartig is. 237. Ook is het geene zonde, zich van de vrouw te scheiden, zoo lang gij haar niet aangeraakt of haar nog geene huwelijksgift toegekend hebt; doch dan moet gij, de rijke en de arme, ieder naar omstandigheden en billijkheid, voor haar onderhoud zorgen. Dit is de plicht der rechtvaardigen. 238. Verstoot gij eene vrouw vóór gij haar hebt aangeraakt, maar nadat gij haar eene huwelijksgift hebt toegekend, dan zult gij haar de helft geven van hetgeen gij haar toegekent hebt, behalve wanneer zij, of hij die het huwelijks-contract in handen heeft, van alles afziet. Zijt gij echter toegevend, dan nadert gij de vroomheid des te meer. Vergeet de edelmoedigheid niet onder u. God ziet wat gij doet. 239. Neemt het gebed in acht; vooral het middengebed128. Bidt God met eerbied. 240. Vreest gij (eenig [102]gevaar, bidt dan) te voet of te paard; zijt ge in zekerheid, gedenkt dan God, die u heeft geleerd wat gij nog niet wist. 241. Zij onder u die sterven en vrouwen achter laten, moeten haar onderhoud voor een jaar achter laten, zonder haar uit het huis te verdrijven. Verlaten zij het vrijwillig, dan hebt gij er geene zonde van, indien zij naar billijkheid met zich zelven handelen. God is machtig en wijs. 242. De gescheiden vrouwen zijt gij mede verplicht naar billijkheid te onderhouden, zoo als het den godvruchtige betaamt. 243. Dit heeft God u duidelijk voorgeschreven, opdat gij het zoudt verstaan. 244. Hebt gij hen nog niet beschouwd die hunne woningen verlieten (zoo waren er duizenden) uit vrees voor den dood129. God zeide tot hen: Sterft. Daarop wekte Hij hen weder op; want God is genadig voor de menschen, doch het grootste gedeelte hunner bedankt hem niet voor zijne weldaden. 245. Kampt voor des Heeren godsdienst, en beseft dat God alles hoort en kent. 246. Wie wil God tegen goede renten leenen? Veelvoudig verdubbeld geeft hij het hem weder; want God verbreidt en beperkt zijne weldaden naar zijnen wil, en tot hem keert gij eens terug. 247. Hebt gij nog niet teruggeblikt op de vergadering der kinderen Israëls, na den tijd van Mozes, toen zij tot den profeet zeiden: stel een koning over ons, dat wij voor des Heeren godsdienst mogen strijden. Hij antwoordde; Zult gij misschien niet weigeren te vechten, als u de oorlog bevolen wordt? Zij antwoordden; Zouden wij niet kampen voor den godsdienst onzes Heeren; wij die uit ons land verdreven en van onze kinderen gescheiden zijn? Toen hun nu echter de krijg werd bevolen, vloden zij op weinigen na. Maar God kent de goddeloozen. 248. En hun profeet zeide tot hen: Waarlijk, God heeft Talut130 als koning over u gesteld; toen zeiden zij: Hoe zal hij over ons regeeren, daar wij den schepter meer waardig zijn dan hij; daarbij bezit hij geene rijkdommen? De profeet zeide: God heeft hem voor u gekozen; hij heeft hem uitgerust met voordeelen van geest en lichaam. God geeft de regeering wien hij wil: God is goed en wijs. 249. De profeet zeide tot hen: [103]een teeken van zijn rijk zal zijn, dat de arke131 waarin de Godheid woont, tot u zal komen en ook de reliquieën, welke door de gezinnen van Mozes en Aäron zijn achtergelaten. Engelen zullen u die brengen. Dit zijn teekenen voor u, indien gij geloovig zijt. 250. Toen nu Talut met zijne soldaten uittrok, zeide hij: God wil u aan de rivier beproeven. Wie daaruit drinken zal, is niet met mij, doch wie daaruit niet drinkt, zal met mij zijn. Hij die echter met de vlakke hand een weinig daaruit schept, is daarvan uitgezonderd. Maar op weinigen na dronken allen daaruit132. Toen zij nu de rivier waren overgetrokken, hij en die met hem geloofden, riepen zij: Wij hebben heden geene kracht tegen Jalut133 en zijne soldaten. Zij echter die geloofden dat zij God eens zouden zien, zeiden: Hoe dikwijls heeft niet reeds een klein leger, door Gods hulp, een talrijker leger overwonnen. God is met de geduldig volhardenden. 251. Toen zij nu tot den strijd met Jalut en zijn leger optrokken, zeiden zij: O Heer! stort geduld over ons uit, sterk onzen voet en help ons tegen dit ongeloovige volk. 252. Door Gods wil overwonnen zij, en David doodde Jalut. En God gaf hem het rijk134 en wijsheid, en leerde hem, wat hij wilde. Zou God den mensch niet door den mensch binnen de grenzen houden, dan ware de aarde reeds verdorven. Maar God is genadig voor zijne schepselen. 253. Dit zijn de teekens van God, en wij openbaren u die in waarheid; want gij behoort tot de gezanten. 254. Onder de apostelen hebben wij eenigen boven de anderen bevoorrecht. Met eenige sprak God zelf, anderen bevoorrechte hij nog meer. Jezus, den zoon van Maria, gaven wij kracht van teekenen en versterkten hem met den heiligen geest135. Indien God gewild had, dan zouden de later levenden, nadat hun zulke duidelijke teekens waren geopenbaard, niet van meening verschillen. Maar zij zijn van verschillende meening. Eenige gelooven, anderen gelooven niet. En indien [104]het Gode behaagd had, zouden zij niet onder elkander strijden; maar God doet wat hij wil. 255. O geloovigen! geeft aalmoezen van hetgeen wij u schonken, tot de dag komt, waarop noch onderhandeling, noch vriendschap, noch bemiddeling zal zijn. Goddeloozen zijn de ongeloovigen. 256. God is de eenige God; buiten hem is geen God, de levende, de eeuwige136. Hem bereikt sluimering noch slaap; hem behoort wat in den hemel en op aarde is. Wie kan bemiddelaar bij hem zijn, zonder zijnen wil. Hij weet wat was, wat zijn zal, en de menschen begrijpen slechts wat hij hun wil leeren. Zijn troon137 is over hemel en aarde uitgespreid en de bewaking van beide kost hem geene moeite. Hij is de verhevene, de machtige. 257. Laat geen dwang in den godsdienst zijn. De ware leer is duidelijk van de valsche onderscheiden138. Wie echter den Tagut139 verloochent en aan God gelooft, rust op eenen staf, die nimmer breekt. God hoort en weet alles. 258. God is de beschermer der geloovigen. Hij voert hen door de duisternis naar het licht. 259, De ongeloovigen hebben geen anderen beschermer dan Tagut, die hen uit het licht in de duisternis zal leiden; zij behooren tot de hel, en eeuwig zullen zij daar blijven. 260. Hebt gij niet teruggeblikt op hem die met Abraham over God heeft gestreden140, omdat God hem het koninkrijk had gegeven. Toen Abraham zeide: Mijn Heer is hij, die leven geeft en doodt. Hij antwoordde: Ook ik maak levend en dood. Abraham hernam: Hij brengt de zon van het Oosten hierheen, breng gij die van het Westen. De ongeloovige was verbaasd. God leidt de ongeloovigen niet. 261. Of hebt ge niet teruggeblikt op hem die eene stad voorbijging, welke verwoest was tot op den grond141 en zeide: Hoe [105]zal God deze stad weder doen herleven, nadat zij dood is. God liet hem daarop sterven en eerst na honderd jaren weder opstaan, en God zeide: Hoe lang hebt gij hier doorgebracht? Hij antwoordde: een dag of een deel van eenen dag. En God zeide: Neen, gij hebt hier honderd jaren doorgebracht. Zie op uw spijs en drank; zij zijn nog niet bedorven. Zie ook op uwen ezel, dien wij als een teeken voor de menschen hebben ingesteld. Betracht deze hoe wij die opwekken en met vleesch omkleeden. Toen hij dit wonder zag, riep hij uit: Nu weet ik dat God almachtig is. 262. Toen Abraham zeide; O Heer! toon mij, hoe gij de dooden levend maakt142, zeide God: Wilt gij nog niet gelooven? Ja, maar ik vraag slechts om mijn hart gerust te stellen. God zeide, neem daartoe vier vogels143, snijd die in stukken, en leg een stuk op iederen berg; roep ze daarna en zij zullen tot u komen; want weet dat God almachtig en wijs is. 263. Zij die hun vermogen voor des Heeren Godsdienst verteren, gelijken een zaadkorrel, die zeven aren oplevert en waarvan iedere aar honderd zaadkorrels voortbrengt; want God geeft tweevoudig aan hen die hem behagen; God is goed en wijs. 264. Zij die hun vermogen voor des Heeren Godsdienst verteren en die gaven niet terugvorderen, en ook geen strijd daarom beginnen, zullen door hunnen Heer beloond worden; hun treft vrees noch droefheid. 265. Woorden van vriendelijkheid en vergeving zijn beter dan eene aalmoes door onvriendelijkheid gevolgd144. God is rijk en genadig. 266. O geloovigen! maakt uwe aalmoezen toch niet ijdel door verwijtingen of onvriendelijkheid, evenals diegenen, welke slechts aalmoezen geven, opdat de lieden het zullen zien, maar niet aan God en aan den jongsten dag gelooven. Zij gelijken de kiezelsteenen die op de aarde liggen; het moge er op regenen, zij blijven toch hard. Hunne zaken zullen hun geene winst aanbrengen; want God leidt de ongeloovigen niet. 267. Zij echter die aalmoezen geven om God te behagen en tot heil hunner zielen, gelijken [106]eenen tuin, die op eenen heuvel ligt waarop een sterke regen valt, en die zijne vruchten tweevoudig voortbrengt; en indien er geen regen op valt, wordt hij toch door den dauw bevochtigd, God ziet wat gij doet. 268. Begeert een uwer een tuin te hebben met palmboomen en wijnstokken145, door beken besproeid, waarin alle soorten van vruchten voorkomen; dat door hem een hooge ouderdom worde bereikt; dat hij kinderen hebbe die hem gelijk zijn, en dat een vreeselijke storm met vlammen dien tuin verwoeste? Zoo verklaart God u zijne teekens, opdat gij zoudt nadenken. 269. O geloovigen! geeft aalmoezen van de goede zaken die gij verworven hebt, en van datgene wat wij voor u uit de aarde hebben doen voortkomen, en zoekt niet het slechtste voor aalmoezen uit. 270. Zoo als gij zelven het niet hebt ontvangen, of het moest door wederzijdsch goedvinden zijn met hem die het u aanbood. Weet, dat God groot en hooggeprezen is. 271. Satan bedreigt u met armoede146 en beveelt u met schandelijkheden. God belooft u vergeving en rijkdom, en waarlijk God is mild en wijs. 272. Hij geeft wijsheid aan wien hij wil, en degene die de wijsheid heeft ontvangen, bezit een groot goed; maar slechts de wijzen bedenken dit. 273. Wat gij aan aalmoezen geeft en wat gij gelooft, God weet het; zondaren worden niet beschermd. Maakt gij uwe aalmoezen bekend, het is goed; maar zoo gij verbergt wat gij den armen geeft, dan is het nog beter. Dit zal al uwe zonden uitwisschen. God weet wat gij doet. 274. Gij zijt niet verplicht hen terecht te wijzen, God leidt wien hij wil. Wat gij aan aalmoezen geeft is voor uw heil; wat gij geeft, geeft het met het doel, Gods aangezicht te zien147. Wat gij den armen goed doet, zal u eens betaald worden, en gij zult niet onrechtvaardig behandeld worden. De armen die in den godsdienstoorlog bezig zijn, kunnen het land niet doorloopen om hun onderhoud te zoeken. De onwetenden houden hen om hunne bescheidenheid voor rijk. Aan hunne merken zult gij hen erkennen148; zij vragen niet met onbescheidenheid. Het goede wat gij hun doet is God bekend. 275. Zij die nacht en dag aalmoezen van hun vermogen geven, in het geheim en openbaar, zullen hun loon van den Heer ontvangen, en vrees noch droefheid zal hen bereiken. 276. Zij, die van woeker leven, zullen eens weder opstaan, als bezetenen, die door Satan zijn aangeraakt, en wel omdat zij zeggen: “Koophandel staat gelijk met woeker.” Maar [107]God heeft den handel veroorloofd en den woeker verboden. Wie nu, door Gods waarschuwing, zich daarvan onthoudt, ontvangt vergeving voor het verledene, en zijn lot wordt dan door Gods wil geregeld. Zij echter die tot den woeker terugkeeren, zullen deelgenooten der hel zijn: eeuwig zullen zij daarin blijven. 277. God geeft den woeker geen zegen, de aalmoezen zal hij vermeerderen. God bemint de Goddeloozen niet. Zij die gelooven, goed doen, het gebed verrichten en aalmoezen geven, hebben loon van hunnen Heer te verwachten, en vrees noch droefheid zal hen bereiken. 278. O geloovigen! vreest God en geeft den woeker149 terug, dien gij in handen hebt, voor zoo ver gij geloovigen zijt. 279. Doet gij dit echter niet, verwacht dan den oorlog met God en zijnen apostel. Maar bekeert gij u, dan zal u uw kapitaal verblijven. Doet niemand onrecht, dan zal u geen onrecht geschieden. 280. Valt een schuldenaar de betaling moeilijk, wacht dan tot zij hem gemakkelijker is; schenkt gij zijn schuld hem echter, als aalmoes, des te beter voor u; indien gij het weet. 281. Vreest den dag waarop gij tot God zult terugkeeren, dan ontvangt iedere ziel het loon dat zij verdient, en niemand zal onrecht gebeuren. 282. O geloovigen! indien gij bij eene schuld u voor een bepaalden tijd verbindt, doet het dan schriftelijk. Een schrijver schrijve dit nauwkeurig voor u neder. De schrijver schrijve alleen en niet anders dan zoo als het hem door God geleerd is. Laat hem schrijven zoo als de schuldenaar het hem voorzegt, naar waarheid; hij vreeze God zijnen Heer en vervalsche niets. Is echter de schuldenaar dwaas of zwak, of kan hij zelf niet voorzeggen, dan zegge zijn voogd150 naar waarheid, en neme twee mannen onder u tot getuigen. Kent gij geene twee mannen, neemt dan een man en twee vrouwen, van die welke u geschikt voorkomen, tot getuigen; indien zich eene dezer (vrouwen) vergist, kan de andere haar helpen. De getuigen mogen niet weigeren, indien zij geroepen worden. Versmaadt het niet op te schrijven, hetzij een groote of kleine schuld, met het tijdstip van betaling. Dit zal rechtvaardiger zijn in het oog van God; het dient tot verzekering en neemt allen twijfel weg. Maar is het eene zaak, die gij dadelijk tusschen u beiden afmaakt, dan zal het geene zonde zijn indien gij niets opschrijft; maar neemt getuigen indien de een den ander iets verkoopt. Maar doe den schrijver noch den getuige geweld. Handelt gij echter anders, dan begaat gij eene zonde. Vreest God: hij zal u onderrichten; want hij weet alles. 283. Zijt gij echter op reis en vindt gij geen schrijver, neemt dan een onderpand. Vertrouwt echter de een den ander zonder dat, dan geve hij, wien het vertrouwd werd, het vertrouwde weder terug [108]en hij vreeze God. Weiger geene getuigenis. Wie het verbergt, heeft een boos hart, en God weet wat gij doet. 284. Gode behoort wat in den hemel en op aarde is. Hij zal u rekenschap vragen van hetgeen in uwe harten is, hetzij gij het openbaar maakt of verbergt. Hij zal vergeven en bestraffen wien hij wil; want God is almachtig. 285. De profeet gelooft aan hetgeen hem geopenbaard is, en alle geloovigen gelooven aan God, aan zijne engelen, aan zijne schrift en aan zijne profeten. Zij zeggen: Wij maken geen onderscheid tusschen zijne profeten151. Wij hooren en wij gehoorzamen. U, o Heer bidden wij om genade; want tot U keeren wij terug. 286. God dwingt niemand boven zijne kracht te gaan; maar het loon van het goede en kwade hetwelk men gedaan heeft, zal men ontvangen. O Heer! bestraf ons niet, indien wij door verzuim of vergissing gezondigd hebben. Leg ons het juk niet op, dat gij hun hebt opgelegd, die vóór ons leefden152. O Heer, leg ons niet meer op, dan wij dragen kunnen. Wees ons genadig, vergeef ons, erbarm u onzer. Gij zijt onze beschermer. Help ons tegen de ongeloovigen.
1 Dit hoofdstuk werd de Koe genoemd, omdat daarin, onder anderen, van de roode koe sprake is, die Mozes den kinderen Israëls gebood te slachten.
2 Een groot deel der hoofdstukken van den Koran dragen als titel, of in het eerste vers, eenige afzonderlijk staande letters. Naar de Mahomedanen gelooven, zijn het de bijzondere teekenen van den Koran, die vele diepe geheimen verbergen; welker ware beteekenis nog aan geen sterveling is geopenbaard, behalve aan hunnen profeet. Eenigen zeggen, dat het beteekent Allah latif magid: God is genadig en moet verheerlijkt worden; of Ana bi mihi, aan mij en van mij, of Ana Allah älan, ik ben de wijste God. Anderen weder zeggen, dat Amur li Much is eene verkorting van Amur li Mahomet (zeide mij Mahomet), en dat het door den schrijver van Mahomet er bijgevoegd zou zijn.
3 Eigenlijk beteekent dit de zaken die afwezig, op een grooten afstand, of onzichtbaar zijn, zoo als: het paradijs, de hel, de opstanding en al wat op het punt van godsdienst, bovenzinnelijk is.
4 De Muzelmannen gelooven dat God niet alleen geschreven openbaringen heeft gegeven aan Mozes, David, Jezus en Mahomet, maar ook aan vele anderen profeten (zie Reland, de Relig. Mohan, bladz. 34 en Dissert. de Samaritanis, pag. 34. enz.) maar zij herkennen geen die, den Koran voorafgegaan zijnde, thans voorhanden zijn, uitgenomen den Pentateuchus van Mozes, de psalmen van David en het evangelie van Jezus, welke, naar zij nog zeggen, voor Mahomets tijd door de Joden en Christenen bedorven en vervalscht zijn, waarom zij dan ook onze tegenwoordige afschriften daarvan voor onecht verklaren.
5 Het oorspronkelijk woord al-âkherat beteekent eigenlijk het laatste gedeelte eener zaak, en overdrachtelijk het toekomstige leven, de laatste of toekomstige toestand na den dood, en is het tegenovergestelde van aldonya, deze wereld, en aloula het tegenwoordige leven. Het hebreeuwsche woord אחרית (acharith), van denzelfden stam, wordt door Mozes in die beteekenis gebruikt, en is met de woorden: laatste einde vertaald (Numeri XXIV : 20, Deuter. VIII : 16).
6 Overal in den Koran, bedoelt Mahomet met de menschen wier harten door ziekte zijn aangedaan, de huichelaars, of de menschen van een twijfelachtig en wankelend geloof. Hier en elders volgt hij dikwijls de andere gewijde schrijvers na, met God de bekeering der boozen te doen voorkomen, door op den geest van deze te werken.
7 Wij hebben het arabische woord ressoel, bode, afwisselend door profeet, gezant of bode vertaald.
8 Letterlijk vertaald zou dit moeten luiden: Verderft toch niet op de aarde: waaronder door sommigen misdaden, als: roof, geweld, ongebondenheid en afgodendienst, door anderen de verbreiding eener valsche leer en het bederven van de grondbeginselen des volks wordt verstaan. Om het contrast des te beter te doen uitkomen tusschen dezen zin en die waarmede het vers wordt besloten, zou men dit laatste moeten vertalen met de woorden: Verre van dat; wij verbeteren, of, gelijk anderen dit doen, met de woorden wij zijn hervormers, die door leer en voorbeeld ware vroomheid bevorderen.
9 De eerste metgezellen en volgelingen van Mahomet (Jallalo’ddin).
10 Letterlijk vertaald zou dit moeten luiden: met hunne duivelen. Het arabische woord cheïtan, satan wordt niet alleen gebruikt voor satan of duivel: hier doelt het op de joodsche en christelijke geestelijke. Mahomet maakt hier gebruik van het recht, dat de ijveraars voor de meeste godsdiensten zich toeëigenen, om de belijders van andere godsdiensten te smaden.
11 Hier vergelijkt Mahomet hen, die niet in hem gelooven, bij dengeen, die een vuur tracht te ontsteken, doch die zijne oogen sluit; opdat hij het niet zie, zoodra het opvlamt en licht geeft.
12 De tekst schijnt hier onvolmaakt te zijn, en aangevuld te moeten, worden met de woorden: hij wendt zich af, hij sluit zijne oogen of iets dergelijks.
13 De uitleggers geven aan deze woorden de beteekenis van: zij zullen zich niet bekeeren.
14 Hier vergelijkt Mahomet de ongeloovige Arabieren bij menschen, die in een vreeselijken storm zijn. Om de schoonheid van deze vergelijking te begrijpen, moet men weten; dat de mahomedaansche leeraren zeggen, dat het onweder een afbeelding of beeld van den Koran zelf is; de donder beteekent de bedreigingen die in dat boek voorkomen, het weêrlicht de beloften en de duisternis de mysteriën. De angst voor de bedreigingen doen hen hunne ooren dicht stoppen; als de beloften hun worden voorgelezen, wachten zij met genoegen: maar wanneer er iets geschiedt, dat geheimzinnig of moeielijk te gelooven is, staan zij stil, en willen zich niet er aan onderwerpen, geleid te worden.
15 Als een prediker in de moskee, of een Arabisch redenaar het volk aanspreekt, gebruikt hij de woorden: o Menschen, d.i. o, gij, die naar mij luistert. Op dezelfde wijze worden die woorden in den Koran niet gericht tot alle menschen, tot de stervelingen, maar tot de bewoners van Mekka of van Medina, voor welke Mahomet predikte. Al het gesprokene van Mahomet, zijne leerstellingen, enz. bezitten het eigenaardige, dat zij van een actuële en beperkte toepassing op de volkeren van Arabië zijn, zonder zich over de andere volkeren, kortom over de geheele menschheid uit te strekken. De uitleggers doen echter opmerken, dat de woorden: “o Menschen!” meer bijzonder op de bewoners van Mekka zijn toegepast, terwijl de bewoners van Medina met de woorden: o geloovigen, o gij, die gelooft, worden aangesproken. De bewoners der stad van Mahomet volhardden nog in den afgodsdienst, toen de bewoners van Medina, reeds den nieuwen profeet hadden aangenomen.
16 Volgens sommigen: uwe valsche goden of afgoden. Gewoonlijk worden echter de woorden min douni-’illahi vertaald met: behalve God. Mahomet beschuldigt de Arabieren niet, uitsluitend en volstrekte goden te aanbidden maar onder Gods leer, die van andere godheden te mengen. Even zoo stemden de helden der klassieke oudheid er gaarne in toe, den God der Christenen en zijn Zoon onder de godheden van den Olympus te plaatsen, maar niet om hun veelgodendom geheel op te offeren. Dit spruit uit verschillende plaatsen van den Koran voort, waar de afgodendienaars geacht worden de werking van het Opwezen te erkennen.
17 D.i. de steenen afgodsbeelden.
18 Sommige uitleggers (o.a. Jallalo’ddin) komen met die verklaring overeen, veronderstellende, dat de vruchten van het paradijs, hoewel van verschillende grootte, nochtans in kleur en uiterlijk aanzien overeen komen.
19 De Arabieren verweten Mahomet, onder de ernstige leeringen [74n]beelden uit platte zakken te mengen; Mahomet verdedigt zich hier tegen dit verwijt.
20 Betreffende de schepping van Adam, hier bedoeld, hebben de Mahomedanen verschillende bijzondere overleveringen. Zij zeggen dat de engelen Gabriël, Michaël en Israfil, de eene na den andere, door God werden gezonden, om, voor dat doel, zeven handen aarde van verschillende diepten en kleuren te halen (voor de verschillende menschenrassen volgens Al Termedi, naar eene overlevering van Abu Musa al Ashasi), maar de aarde voor de gevolgen vreezende, en begeerende, dat zij God hare vrees zoude voorstellen, dat het schepsel hetwelk God had geboden te vormen, tegen Hem zou opstaan en Zijne vervloeking op haar zou nederzenden, keerden de engelen terug, zonder Gods bevel te volbrengen, waarop Hij Azraïl met denzelfden last nederzond, die de opdracht zonder wroeging volbracht: weshalve God dien engel opdroeg, de zielen van de lichamen te scheiden. Hij werd daarom de engel des doods genoemd. De aarde die hij had genomen, was in Arabië gehaald, op eene plaats tusschen Mekka en Taïf, waar zij, na eerst door de engelen gekneed te zijn, door God zelf tot een menschelijken vorm werd gebracht, en gedurende veertig dagen, of, zoo als andere zeggen, een aantal jaren, daar werd gelaten om te drogen (vergelijk den Koran 45e hoofdstuk). In dien tusschentijd werd deze dikwijls door de engelen bezocht, en door Eblis, later duivel, toen een der engelen, die het dichtst bij Gods tegenwoordigheid zijn geplaatst als de anderen. Deze echter, niet tevreden dit te zien, schopte den vorm met den voet, tot hij geluid gaf, en wetende dat God dit schepsel had bestemd om zijn beheerscher te zijn, nam hij een geheim besluit, het nimmer als zoodanig te erkennen. Hierna bezielde God de kleivorm, en beschonk hem met eene verstandelijke ziel: en toen hij hem in het paradijs had geplaatst vormde hij Eva uit zijne linkerzijde. (Khond Amir, Jallalo’ddin Comment, in Coran, enz. d’Herbelot. Biblioth. Orient bladz. 55).
21 Het oorspronkelijke woord beteekent eigenlijk nedervallen, tot het voorhoofd den grond rake, dat de nederigste houding bij bewondering is, en hetgeen men, strikt genomen, alleen aan God zou verplicht zijn; maar somtijds wordt het in plaats daarvan gebruikt, om de burgerlijke achting of hulde uit te drukken, welke men schepselen bewijst (Jallalo’ddin).
22 Dit feit van den val des duivels heeft eenige overeenkomst met eene meening, die onder de Christenen reeds velen heeft bezig gehouden (Irenaeus, Lact, Greg. Nyssen, enz.) zijnde, dat eenige van de engelen, onderricht van Gods voornemen, om den mensch naar zijn beeld te vormen, en de menschelijke natuur tot waardigheid te verheffen, door die Christus te doen toeëigenen, dachten, dat hunne glorie daardoor zou worden verduisterd; derhalve het geluk van den mensch benijdden, en dus opstonden. Ook moet men wel opletten, dat in het vorige vers Mahomet zelf spreekt, of de woorden van den engel Gabriël herhaalt. In dit vers wordt God zelf geacht te spreken. Deze plotselinge verandering van persoon komt ieder oogenblik in den Koran voor, niet alleen in de verschillende verzen, maar zelfs in dezelfde zinsnede. Daardoor zal de lezer kunnen oordeelen over de wanorde, die door deze verandering in de volzinnen wordt veroorzaakt.
23 Blijkens hetgeen thans volgt, plaatst Mahomet dezen tuin, of dat paradijs, niet op de aarde, maar in den zevenden hemel (Zie Marracc. in Alc. bladz. 24).
24 Omtrent dezen boom, of de verboden vrucht, is de meening der Mohamedanen even als die der Christenen verschillend. Sommigen zeggen, dat het een korenaar was; anderen willen, dat het een vijgenboom zou zijn geweest, en anderen weder een wijnstok (zie Marracc. in Alc. bladz. 22). Het verhaal van den val wordt zonder verdere omstandigheden in het begin van het 7e hoofdstuk verhaald.
25 De Mahomedanen zeggen, dat, toen Adam en Eva uit het paradijs werden gedreven, de eerste viel op het eiland Ceylon of Serendib, en de tweede nabij Djiddah, (de haven van Mekka) in Arabië, en dat Adam, na eene scheiding van 200 jaar, om zijn berouw, door den engel naar eenen berg nabij Mekka werd geleid, waar hij zijne vrouw vond en bekende; welke berg thans den naam van Arafat draagt, en dat hij naderhand met haar naar Ceylon terugkeerde waar zij de voortplanting van hun geslacht vervolgden. Het is niet onbelangrijk, hier eene andere overlevering te vermelden, betreffende de reusachtige gestalte onzer stamouders. Hun profeet, zeggen de Mohamedanen, heeft bevestigd, dat Adam zoo lang was als een hooge palmboom (Yahya); doch dit is naar evenredigheid te groot, indien het afdruksel op den top eens bergs, op het eiland Ceylon, dat van zijnen voet is, en te klein, indien Eva van zulk eene vreeselijke grootte was, als gezegd wordt, dat, als haar [76n]hoofd op eene rots nabij Mekka lag, hare knieën zich op twee andere in de vallei zouden hebben bevonden, die op twee geweerschoten afstands van elkander verwijderd liggen. Deze berg thans Pico de Adam, en bij de Arabische schrijvers Rahân genaamd, is iets meer dan twee man hoog (Zie Moncony, Voyage, 1e gedeelte, bladz. 372 enz. en Knox, Account of Ceylon). Anderen (Anciennes relations des Indes, bladz. 3) zeggen daarentegen, dat hij zeventig cubitussen hoog is, en dat, wanneer Adam een voet hier zette, hij met den anderen in de zee stond.
26 D.i. menschen en Duivelen.
27 Het Arabische woord aié heeft in den Koran verschillende beteekenissen, omdat het niet alleen een teeken is, maar vooral een teeken van openbaring des hemels en bijgevolg ook mirakel, wonder, enz. uitdrukt. Bovendien wordt het ook voor een vers van den Koran gebruikt, aangezien ieder dier verzen als Gods woord geacht, en voor een mirakel en een waarschuwing gehouden wordt. De zin is echter gemakkelijk uit den samenhang op te maken.
28 De Joden worden hier opgeroepen den Koran te ontvangen, tot vergelijking en bevestiging van den Pentateuchus, vooral met eerbiediging van Gods eenheid en de zending van Mahomet (Yahya). Het wordt hun tevens verboden, de plaatsen in hunne wet te verheelen, welke voor die waarheden getuigen, of die te verminken, door het openbaar maken van valsche afschriften van den Pentateuchus, voor hetwelk de schrijvers slechts karig werden betaald, (Jallalo’ddin).
29 De uitleggers voegen er bij: het muzelmansche gebed, de muzelmansche aalmoes.
30 Het boek, in den volstrekten zin, beteekent: elk geopenbaard boek, de Schriften; tot de Joden sprekende, de Pentateuchus; tot de Christenen: het Nieuwe Testament; het wordt ook op den Koran toegepast. Wij willen te dien opzichte nog doen opmerken, dat Mahomet in zijne predicatiën de afgodendienaars of onwetenden onderscheidt van hen, die, op welk tijdstip ook, gewijde boeken hebben ontvangen. Deze laatsten worden gezin van het boek, lieden der schriften genaamd.
31 Deze volzin wordt telkenmale letterlijk teruggevonden, als er sprake is van de vervolgingen, die de Israëlieten in Egypte ondergingen. Men zou bijna zeggen, dat Mahomet dit wilde doen uitkomen. Indien men zich herinnert, dat de afgodendienende Arabieren de geboorte eener dochter als een groot ongeluk beschouwden, moet men toegeven, dat men geen ongunstiger licht op een heidenschen en ongeloovigen vorst (waarvan Pharao de type is) kon werpen, dan aanhoudend te wijzen op deze soort van voorkeur, aan de dochters boven de zoons gegeven.
32 Zie het meer bijzondere verhaal van Mozes en Pharao in de hoofdstukken 7, 20, enz.
33 De persoon die dit kalf omverwierp was, naar de Mahomedanen zeggen, niet Aäron, maar Al-Samèri, een der voorname mannen onder de kinderen Israëls, en van wien eenige afstammelingen, naar men beweert, nog een eiland van dien naam in de golf van Arabië zouden bewonen (Geogr. Nubiens, bladz. 47). Al-Samèri ging verder, en nam eenig stof van de voetstappen van het paard van den engel Gabriël, die aan het hoofd van het volk reed, en wierp het in den bek van het kalf, dat onmiddellijk begon te loeien en levend werd (Koran, zevende hoofdstuk); zóó sterk was de kracht van dit stof (Jallalo’ddin; zie d’Herbelot, Bibl. Orient, bladz. 650).
34 De onderscheiding: el-forkan (eigenlijk de verlossing) wordt hier op den Pentateuchus toegepast, gelijk, op andere plaatsen, op den Koran. Dit woord beteekent elk geopenbaard boek, voor zooverre dit het veroorloofde van het verbodene onderscheidt. Men kan zeggen, dat in ieder goddelijk boek, het gedeelte, hetwelk de gebruiken, de spijzen, enz. behandelt, el forkan (onderscheiding) heet, evenals het dogmatische al-houda (richting).
35 De Oostersche schrijvers zeggen, dat deze kwartels van eene bijzondere soort waren, die nergens anders dan in Yemen werden gevonden, vanwaar zij door een zuidewind in grooten getale naar het kamp der Israëlieten in de woestijn werden gevoerd (Koran, 7e hoofdstuk). De Arabieren noemen deze vogels salwà, dat hetzelfde beteekent als het Hebreeuwsche woord salwin. Deze hebben, naar zij zeggen, geene beenen, maar worden geheel gegeten (zie d’Herbelot, Bibl. Oriënt., bladz. 477).
36 Eenige uitleggers veronderstellen dat het Jericho is, anderen Jeruzalem.
37 Het Arabische woord is Hittaton, waaruit sommigen de beteekenis afleiden van de betuiging der eenheid Gods, zoo dikwijls door de Mahomedanen gebruikt. La ilàha illa’llaho. Er is geen God buiten God.
38 Men gelooft dat in dit vers sprake is van het binnentrekken der Israëlieten in de stad Jericho. In plaats van het woord hittaton of hettat, (aflaat, genade) zoo als hun dit bevolen was, zouden de Joden dit door het woord habatb (korrel of gerstkorrel) fishairat hebben vervangen, en zich als plunderaars gedragen hebben. Het is overbodig de aandacht te vestigen op de anachronisme, door den schrijver van den Koran, of liever zijne uitleggers begaan, door den dood van Mozes te mengen in de gebeurtenissen sedert zijnen dood voorgevallen, zoo als het innemen van Jericho.
39 Eene pestziekte, die omstreeks 70,000 hunner heeft gedood (Jallalo’ddin).
40 Numeri XI, 5, enz. Volgens sommigen erwten.
41 Deze plaats, even als vers 59 van het zes en twintigste hoofdstuk, waarin de Israëlieten geacht worden naar Egypte terug te keeren, is een dier anachronismen, waarvan de Koran wemelt, en die de groote onwetendheid van den Arabischen profeet duidelijk aantoonen.
42 Uit deze woorden, welke in het vijfde hoofdstuk worden herhaald, hebben verschillende schrijvers (Selden, de Jure Nat. et Gentium sec. Hebr. 1. 6 c. 12. Angel, a.s. Joseph. Gazophy1ac. Persic. p. 365. Nic. Cusanus, in Cribatione Alcorani, 1. 3, c, 2. enz.) verkeerdelijk afgeleid, dat de Mahomedanen het als de leer van hunnen profeet hielden, dat ieder mensch door zijn eigen godsdienst zou behouden zijn, mits hij oprecht ware en een goed leven leidde. Het is waar, dat velen hunner geleerden toestemmen, dat dit de zin dezer woorden is, (Chardin, Voyages, 2e deel, bladz. 326, 331) maar zij voegen er bij, dat de hier toegestane vrijheid spoedig werd herroepen, omdat deze plaats door verschillende andere in den Koran is afgeschaft, welke uitdrukkelijk verklaren, dat niemand zalig zal zijn, die niet tot het Mahomedaansche geloof behoort. Vooral blijkt dit uit de woorden in het derde hoofdstuk, vers 79. Hoewel anderen van oordeel zijn, dat deze plaats niet afgeschaft is, maar die op eene andere wijze verklaren, zeggen zij, dat de bedoeling is, dat niemand, hetzij hij Jood, Christen of Sabeïst is, van de zaligheid uitgesloten zal zijn, mits hij zijn verkeerden godsdienst verlate en Muzelman worde, hetgeen, naar zij zeggen, wordt aangeduid door de woorden: Indien zij slechts aan God en aan den jongsten dag gelooven en weldoen, zullen zij door hunnen Heer beloond worden.
43 Naar de overlevering der Mahomedanen, zouden de Israëlieten hardnekkig geweigerd hebben, de wet te ontvangen, en zou God, om hen te verschrikken, den berg Sinaï van zijne wortelen losgescheurd en boven hun hoofd gehouden hebben.
44 De legende, waarop deze plaats betrekking heeft, is de volgende: in de dagen van David, woonden verschillende Israëlieten in de stad Ailah of Elath, aan den Roode zee, waar de visschen gewoon waren op den avond van den sabbath in grooten getale aan den oever te komen: zij bleven daar gedurende den sabbath, om hen te verleiden, en den daarop volgenden nacht keerden zij naar de zee terug. Na eenigen tijd verwaarloosden eenige inwoners Gods bevel, en vingen visch gedurende den sabbath; [80n]zij groeven later kanalen naar zee, opdat de visschen zouden kunnen binnenkomen, en voorzagen die van sluizen, die zij gedurende den sabbath schutteden, om den terugkeer der visschen naar de zee te beletten. Het overige gedeelde van de inwoners, die den sabbath streng vierden, gebruikte overreding en kracht om deze goddeloosheid tegen te gaan, maar zonder gevolg: de zondaren vermeerderden slechts en werden hardnekkiger, waarop David de sabbathschenders vloekte en God hen in apen veranderde. Men zegt, dat iemand, die naar zijn vriend ging zien, welke onder hen was, hem in de gedaante van een aap vond, wild met zijne oogen rondwarende, en toen vroeg of hij niet een zulk was. De aap maakte een teeken met zijn hoofd, dat hij dit was, waarop de andere tot hem zeide: Heb ik u niet geraden af te laten, waarop de aap schreide. De Mahomedanen voegen er bij, dat dit ongelukkige volk drie dagen in dien staat bleef, daarna verstrooid, (Abul’feda) en door een storm in de zee gedreven werd.
45 De Joden hadden Mozes gevraagd, een moordenaar te ontdekken. Hoe daartoe te geraken? Mozes gebood eene koe te slachten, hetwelk oppervlakkig in geen verband stond met den moord. Zie hier hoe deze overlevering luidt: Een zeker man liet bij zijnen dood aan zijnen zoon, toen nog een kind, een koekalf na, hetwelk in de woestijn rondzwierf, tot het op zekeren ouderdom was gekomen, toen de moeder den zoon verhaalde, dat de vaars hem toebehoorde, en hem bad haar te gaan halen en voor drie goudstukken te verkoopen. Toen de jongeling met zijne vaars op de markt kwam, hield hem een engel staande, die in een gedaante van een mensch was en bood hem zes goudstukken voor het dier, doch hij wilde het geld niet aannemen, zonder de toestemming zijner moeder te hebben gevraagd. Toen hij die had verkregen, keerde hij naar de markt terug, en ontmoette den engel, die hem thans het dubbele voor het dier bood, mits hij daarvan niets aan zijne moeder zeide; maar de jongeling sloeg het aanbod af, ging heen en maakte zijne moeder met dit aanbod bekend. De vrouw bespeurde dat het een engel was, bad haren zoon terug te keeren en hem te vragen, wat men met het kalf moest doen; waarop de engel den jongeling vertelde, dat binnen korten tijd de kinderen Israëls het dier tot elken prijs zouden willen koopen. Spoedig hierna [81n]geschiedde het dat een Israëliet, Hammiel genaamd, door een zijner verwanten was gedood, die om ontdekking te voorkomen, het lijk naar eene plaats had vervoerd, welke aanmerkelijk was verwijderd van de plaats waar de moord was geschied. De vrienden van den verslagene beschuldigden verschillende andere personen bij Mozes van den moord; maar de beschuldigden loochenden de daad, en daar er geen bewijs was om hen te overtuigen, gebood God eene koe, met die en die bijzondere kenteekenen, te dooden, maar aangezien er geene andere was, welke aan de beschrijving voldeed, dan het kalf van den wees, waren zij verplicht het dier te koopen voor zooveel geld als de eigenaar verlangde: volgens sommigen was dat voor het gewicht van het dier aan goud, en volgens anderen tien maal zooveel. Toen het dier geofferd was, en het lijk van den man, volgens het goddelijke gebod, met een gedeelte er van gestreken was, herleefde het: de man stond op, noemde den persoon die hem had gedood, waarop hij dadelijk weder dood nederviel. (Abul’feda). De geheele geschiedenis schijnt te zijn ontleend aan die van de roode vaars welke volgens het gebod der wet, door de Joden moest worden gedood, en waarvan de asch moest worden bewaard, om degenen te reinigen die een dood lichaam hadden aangeraakt (Num. XIX), en aan dat van de vaars, welke geslacht moest worden tot boete van een moordenaar, van wiens daad men niet zeker was (Deuteron. XXI, 1–9).
46 Om den buitengemeenen prijs dien zij genoodzaakt waren voor de vaars te betalen.
47 Zijnde haar tong, of het eind van haren staart.
48 Volgens eenigen te strijken.
49 Hier beschuldigt Mahomet de Joden weder, de afschriften der gewijde boeken te veranderen, met het doel om er alle plaatsen uit te verwijderen, waarin de zending van den Arabischen profeet werd voorspeld.
50 Volgens een der schrijvers (Jallalo’ddin) is dit veertig; aangezien het getal der dagen waarop hunne voorvaderen het gouden kalf dienden, veertig was, na welken tijd naar zijn zeggen, hunne straf ophoudt.
51 In dit geval verstaan de uitleggers in het algemeen, onder slechte daden, veelgodendom of afgodendienarij, welke zonde, behalve wanneer men haar in dit leven berouwt, naar de meening der Mahomedanen onvergeefelijk is, en door eeuwige verdoemenis wordt gestraft. Alle andere zonden zullen, naar hunne meening, na verloop van tijd vergeven worden. Daarom is dit, naar hunne meening eene onvergeefbare goddeloosheid, welke in het N.T. de zonde tegen den Heiligen Geest wordt genoemd.
52 Deze plaats werd geopenbaard bij gelegenheid dat er herhaalde twisten waren gerezen tusschen de Joden van de stammen van Koreidha, en die van Al-Aws, Al-Nadhir en Al-Khasraj, welke zoo hoog liepen, dat zij naar de wapens grepen, elkanders woonplaatsen vernielden en elkaâr uit de huizen joegen: maar wanneer er een gevangen genomen werd, maakten zij hem weder vrij. Toen men hun vroeg, waarom zij op deze wijze handelden, zeiden zij: Dat hunne wet hun gebood de gevangenen de vrijheid te hergeven, maar dat zij vochten uit vrees, dat hunne oversten gering geschat zouden worden (Jallalo’ddin).
53 Men verbeelde zich niet dat Mahomet hier den heiligen geest naar christelijke begrippen bedoelt. De uitleggers zeggen: die heilige geest was de engel Gabriël, welke Jezus volgde en hem steeds vergezelde (Jallalo’ddin).
54 Het is bijna overbodig te zeggen, dat dit beteekent: Onze harten zijn verstokt, onvatbaar voor de rede.
55 De Koran.
56 De Pentateuchus.
57 Zie Exodus XXXII, 20, Deuteron. IX, 21.
58 Mahomet maakt hier gevolgtrekkingen uit de ongehoorzaamheid hunner voorvaderen, die het kalf aanbaden, op denzelfden tijd dat zij voorgaven in de wet van Mozes te gelooven, en dat het geloof der Joden in dien tijd ijdel en huichelachtig was, daar zij hem verwierpen, die daarin werd gezegd een bedrieger te zijn (Jallalo’ddin).
59 De uitleggers zeggen, dat de Joden vroegen, welke engel het was die Mahomet de goddelijke openbaringen bracht, en toen men zeide dat dit Gabriël was, antwoordden zij, dat die hun vijand was en de boodschapper van toorn en straf, maar indien het Michaël ware geweest, zouden zij in hem hebben geloofd, omdat die engel hun vriend was, en de boodschapper van vrede en overvloed. Zij zeggen dat bij die gelegenheid deze plaats werd geopenbaard (Jallalo’ddin, Al-Zamakh, Yahya). Dat Michaël inderdaad voor den beschermenden of ondersteunenden engel der Joden gold, weten wij uit de schrift (Dan. XII, 1), terwijl het schijnt dat Gabriël, gelijk de Perzianen van hem zeggen, als de engel van openbaringen werd aangezien, die dikwijls met zendingen van dien aard werd afgezonden (Dan. VIII, 16 en IX, 21 Lucas 1; 19 26), om welke reden het waarschijnlijk is, dat Mahomet voorgaf, dat deze de engel was van wien hij den Koran ontving.
60 Zijnde de openbaringen van dit boek.
61 Nadat de duivelen Salomo, met Gods verlof, zonder gevolg in verzoeking hadden gebracht, maakten zij van een listig bedrog gebruik om zijnen naam te besmetten. Daarom schreven zij verschillende tooverboeken, verborgen deze onder den troon van dien vorst en vertelden de voornaamste lieden na zijnen dood, dat, indien men wilde weten op welke wijze Salomo zijne onbeperkte macht over menschen, geesten en de winden had verkregen, men slechts onder zijnen troon behoefde te zoeken. Toen men dit deed, vond men, de opgenoemde boeken, die goddelooze bijgeloovigheden bevatten. De beschaafde lieden weigerden de booze kunsten te leeren, die daarin waren bevat, maar het lagere gedeelte des volks deed het, en de priesters maakten dit schandelijk verhaal van Salomo bekend, hetwelk gezag onder de Joden verkreeg tot God, gelijk de Mahomedanen zeggen, dien koning door den mond van hunnen profeet zuiverde, met de verklaring, dat Salomo geen afgodendienaar was (Yahya, Jallalo’ddin).
62 Sommigen zeggen slechts dat dit twee toovenaars of engelen waren, door God tot de menschen gezonden om hun de tooverkunst te leeren en hen in verzoeking te brengen (Jallalo’ddin). Anderen vertellen eene [85n]langere fabel, t.w. dat de engelen hunne verrassing over de goddeloosheid der zonen van Adam kenbaar maakten, nadat reeds profeten, met goddelijke opdrachten tot hen waren gezonden; waarop God verzocht, twee uit hun midden te kiezen, om als rechters op de aarde gezonden te worden. Hierop kozen zij Haroet en Maroet, die hunnen last gedurende eenigen tijd met oprechtheid uitvoerden, tot Zohara of de planeet Venus nederdaalde en voor hen verscheen in de gedaante eener schoone vrouw, die een klacht tegen haren echtgenoot inbracht (hoewel anderen zeggen dat het eene werkelijke vrouw was). Zoodra zij haar zagen, werden zij bekoord en trachtten haar te verleiden, maar zij steeg ten hemel, waar de engelen mede terugkeerden; doch deze werden daar niet meer toegelaten. Door de tusschenkomst van zekeren vromen man werd hun de keuze vergund, of zij in dit, of wel in het volgende leven wilden gestraft zijn, waarop zij het tegenwoordige kozen. Zij ondergaan thans hunne straf daarvoor te Babel, waar zij tot den jongsten dag zullen blijven. Zij voegen er bij, dat indien iemand de tooverkunst wil leeren, hij tot hen moet gaan om hunne stem te hooren, hoewel men hen niet kan zien (Yahya, enz.). Dit verhaal is door Mahomet geheel ontleend aan de Perziaansche magie, die vermeldt dat twee oproerige engelen van dezelfde namen, thans op het grondgebied van Babel ieder bij hunnen voet, met hunne hoofden naar beneden (Hyde, cap. 12) hangen.
63 Deze twee Arabische woorden hebben beide dezelfde beteekenis, zijnde: Zie op ons, en duiden eene wijze van groeten aan. Mahomet heeft eene grooten tegenzin van het eerste, omdat de Joden het dikwijls als eene bespotting gebruikten. Naar het schijnt doelen de uitleggers daarmede op het Hebr. woord רוע hetwelk beteekent slecht of ongelukkig zijn.
64 Namelijk om God te zien.
65 Woordelijk vertaald zou dit luiden: tot God met zijn bevel, of met zijne zaak komt; want het woord amr, hetwelk order of bevel beteekent, wordt ook dikwijls in den zin van ding, zaak, gebeurtenis enz. gebruikt. De zaak van God is een duidelijke gebeurtenis, een daad der voorziening, die het aanzien der dingen verandert.
66 Dat is: Aan de eenheid van God gelooft (Jallalo’ddin). De voorafgaande woorden luiden oorspronkelijk: hij die moeslim (muzelman) zal worden. Dit woord beteekent: aan Gods wil onderworpen zijn; die zich geheel aan God heeft overgegeven. In het voorbijgaan doen wij opmerken, dat de Mahomedanen onderscheid maken tusschen moeslim en moemin (geloovige). Het eerste heeft betrekking tot de uiterlijke uitoefening, tot de godsdienstige daden door Mahomet ingesteld; het andere gaat op het levendige en oprechte geloof. De Perzianen (de Chiiten) willen b.v. in hunnen haat tegen de Turken (Sunniten) wel erkennen, dat zij moeslimin (muzelmannen) zijn, maar den naam van moeminin (ware geloovigen) willen zij hun natuurlijk niet toekennen.
67 Hiermede bedoelt Mahomet de afgodendienende Arabieren, die tot dien tijd geenerlei openbaring, geen gewijd boek hadden ontvangen, terwijl de Joden en Christenen de schriften bezaten.
68 Dit vers wordt weêrsproken door vers 139 van ditzelfde hoofdstuk. De tempel van Ka’ba in Mekka is bepaald aangeduid als de zijde, waarheen de muzelmannen zich bij hun gebed moeten keeren.
69 Telkenmale als Mahomet de woorden aanhaalt: God heeft een zoon, kinderen, dochters enz., waarmede hij het geloof der Christenen [87n]en afgodendienende Arabieren bedoelt, voegt hij er het woord sobhanahoe, door zijne glorie, bij; dat is: die lastering zij verre van zijne glorie.
70 Dat is: na de openbaring van den Koran.
71 God beproefde Abraham hoofdzakelijk door hem te gebieden zijnen geboortegrond te verlaten en zijn zoon op te offeren. De uitleggers veronderstellen echter, dat de hier besproken beproeving alleen betrekking heeft op sommige ceremoniën: zooals de besnijding, pelgrimstocht naar den Ka’ba, verschillende reinigingsplechtigheden, en dergelijke (Jallalo’ddin).
72 Dit woord is oorspronkelijk Imam, welke titel door de Mahomedanen aan hunne priesters wordt gegeven, die de gebeden in hunne moskeën aanvangen, en waarna de geheele gemeente volgt.
73 Dit is de tempel van Caaba of Ka’ba (in Mekka) welke gewoonlijk het huis wordt genoemd. Omtrent de heiligheid van dit gebouw en andere bijzonderheden, zie de inleiding tot dit werk.
74 Hier wordt eigenlijk het binnenste gedeelte van den Ka’batempel bedoeld, waar de Mahomedanen een indruk van Abrahams voet in een steen meenen te zien.
75 Hieronder moet men eene bepaalde daad van vroomheid verstaan die daarin is gelegen, dat men gedurende uren, en zelfs dagen lang, zittend of geknield in eene moskee blijft.
76 Zie hierboven de noot van vers 106. Door Abraham het woord muzelman in den mond te leggen, wil Mahomet zijne godsdienst aan den oorspronkelijken godsdienst, of die van Abraham vasthechten, welke, volgens hem, te gelijk de natuurlijke godsdienst van den mensch is. De overlevering legt aan Mahomet deze woorden in den mond: “Ieder mensch wordt als muzelman geboren: zijne ouders maken hem tot Jood, Christen of Vuuraanbidder.”
77 Dit is de Koran.
78 Onder doop verstaan de uitleggers: den godsdienst en de besnijdenis, die God bij de schepping der menschen instelde, en waarvan de teekenen in den mensch bestaan, evenals de sporen van het water op de kleederen van den gedoopte. Waarschijnlijk heeft Mahomet dit woord aan de Christenen, of liever aan de Joden ontleend, bij welke het bad en de indompeling nog heden ten dage bestaan. Het Arab. woord sebgha beteekent dan ook doop of eigenlijk indompeling.
79 Deze woorden werden, volgens de uitleggers, geopenbaard, omdat de Joden volhielden, dat zij de schriften het eerst hadden ontvangen; dat hunne tora (Pentateuchus), of leer, ouder was, en dat geen profeet onder de Arabieren zou kunnen opstaan, en indien dus Mahomet een profeet was, hij uit hun volk moest zijn voortgekomen.
80 In den beginne werd door Mahomet en zijne volgelingen geene bijzondere richting in acht genomen, in het wenden van hun aangezicht naar eene of andere plaats of wereldstreek bij het gebed, daar zij zeiden, dat dit volkomen onverschillig was. Later, toen de profeet naar Medina vluchtte, zeide hij hun, dat zij zich naar den tempel van Jeruzalem moesten richten (waarschijnlijk om zich bij de Joden bemind te maken, bij wie dat gebruik toen, evenals thans nog, bestond), hetgeen zij gedurende zes of zeven maanden als gebod in acht namen. Maar hetzij omdat hem dit bij de Joden weinig baatte, hetzij hij, op de andere zijde, wanhoopte, de afgodendienende Arabieren tot zich te voeren, welke hunnen eerbied voor den tempel van Mekka niet konden vergeten, althans hij gebood, dat men in het vervolg bij het gebed naar den laatstgenoemde zou gekeerd zijn. Deze verandering werd gemaakt in het tweede jaar van Hedjira (zie Abulf. Vit. Moham blz. 54), en veroorzaakte dat velen van hem afvallig werden, die gebelgd waren over zijne onstandvastigheid. (Jallalo’ddin). Kebla is de gezichts-richting.
81 Volgens de uitleggers beteekent dit, dat de Arabieren een rechtvaardig en goed volk zijn: dat zij zich aan geene buitensporigheden der andere volkeren schuldig maken, die bij hen zijn getemperd door eene aangeboren bedaardheid. Deze uitleggingen klinken niet zeer voldoende.
82 Dat is: Zij die tot het Jodendom terug keerden.
83 Dat wil zeggen: Zij die, vóór definitieve instelling van de Kebla van Mekka, zich bij hun gebed naar de zijde van Jeruzalem wendden, zullen daarom toch hunne belooning in den Hemel ontvangen.
84 De Joden en de Christenen, welke elkanders Kebla niet volgen.
85 Dit is, dat zij in den grond van de waarheid zijner zending overtuigd zijn.
86 Deze uitdrukking, die dikwijls in den Koran wordt gebruikt, beteekent: overal den oorlog tegen de ongeloovigen ondernomen, tot voortplanting van het geloof van Mahomet.
87 De zielen van martelaars (gelijk zij geacht worden te zijn, welke in gevechten met ongeloovigen worden gedood) zegt Jallalo’ddin, zijn in de kroppen van groene vogels, die in het paradijs overal mogen vliegen waar het hun behaagt, en zich met de vruchten mogen voeden, die zich aldaar bevinden.
88 De Mahomedanen houden zich strikt aan dit bevel. Telkenmale dat hun een groot ongeluk overkomt, roepen zij met kalmte en vastberadenheid deze woorden uit.
89 Safa en Merwa zijn twee bergen nabij Mekka, waar van oudsher twee afgodsbeelden stonden, welke de afgodendienende Arabieren gewoon waren te aanbidden en eer te bewijzen. Jallalo’ddin zegt dat deze plaats werd geopenbaard, omdat de volgelingen van Mahomet er een gemoedsbezwaar uit maakten, rondom deze bergen te gaan, gelijk de afgodendienaars deden. Maar de ware reden, waarom hij dit overblijfsel van het oude bijgeloof toeliet, schijnt veeleer gelegen te zijn, in de moeilijkheid die Mahomet er in zag, het te verbieden. Daarom zegt Mahomet, dat de bergen gedenkteekenen van God zijn.
90 Dit zijn de engelen, de geloovigen en alle zaken in het algemeen (Jallalo’ddin). Yahya meent echter, dat het de vloeken zijn die over de boozen worden uitgesproken, als zij het uitschreeuwen, onder de straf van het graf, door allen die hen hooren; dat is door alle schepselen, de menschen en geesten uitgezonderd.
91 Of gelijk Jallalo’ddin het uitdrukt: God zal hun berouw afwachten.
92 Het oorspronkelijke woord beteekent eigenlijk: die genoodzaakt of gedwongen zijn, persoonlijke diensten zonder loon te verrichten, welke soort van diensten dikwijls door de Oostersche vorsten van hunne onderdanen gevorderd, en door de Grieksche en Latijnsche schrijvers Angaria genoemd wordt. De schrift vermeld dikwijls deze soort van dwang of macht. (Matth. XXVII, 32, enz.)
93 Dit is: als de uitventers van logens, of de hoofden van nieuwe secten, op den jongsten dag hunne leerlingen zullen verzaken en zich de handen zullen wasschen, alsof zij niet medeplichtig waren aan hun bijgeloof.
94 Om deze reden zeggen de Mahomedanen altijd, als zij een dier slachten om zich daarmede te voeden Bismi’llah, of in den naam van God. Is dit verzuimd, dan achten zij het eten daarvan niet geoorloofd.
95 Daar de Koran in het algemeen zeer kort is in zijne wettelijke bepalingen, moet dit niet te strikt worden opgevat; want overeenkomstig de Sonna (de overlevering) wordt een man mede ter dood gebracht als de moordenaar eener vrouw. Men moest ook acht geven op het verschil van godsdienst, zoodat een Mahomedaan, al ware het een slaaf, niet voor een ongeloovige werd ter dood gebracht, al ware deze een vrij persoon. De burgerlijke magistraten zijn echter niet altijd verplicht ingevolge deze laatste uitlegging van de sonna te handelen.
96 Door broeder moet men hier een ander man, een Arabier, maar vooral een geloovige verstaan.
97 De gewoonte in de Mahomedaansche landen, vooral in Perzië (zie Chardin, Voyage de Perse, IIe Deel, bladz. 299 enz.) is, dat de moordenaar in hunne handen worden gesteld om ter dood gebracht te worden, of dat zij eene geldelijke voldoening verlangen.
98 Dit is, dat de vrees der wedervergelding de menschen terughoudt en hem van een moord verwijdert.
99 Dit beteekent, dat het legaat der derde gedeelte van het vermogen des testamenteurs niet mocht overschrijden, noch gegeven mocht worden aan iemand die het niet noodig had. Maar dit bevel wordt weêrsproken door de wet op de erfenissen.
100 Woordelijk vertaald zou dit moeten luiden: zijne misdaad valt terug op hen die het verminken; dit is, dat men den testateur geen verwijt zou kunnen doen omtrent ongunstige beschikkingen welke men hem toeschrijft, maar wel aan hem die deze bij de overbrenging verminkt heeft.
101 De verklaarders verschillen zeer vaak omtrent den zin dezer plaats, daar zij het voor zeer onwaarschijnlijk houden dat het een volk geheel vrij zou zijn gelaten, al of niet te vasten, door het op deze wijze te bepalen. Jallalo’ddin veronderstelt daarom, dat dit alleen vergund is aan hen die niet in staat zijn te vasten, hetzij door ouderdom, hetzij door gevaarlijke ziekten; maar later zegt hij, dat het in den aanvang van het Mahomedanismus, vrijgelaten was, te kiezen; of zij wilden vasten of een armen man voeden, welke vrijheid spoedig daarna weder werd teruggenomen. Deze plaats is dan ook in tegenspraak met diegene, welke luidt: Daarom laat hem welke in die maand tegenwoordig is, dezelfde maand vasten. Hij voegt er echter hij, dat in deze afschaffing de vrouwen niet zijn begrepen die een kind hebben, of zij die zogen, opdat daardoor het kind niet zou lijden.
102 Overeenkomstig de gewone hoeveelheid, die een man per dag verbruikt en de gewoonte der plaat (Jallalo’ddin).
103 Dat is: Te huis, en niet op eene vreemde plaats, waar de vasten niet gehouden kunnen worden, of op reis.
104 In het begin van het Mahomedanisme sliepen zij niet bij hunne vrouwen gedurende de vasten, noch aten of dronken na den avond maaltijd. Maar beide zaken worden door deze plaats weder geoorloofd. (Jallalo’ddin).
105 De grenzen die God heeft gesteld: dit beteekent de grenzen of de perken, waarmede God zijne wetten heeft omringd. Vandaar wordt het woord grens (in het Arabisch hadd, meervoudig hodoed) als voorschrift der wet gebruikt. Deze uitdrukking herinnert aan die van sepes legis, welke op de wetten van Mozes is toegepast.
106 De verzen van den Koran.
107 Hiermede worden de hazardspelen, de weddenschappen en de geschenken bedoeld, waarmede men de rechters omkoopt.
108 Toen de Arabieren van den pelgrimstocht van Mekka terug kwamen, achtten zij zich geheiligd. In plaats dus van den gewonen ingang hunner woning binnen te gaan, dien zij als ongewijd beschouwden, maakten zij daartoe eene opening aan de andere zijde hunner woning. Hier wordt dit gebruik door Mahomet veroordeeld.
109 Met deze uitdrukking wordt bedoeld, den oorlog voor Gods zaak te voeren. De bevelen in de verzen 186 tot 190 zijn gelegenheidsbeschikkingen, die betrekking hebben op de afgodendienaars van Mekka, zooals uit verschillende uitdrukkingen blijkt. Op dat tijdstip was Mahomet nog geen meester van Mekka, en zijne stelling noopte hem slechts verdedigenderwijze te handelen, zoodat daar de aanvallende strijd volstrekt verboden is. Men moet daaruit echter niet afleiden, dat deze bevelen in staat zijn, het geloof en de getrouwheid der Muzelmannen te ketenen. De woorden: doodt hen overal waar gij hen zult vinden, en verjaagt hen van waar zij u hebben verjaagd, even als: tot dat elke geloofsbelijdenis die van den eenigen God zij, laten zulk eene leemte, dat het niet te verwonderen is, dat de Islamieten zich [96n]soms vrij achtten omtrent de verbintenissen met de volkeren van een ander geloof aangegaan, als hunne krachten, of de gunstige omstandigheden, hun veroorloofden, de landen te heroveren, die hunne heerschappij hadden afgeschud.
110 Dat is: indien gij aangevallen wordt gedurende eene der heiligmaanden, of op geheiligde plaatsen, is het u veroorloofd, vergelding te nemen in die zelfde maanden en op die zelfde plaatsen.
111 Dit beteekent: Werkt niet mede tot uw eigen verderf, door uwe medewerking te weigeren in de oorlogen tegen ongeloovigen, en gedoogt daardoor niet dat deze krachtig worden.
112 De bedevaart elhadjdj moet in de drie maanden chewwal, dhoehl-kade en dhoel-kidjdjeh verricht worden, en om die mede te maken, moet men zich met een bedevaartgangersmantel kleeden, zich van de jacht en de vrouwen onthouden, zich het hoofd niet scheren, enz. Dit scheren was een teeken, dat ze hunne geloften vervuld en al de ceremoniën van den pelgrimstocht hadden gevierd. Het bezoek aan den tempel elomra eischt deze plechtigheden niet.
113 Dat is drie dagen vasten, of zes arme lieden voeden.
114 Zie de noot 3 op deze bladz.
115 Naar het gevoelen van de uitleggers beteekenen deze woorden: Het is u veroorloofd, de vermeerdering van uwe bezitting door den koophandel te beproeven, zelfs gedurende den tijd dat gij als bedevaartgangers te Mekka komt. De afgodendienende Arabieren, die mede den pelgrimstocht naar Mekka volbrachten, dreven handel op de nabij gelegen markten van Okadh, Medjionna, enz. Sedert de komst van Mahomet onthielden de Muzelmannen zich gedurende den pelgrimstocht van den handel, vreezende dat zij daardoor zouden zondigen. Mahomet veroorloofde het, om velen hunner niet van hun eenig middel van bestaan te berooven.
116 Een berg nabij Mekka, aldus genaamd omdat Mahomet hier zijne vrouw aantrof en haar na eene lange scheiding bekende (zie noot op vers 34 van de 2e soera). Anderen zeggen, dat Gabriël, nadat hij Abraham met al de heilige ceremoniën had bekend gemaakt, naar dien berg kwam. Mahomet vroeg, of hij de ceremoniën kende, die hij hem had getoond, waarop Abraham bevestigend antwoordde; sinds dien tijd wordt die berg aldus genoemd (Al Hasan).
117 Al Masher al haram. Omtrent dien berg wordt ook gezegd, dat, toen Mahomet zich eens daarop had begeven om te bidden, zijn gezicht met stralen werd omgeven. (Jallalo’ddin.) Bobovius noemt hem Forkh (de Peregr. Meccana, bladz. 15) hoewel de ware naam Kazah schijnt te zijn. De verandering in eerstgenoemden naam moet alleen aan verschil van punctuatie der Arabische letters worden toegeschreven.
118 Want hij zal alle schepselen in een halven dag richten. (Jallalo’ddin.)
119 De eigenlijke woorden zijn: Herinnert u God. Deze woorden kunnen nu eens in een algemeenen zin opgenomen worden, dan weder, in dien van: Herinnert den naam van God, bidt God, doet godvruchtige daden. De samenhang moet den zin bepalen.
120 De hier bedoelde persoon is Akhnas Ebn Shoraïk, die zwoer in Mahomet te gelooven, en voorgaf een zijner vrienden te zijn. Maar God openbaarde hier den profeet der huichelarij en goddeloosheid van dien persoon.
121 De persoon die hier bedoeld wordt, is zekere Soheib, die, door de afgodendienaars van Mekka vervolgd, naar Medina vluchtte om Mahomet op te zoeken, terwijl hij al zijne bezittingen in handen zijner vervolgers liet.
122 Onder dien naam zijn alle soorten van sterke en bedwelmende dranken begrepen.
123 Het oorspronkelijke woord al Meiser beteekent eigenlijk een bijzonder spel, dat met pijlen wordt gespeeld, en hetwelk bij de heidensche Arabieren veel in gebruik was. Maar door gelukspel moeten hier verstaan worden alle spelen, welke ook, die aan kans of toeval (hazard) onderworpen zijn, zooals dobbelsteenen, kaarten, enz.
124 Door deze woorden veronderstellen sommigen, dat alleen het buitensporig drinken en dikwijls spelen verboden is (Jallalo’ddin en Al Zamakhshari). Zij denken mede, dat het matig gebruik van wijn veroorloofd is door vers 69 van de 16e soera. De meer algemeene meening is, dat zoowel het drinken van wijn of andere sterke dranken, in welke hoeveelheid ook, als het spelen van een of ander kansspel, volstrekt verboden is.
125 Dat is: indien gij een sterken afkeer van uwe vrouw hebt, is het beter u van haar te scheiden dan God te lasteren, door haar slecht te behandelen en onrechtvaardig te zijn.
126 Eigenlijk zuiverder en reiner.
127 Zijnde gedurende die vier maanden en tien dagen.
128 Een der uitleggers (Yahya) verklaart dit uit eene overlevering van Mahomet, wien men vroeg, welk gebed het middengebed was, waarop hij antwoordde: Het avondgebed door den profeet Salomo ingesteld. Een ander (Jallalo’ddin) geeft daaraan een meer ruime beteekenis en veronderstelt, dat dit één der gebeden is, zonder bepaald op te geven welk.
129 Dit waren, volgens de uitleggers die het minste rekenen 3,000, en volgens hen die het hoogst telden 70,000 Joden, die, òf om de pest, òf om de deelname aan den oorlog tegen de ongeloovigen te ontvluchten, hun land hadden verlaten. Om hen te straffen, deed God hen sterven. Toen de profeet Ezechiël hen later in eene vallei zag liggen, waar zij reeds tot verrotting waren overgegaan, begon hij te schreien en wekte hen op, nadat God hem had gezegd, dat hij hun het leven wilde teruggeven. Zij leefden nog een aantal jaren, maar zij behielden de kleur en reuk van lijken gedurende hun geheele leven, en hunne kleederen werden zwart als pek, hetwelk nog in hunne nakomelingschap plaats had (Jallalo’ddin, Yahya, Abulfeda, enz.) Dit verhaal schijnt aan Ezechiël (XXXVII : 1–10) te zijn ontleend.
130 Saul.
131 Volgens sommigen werd deze ark uit den hemel aan Adam gezonden, en kwam zij later tot de Israëlieten, die er groot vertrouwen in stelden, en haar steeds aan het hoofd van hun leger voerden, tot zij door de Amalekieten werd genomen. Zij bevatte de schoenen en den staf van Mozes, den mijter van Aäron, eene vaas met manna gevuld en de brokstukken van de twee wettafelen.
132 Het getal dergenen die uit hunne handen dronken was omstreeks 313 (Jallalo’ddin). Het schijnt dat Mahomet hier Saul met Gidion verwart, die ten gevolge van Gods bevel alleen hen mede ten strijde tegen de Midianieten voerde, die water uit hunne handen lepten en wier getal 300 bedroeg. (Rigteren VII).
133 Goliath.
134 Het boek der psalmen. Mahomet erkent slechts vier goddelijke boeken, als: de Pentateuchus, de Psalmen, het Evangelie en de Koran. De andere boeken aan de profeten gezonden, zijn, volgens hem, verloren gegaan.
135 Zie de noot op Soera II, v. 81.
136 Die regelen worden terecht door de Mahomedanen bewonderd, welke deze in hunne gebeden opzeggen. Sommigen van hen dragen een agaat of ander edelgesteente bij zich, waarop deze plaats is gegraveerd. Zij noemen het Troonvers.
137 Door dit woord (Arab. coris) wordt de troon der rechtvaardigheid, de rechterstoel Gods verstaan; Al’Arch is de troon der goddelijke majesteit, en daarboven geplaatst.
138 Deze plaats doelt op de eerste volgers van Mahomet, die hunne kinderen, welke afgodendienaars of Joden waren, wilde dwingen het Mahomedanisme te omhelzen.
139 Dit is eigenlijk de naam van elken afgod, maar vooral van de twee afgodsbeelden Allât en al Uzza der bewoners van Mekka. Het is ook de duivel of een verleider.
140 Nimrod.
141 De persoon hier bedoeld, was Ozaïr, Ezra of Esdras, die, toen hij op een ezel door de ruïnen van Jeruzalem reed, nadat die stad door de Chaldeeuwen was verwoest, het betwijfelde, dat God die stad weder zou kunnen opbouwen; waarop God hem deed sterven. Hij bleef 100 jaren in dien toestand. Na verloop van dien tijd riep God hem in het leven terug, en hij vond een mandje onbedorven vijgen en een kruikje met onverschaalden wijn bij zich, die niet in het minst bedorven was; maar zijn ezel was dood; slechts de beenderen bewogen zich, en deze rezen op en [105n]werden met vleesch bedekt. Het geraamte werd weder een levende ezel en begon onmiddellijk te balken. Dit verhaal schijnt zijn oorsprong te hebben in Nehemia II : 12 enz.
142 Men zegt dat Abraham deze vraag zou hebben gedaan, ten gevolge van eene twijfeling, door een satan in menschelijken vorm in hem gebracht, met de vraag: hoe het mogelijk was, dat de verschillende deelen van het lichaam eens mans, dat op het strand der zee lag en gedeeltelijk door de wilde dieren, de vogels en de visschen was verscheurd, op den dag der opstanding te zamen zouden kunnen gebracht worden (d’Herbelot, blz. 13).
143 Volgens de uitleggers waren deze vogelen: een arend (of volgens anderen eene duif), een pauw, eene raaf en een haan. Dit schijnt ontleend te zijn aan het offer van Abraham, door Mozes verhaald. (Gen. XV : 9).
144 Dat is; Hetzij door den persoon verwijtingen te doen, dien gij hebt geholpen, of zijn armoede tot zijn nadeel bekend te maken.
145 Deze tuin is een zinnebeeld van aalmoezen, die uit huichelarij worden gegeven, of met verwijtingen verzeld: deze zullen verloren gaan en den gever hier namaals niet van dienst zijn (Jallalo’ddin).
146 Dat is: Satan raadt u af, edelmoedig te zijn, door u de armoede te doen vreezen die het gevolg uwer onbekrompenheid zou zijn.
147 Dat is: om eene belooning hier namaals, en niet om een wereldsch loon.
148 Dat is: aan hunne nederige houding en versleten kleederen.
149 Dat is: Doe geheel afstand van hetgeen uwe schuldenaars u als intrest schuldig zijn.
150 Hij, die zijne zaken waarneemt; hetzij zijn vader, erfgenaam, voogd of tolk.
151 Deze plaats is in tegenspraak met vers 254 van deze soera, even als met den zin van verschillende verzen der 19e soera.
152 Hiermede worden, gelijk de uitleggers zeggen, de Joden bedoeld en de verschillende bevelen hun gegeven.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. A. L. M.2 Er is geen andere God dan God, de levende en eeuwig levende. 2. Hij heeft u het boek in waarheid geopenbaard, dat het vroeger geopenbaarde bevestigt. Hij openbaarde de thora en het evangelie reeds vroeger, als leiding voor de menschen. Thans heeft hij de onderscheiding3 gezonden. 3. Waarlijk, zij die Gods teekenen niet gelooven, zullen eene vreeselijke straf ontvangen; want God is machtig en kan zich wreken. [109]4. Niets is voor God verborgen van hetgeen in den hemel en op aarde is. Hij is het, die u in het lijf uwer moeder naar zijn welbehagen gevormd heeft; buiten hem, den machtige en wijze, is geen God. 5. Hij is het, die u de schrift zond, waarin verschillende verzen klaar en duidelijk zijn, die de grondzuilen van het boek zijn; anderen zijn beeldsprakig4. Zij nu, welker harten twijfelen, willen het beeldsprakige volgen, uit liefde tot scheiding en uit lust tot vertolking daarvan. Maar God alleen kent hunne ware beteekenis. Maar zij, die grondig in hunne kennis zijn, zeggen: Wij gelooven daaraan; het geheel is van onzen Heer. Zoo denken slechts de verstandigen. 6. O Heer! laat onze harten niet meer dwalen, nadat gij ons op den rechten weg hebt geleid. Schenk ons Uwe barmhartigheid; want gij zijt de gever. 7. O Heer! gij zult eens, op eenen bepaalden dag, de menschen verzamelen, daaraan is geen twijfel; want God herroept zijne belofte niet. 8. Den ongeloovigen zal echter vermogen noch kinderen bij God hebben. Zij zullen tot voedsel van het vuur verstrekken. 9. Op de wijze van het volk van Pharao5 en die welke vóór hen geleefd hebben, beschouwden zij mijne teekens als leugens, God heeft hen gegrepen om hunne zonden, en God is streng in zijne straffen. 10. Zeg tot de ongeloovigen: Gij zult overwonnen en in de hel verstooten worden, en een onzalig verblijf hebben. 11. Gij hebt reeds een wonder gezien in deze twee legers, die op elkander stieten; de eene schaar kampte voor des Heeren godsdienst, de andere was ongeloovig. De eene hield de andere voor twee malen zoo sterk als zich zelve6; want God sterkt met [110]zijne hulp wien Hij wil. Waarlijk, daarin was een voorbeeld voor verstandige menschen. 12. Den menschen werd prikkel en begeerte tot vrouwen, kinderen, goud en zilver, edele paarden7, kudden en akkers ingeplant; dit zijn allen slechts de genietingen van dit leven, doch de schoonste terugkeer is die tot God. 13. Zeg, kan ik u betere dingen dan deze verkondigen? De vromen zullen bij hunnen Heer eens tuinen vinden met wateren doorsneden, en eeuwig zullen zij daarin verblijven; onbevlekte vrouwen en Gods welbehagen zijn hun ten deel, God slaat zijne dienaren gade. 14. Die zeggen: o Heer! wij zijn geloovigen; vergeef ons onze zonden en bevrijd ons van de straf van het hellevuur. 15. Zoo spreken de geduldigen, de waarheidminnenden, de aandachtigen; zij die aalmoezen geven en bij iederen zonsopgang om Gods genade smeeken. 16. God heeft het zelf betuigd, dat er buiten hem geen God bestaat: de engelen en de menschen met verstand begaafd, bevestigen het in waarheid: Er is geen andere God dan hij, de machtige en wijze. 17. De ware godsdienst des Heeren is de Islam, en zij die de schrift hadden ontvangen, werden het niet eerder oneens, dan nadat de kennis onder hen was gekomen; toen werden zij uit nijd oneens met elkander; maar hij die niet in de teekenen van God gelooft, wete, dat God snel is om rekenschap te vragen. 18. Indien zij met u twisten, zeg dan: Ik heb mij aan God overgegeven, evenals zij die mij volgen. 19. Zeg tot hen, die de schrift hebben ontvangen en tot de onwetenden:8 Neemt gij den Islam aan? Zoo zij hem aannemen, zijn zij op den rechten weg; zoo zij echter weigeren, moet gij [111]hun slechts prediken; want God ziet zijne dienaren. 20. En diegenen welke de teekenen Gods loochenen en de profeten zonder oorzaak dooden, en hen vermoorden die recht en gerechtigheid prediken, verkondig hun eene pijnlijke straf. 21. Deze zijn het, wier werken voor deze en de toekomstige wereld verloren zijn; en zij zullen niemand hebben om hen te helpen. 22. Hebt gij hen niet opgemerkt, die een deel der openbaring hebben ontvangen9? Zij werden op de schrift van God gewezen, daar deze de strijdpunten besliste10; maar een deel van hen keerde zich om en verwijderde zich. 23. Dit deden zij omdat zij zeiden: “Het Hellevuur treft ons slechts een bepaald aantal dagen,” en zoo vervielen zij, door eigene denkbeelden in den godsdienst, tot dwaling11. 24. Hoe zal het zijn, als wij hen op den dag verzamelen, waarover geen twijfel is, en iedere ziel zijn verdiend loon zal ontvangen? Niemand zal dan onrechtvaardig behandeld worden. 25. Zeg: o God! gij die het rijk bezit, gij geeft het rijk aan wien gij wilt, en gij ontneemt het wien gij wilt, en gij verhoogt en gij vernedert wien gij wilt. In uwe hand is al het goede; want gij zijt almachtig. 26. Op den nacht laat gij den dag en op den dag den nacht volgen; gij brengt het leven uit den dood voort. Gij geeft voedsel aan wien gij wilt, zonder maat. 27. Laten de geloovigen geene ongeloovigen, in plaats van geloovigen tot beschermers nemen. Zij die dit echter [112]doen, hebben van God in niets op bijstand te hopen, of gij moest gevaar van hen vreezen; maar God zelf zal u beschermen en gij zult eens tot hem komen. Zeg: gij moogt geheim houden wat in uwe harten is, of het openbaar maken. God weet het; want hij weet wat in den hemel en wat op aarde is; God is almachtig. 28. Op den jongsten dag zal iedere ziel het goede tegenwoordig vinden wat zij gedaan heeft, en zal wenschen, dat tusschen haar en het booze hetwelk zij verricht heeft, eene groote klove moge zijn. God zal u echter zelf beschutten; want hij is genadig omtrent zijne dienaren. 29. Zeg: Indien gij God mint, volgt mij. God zal u beminnen en uwe zonden vergeven, want God is vergevend en barmhartig. Zeg: gehoorzaamt God en zijnen profeet; wendt gij u echter af, weet, God bemint waarlijk de ongeloovigen niet. 30. Zekerlijk, God heeft Adam en Noach en het gezin van Abraham en de familie Imram12 boven alle andere menschen gekozen. Het eene geslacht sproot uit het andere voort. God hoort en kent alles. 31. Gedenkt dat de vrouw van Imram13 zeide: O Heer! ik heb u geofferd hetgeen in mijnen boezem is, om aan u te worden gewijd; neem het aan; want gij hoort en weet alles. Toen zij gebaard had, zeide zij: Heer! waarlijk, ik heb een meisje voortgebracht (God wist wel wat zij voortgebracht had), en een knaap is niet gelijk een meisje14. Ik heb haar Maria genaamd; haar en hare nakomelingschap stel ik onder uwe bescherming tegen den gesteenigden satan15. 32. God nam haar met welgevallen [113]aan16, en liet een uitmuntenden tak uit haar voortspruiten Zacharias droeg zorg voor haar. Toen Zacharias in hare kamer kwam, vond hij spijzen bij haar17. O Maria! van wien bekomt gij dit? Zij antwoordde: Van God; want God spijst wien hij wil, zonder het te rekenen. 33. Daarop bad Zacharias God, en zeide: o God! schenk mij eene gezegende nakomelingschap; want Gij zijt de verhoorder der gebeden. Terwijl hij nog in de kamer stond te bidden, riepen de engelen hem toe: 34. God verkondigt u de geboorte van Yahia18, die Gods woord zal bevestigen. Hij zal een eerwaardig en kuisch man19 zijn en een rechtvaardig profeet. 35. Hij antwoordde: Hoe zal ik een zoon krijgen; ik ben reeds door den ouderdom bereikt20 en mijne vrouw is onvruchtbaar? De engel antwoordde: God doet wat hij wil. 36. Zacharias zeide: o Heer! geef mij een teeken. Hij antwoordde: Dit zal u een teeken zijn, dat gij drie dagen lang slechts met gebaarden tot de menschen zult kunnen spreken. Gedenk uwen Heer dikwijls, en loof hem des avonds en des ochtends. 37. De engelen zeiden tot Maria: God heeft u gekozen, gezuiverd en boven alle andere vrouwen der wereld uitverkoren. 38. O Maria! wees uwen Heer onderdanig; vereer hem en kniel neder met hem, die voor hem nederknielen21. 39. Dit is eene geheime geschiedenis, die wij u openbaren. Gij waart er niet bij, toen zij hunne roeden wierpen, wie zorg voor Maria zou dragen; gij waart niet er bij, toen zij er om streden22. [114]40. De engelen zeiden verder; o Maria! God verkondigt u zijn woord; zijn naam zal zijn: Jezus Christus, zoon van Maria. Heerlijk zal hij zijn in deze en in de toekomstige wereld, en een van hen die in Gods nabijheid zijn. 41. En hij zal tot de menschen spreken als kind in de wieg23 en als volwassen man, en zal een vroom man zijn. 42. O Heer! antwoordde Maria: Hoe zal ik een zoon baren, terwijl geen man mij heeft aangeraakt!” De engel antwoordde: God doet wat en hoe hij wil; en heeft hij eene zaak besloten, dan zegt hij slechts: Wees, en het is. 43. Hij zal hem ook onderwijzen in de schrift en de wijsheid, in de thora en het evangelie en hem tot de kinderen Israëls zenden, zeggende: Ik kom tot u met teekens van uwen Heer. Ik wil u uit klei een vogel maken24, ik zal er op [115]blazen, en hij zal, met Gods verlof, een levende vogel worden, en ik zal den blindgeborene en den melaatsche genezen, en met Gods verlof dooden levend maken25. Ik zal u zeggen wat gij eet en verder in uwe huizen verricht. Dit alles zal u een teeken wezen, indien gij geloovig zijt. 44. Ik kom om de thora te bevestigen, die gij vóór mij hebt ontvangen; ik zal u het gebruik van eenige zaken veroorloven, die u vroeger verboden zijn. Ik kom tot u met teekens van uwen Heer. Vreest God en gehoorzaamt mij. Hij is mijn en uw Heer. Vereert hem; dit is de rechte weg. 45. Toen Jezus hun ongeloof zag, zeide hij: Wie wil mij voor Gods zaak helpen. De apostelen antwoordden: Wij willen Gods helpers zijn; wij gelooven aan God; betuig het, dat wij geloovigen zijn. 46. O Heer! wij gelooven aan wat gij geopenbaard hebt, wij gelooven uwen afgezant; schrijf ons daarom in, bij het getal der getuigen. 47. De Joden verzonnen eene list; God bedacht beter tegen hen, en God is de listigste. 48. God zeide: o Jezus! ik wil u doen sterven26 en u tot mij verheffen27, en u van de ongeloovigen bevrijden; en hen die u gevolgd zijn, wil ik boven de ongeloovigen plaatsen, tot den dag der opstanding. Gij zult allen tot mij terugkeeren, en ik zal tusschen [116]u richten over de strijdpunten. 49. Ik zal de ongeloovigen in deze en in de volgende wereld streng bestraffen, en niemand zal hen helpen. 50. Maar zij die gelooven en doen wat goed is, zullen hun loon ontvangen; want God bemint de onrechtvaardigen niet. 51. Deze teekens en wijze waarschuwingen maken wij u bekend. 52. In de oogen van God is Jezus gelijk aan Adam; hij schiep hem uit stof en zeide: Zij, en hij was. 53. Deze waarheid komt van God; wees dus geen twijfelaar. 54. Indien iemand, nadat gij de ware kennis hebt gekregen, daarover28 met u twisten wil, zeg dan: Kom, laat ons onze en uwe zonen te zamen roepen, onze en uwe vrouwen, onze en uwe slaven, en tot God bidden, en Gods vloek over de leugenaars inroepen29. 55. Dit is eene ware geschiedenis, en er is geen God, buiten God en God is machtig en wijs. 56. Indien zij omkeeren; waarlijk, God kent de goddeloozen. 57. Zeg: o gij! die de schrift hebt ontvangen, komt en laat ons de volgende vereeniging tusschen ons vinden: Laat ons slechts God vereeren, en geen schepsel met hem gelijk stellen, en dat geen van ons een ander, buiten God, als Heer erkenne30 en aanbidde. Weigeren zij dit, zeg dan: Wees getuige, dat wij trouwe geloovigen zijn. 58. O gij! die de schrift hebt ontvangen, waarom twist gij omtrent Abraham? De thora en het evangelie werden toch eerst na zijnen tijd geopenbaard. Begrijpt gij dit niet? 59. Gij, die immer twist omtrent zaken, welke gij kunt weten, waarom strijdt gij omtrent zaken, die gij niet kunt weten. God weet, maar gij weet niet. 60. Abraham was noch Jood noch Christen, maar hij was vroom en God onderworpen en geen afgodendienaar. [117]61. Die, welke Abraham volgen, komen hem het dichtst nabij, en zijn profeet (Mahomet) en de geloovigen. God is de beschermer der geloovigen. 62. Eenigen van hen die de schrift hebben ontvangen, zouden u willen verleiden, maar zij verleiden slechts zich zelven, en zij bemerken het niet. 63. O gij bezitters der schrift! waarom loochent gij Gods teekenen, terwijl gij zelven er getuigen van waart. 64. O gij! die de schrift hebt ontvangen, bemantelt de waarheid toch niet met de onwaarheid, om de waarheid te verbergen, terwijl gij die kent31. 65. Eenigen van hen, die de schrift bezitten, zeggen: Geloof des ochtends aan het boek, den geloovigen gezonden, en loochen het des avonds weder; opdat zij weder terugkeeren32. 66. Geloof slechts hem, die uwen godsdienst volgt. Zeg: De ware leiding is Gods leiding; indien zij ook een ander is geopenbaard, zooals zij u gegeven is. Zullen zij voor God met u strijden? Zeg hun: Al het goede is in Gods hand. Hij geeft het aan wien hij wil; want hij is goed en wijs. 67. Hij zal zijne barmhartigheid verleenen aan wien hij wil; want God bezit groote genade. 68. Onder hen die de schrift hebben ontvangen zijn er, die gij een talent kunt toevertrouwen; zij zullen u dit teruggeven33; maar er zijn ook anderen, die u een, hun geleenden dinar, niet zullen teruggeven, indien gij hen niet aanhoudend dit herinnert. 69. Dit geschiedt omdat zij zeggen: Wij hebben geen verplichting omtrent de onwetenden. Maar zij liegen omtrent God, tegen beter weten aan, 70. Hij, die zijne verplichtingen nakomt en God vreest, dien bemint [118]God. 71. Die met Gods verbond handel drijven en met hunnen eed, voor een nietigen prijs, hebben geen deel aan het volgende leven; op den dag der opstanding zal God hen niet aanspreken. Hij zal geen enkelen blik op hen werpen en hen niet reinigen; maar zij zullen een strenge straf ondergaan. 72. Velen van hen lezen hunne vervalschingen van de schrift zóó voor, dat gij zoudt gelooven, dat het werkelijk in de schrift voorhanden was. Dit is niet zoo in de schrift, en zij antwoorden: Dit is van God, maar het is niet van God, en zij zeggen leugens van God, tegen beter weten aan. 73. Het past den mensch niet, nadat God hem de schrift, wijsheid en de profetie heeft gegeven, dat hij daarop tot de menschen zegge: Bidt mij aan, even als God34; maar het past hem te zeggen: Volmaakt u in de schrift, die gij kent, en oefent u er in. 74. God gebiedt u niet, dat gij engelen of profeten voor uwe meesters zoudt nemen35. Zou hij u gebieden ongetrouw te worden, nadat gij trouwe geloovigen (Muzelmannen) zijt geworden. 75. Toen God het verbond der profeten aannam, zeide hij hun: Dit is de schrift en de wijsheid die ik u geef. Hierna zal een gezant tot u komen en datgene wat ik u thans geef, bevestigen. Gij moet hem gelooven en hem ondersteunen. God sprak voorts: Hebt gij ernstig besloten, mijn verbond aan te nemen? Zij antwoordden: wij zijn vast besloten. Daarop zeide God: weest dus getuigen, en ik zal met u getuige zijn. 76. Hij die dan terug treden wil behoort tot de zondaren. 77. Verlangen zij eenen anderen godsdienst dan dien des Heeren, terwijl wat in den hemel en op aarde woont, hetzij vrijwillig of gedwongen, hem onderworpen is en alles eens tot hem moet terug keeren. 78. Zegt: Wij gelooven aan God, aan hetgeen hij ons geopenbaard heeft, en aan datgene wat hij aan Abraham, en Ismaël, en Izaak, Jacob en de stammen heeft geopenbaard, en aan datgene wat aan Mozes, Jezus en de profeten door hunnen Heer werd geopenbaard. Wij maken geen onderscheid tusschen hen. Wij zijn God onderworpen (Muzelmannen). 79. Die eenen anderen godsdienst dan den Islam aanneemt, wordt door God niet aangenomen, en hij zal in de toekomstige wereld tot hen behooren die vergaan. 80. Hoe zou God de menschen kunnen leiden, die ongeloovigen zijn geworden, nadat zij geloovigen zijn geweest en betuigd hebben, dat de apostel waarachtig was, en zij getuigen waren van de [119]teekens. God leidt de goddeloozen niet. 81. Hunne belooning zal zijn, dat Gods vloek hen zal treffen, en die der engelen en van alle menschen. 82. Eeuwig zullen zij daaronder gebukt gaan; hunne kwelling zal niet verzacht worden, en nimmer zal een blik hen treffen. 83. Niet evenzoo zal het zijn met hen, welke berouw hebben en boete doen; want God is genadig en barmhartig. 84. Zij echter, die ongetrouw zijn geworden nadat zij geloofd hebben, en nog in ongetrouwheid toenemen, hun berouw wordt nimmer aangenomen; want zij blijven in hunne dwaling. 85. Waarlijk, zij die niet gelooven en als ongeloovigen sterven, van hen worden alle schatten der aarde niet aangenomen, indien zij zich daarmede willen los koopen; zij zullen eene strenge straf ondergaan en zullen geen verdediger hebben. 86. Nimmer zult gij de gerechtigheid bereiken, dan nadat gij aalmoezen zult hebben gegeven van hetgeen gij lief hebt; en God weet wat gij geeft. 87. Het gebruik van alle spijzen was den kinderen Israëls geoorloofd, uitgezonderd datgene wat Israël zich zelven verbood, vóór de thora werd gegeven. Zeg: breng de thora en lees die, indien gij oprecht zijt. 88. Wie dus God leugens toedicht, behoort tot de goddeloozen. 89. Zeg: God is waarachtig; volgt daarom den godsdienst van den rechtgeloovigen Abraham die geen afgodendienaar was. 90. De eerste tempel voor de menschen gesticht, was die te Becca36, tot zegen en tot rechtsnoer voor alle menschen. 91. Daarin zijn duidelijke teekens. Dit is de plaats van Abraham, en wie die betreedt, zal veilig zijn. Het is de plicht van alle menschen die het kunnen, een pelgrimstocht daarheen te doen. 92. Wat de ongeloovigen betreft, God heeft geen schepsel noodig. 93. Zeg: o gij! die de schrift hebt ontvangen, waarom gelooft gij Gods teekenen niet? God is getuige van al hetgeen gij doet. 94. Zeg: o gij! die de schrift hebt ontvangen, waarom wilt gij de geloovigen van den weg Gods afleiden? Gij tracht hen te verwarren, en gij zijt zelven getuigen. Maar God is niet onopmerkzaam omtrent hetgeen gij doet. 95. O geloovigen! Indien gij eenigen van hen volgt, die de schrift hebben ontvangen, dan zullen zij u ongeloovig maken, nadat gij geloovig zijt geweest. 96. Hoe kunt gij echter ongeloovig worden, indien men u de teekens van God voorleest, en zijn gezant onder u is? Wie God vast aankleeft, wordt op den rechten weg gevoerd. 97. O geloovigen! vreest God met oprechte vrees en sterft niet, zonder dat gij trouwe geloovigen (Muzelmannen) zijt. 98. Kleeft allen God sterk aan37 en verlaat hem niet, en gedenkt de weldaden, [120]die hij u heeft bewezen. Terwijl gij vijanden waardt, heeft hij uwe harten vereenigd, en gij zijt door zijne genade een volk van broeders geworden. 99. Gij waart aan den rand van het hellevuur, en hij bevrijdde u. God maakte u zijne teekens bekend, opdat gij op den rechten weg zoudt mogen geleid worden. 100. Opdat gij een volk zoudt worden, dat de anderen tot het goede zou brengen, het goede gebiedende, het slechte verbiedende. Dit volk zal gelukkig zijn. 101. Weest niet als zij die zich gescheiden hebben, en die nog oneenig zijn38, nadat zij de duidelijke leer hebben ontvangen; zij zullen eene strenge straf ondergaan. 102. Op den dag der opstanding zullen eenige blanke, anderen zwarte gezichten hebben. God zal zeggen tot hen die zwarte gezichten hebben; zijt gij ongeloovigen geworden, nadat gij geloovigen waart? Ontvangt dan de straf voor uw ongeloof. 103. Zij wier gezichten blank zijn, zullen Gods genade ontvangen en die eeuwig genieten. 104. Dit zijn Gods teekenen; die wij u in waarheid openbaren. 105. Hem behoort alles wat in den hemel en op aarde is, en tot hem zullen eens alle dingen terugkeeren. 106. Gij zijt het beste volk dat ooit onder de menschen is opgestaan: gij beveelt wat rechtvaardig is, verbiedt wat slecht is, en gelooft aan God. En indien zij, die de schrift hebben ontvangen, geloofd hadden, waarlijk het ware beter voor hen geweest. Er zijn eenige geloovigen onder hen39, maar het grootste gedeelte hunner zijn goddeloozen. 107. Zij zullen u slechts weinig nadeel kunnen toebrengen, en als zij met u kampen, zullen zij vluchten en niet geholpen worden. 108. Overal waar men hen vindt, zal smaad hen treffen, behalve indien zij een verbond met God en de menschen sluiten. Gods toorn laden zij op zich, en gebrek zal hen treffen, omdat zij Gods teekenen geloochend, de profeten onrechtvaardig gedood, en oproer en boosheid gesticht hebben. 109. Maar de bezitters der schrift zijn niet allen gelijk. Er zijn rechtschapene onder hen40, die elken nacht doorbrengen met nadenken over Gods teekenen en hen te aanbidden. 110. Zij gelooven aan God en aan den jongsten dag; zij gebieden wat goed is, verbieden wat slecht is en streven naar goede daden; zij behooren tot de vromen. 111. Het goede zal niet onbeloond blijven: want God kent de vromen. 112. Niets zal bij God de ongeloovige helpen: noch [121]vermogen noch kinderen. Zij worden aan het hellevuur overgeleverd en zullen eeuwig daarin blijven. 113. Wat zij in deze wereld uitleenen, gelijkt een hevigen, kouden wind, die over het staande koren van de menschen waait en het verwoest. God is niet onrechtvaardig omtrent hen; zij waren veeleer onrechtvaardig omtrent zich zelven. 114. O gij geloovigen! sluit geene vriendschap met hen die niet tot de uwen41 behooren; zij laten niet na, u te verleiden; zij wenschen slechts uw verderf. Hunnen haat hebben zij reeds met den mond uitgesproken, maar wat in hunne borst blijft besloten, is nog verderfelijker. Wij hebben u daarvan reeds bewijzen gegeven, indien gij deze slechts verstaat. 115. Ziet, gij bemint hen, en zij beminnen u niet. Gij gelooft aan de geheele schrift; indien zij u ontmoeten, zeggen zij: wij gelooven; zijn zij echter heimelijk bij elkander gekomen, dan bijten zij zich uit toorn tegen u op de nagels. Zeg hun: sterft van toorn; God kent het binnenste uws harten. 116. Als het u goed gaat, zullen zij bedroefd zijn, en indien u een ongeluk overkomt, zijn zij van vreugde vervuld. Indien gij echter geduldig zijt en God vreest dan zullen hunne listen u niet schaden; want God weet wat zij doen. 117. Herinner u den dag, toen gij met het aanbreken van den dag uwe familie verliet, om de geloovigen een kamp voor den oorlog te bereiden42, God [122]hoorde en wist het. 118. Toen twee van de heerscharen den moed verloren43 en God hen ondersteunde. Op God moeten de geloovigen dus vertrouwen. 119. God heeft u geholpen bij den slag van Bedr, toen gij zwakker in getal waart. Vreest dus God en weest dankbaar. 120. En toen gij tot de geloovigen zeidet: Is het niet genoeg, dat God u met drieduizend van den hemel dalende engelen helpt? 121. Waarlijk indien gij volhardt en God vreest, dan zal, indien de vijand u plotseling overvalt, God u met vijfduizend uitgeruste engelen versterken. 122. En God verkondigt dit als eene gelukkige tijding, opdat uwe harten gerust zouden zijn. Er is geene andere hulp dan bij God, de machtige, de wijze. Dat hij de ongeloovigen met den wortel zal uitroeien, of verdelgen, en dat zij omvergeworpen of bestraft zullen worden, is u onnoodig te weten. 123. Het gaat u niet aan, of God hen bestraft of hun vergeeft; het zijn zondaren44. 124. Gode behoort alles wat in den hemel en op aarde is; hij vergeeft en straft wien hij wil; God is genadig en barmhartig. 125. O geloovigen! vermijdt den woeker, door tweevoudig te verdubbelen. Vreest God, opdat gij gelukkig zijt. 126. Vreest het vuur, voor de goddeloozen bereid, en gehoorzaamt God en den profeet, om Gods genade te verwerven. 127. Wedijvert om de genade van uwen Heer te ontvangen en het paradijs, dat, zoo groot als de hemel en de aarde, bestemd is voor de godvreezenden. 128. Voor hen die in goede en slechte tijden aalmoezen geven, hunnen toorn beheerschen en de menschen vergeven; want God mint de goeden. 129. Degenen, die nadat zij eene booze daad bedreven of een zonde begaan hebben, God gedenken en om vergeving bidden—en wie kan buiten God hunne zonden vergeven?—en niet volharden in het booze dat zij erkennen. 130. Deze allen zullen genade van hunnen Heer ontvangen, en tuinen van beken doorsneden, waarin zij eeuwig zullen wonen. Hoe heerlijk is het loon van hen die wel handelen. 131. Reeds vóór u waren er voorbeelden van straffen op boozen. Doorloop de aarde, en zie hoe het einde was van hen, die Gods gezanten van bedrog hebben beschuldigd. 132. Dit boek is eene verklaring aan de menschen, een richtsnoer en vermaning voor u, vromen. 133. Weest dus niet ontmoedigd en treurig. Gij zult de bovenhand behouden, indien gij [123]gelooft. 134. Zoo gij in den krijg eene wonde ontvangt, dan heeft de booze mede er eene ontvangen45 en wij laten de dagen zoo afwisselend op elkander volgen onder de menschen, opdat God hen kenne die gelooven en wie martelaars onder u zijn (God mint de boozen niet). 135. Om de geloovigen te beproeven en de ongeloovigen te verdelgen. 136. Gelooft gij dan het paradijs binnen te gaan, vóór God hen kent, die voor hem gekampt en volhard hebben. 137. Gij verlangdet den dood vóór hij nabij was46, gij hebt dien gezien en gij beschouwdet dien. 138. Mahomet is slechts een gezant. Andere gezanten zijn reeds vóór hem gestorven: indien hij zou sterven of gedood worden, zoudt gij dan op uwe voetstappen willen terugkeeren? Maar hij die op zijne voetstappen terugkeert, schendt God niet, en God zal de dankbaren beloonen. 139. Geene ziel kan sterven dan op Gods verlof, naar het boek waarin de bestemming van alle dingen is opgeschreven47. Wie de belooning in deze wereld verlangt, zullen wij die geven; wij zullen haar echter ook hun geven, die hunne belooning in het toekomstige leven verlangen. De dankbaren zullen wij beloonen. 140. Hoevele profeten kampten met hen, die tienduizendmaal zoo sterk waren; toch lieten zij den moed niet zakken om hetgeen zij doorstonden, terwijl zij voor des Heeren godsdienst kampten, en gedroegen zich niet zwak en niet verachtelijk. God mint hen die geduldig volharden. 141. En zij zeiden niet anders dan: o Heer vergeef ons onze zonden en wat wij in onze daden misdreven hebben; sterk onze voeten en sta ons bij tegen de ongeloovigen. God gaf hun daarvoor in deze wereld belooning en een heerlijk loon in de toekomstige; want God bemint hen die goed doen. 142. O geloovigen! indien gij naar de ongeloovigen luistert, zullen zij op uwe vroegere voetstappen terug brengen, opdat gij afvallig zoudt worden, en u in het verderf storten. 143. God is uw beschermer en hij is de beste helper. 144. Wij vervullen het hart der ongeloovigen met schrik, omdat zij God nog andere wezens hebben toegedicht, [124]waartoe zij geene macht hadden. Het vuur zal hunne woning wezen, en de verblijfplaats der goddeloozen zal verschrikkelijk zijn. 145. God had reeds zijne beloften vervuld, toen gij, met zijnen wil, de vijanden hebt verslagen; maar gij liet den moed zinken, streedt over de bevelen, werd oproerig, hoewel hij u de vervulling uwer wenschen48 had getoond. 146. Eenige onder u kozen deze wereld, anderen weder de toekomstige. Hij heeft u op de vlucht gejaagd om u te beproeven; maar hij heeft u reeds vergeven; want God is genadig omtrent de geloovigen. 147. Herinnert u, hoe gij tegen de hoogte opgeklommen zijt, en naar geen uwer omzaagt, terwijl de profeet u riep49. Toen liet God bedroefenis op bedroefenis over u komen, opdat gij geene droefheid zoudt gevoelen over het verlies van den buit en over andere treurige gebeurtenissen. God kent al uwe daden. 148. Toen liet God, na de droefheid, tot verkwikking, eenigen in diepen slaap vallen50. Een ander deel der uwen werd verontrust door zich zelven, terwijl zij valsche en dwaze denkbeelden van God hadden, en zeiden: zal een gedeelte van die zaak met ons gebeuren51. Zeg: waarlijk, alles behoort God. Zij verbergen gedachten in hunne harten, die zij u niet openbaren, zeggende: indien een dergelijke zaak met ons gebeurd ware, wij waren hier niet geslagen geworden52. Antwoordt hun: Indien gij zelfs in uwe huizen waart gebleven, dan hadden toch zij, wier dood bestemd was, naar buiten naar de plaats moeten gaan om daar te sterven. God wilde daardoor de gevoelens en gedachten uwer harten onderzoeken; want God kent het binnenste van het hart der menschen. 149. Zij die zich op den dag des slags tusschen de beide legers verwijderden, werden door satan verleid, tot straf van eenigerhande misdaad door hen bedreven; maar God heeft hun thans [125]vergeven; want God is vergevend en genadig. 150. O geloovigen! weest niet als de ongeloovigen, die van hunne broeders zeggen, als zij het land doorreizen, of naar den oorlog gaan: Indien zij met ons waren gebleven, zouden zij niet gestorven of niet gedood zijn. God heeft dit gedaan om hun hart te beproeven. God geeft leven en dood, en ziet wat gij doet. 151. En indien gij ook gedood wordt, of sterft voor de verdediging van des Heeren godsdienst, waarlijk dan is Gods genade en barmhartigheid beter dan alle wereldsche schatten. 152. Hetzij gij sterft of gedood wordt, gij wordt tot God verzameld. 153. En wat de barmhartigheid betreft, die gij hun van God hebt geopenbaard, gij o Mahomet! waart mild omtrent hen; waart gij strenger en harder geweest, dan hadden zij zich zekerlijk van u gescheiden. Vergeef hun dus en vraag vergiffenis voor hen, en raadpleeg hen omtrent de zaak van den oorlog, en nadat gij hebt beraadslaagd, vertrouwt op God; want God bemint die op hem vertrouwen. 154. Indien God u helpt, dan kan u niemand overwinnen; indien hij u echter verlaat; wie zou u dan na hem kunnen helpen? Vertrouw daarom op God. 155. Het is de gewoonte van den profeet niet, te bedriegen53. Hij, die bedriegt, zal op den dag der opstanding met zijn bedrog moeten verschijnen54. Dan zal iedere ziel het loon ontvangen wat zij heeft verdiend, en niemand zal onrechtvaardig behandeld worden. 156. Zou hij, die naar Gods welbehagen leeft, evenzoo behandeld worden als hij, die Gods toorn heeft op zich geladen, en de hel zijne woning zijn? Eene ongelukkige reis zal dat zijn, 157. Er zullen graden van belooning en straf bij God zijn; want God ziet wat gij doet. 158. God heeft ook daardoor zijne goedheid omtrent de geloovigen getoond, dat hij hun een apostel uit hun midden heeft gezonden, om hun zijne teekens te leeren en hen te reinigen, en hen te onderwijzen in de wijsheid55, daar zij vroeger in eene openbare dwaling verkeerden. 159. Toen u een onheil geschiedde (bij Ohod) nadat gij reeds twee [126]gelijke voordeelen had behaald, zeidet gij: Van waar komt ons dit? Antwoord: Dit is van u zelven56; want God is almachtig. 160. En wat u trof op den dag, toen de twee legers elkander ontmoeten, was zekerlijk door Gods wil, opdat hij de geloovigen en de goddeloozen zou leeren kennen. Toen men hun zeide: komt, vecht voor des Heeren godsdienst en drijft den vijand terug, zeiden zij: Indien wij konden vechten zouden wij u volgen. Toen waren zij het ongeloof nader dan het geloof. 161. Zij spraken met hunne monden, wat niet in hunne harten was: maar God wist wat zij verborgen. 162. Die te huis gebleven waren, zeide van hunne broeders: Hadden zij ons gevolgd, dan waren zij niet geslagen geworden. Antwoord hun: Keert den dood dan van u af, indien gij waarheid zegt. 163. Rekent hen toch niet onder de dooden, die voor des Heeren godsdienst zijn gevallen: zij leven bij hunnen God, die hen voor eeuwig verzorgt. 164. Zij verblijden zich om de weldaden, waarmede God hen heeft overladen, en verheugen zich om degenen, die na hen zullen komen, maar nog niet bij hen zijn, en die door vrees noch droefheid zullen getroffen worden. 165. Zij verheugen zich om de weldaden en de genade die zij van hem hebben ontvangen, en omdat hij de belooningen der geloovigen niet verloren laat gaan. 166. Zij, die God en zijnen apostel gevolgd zijn en nadat zij te Ohod verwond waren, even als zij die goede daden verrichten en God vreezen, zullen eene ruime belooning ontvangen. 167. Tot hen zeiden de menschen: Waarlijk: de bewoners van Mekka hebben zich reeds met macht tegen u uitgerust: vreest hen dus; maar dit vermeerderde slechts hun vertrouwen, en zij zeiden: God is onze hulp en de beste beschermer. 168. Daarom kwamen zij ook met Gods gunst en weldaden terug: geen ongeluk had hen getroffen, en zij volgden Gods welbehagen; want zijne genade is oneindig. 169. Satan wil u vrees voor zijne vrienden veroorzaken; doch vreest niet hen, maar mij alleen, indien gij geloovigen zijt. 170. Laten zij u niet bedroeven, die het ongeloof zoo haastig najagen: zij zullen God nooit het minst schaden. God zal hun geen deel in de toekomstige wereld geven, en zij zullen eene gestrenge straf ondergaan. 171. Waarlijk, zij die het geloof tegen ongeloof verruilen, kunnen God niet de minste schade toebrengen, maar eene gestrenge straf wacht hen. 172. Laten de ongeloovigen toch niet denken, dat, zoo wij hun leven verlengen en gelukkig maken, dit eene weldaad zij: neen! wij verlengen hun leven en maken het gelukkig, opdat zij slechts hunne zonden vermeerderen en eene strengen straf zouden ondergaan. 173. God zal de geloovigen niet langer in den toestand laten, waarin gij u thans bevindt, dan tot dat hij de slechten van de goeden heeft afgezonderd. 174. God zal u ook niet met zijne geheimen bekend [127]maken57; maar God kiest hiertoe een zijner gezanten; naar zijn welbehagen. Gelooft daarom in God en zijne Gezanten: indien gij gelooft en God vreest, zult gij eene ruime belooning ontvangen. 175. Laat ook zij die gierig zijn met de weldaden, die hun door Gods goedheid zijn geworden, niet gelooven dat hunne gierigheid tot hun geluk dient: neen zij dient veeleer tot hun verderf. 176. Wat zij met gierigheid verzameld hebben, zal op den dag der opstanding hun als een halsband om den hals gehangen worden58. God is erfgenaam van hemel en aarde; hij kent al uwe daden. 177. God heeft reeds de woorden gehoord van hen die zeiden: God is arm en wij zijn rijk. Wij willen opschrijven wat zij gezegd hebben, even als den moord der profeten, die zij zonder oorzaak hebben begaan en wij willen tot hen zeggen: Neemt nu de straf der verbranding aan. 178. Dit zullen zij ondergaan voor het booze, dat zij met hunne handen hebben verricht; want God is niet onrechtvaardig omtrent zijne dienaren. 179. Anderen zeggen: God heeft ons beloofd, dat wij geen gezant zouden moeten gelooven, dan alleen indien hij met een offer tot ons komt, dat dadelijk door het vuur verteerd wordt. 180. Antwoord: Reeds vóór mij zijn gezanten gekomen met duidelijke bewijzen en met het wonder waarvan hij spreekt: waarom hebt gij hen dan gedood, indien gij waarheidlievende menschen zijt? 181. Beschuldigen zij u van bedrog o Mahomet! de gezanten vóór u werden reeds van bedrog beschuldigd, terwijl zij duidelijke bewijzen medebrachten en de schrift het verlichtende boek. 182. Iedereen zal den dood proeven, en op den dag der opstanding zult gij uw loon ontvangen; en hij, die zich ver van het vuur heeft verwijderd en in het paradijs zal toegelaten worden, zal gelukkig zijn; want het aardsche leven is bedriegelijk bezit. 183. Gij zult beproefd worden in uwe bezittingen en in u zelven, en gij zult vele harde woorden moeten aanhooren van hen, die de schrift vóór u hebben ontvangen en van de afgodendienaars; maar weest geduldig en vreest God; want zoo is het vastbesloten. 184. En toen God een verbond sloot met hen, die hij de schrift gaf, met den last, die den menschen bekend te maken en haar niet te verbergen, wierpen zij dit achter hunne ruggen en verkochten het voor een lagen prijs. Hoe slecht was de prijs dien zij er voor ontvingen. 185. Denk niet dat zij, die zich verblijden in hetgeen zij gedaan hebben, en wenschen geprezen te worden om hetgeen zij niet gedaan hebben, denk niet dat zij van de straf zijn uitgesloten; eene groote straf wacht hen. 186. God is de Heer over [128]hemel en aarde. Hij is de almachtige. 187. In de schepping van hemel en aarde; in de afwisseling van dag en nacht zijn teekens voor hen die nadenken. 188. Die staande, zittende en liggende aan God denken en, bij het nadenken over de schepping van hemel en aarde, uitroepen: O Heer! gij hebt dit niet zonder reden geschapen. Lof zij u. Red ons van de straf des vuurs. 189. O, Heer! indien gij iemand in het vuur stort, zult gij hem met schande bedekken. De goddeloozen hebben geene hulp van u te hopen. 190. O Heer! wij hebben een prediker gehoord59, die ons tot geloof aanspoorde, zeggende: Gelooft in uwen Heer! en wij geloofden. 191. O Heer! vergeef ons dus onze zonden; wisch onze misstappen uit en laat ons met de vromen sterven. 192. O Heer! geef ons ook wat gij door uwe gezanten hebt beloofd, en bedek ons niet met schande op den dag der opstanding. Gij verbreekt uwe belofte niet. 193. God antwoordde hun, zeggende: Ik laat geene goede daad verloren gaan, wie die ook gedaan hebbe; hetzij man of vrouw60. De eene onder u is uit den andere gesproten. 194. Zij die hunne woonplaatsen hebben verlaten en uit hunne huizen werden verdreven, voor mijnen godsdienst hebben geleden, en in den slag zijn omgekomen, wil ik van alle schuld bevrijden, en zal hen brengen in de tuinen van wateren doorsneden. 195. Dit is de belooning van God; dit is de schoonste belooning. 196. Laat u niet verblinden door den voorspoed der ongeloovigen61. IJdel genot62. Hunne woning zal de hel zijn; een ongelukkig verblijf. 197. Maar zij, die God vreezen, zullen tuinen bewonen met wateren doorsneden, en zullen eeuwig daarin verblijven. Dit is de belooning van God. Wat van God komt, is beter voor de geloovigen. 198. Onder hen die de schrift hebben ontvangen, zijn er, die God gelooven en in hetgeen u is gezonden, en hetgeen hun is gezonden; die zich aan God onderwerpen en Gods teekenen niet voor een geringen prijs verkoopen. 199. Zij zullen hunne belooning van God ontvangen; want God is vlug in het samenstellen. 200. O, geloovigen! weest geduldig; streeft er naar, in geduld uit te munten; weest standvastig en vreest God, opdat gij gelukkig zijt. [129]
1 Zie hierna de noot van vers 30.
2 Zie de noot van het 1e vers, vorige soera.
3 De onderscheiding is een der titels van den Koran, omdat die leert, het goede van het kwade, het geoorloofde van het ongeoorloofde te onderscheiden.
4 Men onderscheide hier wel de beteekenis der woorden: grondzuilen (of moeder) des boeks, hier in den zin van grondslag gebruikt, van die des anderen, wordende het eene op het eerste hoofdstuk van den Koran, het tweede op den prototype van den Koran toegepast, die in den Hemel bewaard en ook het duidelijke boek genoemd wordt.
5 Het woord ahl, dat gewoonlijk door huisgezin wordt vertaald, beteekent, in meer algemeenen zin gebruikt, volk, aanhangers van, of lieden van.
6 Het teeken of mirakel, hier bedoeld, was de overwinning, in het tweede jaar der Hedjira, door Mahomet behaald op de heidensche bewoners van Mekka, die door Aboe Sofian werden aangevoerd, en welke in de vallei Bedr plaats had, die gelegen is nabij de zee tusschen Mekka en Medina. Mahomets strijdkrachten bestonden slechts uit 319 man, terwijl het leger van den vijand bijna 1000 man sterk was. Niettegenstaande dit verschil, noodzaakte hij hen te vluchten, nadat hij zeventig der voornaamste Koreïshieten gedood en verscheidene gevangen gemaakt had, met een verlies van slechts veertien man van zijn eigen volk. (Elmacin, Hottinger, Hist. Oriënt. Abülfed, Vit. Moham, enz.). Dit was de eerste overwinning die door den profeet werd behaald, en hoewel het geene zeer belangrijke gebeurtenis moge schijnen, toch was het een groot voordeel voor hem en voor de grondvesting van al zijn volgende macht en geluk. Daarom is deze gebeurtenis beroemd in de Arabische geschiedenis en meer dan eens in den Koran vermeld. (Zie lager in deze soera en de soeras 8 en 32) en als [110n]een gevolg van de goddelijke hulp aangehaald. Het genoemde mirakel bestaat naar men zegt uit drie zaken: 1º. Mahomet nam op order van Gabriël, eene handvol zand en wierp het, tijdens den aanval, naar den vijand, zeggende: Mogen hunne aangezichten beschaamd worden, waarop zij onmiddellijk vluchtten. Maar hoewel de profeet zelf waarschijnlijk met het zand wierp, wordt toch in den Koran (8e Soera voorste ged.) gezegd, dat God daarmede zou hebben geworpen; dat is, door tusschenkomst van zijnen engel. 2º. De Mahomedanen rekenden de ongeloovigen twee maal sterker te zijn dan zij, hetwelk hen zeer ontmoedigde, en 3º. God zond eerst duizend engelen te hunner hulp en daarna drie duizend engelen, aangevoerd door Gabriël, die op zijn paard Haïzûm was gezeten; en volgens den Koran (8e Soera) werd dit alles door de hemelsche helpers uitgevoerd, hoewel de Mahomedanen zich verbeeldden het zelven te doen, en dus op hetzelfde oogenblik dapper vochten
7 Eigenlijk gemerkte paarden, zijnde de edele paarden, die men met zorg bewaart en van het naamcijfer des bezitters voorziet.
8 Hiermede worden de heidensche Arabieren bedoeld, die geene kennis der schriften hebben (Jallalo’ddin, Al Beidâwi). Het Arabische woord is hier echter niet datgene waarvan de Koran zich gewoonlijk bedient, waar hij over afgodendienaars spreekt. Het is het woord ommin, lieden van het volk. Het woord ommi (enkelvoudig) ongeletterde, wordt echter ook op Mahomet toegepast.
9 De Joden.
10 Deze plaats werd geopenbaard bij gelegenheid dat Mahomet twist had met eenige Joden, hetgeen door de uitleggers op verschillende wijze wordt verhaald. Al Beidâwi zegt, dat, toen Mahomet eens in eene synagoge ging, Naïm Ebn Amroe en Al Hareth Ebn Zeid hem vroegen, van welken godsdienst hij was. Hij antwoordde: van Abrahams godsdienst. Zij hernamen, Abraham was een jood, maar op Mahomets voorstel, dat de Pentateuchus het geschil zou beslechten, wilden zij op geenerlei wijze daarin toestemmen. Jallalo’ddin verhaalt, dat twee Joden overspel hadden bedreven, waarop Mahomet hen veroordeelde om ingevolge de wet van Mozes, gesteenigd te worden. De Joden weigerden dit uit te voeren, zeggende, dat er geen dergelijk verbod in den Pentateuchus was, maar toen Mahomet dat boek tot getuige riep, werd die wet er in gevonden. Daarna werden de misdadigers gesteenigd. Het is zeer opmerkelijk, dat deze wet van Mozes betreffende het steenigen van overspeligen in het Nieuwe Testament (Joh. VIII : 5) is vermeld hoewel sommigen de echtheid dier geheele plaats betwisten, doch nu is het noch in de Hebreeuwsche of Samaritaansche Pentateuchus, noch in de Septuaginta te vinden, daar er slechts wordt gezegd, dat die ter dood gebracht zullen worden (Lev. XX : 10. Zie ook Whistons, Essay towards restoring the true Text of the Old Testament, bladz. 99 en 100). Op deze bijzonderheid wordt door de Mahomedanen aanhoudend gewezen als een bewijs van de verminking der wet van Mozes door de Joden. Het is mede opmerkelijk, dat er eens een vers in den Koran bestond, waarin geboden werd de overspeligen te steenigen, en dat de uitleggers zeiden, dat de woorden slechts waren afgeschaft, hoewel de zin of wet van kracht bleef.
11 Zie de tweede Soera, vers 74.
12 Imran, Amran of Imram is volgens de Mahomedaansche overlevering, den naam van twee verschillende personen. De een was de vader van Mozes en Aäron, en de ander was de vader van Maria (Al Zamakhshari, Al Beidâwi) welke bij sommige christen-schrijvers Joachim wordt genoemd. De uitleggers veronderstellen, dat de eerste, of eigenlijk dat beide op deze plaats bedoeld worden, hoewel men aanneemt, dat de persoon op de volgende plaats bedoeld, laatstgenoemde was, die behalve Maria, de moeder van Jezus, ook een zoon had, welke Aäron werd genaamd (Koran 19e soera) en eene zuster Ishà of Elisabeth, die met Zacharias huwde en de moeder was van Johannes den Dooper; weshalve deze profeet en Jezus gewoonlijk door de Mahomedanen De twee zonen der tante, of de neven worden genoemd. Hier verwart de Koran Maria de moeder van Jezus met Maria of Mirjam, de zuster van Mozes en Aäron, hoewel het uit andere plaatsen van den Koran duidelijk blijkt dat Mahomet wel degelijk wist, dat Mozes verscheidene eeuwen voor Christus leefde.
13 De persoon Imram, hier bedoeld, was de vader van Maria; de naam zijner vrouw was Hannah of Anna, de dochter van Fakudh.
14 Dit is: dat een meisje geene priesterlijke diensten kon verrichten, evenals een knaap.
15 Deze uitdrukking staat in verband met eene overlevering, dat Abraham, toen de duivel hem beproefde, God niet te gehoorzamen, door zijn’ zoon niet te offeren, den boozen geest verdreef, door met steenen naar hem te werpen. Tot aandenken dezer gebeurtenis werpen de Mahomedanen, bij den pelgrimstocht naar Mekka, in de vallei van Mina een aantal steenen, met zekere ceremoniën naar den duivel.
16 Ofschoon het kind geen jongen was, bood heur moeder haar toch den priesters aan, die met het opzicht in den tempel belast waren, als eene aan God gewijde. Nadat zij haar hadden ontvangen, werd zij aan de zorg van Zacharias toevertrouwd, die haar een vertrek in den tempel bouwde en haar van het noodige voorzag. (Jallalo’ddin, Al Beidâwi, enz.)
17 De uitleggers zeggen, dat niemand in Maria’s vertrek mocht komen behalve Zacharias, en dat hij zeven deuren achter haar sloot. Desniettegenstaande vond hij haar in den winter van zomervruchten en in den zomer van wintervruchten voorzien.
18 Dat is Jezus, die volgens een der uitleggers (Al Beidâwi), zoo werd genoemd, omdat hij, door bevel van God, zonder vader ontvangen was.
19 Het oorspronkelijke beteekent iemand, die zich niet alleen aan de vrouwen, maar ook aan alle andere genoegens en begeerten zal onttrekken.
20 Zacharias was toen negenennegentig jaar oud, en zijne vrouw negenentachtig. (Al Beidâwi). Vergelijk de voorzegging aan Abraham (Gen. XVII : 17).
21 Zijn aangezicht ter aarde doen bukken en de knie buigen, geschiedt bij het gebed der Muzelmannen. Mahomet schijnt deze uitdrukking hier opzettelijk te bezigen, om zijne leer vast te hechten aan die der rechtvaardigen van het Oude Testament.
22 Toen Maria voor het eerst in den tempel werd gebracht, twistten zij onder elkander, omdat zij de dochter van een hunner opperhoofden was, wie met hare opvoeding zou belast worden. Zacharias stond er op, dat hij de voorkeur zou hebben, dewijl hij met hare tante getrouwd [114n]was, maar de anderen stemden daarin niet toe. Zij kwamen toen overeen, dat het lot tusschen hen zou beslissen, waarop zevenentwintig naar de rivier de Jordaan gingen en hunne roeden er in wierpen, waarop zij eenige plaatsen der wet hadden geschreven; alle zonken zij, behalve die van Zacharias, die op het water dreef. Daarop werd hem de zorg over het kind toevertrouwd. (Al Beidâwi, Jallalo’ddin, enz.)
23 Behalve het verhaal hiervan gegeven door de Koran (19e soera), geeft een Mahomedaansch schrijver (die echter niet veel gezag heeft) twee verhalen; een, dat Jezus sprak, terwijl hij nog in het lichaam zijner moeder besloten was, om haren neef Joseph te bestraffen, over de onrechtvaardige verdenking, die hij van haar voedde (Sikii, notas in Evang. Infant, pag. 5) en een ander sprookje, dat hij aan denzelfden persoon een antwoord zou hebben gegeven, kort nadat hij geboren was. Want Joseph, die door Zacharias was uitgezonden, om Maria op te zoeken, welke de stad bij nacht had verlaten, om hare bevalling te verbergen, begon haar te onderhouden toen hij haar had gevonden; maar ze gaf geen antwoord, waarop het kind zeide: Verheug u, o Jozef! en wees tevreden; want God heeft mij voortgebracht uit de duisternis van het moederlijf, voor het licht der wereld, en ik zal tot de kinderen Israëls gaan en hen noodigen tot gehoorzaamheid aan God (Al Kessai). Dit schijnt geheel ontleend te zijn aan de vele fabelachtige overleveringen der oostersche Christenen, waarvan eene tot ons is gekomen in het aprocryphe evangelie van de kindsheid van Christus, waar wij vinden, dat Jezus sprak, tijdens hij nog in zijne wieg lag, en tot zijne moeder zeide: Waarlijk ik ben Jezus, de zoon van God, wiens woord gij hebt voorgebracht, zooals de engel Gabriël u heeft verklaard: en mijn vader heeft mij gezonden om de wereld te redden.
24 Sommigen zeggen dat het eene vledermuis was (Jallalo’ddin); maar anderen veronderstellen, dat Jezus vele vogels van verschillende soorten maakte. Deze omstandigheid is mede ontleend aan de volgende fabelachtige overlevering, welke in het bovengenoemde apocryphe evangelie is te vinden. Toen Jezus zeven jaar oud was, speelde hij met eenige kinderen van zijnen ouderdom; zij maakten uit klei verschillende vormen van vogels en andere dieren, om zich te vermaken en ieder gaf zijn eigen werk de voorkeur. Jezus vertelde hun, dat hij die wilde doen loopen en springen, hetwelk zij op zijn bevel ook deden. Hij maakte ook vele figuren van menschen en andere [115n]vogels, die weg vlogen, of op zijne handen bleven staan, al naar hij het hun beval en ook aten en dronken, als hij hun spijs en drank aanbood. De kinderen vertelden dit aan hunne ouders, die hun verboden, nimmer meer met Jezus te spelen, dien zij voor een toovenaar hielden. (Evang. Infant. pag. 111 enz.).
25 Jallalo’ddin vermeldt drie personen, welke Christus in het leven terug bracht, en die onderscheiden jaren daarna nog leefden en kinderen hadden, zijnde: Lazarus, de zoon der weduwe, en de dochter van den herbergier (waarschijnlijk van het opperhoofd der synagoge). Hij voegt er bij, dat hij ook Sem, den zoon van Noach, heeft opgewekt, die, zoo als een ander (Al Thalabi) schrijft, dacht, dat hij ten oordeel werd geroepen, en met een half grijs hoofd uit zijn graf kwam, ofschoon de menschen in zijne dagen niet grijs werden. Daarna stierf hij onmiddellijk weder.
26 Hier staat in den tekst: inni motewafika. Dit woord wordt gebruikt in de beteekenis van den dood te doen ondergaan, sprekende van God, die de menschen oproept en tot zich ontvangt, bij het einde van hun leven. De uitleggers, door deze plaats, welke in tegenspraak is met de meening dat Jezus niet gestorven is, maar dat God een ander in zijne plaats stelde, in verlegenheid gebracht, denken dat dit woord, hoewel het eerste in den tekst geplaatst, echter, wat den zin betreft, de andere in deze orde moet volgen: Ik zal u tot mij opheffen, en aan het einde zal ik u geheel als de andere menschen doen sterven. Eenige verklaarders gelooven, dat Jezus werkelijk gestorven is voor zijne hemelvaart, en wel gedurende drie uren, en dat hij niet is gekruisigd. Overigens wordt deze plaats op verschillende wijze verklaard.
27 Enige Mahomedanen zeggen, dat dit door tusschenkomst van Gabriël geschiedde; maar anderen zijn van meening, dat een sterke dwarrelwind hem van den berg Oljvet opnam (Althalabi, zie ook 2 Koningen II : 1 en 11).
28 Namelijk omtrent Jezus.
29 Om deze plaats te verklaren, wordt door de uitleggers het volgende verhaald: Verschillende Christenen kwamen met hunnen bisschop, Abn Hareth genaamd, tot Mahomet, als afgezanten van de bewoners van Najran of Nedjran (land van Arabië), en vingen aan met hem te twisten over godsdienst en de geschiedenis van Jezus. Zij stemden er eindelijk in toe, de genoemde zaak den volgenden ochtend te behandelen, als een korte weg om te beslissen, wie van hen in het ongelijk was. Mahomet bracht zijne dochter Fatima, zijn schoonzoon Ali en zijn beide kleinzonen Hassan en Hoessein mede, en hij verzocht de Christenen te wachten, tot hij zou hebben gebeden. Maar toen zij hem zagen knielen, ontbrak hun de moed, en dorsten zij het niet wagen, hem te vloeken, maar onderwierpen zich aan hem (Jallalo’ddin, Al Beidâwi). Deze plaats wordt mobaheleh genoemd en is van groot gewicht bij alle Muzelmannen, maar meer bijzonder bij de Chiiten (volgelingen van Ali), omdat Mahomet, die Fatima, Ali, Hassan en Hoessein had medegebracht, de woorden gebruikt: onze zielen en de uwe, hetgeen ten bewijze strekt voor de innige verbinding en ondeelbaarheid van Mahomet en zijn gezin.
30 Behalve van andere afgodische daden beschuldigt Mahomet de Joden en Christenen, dat zij een al te blind geloof schenken aan hunne priesters en monniken, welke zich de macht hebben toegeëigend, uit te maken, welke zaken wettig en welke onwettig zijn, en van het volgen van Gods wetten te ontslaan.
31 Hier worden de Joden en Christenen andermaal beschuldigd, de schriften te hebben vervalscht en de profetiën omtrent Mahomet te hebben verduisterd.
32 De uitleggers zeggen, om deze plaats te verklaren, dat Caab Ebn Al Ashraf en Malec Ebn Al Seif (twee Joden van Medina), hunne gezellen roepen, toen de Kebla was veranderd, te doen alsof zij geloofden, dat die door God was gegeven, door des ochtends te bidden naar den Caaba gewend, en dat zij des avonds, zooals gewoonlijk, naar Jeruzalem gekeerd, zouden bidden, opdat de volgelingen van Mahomet, die zich verbeeldden, dat de Joden betere rechters dan zij op dit punt waren, hun voorbeeld zouden volgen. Anderen zeggen echter, dat het zekere Joodsche priesters of khaibar waren, die sommigen van hun volk bevalen, des ochtends voor te geven, dat zij den Mahomedaanschen godsdienst hadden omhelsd, maar aan het einde van den dag te zeggen, dat zij hunne boeken der schrift nagezien en hunne rabijnen geraadpleegd hadden, doch dat zij niet konden vinden, dat Mahomet de persoon was, in de wet beschreven en bedoeld; door welke list zij hoopten, twijfel in de harten der Mahomedanen te doen ontstaan (Al Beidâwi).
33 In het Arabisch staat voor het woord talent: kintar, dat duizend dinars of goudstukken waard was. Als een voorbeeld van deze plaats halen de uitleggers Abd’allah Ebn Salâm aan, een jood, die zeer bevriend was met Mahomet (Prideaux, Life of Moham, pag. 33), aan wien een der Koreïshieten 1200 oncen goud leende, welke hij zeer stipt op den bepaalden tijd betaalde (Al Beidâwi, Jallalo’ddin).
34 Mahomet spreekt hier van de Christenen, die, volgens hem, aan Jezus, zoon van Maria en eenvoudig sterveling, eene taal in den mond leggen, welke hij, als profeet en oprecht vereerder van God, nimmer heeft kunnen voeren. Al Beldâwi voegt er bij, dat twee Christenen, Abn Râfè al Koradhi en Al Seynd al Najrâni, aanboden, Mahomet als hunnen God te erkennen en hem te aanbidden, waarop hij geantwoord had: God verbiedt, dat wij iemand naast hem zouden vereeren.
35 Dat is: hen te aanbidden en rabb (meester, heer) te noemen, hetwelk men slechts aan God schuldig is.
36 Becca of Mekka. Mahomet ontving deze plaats toen de Joden zeiden, dat hunne Kebla, of de tempel van Jeruzalem, ouder was dan die der Mahomedanen, of de Caaba.
37 Letterlijk: Houdt vast aan de koord van God, d.i. verzekert u zelven, door den Islam aan te nemen, welke hier figuurlijk wordt uitgedrukt door “koord,” omdat het een zeker middel is, hen te redden, die [120n]anders eenen godsdienst belijden, waardoor zij hiernamaals verloren zouden zijn, daar het vasthouden aan een touw het voorbehoedmiddel is tegen het vallen in een put of andere plaats. Men zegt dat Mahomet, om de zelfde reden, den Koran Habl Allah al matiu noemt, d.i. de zekere koord van God (Al Beidâwi).
38 Als de Joden en Christenen, die omtrent de eenheid van God enz. twistten.
39 Zoo als Abd’allah Ebn Salâm en zijne metgezellen (Al Beidâwi) en diegenen van de stammen Al Ans en Al Khazraj welke het mahomedanisme hebben omhelsd.
40 Die namelijk welke het islamismus hebben aangenomen.
41 Dat is, tot eenen anderen godsdienst.
42 Dit was de slag van Ohod, een berg op vier mijlen ten Noorden van Medina. De Koreïshieten hadden namelijk, om hun verlies bij Bedr (zie het begin van deze soera) te wreken, in het volgende jaar, zijnde het derde der Hedjira, een leger van 3000 man te zamen getrokken, waaronder 200 paarden en 200 man, die met maliënkolders waren gewapend. Deze strijdkrachten werden aangevoerd door Aboe Sofiân en maakten te Dhu’lholeifa, een dorp op zes mijlen afstands van Medina halt. Mahomet, wiens leger veel minder talrijk was dan dat zijner vijanden, had eerst besloten, hen in de stad af te wachten, maar later volgde hij den raad van sommigen zijner makkers en rukte tegen hen op, aan het hoofd van 1000 man (sommigen zeggen hij had 1050 man, anderen 900, waarvan 100 met maliënkolders waren voorzien, maar hij had slechts één paard, behalve het zijne, in het geheele leger). Met deze strijdkrachten vormde hij een kamp in een dorp bij Ohod, welken berg hij in den rug verlangde te hebben, om het voordeel, zijne manschappen tegen omsingeling te behoeden, waartoe hij nog 50 boogschutters in de achterhoede plaatste, met streng bevel, hunne posten niet te verlaten. Toen het gevecht begon, was het voordeel eerst aan Mahomets zijde, maar later verloor hij den slag door de schuld zijner boogschutters, die de gelederen verlieten om te plunderen, en zoodoende toelieten, dat de paarden der vijanden de Mahomedanen omsingelden en hen in de achterhoede aanvielen. Mahomet had daarbij echter zijn leven verloren, daar zijn leger door eene hagelbui van steenen aangevallen, en door twee pijlen in het aangezicht gewond werd, waardoor hij, toen men die uittrok, twee zijner voorste tanden verloor. Van de Moslems waren 90 man gedood, waaronder Hamzoe, de oom van Mahomet en van de ongeloovigen [122n]22 (Abulfeda). Deze plaats moest dienen om den slechten uitslag van dit gevecht te verontschuldigen, en den nedergeslagen moed zijner volgelingen weder op te wekken.
43 Dit waren sommigen van de gezinnen van Banoe Salma van den stam van Al Khagraj en Banoel, Nareth van den stam van Al Aws, die de beide vleugels van Mahomets leger vormden.
44 Deze plaats werd geopenbaard, toen Mahomet gewond werd in den slag van Ohod en uitriep: Hoe zal het volk kunnen zegepralen, dat het aangezicht van zijnen profeet met bloed heeft bevlekt, terwijl hij hen tot hunnen God riep: De persoon die hem wondde was Otha de zoon van Abboe Wakkâs (Al Beidâwi).
45 Toen zij te Bedr werden geslagen. Het is opmerkelijk, dat het getal der Mahomedanen die bij Ohod werden gedood gelijk is aan dat der afgodendienaars die de Bedr vielen. Dit was zoo door God bevolen, om eene elders op te geven reden (VIIIe Soera).
46 Deze plaats heeft betrekking op vele van Mahomets volgelingen, die niet te Bedr tegenwoordig waren geweest, en welke de gelegenheid wenschten te hebben, in een ander gevecht dezelfde eer te genieten als zij die als martelaren in den slag vielen, maar ontmoedigd werden, toen zij het grooter getal afgodendienaars in den slag van Ohod lagen.
47 Ten einde de klachten van zijn volk om hunne nederlaag des te krachtiger te stillen, stelt Mahomet het zóó voor, als ware de levenstijd van iederen mensch vooraf bij God bepaald, en dat zij, die in den slag vielen, hunnen dood niet zouden hebben ontgaan, indien zij te huis waren gebleven, terwijl zij nu het glorierijke voordeel genoten, als martelaars voor het geloof te vallen.
48 Dat is: de overwinning en den buit.
49 Zeggende: komt hier tot mij, o dienaren van God! Ik ben Gods gezant. Hij, die terugkeert, zal in het paradijs komen. Maar niettegenstaande al zijne pogingen om zijne lieden te verzamelen, kon hij niet meer dan dertig van hen daartoe brengen.
50 Na het gevecht werden zij, die in den slag pal bleven staan, terwijl zij in het veld lagen, door een aangenamen slaap verkwikt, zoodat hun de zwaarden uit de handen vielen; maar zij, die zich slecht hadden gedragen, werden verontrust, en hunne harten verbeeldden zich, dat zij aan het verderf waren overgegeven (Al Beidâwi, Jallalo’ddin).
51 Dat is: Is hier eenige schijn van goed gevolg, of van de goddelijke gunst en ondersteuning die ons is toegezegd? (Al Beidâwi, Jallalo’ddin).
52 Indien God ons ondersteunt, volgens zijne belofte, of, zooals anderen die woorden teruggeven, indien wij den raad van Aballah Eboe Obba Sollûl hadden gevolgd, en in de stad Medina waren gebleven, hadden onze makkers het leven niet verloren (Al Beidâwi, Jallalo’ddin).
53 Volgens het zeggen van sommigen in deze plaats geopenbaard bij de verdeeling van den geplunderden buit te Bedr, toen sommigen der soldaten Mahomet verdacht hielden, zich in het geheim van een zijden dekkleed, dat zeer prachtig was, en hetwelk vermist werd te hebben meester gemaakt (Al Beidâwi, Jallalo’ddin). Anderen veronderstellen, dat de boogschutters, die oorzaak waren van den slag van Ohod, hunne gelederen verlieten, omdat zij zich verbeeldden, dat Mahomet geen deel aan den buit zou geven, naardien hij eens, zoo als verhaald wordt, een deel vooruit zond, en in denzelfden tijd den vijand aanviel, waarvan hij den ruimen buit onder degenen verdeelde, die met hem in het gevecht waren, en niets gaf aan het korps, dat wegens plichtsvervulling afwezig was.
54 Volgens eene overlevering van Mahomet, zal hij, die in deze wereld zijn naaste zal hebben bedrogen, op den dag der opstanding verschijnen, met de voorwerpen op den schouder welke hij door bedrog heeft verkregen, en bedekt met schande.
55 Zijnde: de Sonna (Al Beidâwi).
56 Het was het gevolg van uwe ongehoorzaamheid aan de bevelen van den profeet, en door dat gij uw post verliet om te plunderen.
57 Deze plaats werd geopenbaard voor de oproerige en ongehoorzame Mahomedanen, die tot Mahomet hadden gezegd, dat, indien hij een ware profeet was, hij gemakkelijk de wezenlijk geloovigen van de huichelaars kon onderscheiden (Al Beidâwi).
58 Men zegt dat Mahomet heeft verklaard, dat degeen die zijne wettelijke bijdrage aan aalmoezen niet stipt betaalde, op den dag der opstanding, eene slang om zijn hals gedraaid zal hebben.
59 Mahomet met den Koran.
60 Zoo als sommigen verhalen, werden deze woorden in den Koran gevoegd, omdat Omm Salma, een der vrouwen van den profeet, hem verhaalde wat zij had opgemerkt, dat God dikwijls melding maakt van de mannen die hunne woonplaatsen verlaten voor de zaak van het geloof, maar van de vrouwen niet gewaagt (Al Beidâwi).
61 De oorspronkelijke uitdrukking beteekent eigenlijk: goeden uitslag in de zaken van het leven, bijzonder in den handel. Men zegt dat deze plaats werd geopenbaard, omdat velen van Mahomets volgelingen den voorspoed der afgodendienaars opmerkten en benijdden, en hun leedwezen uitdrukten, dat die vijanden van God in zulke vreugde en overvloed leefden, terwijl zij zelven van honger en vermoeidheid stierven (Al Beidâwi).
62 Om den korten duur.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. O menschen! vreest uwen God, die u uit eenen man geschapen heeft en uit dezen diens vrouw, en uit beiden vele mannen en vrouwen deed ontstaan. Vreest God, tot wien gij voor elkander bidt2, en eert de vrouw3 die u heeft geboren: want God waakt over u. 2. Geeft de weezen hun vermogen (als zij meerderjarig zijn geworden), en geeft hun geen slecht voor goed4. Verteer hun vermogen niet, door het bij het uwe te voegen; want dit is eene groote zonde. 3. En indien gij vreest, niet rechtvaardig te kunnen zijn omtrent de weezen (der vrouwelijke kunne), neem dan, naar uw behagen, twee of drie, of vier vrouwen, maar niet meer5. Indien gij echter toch vreest, niet rechtvaardig te kunnen zijn, neem dan eene, of eene der slavinnen die gij u verworven hebt6. Dan zal het u gemakkelijker zijn, niet van den rechten weg af te dwalen. En geef uwe vrouwen insgelijks hare huwelijksgiften7, en indien zij u [130]vrijwillig daarvan een deel afstaan, geniet het dan met gemak en nut. 4. Vertrouw het vermogen der zwakken van zinnen8, hetwelk God u tot hun onderhoud heeft gegeven, niet in hunne handen, maar voed hen; geef hun kleederen en spreek vriendelijk met hen. 5. Onderzoekt de weezen9 tot zij de jaren des huwelijks hebben bereikt10. Vindt gij hen in staat, om hunne zaken zelf te besturen, geeft hun dan hun vermogen terug. Neemt u in acht, dat gij het niet buitensporig verteert en haast u niet. 6. Want zij groeien op11. Dat de rijke voogd zich in acht neme, het geld van zijn pupil aan te raken, en laat hij, die arm is, naar billijkheid van hun vermogen genieten12. 7. Als gij hun het vermogen overgeeft, neemt dan getuigen in hunne tegenwoordigheid. God vordert rekenschap van uwe daden en dat is voldoende. 8. De mannen komt een deel toe van hetgeen ouders en bloedverwanten nalaten, de vrouwen moeten mede een deel hebben van hetgeen ouders of bloedverwanten nalaten13, hetzij weinig of veel; een bepaald deel komt hun toe. 9. Indien de verwanten, weezen en armen tegenwoordig zijn bij de deeling, verdeel dan een gedeelte onder hen, en spreek hen ten minste vriendelijk aan, indien er weinig aanwezig is. 10. Laat degenen huiveren, weezen te bedriegen, die jonge kinderen nalaten, en voor hen vreezen. Zij moesten God vertrouwen en slechts eene gepaste taal voeren14. 11. Zij, die het vermogen der weezen onoprecht verteren, brengen het vuur in hunne ingewanden, en zullen eens in heete vlammen braden. 12. God heeft u dit, betreffende uwe kinderen, geboden. Een knaap zal [131]zooveel hebben als het deel van twee vrouwen15; maar indien het alleen vrouwen zijn, en meer dan twee, zullen zij twee derden der nalatenschap16, en indien er maar eene is, zal zij de helft17 hebben. En de ouders van den overledene zullen ieder een zesde gedeelte ontvangen van hetgeen hij nalaat, indien hij een kind heeft achtergelaten. Indien hij geen kind nalaat, en zijne ouders zijne erven zijn, zal de moeder een derde18 hebben. En indien hij broeders heeft, zal zijne moeder een zesde hebben, nadat de legaten19 en de schulden van den erflater zullen betaald zijn. Gij weet niet, of uwe kinderen of uwe ouders u nuttiger zijn. Dit is een bevel van God, de alwetende en alwijze. 13. Buitendien moogt gij aanspraak maken op de helft van hetgeen uwe vrouwen nalaten, indien zij geene kinderen hebben; en indien zij kinderen bezitten, dan zult gij het vierde ontvangen van hetgeen zij nalaten, nadat de legaten en hare schulden zullen betaald zijn. 14. Zij zullen ook het vierde hebben van hetgeen gij zult nalaten. Indien gij kinderen hebt, zullen zij het achtste gedeelte hebben van hetgeen gij nalaat, nadat uwe legaten en schulden zullen zijn betaald. 15. En indien het vermogen van een man of eene vrouw door een verwijderde bloedverwant wordt geërfd20, en hij of zij een broeder of zuster heeft, dan zal ieder van hen beiden een zesde gedeelte der nalatenschap21 ontvangen. Indien er meer zijn, zullen [132]zij een derde gedeelte gelijk deelen, na betaling der legaten en schulden. 16. Zonder daardoor aan anderen nadeel toe te brengen. Dit is een bevel van God; hij is wijs en genadig. 17. Dit zijn Gods bevelen. En wie God en zijne gezanten gehoorzaamt, zal door God in tuinen geleid worden van stroomen doorsneden. Hij zal eeuwig daarin verblijven, en dit zal eene groote gelukzaligheid zijn. 18. Maar hij die God en zijne gezanten ongehoorzaam is en zijne bevelen overtreedt, zal in het vuur der hel komen. Hij zal daarin eeuwig verblijven en eene schandelijke straf ondergaan. 19. Indien uwe vrouwen aan eene afschuwelijke daad22 schuldig zijn, roep dan vier getuigen van u tegen haar, en indien deze tegen haar getuigen, sluit haar op in afzonderlijke vertrekken, tot de dood haar bevrijdt, of dat God haar een weg tot redding schenkt. 20. Indien twee uwer dezelfde misdaad begaan, straf hen beiden23; maar indien zij berouw hebben en zich beteren, laat hen met rust; want God is vergevingsgezind en barmhartig. 21. Waarlijk, bij God is verzoening voor hen, die in onwetendheid gezondigd en er spoedig berouw over hebben. God vergeeft hun; want God is alwetend en wijs. 22. Maar er is geene verzoening voor hen, die het booze doen tot de dood hen treft, en dan eerst zeggen: Ik heb berouw; ook voor hen niet die als ongeloovigen sterven. Voor dezen hebben wij een strenge straf bepaald. 23. O geloovigen! het is niet geoorloofd, de erfgenamen van vrouwen te worden, tegen haren wil, noch haar te beletten te trouwen; om daardoor een deel te ontvangen van hetgeen gij haar gegeven hebt, behalve indien zij eene openbare misdaad24 hebben begaan; maar ga goed met haar om. Indien gij haar echter haat, dan kan het mogelijk zijn, dat gij iets haat, waarin door God groot geluk voor u is bereid. 24. Indien gij eene vrouw tegen eene andere wilt verruilen25, en hadt gij reeds eene van haar een [133]talent gegeven, dan nog moogt gij niets daarvan terugnemen26. Zoudt gij het haar ook door eene onrechtvaardigheid en klaarblijkelijke oneerlijkheid willen afnemen? 25. En hoe zoudt gij het haar ook willen afnemen, dewijl gij innig met elkander verbonden zijt geweest en uwe vrouw uwe plechtige gelofte heeft ontvangen. 26. Huw de vrouwen niet, die de echtgenooten van uwe vaders waren, hetgeen reeds geschied is; want het is schandelijk en afschuwelijk, en eene slechte daad. 27. Het is u verboden te huwen met uwe moeders, uwe dochters en uwe zusters, en uwe tantes, zoowel van vaders als van moeders zijde; de dochters van uwe broeders en zusters, uwe voedsters27, uwe zoogzusters, de moeder uwer vrouwen en uwe stiefdochters, welke gij onder uwe bescherming hebt genomen, en uit vrouwen geboren zijn, met welke gij reeds omgang hebt gehad. Hebt gij echter geen omgang met haar gehad, dan is er geene zonde in met haar te huwen. Huw ook niet met de vrouwen uwer zonen, die uit u zijn ontsproten, noch twee zusters, behalve wat reeds is geschied28; want God is genadig en barmhartig. 28. Het is verboden, getrouwde vrouwen te huwen, behalve diegene, welke als slavinnen29 in uwe handen zijn gevallen. Zoo gebiedt God het u. Al het overige wat hier niet wordt verboden, is geoorloofd. Gij kunt uw vrouwen nemen naar uw vermogen, maar altijd sober levende en u niet aan ongebondenheid overgevende. En voor het genoegen dat gij met haar smaakt, zult gij haar eene belooning geven30, overeenkomstig hetgeen is voorgeschreven. Het zal geene misdaad van u zijn, indien gij daarenboven eene andere overeenkomst met elkander aangaat, na het volvoeren van hetgeen is voorgeschreven; want God is alwetend en wijs. 29. Hij onder u, die niet rijk genoeg zal zijn, vrije31 vrouwen die geloovig zijn te huwen, [134]zal met slavinnen huwen, indien zij geloovig zijn; want God kent uw geloof32. Gij zijt de een uit den ander voortgekomen33; huw haar daarom met de toestemming harer meesters, en geef haar een bruidschat, volgens hetgeen rechtvaardig is. Laat haar kuisch, niet schuldig aan overspel zijn en geene liefdesbetrekkingen onderhouden. 30. En indien zij gedurende het huwelijk overspel plegen, zullen zij de helft der straf ondergaan, die voor vrije vrouwen is bepaald34. Dit is bepaald voor degenen onder u, die vreezen te zondigen door vrije vrouwen te huwen; maar het is beter voor u, geene slavin te huwen. God is genadig en mild. 31. God wil u deze voorschriften verklaren en u leiden in de richting van hen, die u zijn vooraf gegaan, en genadig omtrent u zijn. God is alwetend en wijs. 32. God wil barmhartig omtrent u zijn; maar zij die hunne hartstochten volgen, verlangen, dat gij zult afwijken langs eene steile helling. God is geneigd, zijnen godsdienst licht voor u te maken, daar de mensch zwak geschapen is. 33. O geloovigen! verteert uwe bezittingen niet onder u in ijdelheid35, tenzij het bij wederzijdsche verbintenis tusschen u is bepaald; doodt u niet onder elkander36. Waarlijk, God is lankmoedig omtrent u. 34. Hij, die zoodoende, door boosheid en ondeugd zal handelen, zal door het vuur der hel verteerd worden, en dit is God gemakkelijk. 35. Indien gij de groote zonden weet te vermijden37, [135]welke u verboden zijn, zullen wij uwe overtredingen vergeven, en zullen u met eere binnen het paradijs voeren. 36. Begeer niet wat God den een boven den ander uwer heeft geschonken. De mannen zullen ieder een deel hebben van hetgeen zij gewonnen hebben, en de vrouwen zullen het deel hebben van hetgeen zij zullen hebben gewonnen; daarom zult gij God om zijne goedheid vragen. Hij is alwetend. 37. Wij hebben ieder de erfgenamen aangewezen, die de erfenis zullen ontvangen, door vader en moeder en bloedverwanten bij hunnen dood nagelaten. En hun met wien uwe rechterhanden verbintenissen hebben gesloten, zult gij een deel van de erfenis geven38; want God is getuige van alle dingen. 38. De mannen zullen de voorkeur boven de vrouwen hebben, door de voordeelen, waarmede God den een heeft begiftigd, om boven de anderen uit te munten, en omdat zij van hun vermogen besteden om hunne vrouwen te onderhouden. De deugdzame vrouwen zijn gehoorzaam en onderworpen; zij bewaren zorgvuldig, gedurende de afwezigheid harer mannen39, wat God haar bevolen heeft ongeschonden te bewaren. Gij zult haar bestraffen, wier ongehoorzaamheid gij hebt te vreezen. Sluit haar in afzonderlijke vertrekken op40 en tuchtigt haar41. Maar indien zij u gehoorzaam zijn, zoekt dan geen twist met haar. God is verheven en groot. 39. Indien gij eene breuk tusschen de beide echtgenooten vreest, kies dan een scheidsrechter42 in zijne familie en een scheidsrechter in hare familie: indien de echtgenooten zich wenschen te vereenigen, zal God hen in goede verstandhouding doen leven; want hij is alwetend en wijs. 40. Dien God en verbind geen schepsel met hem43. Wees goed voor uwe vaders en moeders, voor bloedverwanten, weezen, [136]armen, uwen nabuur, die u bestaat44 en ook voor den nabuur die vreemdeling is; voor uwe makkers, reizigers en voor hen die uwe rechterhand zal bezitten (slaven). God bemint de hoovaardige en snoevende menschen niet. 41. Die gierig zijn en de gierigheid anderen aanbevelen, en verbergen wat God hun in zijne goedheid heeft gegeven. Wij hebben den ongeloovigen eene schandelijke straf bereid. 42. Hij bemint degenen niet, die aalmoezen geven om door de menschen te worden opgemerkt, en in God noch in den jongsten dag gelooven. Hij, die satan tot makker heeft, bezit een slechten makker. 43. Wat zouden zij verloren hebben, indien zij aan God en den laatsten dag geloofden; indien zij aalmoezen gaven van weldaden die God hun heeft geschonken, naardien God de daden der menschen kent. 44. Waarlijk, God zal geen onrecht doen, aan wien het ook zij, zelfs niet ter zwaarte van een atoom45. Indien het eene goede daad is, zal hij die verdubbelen, en daarvoor eene groote belooning schenken. 45. Wat zullen de ongeloovigen doen, wanneer wij een getuige uit ieder volk tegen hen zullen brengen, o Mahomet! en uwe eigene getuigenis tegen hen zullen inroepen. Op dien dag zullen zij, die niet geloofd hebben en wederspannig jegens den profeet zijn geweest, veeleer willen, dat de aarde hen had verzwolgen. Maar zij zullen zich op geenerlei wijze voor God kunnen verbergen. 46. O geloovigen! komt niet om te bidden, indien gij beschonken zijt, totdat ge zult verstaan wat gij zegt; noch wanneer gij bezoedelt zijt. Wacht, tot gij uw aangezicht gewasschen hebt, ten minste wanneer gij niet op reis zijt. Maar indien gij ziek of op reis zijt, of uwe natuurlijke behoeften hebt voldaan, of eene vrouw hebt aangeraakt, en geen water46 vindt, neemt dan zuiver, fijn zand en wrijft uw aangezicht en uwe handen daarmede; want God is genadig en vergevingsgezind. 47. Hebt gij hun niet opgemerkt, onder welke een deel der schrift werd geopenbaard? Zij verkoopen dwaling en zouden u den rechten weg willen doen verlaten; maar God kent uwe vijanden wel. God is een voldoende beschermer. God is een toereikend helper. 48. Onder de Joden zijn sommigen, die de woorden uit hunne schrift verplaatsen en zeggen: Wij hebben gehoord, maar wij hebben niet gehoorzaamd. Hoort wat gij tot nu toe niet gehoord hebt, en hoort ons, ook zonder onze meening te verstaan, en zie naar [137]ons; zoo verwarren zij de woorden met hunne tongen en lasteren den waren godsdienst. 49. Maar indien zij zouden gezegd hebben: Wij hebben gehoord en wij gehoorzamen; hoort naar ons en sla ons gade47, waarlijk het ware beter voor hen en rechtvaardiger. Maar God heeft hen verwenscht om hunne ongetrouwheid; daarom zullen slechts eenigen kunnen gelooven48. 50. Gij, aan wie de schriften zijn gegeven, gelooft aan hetgeen God u heeft nedergezonden, om uwe geheiligde boeken te bevestigen, alvorens wij de trekken van uwe aangezichten uitwisschen, en die elders heen wenden49, of u vervloeken, zoo als wij hen vervloekten, die den sabbathdag schonden50, en het bevel van God was volvoerd. 51. Waarlijk, God zal hun niet vergeven, die een gelijke naast hem plaatsen. Hij zal de andere zonden vergeven51 aan wien hij wil, maar zij die een ander met hem gelijk zullen hebben gesteld, hebben eene groote zonde begaan. 52. Hebt gij hen niet gezien die zich rechtvaardigden52? Maar God zal slechts hen rechtvaardigen die hem behagen; hun zal geen haar gekrenkt worden. 53. Ziet, hoe zij een leugen tegen God bedenken. Dat is genoeg voor een duidelijke zonde, 54. Hebt gij hen niet opgemerkt, die, na een deel van de schrift te hebben ontvangen, aan valsche goden en afgoden gelooven53, en die den ongetrouwen zeggen, dat zij een meer waren weg dan de geloovigen volgen. 55. Dat zijn zij, die door God vervloekt zijn; en onder hen die God zal vervloeken, zullen zij zeker geen helper vinden. 56. Zouden zij een deel van het koninkrijk hebben; zij die niet het kleinste deel aan de menschen hebben gegeven? 57. Benijden zij de weldaden, die God aan anderen heeft geschonken? Wij hebben het geslacht van Abraham een boek van wijsheid gegeven, en wij gaven hun een groot koninkrijk. 58. Onder [138]hen gelooven eenigen aan den profeet, en anderen hebben zich van hem afgewend; maar het vuur der hel is een toereikende straf. 59. Waarlijk, zij die onze teekenen niet gelooven, zullen in het hellevuur geworpen worden; zoodra hunne huid goed verbrand zal zijn, zullen wij hen met een andere huid bedekken, om hun de marteling te doen gevoelen. God is machtig en wijs. 60. Zij die gelooven en goed handelen, zullen wij brengen in tuinen door rivieren besproeid; daarin zullen zij eeuwig wonen, en daar zullen zij zich met geheel kuische vrouwen verheugen en wij zullen hen in eeuwige schaduwen brengen. 61. God beveelt u, den eigenaars terug te geven wat gij van hen onder uwe bewaring hebt, en als gij tusschen menschen richt, dat gij eerlijk zult richten. En waarlijk, het is eene schoone deugd die God u aanbeveelt; want God hoort en ziet alles. 62. O geloovigen! gehoorzaamt God en gehoorzaamt den gezant; en hun onder u die de macht uitoefenen; en indien gij omtrent eene of andere zaak verschilt, brengt dan uw geschil voor God54 en den profeet, indien gij in God en den jongsten dag gelooft; dit is beter en de beste wijze van beslissing. 63. Hebt gij hen niet gezien, die beweren, aan datgene te gelooven wat u is geopenbaard en wat vóór u werd geopenbaard? Zij verlangen voor Thagut55 te worden gericht, hoewel het hun verboden is, in hem te gelooven. Maar satan wil hen ver van de waarheid leiden. 64. En wanneer men hun zegt: Keert tot het boek terug, dat den godsgezant van boven is nedergezonden, ziet gij de goddeloozen zich met tegenzin [139]van u afwenden. 65. Maar wat zullen zij doen, aan welke, als een gevolg van het werk hunner eigen handen, een groot ongeluk zal overkomen? Zij zullen tot u komen en bij God zweren, dat zij slechts het goede en de eendracht verlangen56. 66. God weet, wat in de harten dier menschen is verborgen; laat hen daarom alleen. Waarschuw hen en richt een woord tot hen, opdat hunne zielen daarvan worden doordrongen. 67. Wij hebben geen apostel gezonden, dan opdat hij door het verlof van God mocht worden gehoorzaamd; maar indien zij, nadat zij hunne eigen zielen hebben beleedigd57, tot u komen en God vergiffenis vragen, en de godsgezant vraagt vergiffenis voor hen, zullen zij God zeker tot vergeving gezind en barmhartig vinden. 68. Ik zweer bij uwen God, zij zullen niet geloovig zijn, dan nadat zij u rechter over hunne geschillen zullen hebben gemaakt, en niets in te brengen hebbende tegen hetgeen gij hebt beslist, zullen zij zich daaraan geheel onderwerpen. 69. Indien wij hun hadden bevolen, zich zelven te dooden, of hunne huizen te verlaten, zouden zij het, eenigen van hen uitgezonderd, niet gedaan hebben. En indien zij gedaan hadden wat hun bevolen werd, waarlijk, het zou beter voor hen zijn geweest, en meer geschikt om hun geloof te bevestigen. 70. Wij zouden hen rijkelijk beloond en op den rechten weg geleid hebben. 71. Zij, die in God en den profeet gelooven, zullen onder hen zijn, die God genadig was; onder de profeten, de oprechten, de martelaars, de godvruchtigen, en dat is het uitmuntendste gezelschap. 72. Dit is Gods goedheid; en Gods wetenschap is toereikend. 73. O geloovigen! neemt uwe voorzorgen58 tegen den oorlog en rukt in gedeelten of gezamenlijk op. 74. Er is menigeen onder u, die u langzaam zal volgen, en indien gij tegenspoed zult ondervinden, zal hij zeggen: God heeft mij eene bijzondere gunst bewezen, dat ik niet met hen was. 75. Maar indien God u voorspoed geeft, zal hij zeggen (als was er geene vriendschap tusschen u en en hem: God gave, dat ik met hen ware geweest; ik zou groote verdienste hebben verworven. 76. Laten zij daarom voor Gods zaak strijden, die het tegenwoordige leven voor het toekomstige willen verruilen; want hij die voor Gods zaak strijdt, hetzij hij geslagen wordt of overwint59 waarlijk, wij zullen hem eene groote belooning schenken. 77. En waarom zoudt gij niet voor Gods [140]zaak strijden, als de zwakken, de vrouwen, de kinderen uitroepen: O Heer! breng ons uit deze stad, wier bewoners dwingelanden zijn; zend ons een beschermer van u; geef ons een verdediger van u. 78. Zij die gelooven strijden voor Gods zaak, maar zij die niet gelooven strijden voor de zaak van Thagut. Strijdt daarom tegen de vrienden van satan: en waarlijk de listen van satan zullen onmachtig zijn. 79. Hebt gij hen niet gezien tot welke was gezegd: Onthoudt uwe handen van den oorlog60, weest standvastig in het gebed en geeft aalmoezen? Maar als de strijd hun wordt bevolen vreest een deel hunner de menschen, zooals zij God moesten vreezen, of met nog grooter vrees, en zeggen: O Heer! waarom hebt gij ons bevolen ten strijd te gaan, en waarom hebt gij ons niet veroorloofd, ons naderend einde61 af te wachten? Antwoordt hun: Het genot van dit leven is klein, maar het toekomstige leven is het ware goed voor hen, die God vreezen; en daar zult gij in het minst niet bedrogen worden. 80. Waar gij ook mocht wezen zal de dood u bereiken; al waart ge in hooge torens. Indien God hen begunstigt, zeggen zij: Dit is van God, maar indien hun kwaad overkomt, zeggen zij: Dit is van u, o Mahomet62! Zeg hun: Alles komt van God; en wat ontbreekt dit volk, dat zij zoo ver verwijderd zijn van hetgeen hun werd gezegd? 81. Wat goeds u ook overkome, het komt van God. Het kwaad komt van u zelven63. Wij hebben een gezant onder de menschen gezonden. Gods getuigenis is toereikend. 82. Hij, die den gezant gehoorzaamt, gehoorzaamt God. Wij hebben u niet gezonden, om eene beschermer voor hen te zijn, die zich van u afwenden. 83. Zij zeggen: Wij gehoorzamen, maar als gij van hen vertrokken zijt, dan bepeinst een deel hunner, gedurende den nacht zaken, die tegen datgene strijden, wat gij zeidet. Maar God zal opschrijven wat zij des nachts overdenken. Laat hen daarom alleen en vertrouw op God; want Gods bescherming is steeds toereikend. 84. Onderzoeken zij den Koran niet nauwkeurig? Indien die van iemand anders dan God afkomstig was, zouden zij daarin niet menige tegenstrijdigheid gevonden hebben? 85. Indien zij een bericht ontvangen, waardoor hun zekerheid of vrees wordt ingeboezemd, verspreiden zij dat onmiddellijk; maar indien zij [141]het den gezant en hunne opperhoofden vertelden, zouden zij, die waarheid begeerden, haar uit den mond van deze laatsten hooren. Indien Gods genade en zijne barmhartigheid niet over u waakten, zoudt gij, eenigen van u uitgezonderd64, satan volgen. 86. Strijdt daarom voor Gods zaak, en legt niemand iets moeielijks op, behalve u zelven; spoort echter de godvruchtigen tot den strijd aan, misschien wil God den moed der ongeloovigen verkleinen; want God is sterker dan zij, en meer in staat te straffen. 87. Hij, die tusschen menschen treedt met een loffelijk doel, zal een gedeelte daarvan genieten, en hij die met een slecht doel daartusschen treedt, zal een deel daarvan genieten. God overziet alles. 88. Indien gij gegroet wordt, groet dan nog vriendelijker, of beantwoordt het op dezelfde wijze. God rekent alles. 89. God! Er is geen God buiten hem; hij zal u zeker op den dag der opstanding verzamelen; daaraan is geen twijfel; en waar is meer waarheid, dan in hetgeen God zegt? 90. Weshalve zijt gij omtrent de goddeloozen65 in twee deelen gesplitst? Dewijl God hen heeft verstooten om hetgeen zij hebben bedreven? Wilt gij hen geleiden, dien God heeft doen verdwalen? Gij zult geen weg vinden voor hem, dien God doet dwalen. 91. Zij willen u ongetrouw maken, zooals zij ongetrouwen zijn, en dat gij gelijk zij zult wezen. Kiest daarom geene vrienden onder hen, totdat zij hunne woonplaats voor Gods zaak zullen hebben verlaten. Indien zij het geloof den rug toewenden, grijpt en doodt hen, waar gij hen mocht vinden, en kiest geen vriend of beschermer onder hen. 92. Uitgezonderd zij, die eene schuilplaats bij uwe bondgenooten mochten zoeken, of zij, die tot u komen, en die hun hart verbiedt, om òf tegen u, òf tegen hun eigen volk te strijden66. Indien het God behaagd had, zou hij hun hebben veroorloofd tegen u gestemd te zijn, en zij zouden tegen u gestreden hebben. Maar indien zij aftrekken van u en niet tegen u strijden, en u den vrede aanbieden, verbiedt God u, [142]hen aan te tasten of te dooden. 93. Gij zult anderen vinden, die begeerig zullen zijn, uw vertrouwen te winnen, en op denzelfden tijd het vertrouwen van hun eigen volk te bewaren. Telkenmale dat zij tot de wanorde terugkeeren, zullen zij verjaagd worden; en indien zij niet van u aftrekken, en den vrede niet aanbieden en niet ophouden u te bestrijden, zult gij hen aangrijpen en hen overal dooden, waar gij hen mocht vinden. Over hen geven wij u eene volstrekte macht. 94. Het is verboden, dat een geloovige eenen geloovige doode, tenzij het bij ongeluk plaats hebbe67. Hij, die een geloovige bij ongeluk doodt, zal daarvoor een geloovige uit de slavernij moeten verlossen en de familie den bloedprijs betalen68, tenzij de familie dien als aalmoezen uitreike; en indien de verslagene tot eene u vijandige natie behoort en een waar geloovige is, zult gij een geloovige moeten bevrijden69, maar indien hij van een met u verbonden volk is, zult gij een bloedprijs aan zijne familie betalen en een geloovige bevrijden. En hij, die geen slaaf vindt, zal twee achtereenvolgende maanden vasten als eene boete door God opgelegd. God is alwetend en wijs. 95. Maar hij, die een geloovige opzettelijk doodt, zal met de hel gestraft worden; eeuwig zal hij daarin verblijven70, en God zal toornig tegen hem zijn; hij zal hem vervloeken en eene groote straf voor hem bereiden. 96. O geloovigen! indien gij oprukt om den waren godsdienst te verdedigen, onderricht u met nauwkeurigheid, en zegt niet tot hem, die u groet, gij zijt geen waar geloovige, uit begeerte naar toevallige bezittingen dezer wereld71. God is zeer rijk. Zoo gedroegt gij u vroeger, maar God was genadig omtrent u; onderricht u dus nauwkeurig; want God is wel bekend met hetgeen gij doet. 97. De geloovigen, die te huis [143]zullen blijven zonder gekwetst te zijn, en zij, die hunnen bezittingen en hunne personen voor Gods zaak gebruiken zullen niet gelijk gesteld worden. God heeft hun, die hunne bezittingen en hunne personen voor dat geval gebruiken, een meer verheven rang gegeven boven hen, die te huis blijven. God heeft inderdaad ieder het paradijs beloofd, maar God heeft hun de voorkeur gegeven die strijden, boven hen die te huis blijven. 98. Meer verheven rangen nabij hem, barmhartigheid en genade. Waarlijk God is vergevingsgezind en genadig. 99. Daarenboven hebben de engelen tot hen gezegd, welken zij het leven benamen, omdat zij hunne eigene zielen hadden verdoemd: Wie waart gij? Zij antwoordden: Wij waren de zwakken der aarde72. De engelen hernamen: Was Gods aarde niet groot genoeg, dat gij daar geene schuilplaats vondt73. Daarom zal de hel hunne woning wezen. Welk een slecht verblijf zal het hunne zijn. 100. Uitgenomen de zwakken onder de menschen, de vrouwen en kinderen; zij, die niet in staat zouden zijn eene list uit te denken, en niet op den weg werden geleid, dezen zal God misschien vergeven; want God is vergevingsgezind en genadig. 101. Hij, die zijn land verlaat voor de zaak van het ware geloof Gods, zal op aarde een aantal personen vinden, die gedwongen zullen zijn hetzelfde te doen en overvloedige hulpbronnen bezitten. En hij, die zijn huis verlaat en tot God en zijn gezant toevlucht neemt, zal, indien hem den dood op dien weg overvalt74, God verplicht zijn, te beloonen; want God is genadig en barmhartig. 102. Indien gij in het land ten oorlog trekt, zal het geene misdaad zijn, indien gij uwe gebeden nalaat, zoo gij vreest, dat de ongeloovigen u mochten aantasten; want de ongeloovigen zijn uwe openlijke vijanden. 103. Maar wanneer gij, o Mahomet! onder hen mocht zijn en met hen mocht bidden, laat een deel hunner het gebed met u verrichten, en laat hen [144]hunne wapens nemen; en als zij aangebeden75 zullen hebben, laten zij achter u staan en laat een ander gedeelte komen, dat niet gebeden heeft, en laat hen met u bidden; en laat hen voorzichtig wezen en gewapend zijn. De ongeloovigen zouden willen, dat gij uwe wapenen en uwe goederen zoudt achterlaten, opdat zij u eenklaps zouden kunnen aanvallen. Het zal geene misdaad zijn, indien gij door regen wordt belet, of indien gij ziek zijt, dat gij uwe wapens niet opvat, maar neem uwe voorzorgen. God heeft de ongeloovigen eene schandelijke straf bereid. 104. En als gij het gebed zult hebben geëindigd, herdenkt God, hetzij staande, zittende of op uwe zijde liggende. Maar indien gij in zekerheid zijt, volbrengt uwe gebeden; want het gebed op de bepaalde uren is den godvruchtige geboden. 105. Wees niet zorgeloos bij de vervolging van den vijand, indien gij ook lijdt; want zij zullen lijden zooals gij lijdt, en gij hoopt van God, wat zij niet kunnen hopen; en God is alwetend en wijs. 106. Wij hebben u het boek met de waarheid gezonden, opdat gij tusschen de menschen zoudt kunnen richten door dat, wat God u heeft gegeven. Wees geen verdediger van den zondaar76, maar vraag God vergiffenis voor uwe kwade bedoelingen; want God is vergevingsgezind en genadig. 107. Redetwist niet met hen, die elkander bedriegen; want God bemint hem niet, die een bedrieger of onrechtvaardige is77. 108. Zij kunnen zich aan de menschen onttrekken, [145]maar aan God kunnen zij zich niet onttrekken; want hij is hun nabij, als zij des nachts iets spreken wat hem mishaagt78, en God begrijpt wat zij doen. 109. Ziet, gij zijt het, die in het tegenwoordige leven voor hen gepleit hebt. Maar wie zal op den dag der opstanding met God voor hen redetwisten, of wie zal hun schuts zijn? 110. Hij, die kwaad bedrijft, of zijn eigen ziel verderft, en daarna van God vergiffenis vraagt, zal Hem vergevingsgezind en barmhartig vinden. 111. Hij, die eene zwakheid begaat, begaat die tegen zijne eigen ziel, God is alwetend en wijs. 112. En hij, die eene zonde of een misstap doet, en deze daarna op een onschuldige werpt, zal waarlijk de schuld van laster en verklaarde onrechtvaardigheid op zich laden. 113. Indien de vergevingsgezindheid en de genade van God niet met u waren geweest, waarlijk een deel van hen zou getracht hebben u te verleiden79; maar zij zullen zich zelven alleen verleiden en u in het geheel niet deren. God heeft u het boek en de wijsheid gezonden, en heeft u geleerd wat gij niet wist80; want de gunst van God omtrent u was groot. 114. Er is geen goeds in de menigte hunner bijzondere gesprekken, behalve van hem, die het geven van aalmoezen aanbeveelt, of wat rechtvaardig is, of tot vereeniging strekt der menschen. Hij, die dit doet uit begeerte om God te behagen, waarlijk wij zullen hem eene groote belooning geven. 115. Maar hem, die zich van den gezant scheidt, nadat hem de ware richting is geopenbaard, en een anderen weg dan dien der ware geloovigen volgt, zullen wij datgene doen bereiken, waarheen hij zich wendt, en zullen hen veroordeelen om in het vuur der hel te worden verbrand: en dat zal hem een ongelukkig verblijf zijn. 116. Waarlijk, God zal hem niet vergeven, die een ander naast hem plaatst, maar hij zal, buiten dat, alles vergeven wat hem behaagt; en hij, die een ander naast God plaatst is misleid en op een grooten verkeerden weg geraakt. 117. De ongeloovigen roepen naast hem slechts vrouwelijke godheden aan81, en zij roepen slechts den oproerigen satan aan. 118. God vloekte hem, en hij zeide: ik maak mij van een deel uwer dienaren meester82; ik zal hen verleiden, hun ijdele begeerten ingeven en hen bevelen, en zij zullen de ooren van het [146]vee afsnijden83, en ik zal hen beheerschen, en zij zullen Gods schepping veranderen84. Maar hij, die satan als zijn schutspatroon naast God kiest85, zal zeker eindelijk verloren zijn. 119. Hij doet hun beloften en geeft hun ijdele begeerten; maar satan doet hun slechts bedriegelijke beloften. 120. Hunne verzamelplaats zal de hel zijn; daartegen zullen zij geene schuilplaats vinden. 121. Maar zij, die gelooven en goede werken doen, dezen zullen wij zeker in tuinen brengen, met rivieren doorsneden; eeuwig zullen zij daarin verblijven, overeenkomstig Gods ware belofte; en wat is meer waar dan hetgeen God zegt? 122. Het zal niet overeenkomstig uwe begeerten zijn, en niet overeenkomstig de begeerten van hen, die de schriften hebben ontvangen. Hij, die kwaad bedrijft, zal daarvoor in gelijke mate worden beloond, en zal geenerlei beschermer of helper naast God vinden. 123. Maar hij, die goede werken doet, hetzij een man of vrouw, en een waar geloovige is, zal in het paradijs worden toegelaten, en zal niet het minst worden benadeeld. 124. Wie is beter in den godsdienst dan hij, die zich aan God overgeeft en goed doet, en de wet van Abraham den Vrome volgt? naardien God Abraham tot zijnen vriend heeft genomen. 125. Aan God behoort alles wat in den hemel en op de aarde is. God omvat alles. 126. Zij zullen u raadplegen omtrent alles. Antwoord: God heeft u daaromtrent onderricht; en wat u is gelezen in het boek nopens vrouwelijke weezen, die gij niet geeft wat u is bevolen, en die gij nooit wilt huwen86; nopens zwakke kinderen, en dat gij rechtvaardig tegenover weezen moet handelen: wat gij ook goed doet, God weet het. 127. Indien eene vrouw misbruik of tegenzin van haren echtgenoot vreest, zal het geene misdaad zijn, indien zij de zaak in der minne wil [147]schikken87; want verzoening is beter. De zielen der menschen zijn van nature tot gierigheid geneigd, maar indien gij weldadig zijt en God vreest, is God wel bekend met hetgeen gij doet. 128. Gij kunt nimmer gelijkelijk omtrent uwe vrouwen handelen; tracht het echter; wend u daarom niet met tegenzin van uwe vrouw af88, noch verlaat haar als eene die geschorst is89, maar indien gij haar tevreden stelt en vreest haar te misbruiken, zal God genadig en barmhartig zijn. 129. Maar indien gij van elkander scheidt, zal God u beiden uit zijnen overvloed voldoen90; want God is almachtig en wijs. 130. Gode behoort wat in den hemel en op aarde is. Wij hebben hun, die de schriften vóór u hebben ontvangen, even als u zelven reeds geboden, zeggende: Vreest God, en weest niet ongeloovig; want weet dat Gode alles behoort wat in den hemel en op aarde is, en God is almachtig en zelf genoegzaam. 131. Want Gode behoort wat in den hemel en op aarde is, en God is een helper, die machtig genoeg is91. 132. O menschen! indien het hem behaagt, neemt hij u weg en brengt anderen voort; Want God is in staat dit te doen. 133. Hij, die een belooning van deze wereld begeert, waarlijk, de belooning van deze wereld is bij God evenals die van de toekomstige. God hoort en ziet alles. 134. O ware geloovigen! neemt de rechtvaardigheid in acht wanneer gij getuigenis voor God aflegt; zij het ook tegen u zelven, of uwe ouders, of betrekkingen, hetzij die arm of rijk mochten wezen; want God is meer waard dan zij beiden, volgt daarom niet uw eigen hartstocht, zoodat gij afwijkt. En indien gij weigert of u onttrekt, God is wel bekend met hetgeen gij doet. 135. O ware geloovigen! gelooft aan God en zijn gezant, en het boek dat hij door zijn gezant heeft nedergezonden, en het boek dat hij vroeger nederzond. En hij die niet in God gelooft, en zijne engelen, en zijne geschriften; en zijne gezanten, en den jongsten dag, doolt zeker op een breeden dwaalweg. 136. Daarenboven zal God hun die geloofden, en daarna ongeloovig werden, en dan weder geloofden, en daarna niet geloofden en in ongeloovigheid toenamen, op geenerlei wijze vergeven, noch hen op den rechten weg leiden. 137. Zeg den goddeloozen, dat [148]zij eene pijnlijke straf zullen ondergaan. 138. Zij die de ongeloovigen tot hunne beschermers nemen, veeleer dan de geloovigen, is dat om kracht bij hen te zoeken? naardien toch Gode alle kracht behoort. 139. En hij heeft u reeds in het boek geopenbaard92: Als gij de teekens van God zult hooren, zal men die niet gelooven, maar zullen zij met verachting bespot worden. Zit daarom niet neder met hen die niet gelooven, tot zij een ander gesprek aanvangen; anders zult gij hun gelijk worden. God zal de goddeloozen en de ongeloovigen zeker te zamen in de hel vereenigen. 140. Zij, die wachten om te zien wat u overkomt, of God u de overwinning schenkt, zeggen: zijn wij niet met u?93 Maar indien den ongeloovige eenig voordeel te beurt valt, zeggen zij: Waren wij niet boven u geplaatst, en hebben wij u niet tegen de geloovigen verdedigd. God zal onder u richten op den dag der opstanding, en God zal de ongeloovigen niet boven de geloovigen beloonen. 141. De veinsaards handelen bedriegelijk met God, maar hij zal hen bedriegen; en als zij opstaan om te bidden, staan zij zorgeloos; zij doen het om door de menschen gezien te worden, en denken slechts een weinig aan God94. 142. Drijvende tusschen het eene en het andere, en noch tot dezen noch tot genen behoorende95; en hij die door God afgeleid zal zijn, zal den waren weg niet vinden. 143. O ware geloovigen! neemt de ongeloovigen niet tot uwe beschermers, in plaats der geloovigen. Wilt gij God eene onwraakbare getuigenis tegen u geven? 144. De huichelaars zullen op den laagsten grond van het vuur zijn, en gij zult niemand vinden om hen te helpen. 145. Maar zij, die berouw gevoelen en zich bekeeren, en zich vast aan God gehecht hebben, en de oprechtheid van hun geloof aan God zullen bewijzen, zullen onder de geloovigen geteld worden, en God zal den geloovigen zekerlijk eene groote belooning toekennen. 146. En waarom zou God u eene straf opleggen, indien gij dankbaar zijt en gelooft? want God is genadig en wijs. 147. God bemint hem niet, die kwaad spreekt in het openbaar, tenzij hij, die gelasterd wordt om hulp roept; en God hoort en weet alles. 148. Hetzij gij het goede uitbazuint of het verbergt, hetzij gij het kwade vergeeft; waarlijk God is genadig en machtig. 149. Zij, die niet in God gelooven en zijne gezanten, en een onderscheid maken tusschen God en zijne gezanten, en zeggen: Wij gelooven in sommigen der profeten en verwerpen anderen van hen, en willen zoo doende een middenweg zoeken. 150. Dit zijn ware ongeloovigen; en wij hebben de ongeloovigen eene schandelijke straf bereid. 151. Maar zij, die [149]in God en zijne gezanten gelooven, en geen onderscheid tusschen hen maken, hun zullen wij hunne belooning geven; God is genadig en barmhartig. 152. Zij, die de schriften hebben ontvangen, zullen u vragen, dat gij hun een boek uit den hemel zult doen nederdalen: zij vroegen te voren aan Mozes een grooter iets dan dit; want zij zeiden: Doe ons God op zichtbare wijze zien96, maar een vuurwind van den hemel verwoestte hen, om hunne boosheid. Daarop namen zij het kalf om het te aanbidden97, nadat er duidelijke bewijzen onder hen waren gekomen. Maar wij vergaven hun dat, en schonken Mozes duidelijke kracht om hen te straffen98. 153. En wij verhieven den berg (Sinaï) boven hen99 als een pand van ons verbond, en zeiden tot hen: Ga deze poort biddende binnen100. Wij zeiden hun ook: Schendt den Sabbath niet. En wij ontvingen eene stellige verbintenis van hen. 154. Maar omdat101 zij hun verbond hebben geschonden, en niet in Gods teekenen geloofd, de profeten onrechtvaardig gedood, en gezegd hebben: Onze harten zijn onbesneden, heeft God die dichtgezegeld, wegens hun ongeloof, daarom zullen zij niet gelooven, behalve eenigen van hen. 155. En omdat zij niet in Jezus geloofden, en eene ernstige lastering omtrent Maria hebben uitgedacht102. 156. En gezegd hebben: Waarlijk wij hebben Christus Jezus, den zoon van Maria, den gezant van God gedood; doch zij sloegen hem niet dood en kruisigden hem niet, maar iemand, die hem geleek, werd in zijne plaats gesteld103, en waarlijk zij, die nopens hem twistten104, verkeerden in eene dwaling, en hadden geene bepaalde kennis daarvan, maar volgden slechts eene meening. Zij doodden hem niet werkelijk; God heeft hem tot zich opgenomen, en God is machtig en wijs. 157. En er zal geen enkele onder hen zijn, die de schriften hebben ontvangen, welke niet [150]in hem zal gelooven, vóór zijn dood105, en op den dag der opstanding zal hij een getuige tegen hen zijn106. 158. Wegens de boosheid van hen, die Joodschgezind zijn, hebben wij hun goede dingen verboden, die hun vroeger veroorloofd waren. 159. En omdat zij menigeen van Gods weg uitsluiten en woeker hebben gedreven, wat hun verboden was, en de goederen van anderen ijdel hebben verteerd107, hebben wij voor velen hunner, daar zij ongeloovigen zijn, eene pijnlijke straf bereid. 160. Maar degene onder hen, die met grondige kennis zijn uitgerust108, en de geloovigen, die gelooven in hetgeen hun door u werd nedergezonden, en dus wat hun vóór u werd nedergezonden, en die de bepaalde tijden in acht nemen en aalmoezen geven, en in God en den oordeelsdag gelooven, dezen zullen wij eene groote belooning geven. 161. Waarlijk wij hebben u geopenbaard, zooals wij Noach openbaarden en de profeten, die hem opvolgden; zooals wij aan Abraham openbaarden, en Ismaël, en Izaak en Jacob en de stammen, en aan Jezus, aan Job, aan Jonas, aan Aäron, aan Salomo; en wij gaven de psalmen aan David. 162. Wij zonden u apostelen, waarvan wij u te voren spraken, en andere gezanten, welke wij u niet bekend maakten, en God sprak met Mozes. 163. Wij zonden gezanten, om u goede tijdingen te brengen en u te waarschuwen, opdat de menschen geene verontschuldiging tegenover God zouden kunnen aanvoeren, nadat de gezanten waren gekomen. God is machtig en wijs. 164. God is getuige van de openbaring, die u is nedergezonden; hij zond die met zijne bijzondere kennis: de engelen zijn medegetuigen; maar God is een toereikende getuige. 165. Zij, die niet gelooven en anderen van Gods weg afvoeren, zijn op den verwijderden weg verdwaald. 166. Zij, die niet gelooven en onrechtvaardig handelen, hun zal God op geenerlei wijze vergeven; nimmer zal hij hun den rechten weg toonen. 167. Of het moest den weg der hel zijn, waarin zij eeuwig zullen verblijven, en dat is gemakkelijk voor God. 168. O menschen! thans is de apostel onder u gekomen met waarheid van [151]uwen Heer; gelooft dus; het is beter voor u. Maar indien gij niet gelooft; alles, wat in den hemel en op aarde is behoort Gode; en God is alwetend en wijs. 169. O gij! die de schriften hebt ontvangen, overschrijdt de juiste grenzen van uwen godsdienst niet109; zegt nimmer iets anders van God dan de waarheid. Waarlijk, Christus Jezus, de zoon van Maria, is Gods apostel, en zijn woord, dat hij in Maria overbracht, en een geest van hem. Gelooft dus in God en zijne gezanten, en zegt niet; Er zijn drie goden110: doet dit niet; het zal beter voor u zijn. God is slechts één God. Het is verre van hem, dat hij een zoon heeft! Hem behoort wat in den hemel en op aarde is, en God is een voldoende beschermer111. 170. Christus versmaadt niet trotsch, Gods dienaar te zijn, noch de engelen, die hem naderen. 171. En hij, die zijnen dienst versmaadt en die door hoovaardij is vervuld, God zal hen allen voor zich verzamelen. 172. Hen, die gelooven en doen wat goed is, zal hij hunne belooning geven, en zal die met zijne mildheid vermeerderen, maar hen, die versmaden en trotsch zijn, zal hij gestreng straffen. 173. Zij zullen niemand naast God vinden, die hen kan helpen of ondersteunen. 174. O, menschen! thans is een duidelijk bewijs van uwen Heer tot u gekomen, en wij hebben een blijkbaar licht112 tot u gezonden. Hen, die in God gelooven en zich streng aan hem vasthouden, zal hij in zijne genade en overvloed leiden, en hij zal hen langs den rechten weg tot zich voeren113. 175. Zij zullen u ondervragen. Zeg hun, God geeft u deze bepalingen nopens de meer verwijderde graden van bloedverwantschap. Indien een man zonder kroost sterft en hij eene zuster heeft, dan zal zij de helft hebben van hetgeen hij zal nalaten114, en hij zal van haar erven115, bijaldien zij geen kroost heeft. Maar indien [152]er twee zusters zijn, zullen zij twee derden hebben van hetgeen hij zal hebben nagelaten, en indien er broeders en zusters zijn, zal de man zooveel hebben als het deel van twee vrouwen, God verklaart u dit, opdat gij niet zoudt dwalen; en God is alwetend.
1 Dit hoofdstuk werd met dien naam bestempeld, omdat het hoofdzakelijk over zaken handelt met vrouwen in verband staande, zooals huwelijken, echtscheidingen, enz.
2 De Arabieren hadden namelijk de gewoonte, bij het vragen van iets, te zeggen: “In Gods naam, doe of zeg mij iets.”
3 Letterlijk vertaald, zou dit moeten zijn: de ingewanden.
4 Dat wil zeggen: neem niet wat gij van waarde onder hunne goederen vindt, voor uw gebruik, door daarvoor iets van mindere waarde in de plaats te geven.
5 De uitleggers vatten deze plaats verschillend op. De ware beteekenis schijnt de hier opgegevene te zijn.
6 Oorspronkelijk staat hier: Wat uwe rechterhanden hebben verworven, zijnde de bepaalde uitdrukking, om een slaaf, die men voor geld heeft gekocht, of een door den krijg verworvene aan te duiden. Uit dit vers blijkt voorts, dat slavinnen geen zoo grooten bruidschat, of zooveel van onderhoud als vrije vrouwen kostten, waardoor de man onderscheidene der eerste, even gemakkelijk als eene der laatste kon bezitten.
7 Het is noodig hier te doen opmerken (en deze opmerking geldt voor alle gelijkluidende plaatsen in den Koran), dat het woord sadoeka, dat gewoonlijk met bruidschat wordt vertaald, het geld is, of de voorwerpen van waarde, die de man aan de ouders der vrouw schenkt welke hij huwt. Het is dus niet de vrouw die haren man iets aanbrengt, maar de man geeft haar een bruidschat.
8 Met dit woord worden de minderjarige weezen bedoeld, die in staat zouden zijn een slecht gebruik van hunne erfenis te maken en haar te verspillen.
9 Dat is: onderzoekt of zij goed bekend zijn met de grondbeginselen van den godsdienst, en draagt voldoende zorg voor het waarnemen hunner zaken. Onder deze uitdrukking is tevens de plicht van den voogd begrepen, om zijne pupillen te onderrichten.
10 Of den ouderdom van rijpheid, die algemeen op vijftien jaren is bepaald; eene beslissing die door eene overlevering van Mahomet wordt gestaafd. Aboe Hanofah houdt echter den achttienjarigen ouderdom voor den geschikten (Al Beidâwi).
11 Zoodat zij spoedig den ouderdom zullen bereikt hebben, om alles te ontvangen wat hun toekomt.
12 Dat is: niet meer dan eene voldoende belooning voor de moeite, door hunne opvoeding veroorzaakt.
13 Dit voorschrift werd gegeven, om eene bij de afgodendienende Arabieren bestaande gewoonte af te schaffen, volgens welke vrouwen noch kinderen eenig deel van de erfenis van hunnen echtgenoot of vader mochten ontvangen, op grond dat alleen zij mochten erven, die in staat waren ten oorlog te gaan (Al Beidâwi).
14 Zijnde: Houdt immer het lot uwer eigene kinderen voor oogen, terwijl gij u met kinderen bezighoudt, die door anderen zijn achtergelaten; en handelt zooals gij zoudt willen dat men met de uwen handelde.
15 Dit is de algemeene regel, welke bij de verdeeling der nalatenschap van den overledene moet worden gevolgd, gelijk men uit de daarna opgegevene gevallen zal zien.
16 Of: indien er twee en niet meer zijn zullen zij hetzelfde deel ontvangen.
17 En het overblijvende derde gedeelte, of de overblijvende helft der nalatenschap, waarover hier niet uitdrukkelijk wordt beschikt, of wel, indien de overledene vader noch zoon achterlaat, vervalt aan de openbare schatkist. Sommigen over deze plaats van den Koran sprekende, zeggen verkeerdelijk, dat, indien er een zoon en eene eenige dochter achterblijft, ieder hunner de helft ontvangt. Wel kan de dochter de eene helft ontvangen, doch alleen in het geval dat er geen zoon achterblijft; want in gevolge van bovenstaand voorschrift, kan zij slechts een derde ontvangen, indien er een zoon achterblijft.
18 En zijn vader bijgevolg de twee anderen derden (Al Beidâwi).
19 Op deze en volgende plaatsen worden hoofdzakelijk met het woord legaten, diegene bedoeld, welke tot vrome doeleinden zijn bestemd, daar het geene gewoonte bij de Mahomedanen is, dat een persoon aan niemand anders dan aan zijn gezin en naaste betrekkingen zijn vermogen achterlaat.
20 Dit dient bij contract, of op eene andere, bijzondere wijze bepaald te zijn.
21 Hier, en in het volgende geval, ontvangen de broeder en de zuster gelijke deelen, hetgeen eene uitzondering op den algemeenen regel is, volgens welken de mannelijke erfgenaam het dubbele van de vrouwelijke ontvangt. Hiervoor wordt als reden opgegeven, de kleinheid der deelen die zulk een nauwkeurigheid in de verdeeling niet toelaat. In andere gevallen echter wordt de regel, zoowel omtrent broeder en zuster als nopens andere betrekkingen, volgehouden.
22 Hiermede wordt zoowel hoereeren als overspel bedoeld. Het woord nica, vrouwen, heeft hier niet strikt de beteekenis van echtgenooten: het woord, dat men gewoonlijk gebruikt om overspel aan te duiden, is zina. In het begin der invoering van het Islamismus, werd de schuldige vrouw ingemetseld; eene straf, die echter niet bij den Koran was bepaald. Men heeft dit later, voor eene ongehuwde vrouw, door zweepslagen en verbanning vervangen. Wat het overspel betreft, zoo is de overlevering, die de steeniging vorderde, door de bepalingen van den Koran (Soera XXIV, vers 2–10) vernietigd.
23 Men gelooft dat hiermede sodomie of pederastie wordt bedoeld. Oorspronkelijk zegt de Koran: Doe hun kwaad of schade, waaruit eenigen opmaken, dat men hen alleen in het openbaar berispen (Jallalo’ddin, Yahya, Aboe’l, Kasem Heba Tallah, Al Beidâwi), of hen met de pantoffels om het hoofd slaan moet (Jallalo’ddin, Al Beidâwi), hetgeen in het Oosten als eene groote beleediging geldt, terwijl anderen (Al Beidâwi) zeggen, dat zij gegeeseld moeten worden.
24 Zooals ongehoorzaamheid, ongemanierdheid en dergelijke (Al Beidâwi.)
25 Dat is: indien gij van een vrouw scheidt om eene andere vrouw [133n]te huwen, ontneem dan der vrouw, welke gij verlaat, de huwelijksgift van honderd dinars niet, welke zij van u heeft ontvangen.
26 Zie Soera II, v. 229, 231, 238, 242.
27 Woordelijk: uwe moeders die u hebben gezoogd. Een der uitleggers zegt bij deze plaats: God heeft het zogen zoo zeer met het moederschap vereenzelvigd, dat hij de min moeder noemde.
28 Men mocht niet raken aan hetgeen reeds was geschied, en zoodoende der wet eene terugwerkende kracht geven.
29 Volgens deze plaats is het niet geoorloofd, eene vrije vrouw te huwen, die reeds gehuwd is, hetzij zij al of niet tot den Mahomedaanschen godsdienst behoort, behalve wanneer zij door echtscheiding wettig van haren man mocht zijn gescheiden; maar het is wettig degene te huwen, die slavinnen of in den oorlog genomen zijn, nadat zij de bijzondere zuiveringen zullen hebben ondergaan, niettegenstaande hare echtgenooten mochten leven. Volgens de beslissing van Aboe Hanifah is het nog onwettig, zulke vrouwen te huwen, wier echtgenooten gevangen genomen zijn, of, op dat tijdstip, zich tegelijk met haar in slavernij bevinden.
30 Dat is: Bepaal haar heuren bruidschat.
31 Het Arabische woord monsanat beteekent eigenlijk bewaarde [134n]vrouwen; zijnde de vrouwen die onder de macht van een man staan en zeer ingetogen in hare manieren zijn; vrouwen van goeden huize, vrije vrouwen (Al Beidâwi).
32 Volgens sommigen beteekent dit: Wees tevreden met de verklaring van haar welke gij huwt, zonder heure overtuiging geweld aan te willen doen.
33 Zijnde alle uit Adam en hetzelfde geloof voortgekomen. (Al Beidâwi).
34 De reden hiervan is, dat zij verondersteld worden, geene zoo goede opvoeding te hebben genoten. Daarom ontvangt eene slavin in zulk een geval vijftig slagen en wordt zij voor een half jaar gebannen; zij wordt echter niet gesteenigd, daar dit eene straf is, die niet voor de helft kan worden opgelegd. (Al Beidâwi).
35 Dat is: gebruikt het niet voor dingen door God verboden, zoo als woeker, enz. (Al Beidâwi, Jallalo’ddin); maar gij moogt het goed van anderen door arbeid, handel, enz. wettig bezitten.
36 Letterlijk; Doodt uwe zielen niet, dat is, zegt Jallalo’ddin: door doodelijke zonden, of zulke misdaden te bedrijven, waardoor zij eeuwig zullen vernietigd worden. Anderen zijn echter van meening, dat zelfmoord, gelijk de ongeloovige Indianen deden en nog doen, ter eere hunner afgodsbeelden, of ook eenigen waren geloovigen het leven te benemen, door deze plaats wordt verboden (Al Beidâwi). Intusschen schijnt het begin van het vers aan te duiden, dat hier niet alleen van zelfmoord sprake kan zijn.
37 Al Beidâwi berekent, op grond eener overlevering van Mahomet, dat deze zonden zeven in getal zijn, en wel: afgodendienst, moord, valsche beschuldiging van eerbare vrouwen van overspel, het vermogen van weezen verspillen, woeker, desertie bij een godsdienstigen tocht en ongehoorzaamheid jegens ouders.
38 Dit voorschrift is overeenkomstig een oude gewoonte der Arabieren, volgens welke, indien twee personen innige vriendschap of een bondgenootschap hebben aangegaan, die overlevende vriend een zesde deel van des overledenen nalatenschap ontvangt. Dit werd echter volgens Jallalo’ddin en Zamakhshari, afgeschaft, ten minste wat de ongeloovigen betreft. Ook kan deze plaats zóó worden opgevat, als ware daar slechts sprake van een bijzondere verbintenis, volgens welke de overlevende een zeker deel der bezittingen van den eerst stervende ontvangt. (Al Beidâwi).
39 Zoowel door de bezittingen harer echtgenooten voor verlies en verwoesting te behouden, als zich zelve voor alle onkuischheid. (Al Beidâwi, Jallalo’ddin).
40 Dat is: Bant haar van uw bed.
41 Op deze plaats wordt het den Mahomedanen duidelijk geboden, hunne vrouwen te tuchtigen, in geval van halsstarrige ongehoorzaamheid, maar op geene hevige of gevaarlijke wijze (Al Beidâwi.)
42 Dat is: Laat de magistraten eerst twee scheidsrechters zenden: een van iedere zijde, om het verschil uit te maken, en zoo mogelijk de kwade gevolgen eener openlijke breuk te voorkomen.
43 Afgoden.
44 Die tot uw eigen volk, of uw eigen geloof behoort.
45 Dit heeft zoowel betrekking op de belooning, welke men wegens goede daden heeft verdiend, als op de strenge straf voor begane zonden. Integendeel zal hij eerstgenoemden in het toekomstige leven ver boven hunne verdiensten beloonen. Het Arabische woord aharra, hetwelk eigenlijk eene soort van kleine mieren is, doch hier door het woord atoom werd vertaald, wordt gebruikt om iets aan te duiden dat bijzonder klein is.
46 Deze wijze van reiniging wordt teimemoem genoemd.
47 Ra’ina. Zie omtrent dit woord soera II. vers 98.
48 Dit is: dat er slechts een zeer klein getal Joden zijn, die het Mahomedanisme hebben omhelsd.
49 Zie soera II, vers 61.
50 Dit is de letterlijke vertaling van den tekst. Deze plaats wordt echter op twee wijzen verklaard: den verdoemden zal den hals worden omgedraaid, zoodat wat van voren was van achteren zal komen; of wel de gelaatstrekken, de mond, de neus zullen uitgewischt en geëffend worden, zooals het achtergedeelte van het hoofd is.
51 Woordelijk: Hij zal vergeven wat dezerzijds is. Dat is: de zonde der afgodendienst is de grootste der zeven hoofdzonden.
52 Dat is: De Joden en Christenen, die zich zelven de kinderen Gods en zijn bemind volk noemen. (Al Beidâwi, Jallalo’ddin).
53 Hier staat oorspronkelijk: in Jibt (of Djibt) en Thagut. Eerstgenoemd woord wordt verondersteld de eigennaam van een afgod te zijn geweest; het schijnt echter veeleer de meer algemeene naam van een of andere valsche godheid te zijn. Van laatstgenoemd woord gaven wij reeds eene uitlegging. Zie soera II vers 259.
54 Dat is: Raadpleegt den Koran, die Gods woord is.
55 Dat is: Voor de rechtbanken van ongeloovigen. Deze plaats is haar ontstaan aan de volgende opmerkenswaardige gebeurtenis verschuldigd. Zekere Jood had twist met een goddeloozen Mahomedaan, welke laatste de beslissing van Coab abn el Ashraf, een voornaam Jood, en de eerste die van Mahomet inriep. Ten laatste kwamen zij echter overeen, de zaak alleen aan den profeet te onderwerpen, die haar ter gunste van den Jood uitwees: de Mahomedaan weigerde in deze beslissing te berusten, en achtte het noodig de zaak door Omar, later Kalif, op nieuw te doen onderzoeken. Toen zij tot hem kwamen, verhaalde de jood hem, dat Mahomet de zaak reeds te zijner gunste had beslist, maar dat de Mahomedaan zich niet aan die uitspraak wilde onderwerpen. Toen nu de Mahomedaan bekende, dat dit de waarheid was, verzocht Omar hun, even te wachten, en nadat hij zijn zwaard had getrokken, sloeg hij den halsstarrigen Mahomedaan het hoofd af, uitroepende: Dit is de belooning voor hem, die weigert zich aan de uitspraak van God en zijnen gezant te onderwerpen. Door deze daad verkreeg Omar den bijnaam van Al Farûk, hetgeen niet alleen doelt op de scheiding van des schelms hoofd van zijn lichaam, maar ook daarop dat hij leugen en waarheid van elkander wist te onderscheiden. (Jallalo’ddin, Al Beidâwi, d’Herbelot. Bibl. Orient, p. 688 en Ockley, Hist. of the Sarac., p. 365.) Daarom schijnt dan ook de naam van Thagut hier aan Coab abn el Ashraf te zijn gegeven. Zie soera II, vers 259.
56 Dit was namelijk de verontschuldiging der vrienden van den Mahomedaan, dien Omar had gedood, toen zij voldoening voor diens bloed kwamen vragen. (Al Beidâwi).
57 Door goddeloos te handelen, en de uitspraak van ongeloovigen in te roepen.
58 Dat is: Weest waakzaam, en voorziet u zelven van wapenen en benoodigdheden.
59 Daar geen mensch het slagveld mocht verlaten, dan nadat hij als martelaar was gevallen, of eenig voordeel voor de zaak had behaald (Al Beidâwi).
60 Woordelijk trekt uwe handen terug, d.i. raakt geenerlei arbeid aan.
61 Dat is: Den natuurlijken dood.
62 Op deze wijze werd door velen, die niet tot Mahomets volgelingen behoorden, aan hem de duurte der levensmiddelen toegeschreven, toen hij naar Medina ging, hetgeen gemakkelijk kan worden uitgelegd, door de talrijkheid der personen, die tot zijn gevolg behoorden.
63 Men moet deze woorden niet opvatten, als waren zij in tegenspraak met de voorafgaande: dat alles van God komt; daar het kwaad dat over de menschen komt, hoewel door God bevolen, nochtans het gevolg van hunne eigene slechte daden is.
64 Dat is: indien God zijnen gezant niet met den Koran had gezonden, om u in uwen tongval te onderrichten, zoudt gij in uwe afgodendienst zijn voortgegaan, en tot verderf gedoemd zijn; diegenen alleen uitgezonderd, welke door Gods gunst en hun buitengewoon begrip, ware denkbeelden der godheid zouden hebben, zooals bij voorbeeld: Zaid Ebn Amroe Ebn Nofail (zie Millium, de Mohammedanismo ante Moh. h. 311), en Waraka Ebn Nawfal, die, vóór de zending van Mahomet, de afgoden verlieten en slechts één God erkenden (Al Beidâwi).
65 Dit heeft betrekking op hen, die Mahomet verlof vroegen, van Medina naar elders te gaan wonen, en die dagelijks voortgingen, tot zij afgodendienaars ontmoetten. Het oordeel der Muzelmannen was verdeeld, daar zij niet wisten, of zij die menschen als huichelaars en ongeloovigen moesten aanzien, dan wel als geloovigen, die het toeval te midden der ongeloovigen had geworpen.
66 Dit zijn, naar men zegt, de leden van den stam Modlaj, die tot Mahomet toetraden, maar niet gedwongen wilden zijn, hem in den oorlog bij te staan.
67 Dat is: bij ongeluk en zonder opzet. Deze plaats werd geopenbaard om het geval van Ayash Ebn Abi Rabia te beslissen, de broeder van moeders zijde van Aboe Jahl, die eens Hareth Ebn Zeïd doodde, toen hij hem op den weg ontmoette, niet wetende, dat hij het Mahomedanisme, had omhelsd (Al Beidâwi).
68 Deze bloedprijs moet verdeeld worden ingevolge de wet der erfenissen, in het begin van dit hoofdstuk voorkomende (Al Beidâwi).
69 En er zal geen bloedprijs worden betaald; omdat in dit geval zijne bloedverwanten, als ongeloovigen en in verklaarden krijg met de Moslems zijnde, geen recht hebben om te erven wat hij heeft nagelaten.
70 Dat is: tot hij berouw gevoelt. Anderen echter meenen dat hier van geen eeuwige verdoemenis sprake is (daar, volgens de algemeene leer der Mahomedanen, niemand die tot dat geloof behoort, eeuwig in de hel zal blijven), maar alleen gedurende langen tijd (Al Beidâwi).
71 Het gebeurde zeer dikwijls, dat de Mahomedanen, op hunne tochten, menschen ontmoetten, die zij niet kenden, en welke zij doodden. De aanvallers zeiden, om zich te verdedigen, dat het ongeloovigen waren; terwijl zij hen slechts als ongeloovigen behandelden, om hen te berooven.
72 Hiermede worden de Arabieren bedoeld, die, na den Islam te Mekka te hebben omhelsd, niet uittrokken, uithoofde dit moest geschieden om de betrekkingen met de afgodendienaars af te breken, maar deze betrekkingen veeleer onderhielden. Volgens anderen zijn zij de zwakken, omdat zij niet in staat zouden zijn te vluchten, en gedwongen zijn de ongeloovigen in den oorlog te volgen. De engelen, waarvan hier wordt gesproken, zijn de twee engelen, die de dooden in hunne graven bezoeken.
73 Zoo als zij deden, die naar Ethiopië en Medina vluchtten.
74 Volgens Al Beidâwi werd deze plaats geopenbaard tengevolge van het gebeurde met Jondob Ebn Dampa. Deze persoon werd op zijne vlucht ziek, en dientengevolge door zijne zonen op een rustbed gedragen; maar voor hij te Medina aankwam, voelde hij zijn einde naderen. Hij sloeg met zijn rechterhand op zijne linker en stierf, na vooraf plechtig zijn geloof aan God en diens gezant te hebben betuigd.
75 Het Mahomedaansche gebed bestaat in kniebuigingen, rika en aanbiddingen, soedjoed, die daarin gelegen zijn, dat men het aangezicht ter aarde buigt.
76 Tima Abn Obeirak, een zoon van Dhafar, en een van Mahomets makkers, stal een maliënkolder van zijnen buurman Kitâda Ebn al Noman, verborg dien in eene mand met meel en verkocht dit bij een jood, Zeid Ebn al Samin genaamd. Daar men Tima verdacht hield, vroeg men hem om den maliënkolder, maar hij ontkende er iets van te weten, men volgde echter het spoor van het meel, dat door eene opening der mand was gevallen, welk spoor naar het huis van Zeid leidde: daar vond men het gestolene en beschuldigde hem van den diefstal: Zeid bracht echter onderscheidene getuigen, die verklaarden dat hij den kolder van Tima had gekocht; de zonen van Dhafar kwamen daarop tot Mahomet, en verlangden, dat hij zijn makker tegen de beschuldiging verdedigen en Zeid veroordeelen zou. Daar hij nu eenigszins gedwongen was daaraan toe te geven, werd deze plaats geopenbaard, waarin zijn onbezonnen voornemen gelaakt en hem geboden werd, niet te diens nadeele en volgens zijne neiging, maar volgens den aard der zaak te oordeelen (Al Beidâwi, Jallalo’ddin, Yahya).
77 Al Beidâwi voegt er, als een voorbeeld van de goddelijke rechtvaardigheid, bij, dat Tima na het bovenvermelde feit, naar Mekka vlood, weder den afgodendienst omhelsde, en daar onder den muur van een huis doorgroef, met het doel om te stelen. De muur stortte echter in en doodde hem.
78 Dat is: als zij in het geheim middelen aanwenden, door valsche getuigenis, of op andere wijze, om hunne misdaden op onschuldige personen te werpen.
79 Hier wordt op de zonen van Dhafar gedoeld.
80 Door u te onderrichten in de kennis van het goed en het kwaad en de lessen der rechtvaardigheid.
81 De Arabieren aanbaden Allat, al Uzza en Menat, die zij voor dochters van God hielden.
82 Of, zoo als het letterlijk luidt: een gedeelte, bestemd of voorbestemd om door mij verleid te worden.
83 Hetwelk door de oude afgodendienende Arabieren uit bijgeloof werd gedaan. De noten der vijfde Soera vermelden meer omtrent deze gewoonte.
84 Hetzij door die te verlammen, of tot doeleinden aan te wenden, waartoe zij niet door God bestemd is. Al Beidâwi veronderstelt, dat de tekst hier niet alleen doelt op de bijgeloovige gewoonte van de ooren en andere gedeelten van het vee af te snijden, maar ook op de castratie van slaven, het merken hunner lichamen met figuren, die geprikt en daarna met weede of indigo werden ingewreven, gelijk de Arabieren deden en nog doen, het scherpen hunner tanden, door die af te vijlen, zoo ook sodomie en de onnatuurlijke driften tusschen vrouwen, het aanbidden der zon, maan en andere natuurlichamen enz.
85 Dat is: door Gods dienst te verlaten en de werken des duivels te verrichten.
86 Deze woorden kunnen ook in toestemmenden zin worden opgevat, daar de zin van den tekst hier zeer twijfelachtig is door het woordje an, dat vooral in den Koran, zoowel in toestemmenden als ontkennenden zin wordt gebezigd. Men kan dus hier even goed zeggen, wie gij niet geeft... en die gij weigert te huwen, als: aan wie gij niet geeft... en die gij wilt huwen.
87 Door der vrouw een deel van haren bruidschat te geven, of andere verplichtingen omtrent haar te voldoen.
88 Dit beteekent: daar gij van haar niet even als van eene gehuwde vrouw kunt genieten, moet gij sommige maatregelen van rechtvaardigheid omtrent haar in acht nemen; want indien een man niet geheel in staat is aan zijne plichten te voldoen, moet hij die echter daarom niet geheel verwaarloozen (Al Beidâwi.)
89 Of gelijk een, die nooit een echtgenoot had, noch gescheiden is, en de vrijheid heeft een ander te huwen.
90 Dat is: hij zal den man en vrouw doen vinden, die hem beter behaagt, en aan de vrouw een’ anderen man, die het verlies zal vergoeden van hem, die haar heeft verstooten.
91 Daar hij den dienst van geen schepsel behoeft.
92 Zie de zesde Soera.
93 Dat is: hebben wij u niet bijgestaan? Geef ons dus een deel van den buit (Al Beidâwi).
94 Dat wil zeggen: met de tong en niet met het hart.
95 Hinkende tusschen twee gedachten, en noch van de Moslems, noch van de ongeloovigen standvastige vrienden zijnde.
96 Dit verhaal schijnt een toevoegsel te zijn tot hetgeen Mozes van de zeventig oudsten zegt, die met hem, Aäron, Nadab en Abihu den berg bestegen en den God van Israël zagen. Exodus XXIV : 9, 10, 11.
98 Zie ibid, v. 51.
99 Zie ibid, v. 60.
100 Zie ibid, v. 55.
101 Jallalo’ddin leidt uit dit woord af, dat aan het einde van dezen volzin de woorden: daarom hebben wij hen gevloekt, of iets dergelijks ontbreekt.
102 Door haar van ontucht te beschuldigen.
103 Zie de 3e Soera vers 48 en de bijgevoegde noten.
104 Sommigen houden namelijk vol, dat hij inderdaad en te recht werd gekruisigd: anderen beweren, dat hij niet Jezus was, maar een ander, wiens aangezicht op het zijne geleek, terwijl de overige deelen van zijn lichaam zoo zeer verschilden, dat zij het bedrog volkomen bewezen. Sommigen zeggen, dat hij in den hemel werd opgenomen, en anderen, dat zijn menschelijk gedeelte alleen heeft geleden en zijne goddelijkheid naar den hemel opsteeg. (Al Beidâwi).
105 Volgens een overlevering van Hejâj, strijken de engelen, als een Jood sterft, hem over den rug en het aangezicht, terwijl zij tot hem zeggen: o, gij vijand van God! Jezus was als een profeet tot u gezonden, en gij geloofdet niet in hem, waarop hij zou antwoorden: Thans geloof ik van hem dat hij de man Gods is; en tot den stervenden Christen zeggen zij: Jezus was als een profeet tot u gezonden, en gij hebt hem toegedicht God, of de zoon van God te zijn: waarna hij gelooven zal, dat die slechts de dienaar van God en zijn apostel is, en dat derhalve de onderstelling, dat Jezus een zoon van God of zelf een God zij, zonde tegen den eenigen God is, terwijl ieder voor zijn dood aan Mahomet zal gelooven.
106 Dat is: tegen de Joden, die hem geheel verwerpen, en tegen de Christenen, die hem God en den zoon van God noemen (Al Beidâwi).
107 In geschenken, tot het omkoopen der rechters of andere slechte gebruiken.
108 Zoo als Abdallah Ebn Salâm en zijne makkers (Al Beidâwi).
109 Hetzij door Jezus geheel te verwerpen en te loochenen, zooals de Joden doen, hetzij door hem tot de gelijkheid met God te verheffen, zooals de Christenen (Al Beidâwi.)
110 Namelijk God, Jezus en Maria (Al Beidâwi, Jallalo’ddin Yahya). De Oostersche schrijvers maken melding van eene Christelijke secte, die gelooft, dat de drieëenheid uit deze is samengesteld (Elmacim, p. 227, Eutych, p. 120), maar men meent, dat deze ketterij reeds sedert lang is verdwenen (Ahmed Ebn Abd’al Halim). Deze plaats is echter eveneens tegen de drieëenheid gemunt, zooals die volgens de leer der orthodoxe Christenen bestaat, welke, zooals Al Beidâwi zegt, er aan gelooven, dat de Godheid uit drie personen bestaat; de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Door den Vader verstaat men namelijk Gods wezen, door den Zoon, zijne kennis en door den Heiligen Geest, zijn leven.
111 Volgens Savary aldus: Wel verre van een’ zoon te hebben, regeert hij alleen den hemel en de aarde. Hij is zichzelven toereikend.
112 Dat is Mahomet en zijn’ Koran.
113 Zijnde tot den Islamitischen godsdienst in deze wereld, en tot het het paradijs in de toekomstige.
114 De andere helft wordt in de openbare schatkist gestort.
115 Dat is: hij zal hare geheele bezetting erven.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. O, ware geloovigen! weest getrouw aan uwe verbintenissen. Het is u geoorloofd het redelooze vee te eten2, behalve datgene, wat u verboden is; uitgezonderd het wild, dat geoorloofd is op andere tijden te gebruiken, maar niet terwijl gij op den pelgrimstocht zijt. God beveelt hetgeen hem behaagt. 2. O, ware geloovigen! schendt niet de heilige voorschriften van God3, noch de heilige maand, noch de offerande, noch de versierselen daaraan hangende4. Eerbiedigt hen, die naar het heilige huis reizen, om de gunst des Heeren te zoeken en hem te behagen. 3. Maar indien gij uwen pelgrimstocht hebt volbracht, jaagt dan. En laat de boosheid van hen, die u zouden willen beletten, den heiligen tempel binnen te gaan5 u niet tot onrechtvaardigheden verlokken. Helpt elkander naar rechtvaardigheid en vroomheid, maar ondersteunt elkander niet in onrechtvaardigheid en boosheid; vreest dus God; want God is een streng straffer. 4. Het is u verboden te eten van dieren, die van zelven [153]zijn gestorven, voorts bloed en varkensvleesch, en datgene waarover een andere naam dan die van God is aangeroepen6 en datgene wat gesmoord is, of door een slag of een val, of door de horens van een ander dier is gedood, en dat door een wild dier7 is verscheurd, behalve datgene wat gij hebt gedood8; ook datgene wat voor afgoden9 werd geofferd. Het is u eveneens verboden te verdeelen door het lot, met pijlen te trekken10. Dit is verboden. Heden wacht de wanhoop hun, die van hunnen godsdienst zijn afgedwaald; vreest dus hen niet, maar vreest mij. 5. Heden heb ik uwen godsdienst voor u volmaakt11 en heb ik mijne genade voor u voltooid12, en heb ik den Islam voor u gekozen, om uwen godsdienst te zijn. Maar hij, die door hongersnood gedreven en zonder de bedoeling te hebben van te zondigen, mocht eten van hetgeen wij hebben verboden, waarlijk God zal hem genadig en barmhartig zijn. 6. Zij zullen u vragen, wat hun veroorloofd is. Antwoord: de dingen, die goed13 zijn, zijn u geoorloofd. De prooi der jachtdieren14, die gij als honden zult hebben afgericht, naar de wetenschap, die gij van God hebt ontvangen, is u geoorloofd te eten. Eet [154]daarom van hetgeen zij u zullen hebben verschaft, en herdenkt daarbij den naam Gods15, en vreest God; want God is snel in het rekenen. 7. Heden is het u geoorloofd zulke dingen te eten, die goed zijn, en het voedsel van diegenen, aan wie de schriften werd gegeven16 is u mede als geoorloofd toegestaan; en uw voedsel is hun geoorloofd. En gij moogt vrije vrouwen huwen, die geloovig zijn, en ook vrije vrouwen van hen, die de schriften vóór u hebben ontvangen17, als gij haar heuren bruidschat hebt toegekend. Leeft kuisch met haar; bedrijft nimmer hoererij, noch neemt haar als bijzit18. Hij, die het geloof verzaakt, diens werk zal ijdel zijn, en in het volgende leven zal hij vergaan. 8. O, ware geloovige! indien gij u tot het gebed gereed maakt, wascht dan uw aangezicht, en uwe handen tot onder de ellebogen; wrijft u het hoofd, en ook de voeten tot aan de hielen. 9. En indien gij eene vrouw hebt beslapen, reinigt u. Maar indien gij ziek of op reis zijt, indien gij aan eene natuurlijke behoefte hebt voldaan, of indien gij vrouwen hebt aangeraakt, en gij vindt geen water, neemt dan fijn en zuiver zand19, en wrijft uw aangezicht en u uwe handen er mede. God wil u geene moeite veroorzaken, maar hij wil u zuiveren en zijne gunst omtrent u volmaken, opdat gij hem dankbaar zoudt zijn. 10. Gedenkt dus Gods gunst omtrent u en het verbond, dat hij met u heeft aangegaan, toen gij zeidet: Wij hebben gehoord, en zullen gehoorzamen20. Vreest God; want God kent het meest verborgene gedeelte van des menschen borst. 11. O, ware geloovigen! weest rechtvaardig, wanneer gij als getuigen voor God verschijnt, en laat de haat omtrent iemand u niet verleiden, boos te handelen. Weest rechtvaardig; dit brengt u nader tot de vroomheid, en vreest God; want God is geheel bekend met hetgeen gij doet. 12. God heeft hun beloofd, die gelooven en doen wat recht is, dat zij vergiffenis en eene groote belooning zullen ontvangen. 13. Maar zij, die niet gelooven en onze teekens van onwaarheid beschuldigen, zullen [155]makkers der hel zijn. 14. O, ware geloovigen! herinnert u Gods gunst omtrent u, toen zekere mannen hunne handen naar u uitstrekten; maar hij stiet hunne handen terug21 die u wilden deren. Vreest dus God, en dat de geloovigen in hem vertrouwen. 15. God nam vroeger het verbond der kinderen Israëls aan, en wij kozen twaalf hoofden uit hun midden, en God zeide22: Waarlijk ik ben met u; indien gij het gebed doet en aalmoezen geeft, en in mijne apostelen gelooft, en hen ondersteunt en God tegen goede renten23 leent, zal ik uwe slechte daden vergeven, en u in tuinen voeren, met rivieren doorsneden; maar onder u, die na deze waarschuwingen niet gelooft, dwaalt van den rechten weg af. 16. Maar omdat zij hun verbond hebben geschonden, hebben wij hen gevloekt en hunne harten versteend; zij rukken de woorden van den Pentateuches van hunne plaats, en hebben een deel vergeten van hetgeen hun werd onderwezen; en gij zult niet ophouden slechte daden bij hen te ontdekken, bij eenigen van hen uitgezonderd; maar vergeef hun24 en schenk hun daarvoor genade; want God bemint den milde. 17. En van hen, die zeggen: Wij zijn Christenen; wij hebben eene verbintenis aangenomen; maar zij hebben een gedeelte vergeten van hetgeen hun werd onderwezen; derhalve hebben wij vijandschap en haat onder hen doen ontstaan tot den dag der opstanding, en God zal hun dan zeker mededeelen, wat zij hebben verricht. 18. O gij, die de schriften hebt ontvangen, thans is onze apostel onder u gekomen, om u vele plaatsen duidelijk te maken, welke gij in de schriften hebt verborgen25, om vele [156]anderen daarvan voorbij te gaan26. Thans is het licht in een duidelijk boek van God tot u gekomen. Daarmede zal God hem leiden, die zijn wil op de paden des vredes zal volgen, en hem voeren door zijn wil uit de duisternis tot het licht, hij zal hem richten op den rechten weg. 19. Zij, die zeggen, dat Christus, de zoon van Maria, God is, zijn ongeloovigen. Zeg hun: Wie zou God kunnen tegengaan, indien het hem behaagt had Christus, den zoon van Maria, en zijne moeder en al, die op de aarde zijn, te verdelgen? 20. Want Gode behoort het koninkrijk des hemels en der aarde, en wat daar tusschen is; hij schept wat hem behaagt, en God is almachtig. 21. De Joden en Christenen zeggen, wij zijn de kinderen Gods en zijne geliefden. Antwoord: Waarom straft hij u dan voor uwe zonden? Maar gij zijt slechts menschen, van diegenen, welke hij heeft geschapen. Hij vergeeft aan wie het hem behaagt, en hij straft wie hem behaagt; en Gode behoort het koninkrijk des hemels en der aarde, en alles wat tusschen beide is; en tot hem keert alles terug. 22. O gij! die de schriften hebt ontvangen, thans is onze apostel onder u gekomen, om u den waren godsdienst te verklaren, gedurende de schorsing der apostelen27, opdat gij niet meer zoudt zeggen: Er kwam niemand tot ons, die goede tijdingen bracht, noch eenige waarschuwer: maar nu is een bode van goede tijdingen en een waarschuwer tot u gekomen; want God is almachtig. 23. Toen Mozes tot zijn volk zeide: O, mijn volk! gedenk Gods gunst omtrent u, sedert hij profeten onder u heeft aangewezen en u koningen heeft gegeven28, en u heeft geschonken, wat hij geene natie ter wereld29 heeft gegeven. 24. O, mijn volk! ga het heilige land binnen, dat God voor u heeft bestemd, en wendt u niet om; opdat gij niet omvergeworpen en vernield mocht worden. 25. Zij antwoorden: O, Mozes! dit land wordt door een volk van reuzen bewoond30, en [157]wij zullen er op geenerlei wijze binnen gaan, dan nadat zij het hebben verlaten; maar indien zij het verlaten, zullen wij er binnentrekken. 26. Twee mannen31 van hen die God vreesden, nopens welke God genadig was geweest, zeiden: Treedt de poort binnen, en zoodra gij die binnentreedt, zult gij overwonnen hebben; vertrouwt dus in God, indien gij ware geloovigen zijt. 27. Zij hernamen: O, Mozes! wij zullen het land nimmer binnentreden terwijl zij er in vertoeven; ga dus, gij en uw God en strijd; want wij zullen hier blijven. 28. Mozes zeide: O Heer! waarlijk ik ben geen meester over iemand buiten mij en mijn broeder; maak dus een onderscheid tusschen ons en het goddelooze volk. 29. God antwoordde: Waarlijk het land zal hun gedurende veertig jaren ontzegd zijn; gedurende welken tijd zij op de aarde zullen dwalen32: pleit dus niet alzoo voor het goddelooze volk. 30. Verhaal hun ook de geschiedenis van de twee zonen van Adam33 naar waarheid. Toen zij hun offer brachten34 en het van een hunner werd aangenomen35, en het van den andere niet werd aangenomen, zeide Kaïn: Waarlijk ik zal u dooden: Abel antwoordde: God neemt alleen het offer van den vrome aan. 31. Indien gij zelfs uwe hand tegen mij opheft om mij te dooden, zou ik de mijne niet uitstrekken om u te dooden; want ik vrees God, den heer van alle schepselen36. 32. Ik heb liever [158]dat gij mijne onrechtvaardigheid en uwe eigene onrechtvaardigheid draagt, en dat gij een makker in het vuur verkrijgt; want dat is de belooning van den onrechtvaardige. 33. En zijne ziel drong hem, zijn broeder te dooden en hij doodde hem; zoodat hij tot hen behoorde die verdoemd zijn. 34. En God zond eene raaf die de aarde krabde, om hen te toonen, hoe hij het lichaam van zijn broeder moest verbergen, en hij zeide: Wee over mij! ben ik niet in staat gelijk deze raaf te zijn, dat ik het lijk van mijn broeder zou kunnen verbergen? en hij behoorde tot hen die berouw hebben. 35. Daarom bevolen wij de kinderen Israëls, dat hij, die eene ziel doodt, zonder dat die eene ziel hebbe gedood, of eene misdaad op aarde hebbe bedreven37, zal zijn alsof hij alle menschen had gedood38, doch hij die iemand het leven redt, zal zijn alsof hij het leven van alle menschen had gered. 36. Onze apostels kwamen later tot hen, met duidelijke wonderen, maar zelfs daarna waren velen hunner zondaren op aarde. 37. Maar de belooning van hen die tegen God en zijn apostel strijden, en er op bedacht zijn, op aarde slecht te handelen, zal wezen, dat zij gedood zullen worden, of gekruisigd, of dat hunne voeten aan de tegenovergestelde zijden zullen worden afgesneden of dat zij uit het land zullen worden gebannen39. Dit zal hunne ongenade in deze wereld zijn, en in de volgende zullen zij een strenge straf ondergaan, 38. Behalve zij, die berouw zullen gevoelen, alvorens gij hen in uwe macht hebt; want weet, dat God vergevingsgezind en genadig is. 39. O, ware geloovigen! vreest God en begeert eene engere verbinding met hem, en strijdt voor zijnen godsdienst, opdat gij gelukkig moogt zijn. 40. Daarom zij die niet gelooven, al hadden zij wat op de aarde is, en zelfs tweemaal zooveel, waarmede zij zich van de straf op den dag der opstanding zouden willen loskoopen, het zal niet van hen worden aangenomen, maar zij zullen eene pijnlijke straf ondergaan. 41. Zij zullen begeeren het vuur te verlaten, maar zij zullen het niet verlaten, en hunne straf zal doorloopend zijn. 42. Indien een man of eene vrouw mocht stelen, zult [159]gij hun de handen afsnijden40, als vergelding voor hetgeen zij hebben bedreven; dit is eene voorbeeldige straf door God bepaald, en God is machtig en wijs. 43. Maar hij, die berouw zal hebben na zijn onrechtvaardigheid en zich verbetert; waarlijk, God zal zich tot hem wenden41; want God is geneigd tot vergeven en genadig. 44. Weet gij niet, dat het koninkrijk des hemels en der aarde Gode behoort? Hij straft wie hem behaagt, en hij vergeeft wie hem behaagt; want God is almachtig. 45. O, Profeet! laat u niet door hem bedroeven, die zich naar ongetrouwheid spoeden42, of door hen die met hunne monden zeggen: wij gelooven, doch wier harten niet gelooven43, of door de Joden, die het oor gretig aan de leugens en aan anderen leenen44. Zij verdraaien de woorden der wet van hunne plaatsen45 en zeggen: indien u dit gebracht wordt, gelooft het, maar indien dit u niet gebracht wordt, hoedt u er dan voor46; want wie zou hem van dwaling kunnen redden, dien God op een dwaalweg wil voeren. Zij wier harten het God niet behaagt te zuiveren, zullen schande in deze wereld ondergaan, en strenge straf in de volgende. 46. Zij leenen het oor aan de leugens en eten wat [160]verboden is47. Maar indien zij tot u komen, om door u gericht te worden, richt dan tusschen hen, of verlaat hen48, en indien gij hen verlaat, zullen zij u volstrekt niet deren. Maar indien gij aanneemt te richten, richt dan tusschen hen met rechtvaardigheid; want God bemint hen, die de rechtvaardigheid in acht nemen. 47. En hoe zullen zij zich aan uwe beslissing onderwerpen, terwijl zij de wet hebben verlaten, die Gods oordeel bevat? Maar zij zullen daarna hunne aangezichten afwenden49; doch dit zijn geene ware geloovigen. 48. Waarlijk wij hebben hun de wet nedergezonden, bevattende de goede richting en licht. De profeten, die tot den waren godsdienst behoorden, richtten de Joden naar dat boek; de leeraren en priesters richtten volgens de gedeelten van Gods boek; en zij waren er getuigen van50. Vrees dus geene menschen maar vrees mij; en verkoop mijne teekens niet voor een lagen prijs. En zij die niet richten volgens hetgeen God heeft geopenbaard, zijn ongeloovigen. 49. Wij hebben hun daarin bevolen, leven voor leven51, en oog voor oog, en neus voor neus, en oor voor oor, en mond voor mond, en dat kwetsuren ook door wedervergelding52 zouden gestraft worden. Maar hem die den prijs der straf in aalmoezen zal weggeven, zal dit als eene voldoening53 zijn. Zij die niet richten volgens hetgeen God heeft geopenbaard zijn onrechtvaardig. 50. Wij hebben ook Jezus den zoon van Maria gezonden, om de voetstappen der profeten te volgen, overeenkomstig de wet die vóór hem werd nedergezonden, en wij gaven hem het evangelie, bevattende richting en licht; mede bevestigende de wet, die te voren was gegeven en eene richting en waarschuwing voor hen, die God vreezen. 51. Opdat zij, die het evangelie hebbende ontvangen, mochten richten volgens hetgeen God daarin had geopenbaard; en zij die niet richten, volgens [161]hetgeen God heeft geopenbaard, zijn zondaren. 52. Wij hebben u ook het boek, den Koran, gezonden, met waarheid, bevestigende de schrift, welke te voren was geopenbaard en dat haar voor verminking behoedt. Richt dus tusschen hen, overeenkomstig hetgeen God heeft geopenbaard, en volgt hunne begeerten niet, door van de waarheid af te dwalen, die u is geworden. Ieder uwer hebben wij eene wet gegeven en een open weg54. 53. En indien het Gode had behaagd, zou hij zeker één volk van u hebben gemaakt; maar hij heeft uwe getrouwheid willen beproeven, nopens de inachtneming van hetgeen hij u heeft gegeven. Streeft er dus naar, elkander in goede daden te overtreffen. Gij zult allen tot God terugkeeren en dan zal hij u datgene verklaren, waarover gij getwist hebt. 54. Daarom, o Mahomet! richt tusschen hen overeenkomstig hetgeen God heeft geopenbaard, en volg hunne begeerten niet, maar neem u in acht, uit vrees dat zij u noodzaken, van een deel dezer voorschriften af te dwalen, die God u heeft nedergezonden; en indien zij zich afwenden55, weet dan, dat het Gode behaagt, hen voor eenige hunner misdaden te straffen; want een groot getal der menschen zijn zondaren. 55. Verlangen zij dus het oordeel der onwetendheid56? Maar wie is beter dan God, om tusschen hen te richten die waarlijk gelooven? 56. O, ware geloovigen! neemt niet de Joden of Christenen tot vrienden; zij zijn elkanders vrienden; maar hij uwer, die hen tot vrienden neemt, is zekerlijk een hunner. Waarlijk, God leidt de onrechtvaardigen niet. 57. Gij zult hen zien, in wier harten eene zwakheid heerscht, hoe zij zich haasten, zeggende: wij vreezen, dat ons eenigerhande tegenspoed overkomt; maar het is God gemakkelijk, de overwinning te schenken, of een bevel van Hem, dat zij berouw mogen gevoelen, omtrent hetgeen zij in hun binnenste hebben besloten. 58. En zij die gelooven, zullen zeggen: zijn dit de menschen die, met den plechtigsten eed, bij God zwoeren, dat zij zeker tot ons behoorden57? Hunne werken zijn ijdel geworden en zij behooren tot de verdoemden. 59. O, ware geloovigen! hij van u, die van zijnen godsdienst afstand doet, God zal zeker een ander volk brengen, dat hij zal beminnen en dat hem zal beminnen. Dat [162]volk zal nederig omtrent de geloovigen en gestreng omtrent de ongeloovigen zijn; zij zullen voor den godsdienst des Heeren strijden en de afkeuring van den lasterende niet vreezen. Dit is Gods goedheid; hij schenkt dien aan wien het hem behaagt. God is groot en wijs. 60. Waarlijk uw schuts is God en zijn, apostel; en zij die gelooven, die de bepaalde tijden van het gebed in acht nemen en aalmoezen geven en zich nederbuigen, om God te aanbidden. 61. En zij die God en zijn apostel en de geloovigen als hunne vrienden58 kiezen, behooren tot de partij van God en zullen de zege behalen. 62. O, ware geloovigen! kiest als uwe vrienden niet hen, wie de schriften vóór u waren gegeven, of de ongeloovigen, die uwen godsdienst tot het onderwerp van hunne lachlust en bespotting maken; maar vreest God, indien gij ware geloovigen zijt. 63. Noch hen, die, wanneer zij hooren bidden, daarvan een onderwerp van lachlust en bespotting maken59; zij doen dit omdat zij het niet begrijpen. 64. Zegt: o gij! die de schriften hebt ontvangen, verwerpt gij ons om eene andere reden, dan omdat wij in God gelooven, in hetgeen ons werd nedergezonden, en dat wat vroeger nedergezonden werd, en omdat het grootste deel van u zondaren zijn? 65. Zeg hun: zal ik u eene vreeselijker zaak verkondigen dan diegene, welke gij van God kunt verwachten? Zij die God heeft gevloekt, en omtrent welke God toornig was; die hij in apen en varkens veranderde60; zij die Taghut61 aanbidden, zijn in den slechtsten staat en dwalen verder van den weg. 66. Toen zij tot u kwamen, zeiden zij: wij gelooven, doch zij traden in uw gezelschap met ongetrouwheid en gingen daarmede van u weg; maar God kent goed wat zij verbergen. 67. Gij zult velen van hen zien, wedijverende in oneerlijkheid en onrechtvaardigheid, en die verboden spijzen eten. Hoe verachtelijk zijn hunne daden. 68. Indien hunne wetgeleerden en priesters het niet waren, die hun verboden zonden te begaan en ongeoorloofde spijzen te eten, welke verachtelijke daden zouden zij niet bedrijven! 69. De Joden zeggen, de hand van God is geketend. Hunne handen [163]zullen geketend zijn62, en zij zullen gevloekt worden, om hetgeen zij hebben gezegd. Neen! zijne beide handen zijn geopend; Hij beschikt naar zijn welbehagen. Wat u van uwen Heer is neder gezonden zal de zonde en de ongetrouwheid van velen hunner vermeerderen, en wij hebben de vijandschap en den haat tusschen hen geplaatst, tot op den dag der opstanding. Zoo dikwijls zij het oorlogsvuur zullen ontsteken, zal God het uitblusschen63, en zij zullen in hun binnenste besluiten, slecht op aarde te handelen; maar God bemint de boozen niet. 70. Daarom, indien zij, die de schriften hebben ontvangen, gelooven en God vreezen zullen wij zeker hunne zonden uitwisschen, en wij zullen hen in genoegelijke tuinen voeren; en indien zij den pentateuch in acht nemen en het evangelie en dat wat vroeger door hunnen Heer werd nedergezonden, zullen zij zeker eten van goede spijzen, van boven hen en onder hunnen voet64. Onder hen zijn er, die oprecht handelen; maar hoe slecht is het wat velen onder hen doen! 71. O, profeet! maakt het geheel bekend, wat u door uwen Heer werd nedergezonden; want indien gij het niet doet, vervult gij niet uwen last, en God zal verdedigen tegen de boozen65; want God leidt de ongeloovigen niet. 72. Zeg: o gij! die de schriften hebt ontvangen, gij zijt met niets grondig bekend, indien gij niet den pentateuch en het evangelie in acht neemt, en dat wat door uwen Heer is nedergezonden. Dat wat door uwen Heer is nedergezonden, zal zeker de boosheid en de ontrouw van velen hunner vermeerderen; maar bekreun u niet om de ongeloovigen. 73. Waarlijk zij die gelooven66, en de Joden, en de Sabeïsten en de Christenen, wie hunner in God gelooven, in den jongsten dag, en weldoen, geen vrees zal over hen komen en nimmer zullen zij bedroefd worden67. 74. Wij hebben vroeger het verbond van de kinderen Israëls aangenomen en gezanten tot hen gezonden. Zoo dikwijls een apostel tot hen kwam, met dat wat hunne zielen niet begeerden, beschuldigden zij sommigen van hen van misleiding, en doodden eenigen van hen. 75. Zij verbeeldden zich dat zij daarvoor niet zouden worden gestraft, en zij werden [164]blind en doof68. Daarop wendde God zich tot hen, daarna werden velen van hen blind en doof, maar God zag wat zij deden. 76. Zij zijn zeker ongeloovigen, die zeggen: waarlijk, Christus, de zoon van Maria, is God, daar toch Christus zeide: O, kinderen Israëls! dient God, mijn Heer en de uwe; wie een ander naast God plaatst, zal door God van het paradijs uitgesloten worden, en het hellevuur zal zijne woning zijn; en de goddeloozen zullen niemand hebben, die hen helpt. 77. Zij zijn waarlijk ongeloovigen, die zeggen: God is de derde der drieëenheid69, want er is geen God behalve den eenigen God, en indien zij niet terugkomen van hetgeen zij zeggen, eene pijnlijke straf zal hun worden opgelegd, daar zij ongeloovigen zijn. 78. Zullen zij dus niet tot God terugkeeren en hem vergiffenis vragen? God is genadig en barmhartig. 79. Christus, de zoon van Maria, is niets meer dan een apostel: andere apostels zijn hem voorafgegaan, en zijne moeder was eene vrouw van waarheid70. Zij beiden gebruikten voedsel71. Gij ziet hoe wij de teekenen Gods onder hen openbaarden, en ziet dan hoe zij zich afwenden. 80. Zeg hun: wilt gij aanbidden naast God, wat u kan deren noch nuttig zijn? God hoort en ziet. 81. Zeg: o gij! die de schriften hebt ontvangen, overschrijdt de ware grenzen in uwen godsdienst niet72, door onwaarheid te spreken, noch volgt de begeerten van het volk, dat vroeger dwaalde, en dat velen heeft verleid en den rechten weg73 heeft verlaten. 82. Zij, die onder de kinderen Israëls niet geloofden, werden door de tong van David en door die van Jezus, den zoon van Maria74, gevloekt75, omdat zij oproerig en verdorven waren; zij verboden elkander de zonden niet die zij bedreven, en wee hun om hetgeen zij hebben bedreven. 83. Gij zult velen ongeloovigen tot hunne vrienden zien nemen. Wee over hen, om hetgeen hunne zielen hun hebben ingegeven76, en weshalve God toornig over hen is; en zij zullen eeuwig in de marteling [165]blijven. 84. Maar indien zij in God hadden geloofd, in den profeet en hetgeen hem werd geopenbaard, hadden zij hem niet als vrienden genomen; maar velen hunner zijn boosdoeners. 85. Gij zult zeker vinden, dat de hevigsten in vijandschap omtrent de ware geloovigen, de Joden en de afgodendienaars zijn, en gij zult zeker vinden, dat zij onder hen, die het meest er toe overhellen, vriendschap met de trouwe geloovigen te sluiten, diegene zijn, welke zeggen: wij zijn Christenen. Dit komt, omdat er priesters en monniken onder hen zijn, en omdat zij niet van hoogmoed vervuld zijn. 86. En wanneer zij, hetgeen den apostel werd nedergezonden, zullen hooren lezen, zult gij hunne oogen zien overstroomen van tranen, door de waarheid die zij zullen ontdekken77, zeggende: o Heer! wij gelooven; schrijf ons dus op met hen, die getuigenis afleggen der waarheid van den Koran. 87. En wat zou ons verhinderen in God te gelooven en de waarheid, die tot ons is gekomen, en ernstig te begeeren, dat God ons met de rechtvaardigen in het paradijs leide? 88. Daarvoor heeft God hen beloond, om hetgeen zij hebben gezegd, met tuinen van rivieren doorsneden; eeuwig zullen zij daarin verblijven; en dat is de belooning voor den rechtvaardige. Maar zij die niet gelooven, en onze teekens van valschheid beschuldigen, zij zullen makkers der hel zijn. 89. O ware geloovigen! verbiedt niet de goede dingen, die God u heeft veroorloofd78, maar zondigt niet; want God bemint de zondaars niet. 90. Eet hetgeen God u tot voedsel heeft gegeven, hetgeen wettig en goed is, en vreest God, in wien gij gelooft. 91. God zal u niet [166]straffen voor een onbedacht woord in uwe eeden79, maar hij zal u straffen voor hetgeen gij plechtig zweert en schendt. En de boete voor zulk een eed zal zijn, het voeden van tien arme lieden met zulk middelmatig voedsel als dat, waarmede gij uw gezin voedt, of hen te kleeden, of het bevrijden van den nek van een waren geloovige uit de slavernij; maar hij die aan geen dezer drie dingen zal kunnen voldoen, moet drie dagen vasten80. Dit is de boete voor uwe geschondene eeden, indien gij onverdacht zweert. Let daarom op uwe eeden. Zoo verklaart God u zijne teekens, opdat gij dankbaar moogt zijn. 92. O ware geloovigen! waarlijk, wijn en spelen81, en beelden82 en het raadplegen van pijlen zijn een gruwel van satans vinding: mijdt die dus, opdat gij gelukkig moogt zijn. 93. Satan tracht tweedracht en haat onder u te zaaien, door middel van wijn en spelen, en u te verwijderen van de herdenking van God en de geboden. Wilt gij u dus daarvan niet onthouden? Gehoorzaamt God en gehoorzaamt den apostel, en hoedt u; maar indien gij u afwendt, weet dan dat de plicht van onzen apostel alleen bestaat in het openbaar te prediken. 94. Zij die gelooven en goede werken doen, zullen niet gezondigd hebben, indien zij van wijn of spel gebruik hebben gemaakt, alvorens wij het verboden, indien zij God vreezen, en gelooven en goede werken verrichten, en voortaan God vreezen, en gelooven en volharden God te vreezen en wel te doen83; want God bemint hen die goed doen. 95. O ware geloovigen! God zal u zeker (op den pelgrimstocht) beproeven met wild, dat gij met uwe handen of uwe lansen zult kunnen vangen, opdat God zou kennen, wie hem in het geheim vreest; maar wie daarin zondigt zal een strenge straf ondergaan. 96. O ware geloovigen! doodt geen wild, terwijl gij aan den pelgrimstocht deelneemt. Hij onder u, die een dier opzettelijk heeft gedood, zal een gelijk dier moeten teruggeven, als datgene [167]wat hij doodde, in huisdieren84, overeenkomstig de beslissing van twee rechtvaardige personen, om als een offer naar den Caaba-tempel te worden gebracht, of ter vergoeding daarvan zal hij armen voeden, of, in plaats daarvan vasten, opdat hij de afschuwelijkheid van zijne daad moge gevoelen. God heeft vergeven wat voorbij is, maar hij die nogmaals zondigt, op dien zal God zich wreken; want God is machtig en in staat tot wraak. 97. Het is u geoorloofd, in de zee te visschen85 en wat gij vangt te eten, als leeftocht voor u en voor hen die reizen, maar het is u niet geoorloofd op het land te jagen, terwijl gij de ceremoniën van den pelgrimstocht vervult. Vreest daarom God; want eens zult gij tot hem verzameld worden. 98. God heeft den Caaba, het heilige huis, als eene inrichting voor den mensch gemaakt, en heeft de heilige maand bevolen, en het offer en de versierselen daaraan te hangen, opdat gij zoudt weten, dat God kent wat in den hemel en op aarde is, en dat God alwetend is. Weet, dat God gestreng straft, en dat God ook vergevingsgezind en genadig is. 99. De plicht van onzen profeet is alleen om te prediken, en God weet hetgeen gij toont en wat gij verbergt. 100. Zeg: kwaad en goed zullen niet gelijk geschat worden, ofschoon de overvloed van kwaad u behaagt86. Vreest dus God, gij die verstand hebt, opdat gij gelukkig moogt zijn. 101. O ware geloovigen! onderzoekt niet zulke dingen, die, als zij u werden verklaard, u smart zouden veroorzaken; maar indien gij daaromtrent ondervraagt op het tijdstip waarop de Koran geheel zal zijn geopenbaard, zullen zij u verklaard worden, God vergeeft uwe nieuwsgierigheid; want God is vergevingsgezind en genadig. Menschen die vóór u waren, hebben daaromtrent onderzocht, en werden later ongeloovig. 102. God heeft niets voorgeschreven omtrent [168]Bahîra, noch omtrent Sâïba noch nopens Wasîla, noch nopens Hâmi87, maar de ongeloovigen hebben een logen betreffende God uitgedacht, en het grootste gedeelte hunner verstaan niet. 103. En toen tot hen gezegd werd: Komt tot hetgeen God heeft geopenbaard en tot den apostel, antwoordden zij: Het geloof dat wij bij onze ouderen vonden, is toereikend voor ons, terwijl hunne vaders niets kenden en niet geleid werden. 104. O ware geloovigen! neemt uwe zielen in acht. Hij die dwaalt, zal u niet deren; want gij wordt op den rechten weg geleid. Met God zult gij terugkeeren, en hij zal u verhalen wat gij hebt gedaan. 105. O ware geloovigen! laat getuigen onder u kiezen, als de dood een uwer nadert, op het oogenblik dat hij testament maakt; neem twee rechtvaardige menschen onder u, of twee anderen van een verschillenden stam, of van een ander geloof dan gij zijt88, indien gij reizende op aarde zijt en het doodsgevaar u overvalt. Gij zult hen beiden opsluiten na het namiddaggebed89, en zij zullen bij God zweren indien gij aan hen twijfelt, en zij zullen zeggen: Wij verkoopen onze getuigenis niet, voor welken prijs ook; zelfs niet aan iemand, die met ons is verwant, en wij zullen de getuigenis van God niet verbergen; want dan zouden wij zeker tot het getal der zondaren behooren. 106. Maar indien het blijkt, dat beiden aan oneerlijkheid schuldig zijn geweest, zullen twee anderen in hunne plaats worden gesteld, van degenen die hen van valschheid hebben overtuigd, en wel de twee naasten in den bloede; en zij zullen bij God zweren, zeggende: Waarlijk, onze getuigenis is meer waar dan de getuigenis van deze beide; wij hebben niet pogen te verleiden; want dan zouden wij tot het getal der onrechtvaardigen [169]behooren. 107. Dit zal gemakkelijker zijn, dat de menschen eene getuigenis afleggen overeenkomstig hare ware bedoeling, of zij zullen vreezen, dat een andere eed na hunnen eed mocht worden afgelegd. Vreest daarom God en luistert; want God leidt de onrechtvaardigen niet. 108. Op zekeren dag90 zal God de apostels vereenigen en tot hen zeggen: Welk een antwoord werd u gegeven, toen gij voor het volk hebt gepredikt, naar hetwelk gij werd afgezonden? Zij zullen antwoorden: Wij hebben geene kennis, maar gij kent de geheimen. 109. Als God zal zeggen: o Jezus! zoon van Maria: gedenk mijne gunst omtrent u en omtrent uwe moeder, toen ik u sterkte met den heiligen geest91, opdat gij tot de menschen in hunne wieg zoudt spreken, en toen gij zijt opgegroeid92. 110. En toen ik u de schrift onderwees en wijsheid, en de wet en het evangelie; en toen gij, door mijn verlof, slijk in den vorm van een vogel hebt gebracht, en dat gij er in hebt geblazen en dat het door mijn verlof een vogel werd, en dat gij een blindgeborene en een melaatsche door mijn verlof hebt genezen, en toen gij, door mijn verlof93, de dooden hunne graven deedt verlaten, en toen ik de kinderen Israëls terug hield u te dooden94, toen gij met duidelijke wonderen tot hen waard gekomen en sommigen van hen, die niet geloofden, zeiden: Dit is slechts tooverij95 111. En toen ik de apostelen gebood, zeggende: Gelooft in mij en in mijn gezant, antwoordden zij: Wij gelooven, en gij zijt getuige, dat wij Gode zijn onderworpen. Gedenk, toen de apostelen zeiden: 112. O, Jezus, zoon van Maria! is uw Heer in staat, ons eene tafel uit den hemel te doen nederdalen96? Hij antwoordde: Vreest God, [170]indien gij ware geloovigen zijt. 113. Zij zeiden: Wij verlangen er van te eten, en dat onze harten voldaan mogen worden, en dat wij mogen weten, of gij ons de waarheid hebt verhaald, en dat wij er getuigen van mogen zijn. 114. Jezus de zoon van Maria, zeide: O God, onze Heer! laat eene tafel tot ons uit den hemel nederdalen; dat de dag van hare nederdaling een feestdag voor ons worde: voor den eerste van ons en voor den laatste van ons, en een teeken van u; en voorzie haar van voedsel voor ons; want gij zijt de beste voorziener. 115. God zeide: Waarlijk ik zal haar tot u doen nederdalen; maar hij van u, die daarna nog ongeloovig zal zijn, zekerlijk zal ik hem straffen met eene straf, en ik zal de andere schepselen ongestraft laten. 116. En als God tot Jezus zal zeggen: O Jezus, zoon van Maria! hebt gij tot de menschen gezegd: Neemt mij en mijne moeder als twee goden naast God? zal hij antwoorden: Geloofd zijt gij: verre zij het het van mij, te zeggen wat niet waar is; indien ik dit had gezegd, zoudt gij het zekerlijk weten; gij weet wat in mij is, maar ik weet niet wat in u is; want gij kent alle geheimen. 117. Ik heb hun niets gezegd, dan wat gij mij hebt geboden; namelijk: Aanbidt God, mijn Heer, en ùw Heer; en ik was getuige van hunne daden, zoo lang ik onder hen bleef; doch sedert gij mij tot u hebt opgenomen97, waart gij hun bewaker; want gij zijt getuige van alle dingen. 118. Indien gij hen straft; gij hebt de macht en zij zijne uwe dienaren, en indien gij hun vergeeft; gij kunt het; want gij zijt machtig en wijs. 119. God zal zeggen: Deze dag is een dag waarop de rechtvaardigen hunne rechtvaardigheid zullen vermeerderd zien: zij zullen tuinen bezitten met wateren doorsneden; eeuwig zullen zij daarin verblijven. God heeft behagen in hen geschept, en zij hebben behagen in hem geschept. Dit zal een groot geluk zijn. 120. Gode behoort de heerschappij over hemel en aarde en al wat zij bevatten, en hij is almachtig. [171]
1 Deze titel is ontleend aan de tafel, welke aan het einde van dit hoofdstuk gezegd wordt, uit den hemel aan Jezus te zijn gezonden. Het wordt ook soms het hoofdstuk der verbintenissen (’choed) genaamd, welk laatste woord in het eerste vers voorkomt.
2 Zoo als: Kameelen, ossen en schapen, als ook wilde koeien, antilopen enz. (Jallalo’ddin, Al Beidâwi), maar geene varkens, noch datgene, wat gedurende de bedevaart is gejaagd.
3 De ceremoniën die bij de bedevaart naar Mekka gebruikelijk zijn.
4 De offerande, waarvan hier sprake is, is het schaap, dat naar Mekka wordt vervoerd, om daar geofferd te worden, welks nek men gewoonlijk met slingers, kransen of andere versierselen omhangt, ten einde het als eene heilige zaak te beschouwen.
5 In de expeditie van Al Hodeibiya.
6 Bij de afgodendienende Arabieren was het gebruik, bij het dooden van eenigerhande dier, dat tot voedsel moest strekken, het om zoo te zeggen, aan hunne afgoden toe te wijden, door het uitspreken der woorden: In den naam van Allat of Al Uzza (zie Soera II).
7 Of door een dier, dat voor de jacht is afgericht. (Al Beidâwi).
8 Dat is: behalve dat gij nog tijdig genoeg komt om leven in het dier te vinden, en het den hals af te snijden.
9 Dit woord beteekent ook zekere soort steenen, die door de afgodendienende Arabieren werden gebruikt tot opstapeling nabij hunne huizen, en waarvoor zij uit bijgeloof dieren doodden, ter eere hunner goden. (Al Beidâwi.)
10 De afgodendienende Arabieren hadden de gewoonte, een gedooden kameel onder elkander te verdeelen, door het lot te trekken, wien dit of dat gedeelte zou te beurt vallen; dit geschiedde met pijlen zonder ijzer of vederen, die, ten getale van zeven, in den tempel van Caaba werden bewaard. Met betrekking tot de woorden “heden,” of “op dezen dag” wordt beweerd, dat deze plaats Vrijdag-ochtend werd geopenbaard, zijnde de dag, waarop de bedevaartgangers den berg Arafat bezochten, den laatsten keer, dat Mahomet den tempel van Mekka bezocht. Deze pelgrimstocht wordt daarom de bedevaart des afscheids genoemd (Al Beidâwi). Zie Prid. Life of Moham., p. 99.
11 Daarom zeggen de uitleggers, dat na dien tijd geen positief of negatief voorschrift werd gegeven. Zie Abulfed Vit. Moham., p. 131.
12 Daar ik u een waren en volmaakten godsdienst heb gegeven; of door de verovering van Mekka en de vernietiging van den afgodendienst.
13 Het woord taiibat, dat hier in het oorspronkelijke staat heeft eene even algemeene beteekenis als het woord goed. Men moet hier echter door goed verstaan datgene, wat zuiver en niet schadelijk voor de gezondheid is.
14 Hetzij viervoetige dieren of vogels.
15 Zoowel als gij het wild een hond, valk of ander dier achterna zendt, als indien gij het doodt.
16 Zijnde door Joden of Christenen gedood, of gereed gemaakt.
17 Dit zijn de gemengde huwelijken tusschen Muzelmannen en Joodsche en Christen vrouwen; de vrouwen der afgodendienaars zijn van dit verlof uitgesloten.
18 Deze voorschriften, die aan de mannen werden gegeven, zijn bijna in dezelfde uitdrukkingen vervat als die, welke de vrouwen betreffen. Zie hoofdstuk IV, vers 29. Het woord khidn, meervoudig akhdan, hier in den tekst gebruikt, beteekent geliefde en ook bijzit.
19 Deze reiniging met zand, bij gebrek aan water, wordt teiemmoem genaamd (Zie soera IV, vers 46.)
20 Deze woorden maken het formulier uit, dat bij de inhuldiging van een vorst wordt uitgesproken, en Mahomet bedoelt hier den eed van getrouwheid, dien zijne volgelingen hem te Al Akaba hadden gedaan. Zie Albulfed, Vit. Moham, p. 43.
21 Deze plaats moet betrekking hebben op een moordaanslag op den persoon van Mahomet. Hiervan bestaan verschillende lezingen. Volgens eene zou een Arabier, toen Mahomet eens zijne wapens afgelegd en die aan een boom opgehangen had, terwijl zijn gevolg zich op eenigen afstand van hem bevond, zich op hem geworpen hebben en, terwijl hij een bloote sabel boven zijn hoofd hield, gezegd hebben: “Wie belet mij u te dooden?”—“Dat is God,” hernam Mahomet; hierop ontnam de engel Gabriël de sabel aan den Arabier. Mahomet, greep de sabel en vroeg den Arabier op zijne beurt; “Wie belet mij, u te dooden?”—“Niemand,” hernam de Arabier; en hij omhelsde den Islam.
22 Hier spreekt God. Gelijk wij bij herhaling hebben opgemerkt, heeft de verwisseling van de voornaamwoorden wij en hij te dikwijls in den Koran plaats, dan dat het mogelijk zou zijn, dit telkens, wanneer het plaats heeft, te doen opmerken.
23 Door voor den heiligen oorlog geschenken te geven. Volgens Savary: Besteedt uwe rijkdommen voor de verdediging van den heiligen godsdienst.
24 Dat is: Indien zij berouw gevoelen en gelooven, of zich er aan onderwerpen, schatting te betalen. Sommigen echter zijn van meening, dat deze woorden door het vers van het zwaard zijn afgeschaft. (Al Beidâwi).
25 Zooals het vers betreffende het steenigen van overspeligen (Hoofdstuk III, vers 22, noot), de beschrijving van Mahomet, en de profetie van [156n]Christus nopens dezen onder den naam van Ahmed (Al Beidâwi).
26 Dat is: Zulke, wier herstelling niet noodig was.
27 Het Arabische woord al Fatra beteekent het tijdsverloop tusschen twee profeten, gedurende hetwelk geen nieuwe openbaring of kwijtschelding werd gegeven, zooals de tijd, die tusschen Mozes en Jezus verliep, of tusschen Jezus en Mahomet, op het einde van welke laatste tijdruimte Mahomet gezonden werd.
28 Dit werd vervuld, òf door dat God hun een koninkrijk gaf, en eene lange opvolging van vorsten, òf door dat hij hem tot koningen of meesters over hen zelven maakte, door hen van de Egyptische slavernij te verlossen.
29 Daar hij de Roode Zee voor u scheidde en u, door middel van eene wolk, leidde en u ook met kwakkels en manna voedde (Al Beidâwi).
30 De grootste dezer reuzen, was volgens de uitleggers Og, de zoon van Anak, nopens wiens reusachtige houding, zijne ontkoming aan den vloed en de wijze waarop hij door Mozes werd gedood, de Mahomedanen verschillende fabels verhalen. Zie Marracc., in Alcor. p. 231 enz., d’Herbel. Bibl. Oriënt, p. 336.
31 Namelijk Caleb en Josua.
32 De uitleggers beweren, dat de Israëlieten, terwijl zij in de woestijn reisden, binnen een cirkel van omstreeks achttien, of volgens het zeggen van sommigen, van zevenentwintig mijlen werden gehouden, waardoor zij, hoewel van den ochtend tot den avond reizende, zich den volgenden dag telkens op de plaats bevonden vanwaar zij waren uitgegaan. (Al Beidâwi, Jallalo’ddin).
33 Zijnde Kaïn en Abel, welke door de Mahomedanen Kâbil en Hâbîl genoemd worden.
34 De oorzaak van het brengen van dit offer, wordt volgens de gewoonlijke overlevering van het Oosten aldus verhaald (zie Abu’lfarag., p. 6 en 7, Eutych, annol. p. 15 en 16 en d’Herbelot, Bibl. Oriënt. Art. Cabil): Ieder van hen beiden was met een tweelingzuster geboren, en toen zij opgegroeid waren, beval Adam, door Gods ingeving, aan Kaïn, Abels tweelingzuster te huwen, aan Abel beval hij hetzelfde ten opzichte van Kaïns tweelingzuster. Kaïn weigerde dit echter op te volgen, daar zijne eigene zuster de schoonste was. Adam beval hun daarop hunne offeranden aan God te brengen en daarbij de beslissing van het geschil aan God over te laten. (Al Beidâwi). De uitleggers zeggen, dat Kaïns offerande een gaaf was van het slechtste koren dat hij bezat, terwijl die van Abel in een vet lam het beste van zijne kudde bestond.
35 Namelijk van Abel, waarvan God de aanneming op een zichtbare wijze deed plaats hebben. Hij deed namelijk vuur uit den hemel nederdalen, waardoor het werd verteerd, zonder dat het offer van Kaïn werd aangeraakt. (Al Beidâwi, Jallalo’ddin).
36 Om Abels geduld te verheffen. Al Beidâwi verhaalt, dat hij de sterkste der twee was, en dus gemakkelijk zijn broeder had kunnen overmeesteren.
37 Zooals afgodendienarij, of roof op den openbaren weg. (Al Beidâwi).
38 Daar hij het gebod zal hebben geschonden, waarbij het vergieten van bloed wordt verboden.
39 De schriftgeleerden zijn het niet eens omtrent de toepassing van deze straffen. De uitleggers veronderstellen echter, dat zij die alleen moord hebben gepleegd, op de gewone wijze ter dood moeten gebracht worden; zij die moord of roof te gelijk plegen, zouden gekruisigd worden: hun die rooven, zonder daarbij moord te plegen, zou de rechterhand en de linkervoet afgesneden worden; zij die personen aanvallen en hun vrees aanjagen, zouden moeten gebannen worden. (Al Beidâwi, Jallalo’ddin). Ook is het twijfelachtig, of zij, die gekruisigd moeten worden, levend aan het kruis genageld, of na hunnen dood die straf moeten ondergaan, of wel aan het kruis moeten opgehangen worden tot zij sterven. (Al Beidâwi).
40 Volgens de Sonna (de overlevering), kan deze straf niet worden opgelegd, dan wanneer de waarde van het gestolene vier dinars (ƒ 24) bedraagt. Voor de eerste misdaad moet de veroordeelde de rechterhand verliezen, die aan den pols wordt afgesneden; bij herhaling wordt de linkervoet aan den enkel afgesneden; bij de tweede herhaling zijne linkerhand; bij de derde herhaling zijn rechtervoet; en indien hij voortgaat misdaden te begaan, zal hij, naar het oordeel des rechters gegeeseld worden. (Jallalo’ddin, Al Beidâwi). Deze wet is niet meer bij de Turken in gebruik. Het toedienen van stokslagen is de gewone straf voor diefstal. Roovers worden dikwijls onthoofd. Deze misdaad is echter zeldzaam in Turksche steden, maar de slechte staat der politie veroorzaakt, dat zij soms op groote wegen, en vooral in de woestijnen, voorvalt. Thans mag in de Turksche staten geen doodvonnis worden voltrokken, zonder door den sultan bekrachtigd te zijn.
41 Dit wil zeggen: dat God hem daarna er niet meer voor zal straffen; maar zijn berouw belet hier echter de uitvoering der wet niet, noch ontheft hem van restitutie. Al Shâfeï beweert echter, dat hij niet zal gestraft worden, indien de beleedigde partij hem vergeeft, alvorens hij voor den magistraatpersoon verschijnt. (Jallalo’ddin, Al Beidâwi.)
42 Dat is: die de eerste gelegenheid aangrijpen om het masker af te werpen en zich bij de ongeloovigen aansluiten.
43 Zijnde de huichelachtige Mahomedanen.
44 Deze woorden zijn voor twee uitleggingen vatbaar. Volgens sommigen doelen zij op de leugens en verdraaiingen van de rabbijnen of de christelijke geestelijken, die de geboden van Mahomet verwerpen; volgens anderen, dat zij alleen naar Mahomet kwamen luisteren om hem te bespieden en hunne makkers mede te deelen wat hij had gezegd, en hem als een leugenaar voor te stellen (Al Beidâwi.)
45 Zie Hoofdstuk IV, vers 48.
46 Dat is: indien Mahomet u den tekst der schrift geeft, zooals wij u dien geven, neemt dien aan: zoo niet verwerpt dien.
47 Sommigen zeggen, dat dit betrekking heeft op het gebruik van verboden vleeschsoorten: anderen op woeker en omkooping (Al Beidâwi). Het Arabische woord, hier door eten vertaald, geeft tot beide beteekenissen evenveel aanleiding. Het Hebreeuwsch נשר (verwant met bijten) is elke rente.
48 Dat is: kies zelf, of gij hunne geschillen al of niet wilt beslechten. Vandaar was Al Shâfeï van meening dat een rechter niet verplicht was, in geschillen tusschen Joden en Christenen uitspraak te doen. Indien echter een hunner, of beiden schatplichtigen waren, of onder de bescherming der Mahomedanen stonden, waren zij daartoe verplicht, en behoefden zij om dit vers zich niet te bekreunen. Aboe Hanifa meent echter, dat de magistraten verplicht zouden zijn, alle zaken te richten, die hun worden onderworpen. (Al Beidâwi.)
49 Maar zij dobberen in twijfel en gelooven niet.
50 Dat is: waakzaam, om er schending van te voorkomen.
51 Het oorspronkelijke woord is: ziel.
52 Zie Exod. XXI : 24, enz.
53 Deze plaats is voor nog eene uitlegging vatbaar; te weten: hij die aalmoezen geeft, na iemand gewond te hebben, zal vergeving zijner zonden verkrijgen.
54 Het woord, hier door open weg vertaald, is eigenlijk het pad, dat naar de drinkplaats leidt. Figuurlijk wordt dit woord voor de gedragslijn volgens de wet gebruikt.
55 Of weigeren, door den Koran gericht te worden.
56 De onwetendheid, eldjahiliieh, wordt bij de Arabieren altijd gebruikt om het tijdperk van den afgodendienst aan te duiden. Deze plaats beteekent: Achten zij het beter, volgens de woeste wetten der afgodendienaars, dan door de goddelijke wet geoordeeld te worden?
57 Deze woorden werden tot de Mahomedanen of wel tot Joden gericht, naardien de huichelaars hunne eeden aan beiden hebben gezworen. (Al Beidâwi).
58 Het Arabische woord weli beteekent: vriend patroon, beschermer, bondgenoot, heilige (vriend van God).
59 Deze woorden werden ingevoegd, bij gelegenheid dat een zeker Christen, die, toen hij den Muadhdhin of roeper, tot het gebed hoorde oproepen, en dit gedeelte van de gebruikelijke formule herhaalde: Ik geloof dat Mahomet de apostel van God is, luid zeide: Moge God den leugenaar verbranden; maar eenige nachten later geraakte zijn huis door de onvoorzichtigheid van een bediende in brand, waarbij hij zelf en zijn gezin in de vlammen omkwamen. (Al Beidâwi).
60 De eersten waren de Joden van Ailah, die den Sabbath schonden (Zie Hoofdstuk II, vers 61), en de laatsten zij, die niet geloofden aan het mirakel van de tafel, welke aan Jezus uit den hemel, werd nedergezonden.
61 Zie Hoofdstuk II, vers 247.
62 Dat is: Zij zullen met gebrek en gierigheid gestraft worden. Deze woorden doelen, volgens de meening van sommigen, ook op de wijze waarop de goddeloozen op den jongsten dag zullen verschijnen, namelijk met hunne rechterhanden aan hunnen nek gekluisterd, hetgeen de eigenlijke beteekenis van het Arabisch woord is.
63 Namelijk de Koran.
64 Dat is: Zij zullen zoowel de genoegens des hemels als die der aarde genieten.
65 Alvorens dit vers werd geopenbaard, onderhield Mahomet eene lijfwacht van gewapenden voor zijne zekerheid: toen hij echter deze verzekering van Gods bescherming ontving, dankte hij die dadelijk af. (Al Beidâwi, Jallalo’ddin.)
66 Zie de noot van Hoofdstuk II, vers 59.
67 Zie Hoofdstuk II, vers 59.
68 Door hunne oogen en ooren voor overtuiging en de bevelen der wet te sluiten, zooals toen zij het kalf aanbaden.
69 Zie Hoofdstuk IV, vers 170.
70 Die nimmer aanspraak er op maakte, van goddelijken aard, of de moeder Gods te zijn. (Jallalo’ddin).
71 Daar zij verplicht waren, hun leven op dezelfde wijze door te brengen, en aan dezelfde behoeften en gebreken als de overige menschen onderworpen en dientengevolge van geen’ goddelijken oorsprong waren. (Jallalo’ddin, Al Beidâwi).
72 Zie Hoofdstuk IV, vers 169. Hier zijn deze woorden echter uitsluitend tot de Christenen gericht.
73 Dat is: van de geestelijken en voorgangers, die dwalen, door aan Christus goddelijkheid toe te kennen, alvorens Mahomet werd gezonden. (Jallalo’ddin, Al Beidâwi).
74 Zie hiervoren de noot 3 op blz. 162.
75 David had de Sabbatschenders in apen veranderd, Hoofdstuk II. vers 61; Jezus veranderde de boozen onder Israël in varkens.
76 Zie Hoofdstuk II vers 89.
77 De personen die op deze plaats rechtstreeks worden bedoeld, zijn: óf Ashama, koning van Ethiopië, en verschillende bisschoppen en priesters, die, tot dat doel vergaderd, Jaafar Ebn Taleb hoorden, en die bij de eerste vlucht naar deze plaats vlood, en de 29e en 30e en later de 18e en 19e Hoofdstukken van den Koran las, op het hooren waarvan de koning en de overige aanwezenden in tranen uitbarstten en bekenden, dat het met de waarheid overeenkomstig was; vooral de vorst zelf werd een proseliet van het Mahomedanisme (Al Beidâwi, Al Thalabi, Albufed. Vit. Moh., pag. 35 enz., Marracc, Prodr. ad Refut, Alcor. pars. I pag. 45), of dertig, doch gelijk anderen zeggen zeventig personen, die door dien zelfden koning van Ethiopië als afgezanten tot Mahomet waren gezonden, aan welken de profeet zelf het 36e hoofdstuk voorlas, waarop zij begonnen te weenen, zeggende: Hoezeer gelijkt dat op hetgeen door Jezus werd geopenbaard! en zich dadelijk als Moslems bekenden. (Al Beidâwi, Jallalo’ddin, ook Marrace, t. a. pl.)
78 Deze woorden geopenbaard, toen sommigen van Mahomets volgelingen, goed dachten te doen, door voortdurend te vasten en te waken, en door zich van vrouwen, het eten van vleesch, het slapen op een bed en andere geoorloofde genoegens des levens te onthouden, in navolging van sommige Christenen; doch de profeet keurde dit af, zeggende: dat hij geene monniken in zijnen Godsdienst verlangde te hebben. (Jallalo’ddin, Al Beidâwi).
79 Zie Hoofdstuk II, vers 224.
80 (Aboe Hanîfa zegt, dat dit drie dagen te zamen is). Dit wordt echter in het gebruik niet gevolgd, daar het nergens bepaald in den Koran, noch in de Sonna wordt bevolen.
81 Hiermede worden alle bedwelmende dranken en kansspelen bedoeld. Zie Hoofdstuk II, vers 216.
82 Al Beidâwi en sommige andere uitleggers zeggen, dat hier van afgoden wordt gesproken, anderen beweren echter, en met meer waarschijnlijkheid, dat hier de gesneden menschenbeelden worden bedoeld, waarmede de afgodendienende Arabieren schaak spelen, zijnde kleine figuren van menschen, olifanten, paarden en drommedarissen.
83 De uitleggers trachten de tautologie van deze plaats te verontschuldigen, door de veronderstelling, dat de drievoudige vermelding van vreezen en gelooven betrekking heeft op de drie toestanden van den tijd, namelijk het verledene, het tegenwoordige en het toekomstige of op den drievoudigen plicht van den mensch, omtrent God, zich zelven en zijn naaste. (Al Beidâwi). Volgens anderen weder heeft deze herhaling plaats gehad, omdat Mahomet duidelijk wilde aantoonen, dat de ware vroomheid niet in het onthouden van zekere spijzen ligt.
84 Hiermede wordt bedoeld, dat hij een offer in den tempel van Mekka zal brengen, hetgeen daar gedood en onder de armen verdeeld zal worden, of wel een of ander huis- of tam dier, van gelijke waarde als datgene wat hij zal hebben gedood; zooals b.v. een schaap ter vergoeding van een antilope, een duif voor een patrijs enz. En over deze waarde moeten twee voorzichtige personen oordeelen. Indien de overtreder niet in staat was dit te doen, rustte de verplichting op hem eene zekere hoeveelheid voedsel aan een of meer arme lieden te geven, of een evenredig aantal dagen te vasten.
85 Dit, zegt Jallalo’ddin, is toepasbaar op alle visschen die in de zee leven, en niet op diegene, welke zoowel in de zee als op het land leven; zooals: krabben, enz. De Turken die tot de Hanifieten behooren, eten deze soort van visschen nimmer, maar de secte van Malec Ebn Ans, en misschien eenige anderen, zien daarin geen godsdienstig bezwaar.
86 Want het oordeel over zaken moet niet met het oog op hare schaarschte of menigvuldigheid, maar naar heure wezenlijke goede of slechte hoedanigheden worden uitgesproken, (Al Beidâwi).
87 Dit waren de namen door de afgodendienende Arabieren aan sommige kameelen of schapen gegeven, die in eenige gevallen van de gewone diensten waren bevrijd. Zij waren van een of ander kenteeken voorzien, gelijk gespleten ooren, enz. opdat zij herkend konden worden. Dit deden zij ter eere hunner goden. Deze bijgeloovige gewoonte wordt hier verklaard, geen bevel van God te zijn en als een verzinsel van dwazen gekenschetst.
88 Zij die deze woorden zoodanig uitleggen, dat daarmede personen van eenen anderen godsdienst worden bedoeld, zeggen, dat dit afgeschaft is, en dat de getuigenis van zulk een’ niet tegen een Moslem kan gelden. (Al Beidâwi).
89 Voor het geval dat er eenige twijfel bestond, werden de getuigen van het gezelschap afgezonderd, opdat zij niet verleid mochten worden: dit duurde voort, tot zij hunne verklaring hadden afgelegd, hetgeen zij gewoonlijk deden als het namiddaggebed was uitgesproken; daar dit het oogenblik was, dat het volk zich in het openbaar verzamelde, of, gelijk sommigen beweren, de beschermengelen dan iedereen bijstonden, zoodat er vier engelen tegen hen konden getuigen, indien zij valsche verklaringen aflegden. Er zijn echter anderen die veronderstellen, dat zij na het uur van ieder gebed mochten verhoord worden, indien daarbij een genoegzaam aantal menschen verzameld was. (Al Beidâwi).
90 Dat is op den dag der opstanding.
91 Zie Hoofdstuk II, vers 81, in de noot.
92 Zie Hoofdstuk III, vers 41.
95 Zie Hoofdstuk III, vers 41–43.
96 De uitleggers verhalen dit wonder op de volgende wijze: Nadat Jezus dit, op verzoek zijner volgelingen, van God had gevraagd, daalde voor hunne oogen dadelijk een roode tafel tusschen twee wolken neder: zij werd voor hem geplaatst. Vervolgens stond Jezus op en bad, na de reiniging te hebben verricht, waarop hij het kleed weg nam, dat de tafel bedekte, zeggende: “In den naam van God, die het best van voedsel voorziet.” Omtrent de spijzen die zich op de tafel bevonden, zijn de uitleggers het oneens. De meest verspreide overlevering zegt echter, dat er, zoodra het kleed van de tafel was weggenomen, een geheel gereed gemaakte visch met groente, brood, olijven enz. verscheen. Zij voegen er, behalve verdere bijzonderheden, nog bij, dat Jezus, op verzoek der apostelen, een ander wonder voor hen verrichtte, door den visch weder in den oorspronkelijken vorm terug te brengen en weder levend te maken, waarna hij hem in den toebereidenden toestand herstelde; Eenduizenddriehonderd mannen en vrouwen, die allen met lichaamsgebreken bezocht, of arm waren, aten van deze spijzen en werden verzadigd, terwijl de visch geheel bleef, zooals hij oorspronkelijk was. Daarop [170n]rees de tafel voor aller oog, weder ten hemel, en ieder die van dit voedsel had genoten, was van zijne gebreken en ongelukken bevrijd. De tafel daalde daarop nog gedurende veertig dagen, tegen etenstijd neder en bleef op den grond staan, tot de zon daalde, waarop zij weder door de wolken werd opgenomen. Sommige Mahomedaansche schrijvers zeggen, dat deze tafel niet werkelijk nederdaalde, maar achtten ’t eene parabel; de meesten meenen echter, dat de woorden van den Koran juist het tegenovergestelde te kennen geven. Eene andere overlevering zegt, dat verscheiden menschen in zwijnen werden veranderd, omdat zij niet aan dit wonder geloofden, en het aan tooverij toeschreven, of, zooals anderen beweren, omdat zij sommige levensmiddelen van de tafel stalen. (Al Beidâwi, Al Thalabi.)
97 Zie Hoofdstuk III, vers 48, nopens de reden waarom hier de woorden: “gij hebt mij tot u opgenomen”, in plaats van: “gij hebt mij doen sterven”, zijn geplaatst. Zie ook Hoofdstuk XXXIX, vers 43, noot.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. Geloofd zij God, die de hemelen en de aarde heeft geschapen, en de duisternis en het licht heeft ingesteld: desniettegenstaande plaatsen zij, die niet in den Heer gelooven, andere goden naast hem. 2. Hij is het, die u uit slijk heeft geschapen, en daarna het einde van uw leven heeft bepaald. Dat vooruit bepaalde einde is in zijne macht; nog twijfelt gij er aan. 3. Hij is God in den hemel en op aarde; hij weet wat gij heimelijk doet; en wat gij openbaart, en weet wat gij verdient. 4. Er kwam geen enkel teeken tot hen, van de teekenen van hunnen Heer, of zij wendden zich er af. 5. En zij hebben de waarheid geloochend, nadat zij tot hen was gekomen: maar eene boodschap zal tot hen komen, nopens hetgeen zij bespot hebben. 6. Hebben zij niet opgemerkt, hoe vele geslachten wij vóór hen hebben vernietigd. Wij hebben hen op de aarde geplaatst op eene wijze zooals wij u niet hebben geplaatst3. Wij hebben den hemel gezonden om overvloed op hen te doen regenen, en gaven hun rivieren, die onder hunnen voet stroomden; daarna hebben wij hen om hunne zonden vernietigd, en hebben andere geslachten na hen doen opstaan. 7. Zelfs indien wij hun een boek hadden nedergezonden, op papier geschreven, en zij hadden het met hunne handen aangeraakt, zouden de ongeloovigen zekerlijk hebben gezegd: Dit is slechts tooverij4. 8. Zij zeggen, dat zoolang geen engel tot hen werd nedergezonden, zij niet zullen gelooven. Maar indien wij een engel hadden nedergezonden, zou hunne zaak reeds bepaald zijn, en zij zouden geen oogenblik berouw gevoeld hebben. 9. En indien wij een engel als onzen boodschapper hadden aangewezen, zouden wij hem in [172]den vorm van een mensch5 gezonden hebben; en wij zouden dien voor hen hebben gekleed, gelijk zij gekleed zijn. 10. Andere apostelen zijn vóór u bespot, maar de straf waarmede zij spotten, heeft de spotters bereikt. 11. Zeg hun: Doorloopt de aarde en ziet wat het einde van hen was, die onze profeten van bedrog beschuldigden. 12. Zeg: Wien behoort wat hemel en aarde bevatten? Zeg: Aan God. Hij heeft zich zelven barmhartigheid voorgeschreven. Hij zal u zeker op den dag der opstanding verzamelen; daaraan is geen twijfel. Zij, die niet gelooven, verwoesten hunne eigene zielen. 13. Hem behoort alles wat bij nacht of bij dag gebeurt; hij hoort en ziet alles. 14. Zeg: Zal ik een anderen beschermer kiezen dan God, de schepper van hemel en aarde, die alles voedt en door niemand gevoed wordt? Zeg: Waarlijk, mij is bevolen, de eerste te zijn die den Islam belijdt en het werd mij gezegd: Gij zult op geenerlei wijze een afgodendienaar zijn. 15. Zeg: Waarlijk, ik vrees de straf van den grooten dag, indien ik ongehoorzaam jegens mijnen Heer mocht zijn. 16. Indien zij van iemand op dien dag wordt afgewend, zal God genadig omtrent hen zijn geweest, en dat eene blijkbare verlossing zijn. 17. Indien God u door eenig leed bedroeft, zal niemand het van u kunnen afnemen, uitgezonderd hij zelf; indien hij echter eene weldaad bewijst, is het omdat hij almachtig is. 18. Hij is de opperheer over zijne dienaren; en hij is wijs en alwetend. 19. Zeg: Wat is het sterkste bij het afleggen van getuigenis6? Zeg: God; hij is getuige tusschen mij en u. En deze Koran werd mij geopenbaard, opdat ik u daardoor zou waarschuwen, en ook hen tot welke hij zal komen. Gelooft gij inderdaad dat er andere goden behalve God zijn? Zeg: Ik belijd dit niet. Zeg: Waarlijk, hij is eén God en ik ben onschuldig aan hetgeen gij met hem vereenigt. 20. Zij, wie wij de schrift hebben gegeven, kennen onzen apostel zooals zij hunne eigene kinderen kennen7: maar zij, die hunne eigene zielen verwoesten, zullen niet gelooven. 21. Wie is onrechtvaardiger dan hij, die eene leugen omtrent God verzint8, of zijne teekenen van bedrog beschuldigt? Waarlijk, de booze zal niet bloeien. 22. En op den dag [173]der opstanding zullen wij hen allen verzamelen, en dan zullen wij zeggen tot hen, die anderen met God vereenigen: Waar zijn uwe makkers9, van wien gij u verbeeldt, dat zij het van God zijn? 23. Maar zij zullen geene andere verontschuldiging hebben, dan dat zij zullen zeggen: Bij God, onzen Heer, zweren wij, dat wij geene afgodendienaars waren. 24. Zie hoe zij tegen zich zelven liegen, en hoe de goden zich hebben verborgen, die door hen werden uitgevonden10. 25. Er zijn er onder hen, die luisteren, als gij den Koran leest, maar wij hebben sluiers over hunne harten geworpen, dat zij het niet zouden verstaan, en eene doofheid in hunne ooren; en indien zij zelfs alle soorten van teekens zagen, zouden zij er niet aan gelooven; en hunne ongeloovigheid zal zoo groot worden, dat zij zelfs tot u zullen komen om met u te twisten. De ongeloovigen zullen zeggen: Dit zijn niets anders dan dwaze fabelen uit oude tijden. 26. En zij zullen anderen verbieden er aan te gelooven, en zich er verre van verwijderen; maar zij zullen hunne eigene zielen slechts vernietigen, en dat gevoelen zij niet. 27. Indien gij hen zaagt, als zij in het vuur der hel zullen worden geplaatst, en zij zullen zeggen: Gave God dat wij in de wereld mochten worden teruggezonden; wij zouden dan de teekens van onzen Heer niet van bedrog beschuldigen, en wij zouden ware geloovigen worden. 28. Ja, het is hun duidelijk geworden, wat zij vroeger verborgen, en indien zij zelfs in de wereld werden teruggezonden, zouden zij zekerlijk terugkeeren tot datgene wat hun verboden werd; en zij zijn zekerlijk leugenaars. 29. En zij zeggen: Er is geen ander leven dan dit leven; nimmer zullen wij opgewekt worden. 30. Maar indien gij kondet zien, als zij voor hunnen Heer zullen worden geplaatst11! Hij zal tot hen zeggen: Was dit niet de waarheid? Zij zullen antwoorden: Ja, bij onzen Heer! God zal zeggen; Onderga dus de straf, omdat gij niet hebt geloofd. 31. Zij zijn verloren, die de verschijning voor God in het volgende leven als eene onwaarheid verwerpen, tot op het uur12 dat hen onvermijdelijk zal verrassen. Dan zullen zij zeggen: Helaas dat wij gedurende onzen leeftijd ons zelven achteloos hebben vergeten, en zij zullen hunne lasten op hunne schouders dragen; en zal het niet kwaad zijn, waarmede zij beladen zullen wezen? 32. Dit tegenwoordige leven is niets anders dan een spel en een ijdel vermaak; maar, waarlijk, het volgende leven, zal beter [174]zijn voor hen die God vreezen. Zult gij dat niet begrijpen? 33. Nu weten wij, o Mahomet! dat het u grieft wat zij spreken! men beschuldigt niet u van valschheid; maar de ongeloovigen loochenen Gods teekenen. 34. En reeds vóór u werden er apostelen voor leugenaars gehouden; zij verdroegen de beschuldigingen en de onrechtvaardigheid, tot op het oogenblik dat onze hulp tot hen kwam; want niemand kan Gods woorden veranderen; en gij hebt eenige inlichting ontvangen omtrent hen, die vroeger door hem werden gezonden. 35. Indien hun afkeer u grieft, indien gij een holte kondet opzoeken, waardoor gij tot het binnenste der aarde zoudt kunnen doordringen, of eene ladder, waardoor gij tot in den hemel zoudt kunnen opklimmen, om hun een teeken te kunnen toonen, dan zoudt gij het doen; doch uwe pogingen zouden vruchteloos zijn; want indien het Gode behaagde, zou hij hen allen in de ware richting kunnen leiden; wees dus geen der onwetenden13. 36. Hij zal alleen hun een gunstig antwoord geven, die met aandacht zullen luisteren; en God zal de dooden opwekken; want tot hem zullen zij terugkeeren. 37. De ongeloovigen zeggen, dat, zoo lang hun geen wonder van den Heer zal worden geopenbaard, zij niet zullen gelooven. Antwoordt: Waarlijk, God is in staat een wonder te doen; maar het grootste deel hunner weet het niet14. 38. Er is geene diersoort op de aarde, noch een vogel die met zijne vleugels vliegt, welke niet, gelijk gij, een volk vormt15. Wij hebben niets in het boek onzer besluiten16 vergeten; want tot hunnen Heer zullen zij terugkeeren17. 39. Zij, die onze teekens van logen beschuldigen, zijn doof en stom en wandelen in duisternis; God zal doen dwalen wien hij wil, en wie hem behaagt, zal hij op den rechten weg brengen. 40. Zeg: wat denkt gij? indien Gods straf over u komt, of het uur der opstanding, zult gij dan een ander dan God aanroepen; spreekt, indien gij oprecht zijt? 41. Ja! Hij is het dien gij zult aanroepen; en hij zal u bevrijden van [175]hetgeen u hem doet aanroepen, indien het hem behaagt, en gij zult de goden vergeten die gij met hem vereenigt. 42. Wij hebben reeds gezanten gezonden onder de volkeren die vóór u bestonden, en hebben hen door onrust en tegenspoed bedroefd, opdat zij zich zouden vernederen. 43. Toen de door ons gezonden droefheid over hen kwam vernederden zij zich niet, maar hunne harten werden versteend, en satan bereidde voor hen wat zij bedreven18. 44. En toen zij hadden vergeten, wat hun gewaarschuwd was, openden wij de deuren van alle weldaden voor hen19, tot op het oogenblik, dat zij in vreugde gedompeld over de weldaden die zij hadden ontvangen, eensklaps door ons werden aangegrepen en in wanhoop gestort werden. 45. En het grootste gedeelte des volks, dat slecht gehandeld had, werd afgesneden: geloofd zij God, de Heer aller schepselen! 46. Zeg: wat denkt gij? indien God uw gehoor en uw gezicht weg nemen, en uwe harten verzegelen zou; welke god, behalve God, zou die u terug geven? Zie, op hoeveel verschillenden wijzen, wij de teekenen van Gods eenheid vertoonen, en toch wenden zij er zich van af. 47. Zeg tot hen: wat denkt gij? indien Gods straf onverwachts over u kwame, of openlijk20, zou dan iemand behalve de goddeloozen omkomen? 48. Wij zenden onze gezanten niet anders dan goede tijdingen dragende, en bedreigingen aan te kondigen. Wie dus gelooven en berouw gevoelen zullen, over deze zal geene vrees komen; nimmer zullen zij bedroefd worden. 49. Maar zij die onze teekens van leugen zullen beschuldigen, zullen door een straf worden overvallen, omdat zij slecht hebben gehandeld. 50. Zeg: ik zeg niet tot u, de schatten van God zijn in mijne macht, of dat ik de verborgenheden van God ken; ik zeg u niet dat ik een engel ben: ik volg alleen wat mij werd geopenbaard. Zeg: Zullen de blinde en de ziende gelijk gesteld worden? Zult gij dat niet overwegen? 51. Predik het tot hen, die vreezen voor hunnen Heer verzameld te worden; zij zullen schuts noch voorspraak hebben, behalve Hem; misschien zullen zij hem vreezen. 52. Verdrijf hen niet, die des ochtends en des avonds God aanroepen, uit begeerte zijn aangezicht te zien21. Het komt u niet toe, een oordeel over hen [176]uit te spreken, evenmin als het hun behoort, een oordeel over u uit te spreken: indien gij hen dus verdrijft zult gij tot de onrechtvaardigen behooren. 53. Dit hebben wij een deel hunner door een ander deel getoond, opdat zij zouden mogen zeggen: zijn dat diegene onzer, omtrent welke God genadig is geweest? Kent God hen niet, die dankbaar zijn? 54. En wanneer zij, die gelooven, tot u komen, zeg: Vrede zij over u. Uw Heer zelf heeft zich de barmhartigheid voorgeschreven; indien een uwer door onwetendheid slecht handelt en daarna berouw gevoelt en boete doet, voor dien zal hij zeker genadig en barmhartig zijn. 55. Zoo zetten wij onze teekens duidelijker uiteen, opdat het pad der boozen bekend zou zijn. 56. Zeg: Waarlijk, het is mij verboden, de valsche goden te aanbidden, die gij naast God aanroept: Zeg: ik wil uwe begeerten niet volgen; want dan zou ik dwalen, en ik zou nimmer een hunner zijn, die op den rechten weg worden geleid. 57. Zeg: ik houd mij aan de verklaring, die ik van mijnen Heer heb ontvangen: doch gij hebt logens nopens hem uitgedacht. Wat gij wilt dat verhaast zal worden, is niet in mijne macht22; het oordeel behoort alleen aan God. Hij zal de waarheid doen kennen, en hij is de beste beslisser. 58. Zeg: Indien wat gij wenscht te zien verhaasten in mijne macht ware, zou de zaak tusschen u en mij bepaald zijn; maar God kent den onrechtvaardige. 59. Hij bezit de sleutels der geheimen; niemand kent die buiten hem; hij weet wat op het droge land en in de zee is; er valt geen blad af, of hij weet het; nergens is een eenvoudige zaadkorrel in de duistere gedeelten der aarde, nergens een groen of verdord spruitje, dat niet in het duidelijke boek is opgeschreven23. 60. Hij is het die maakt dat gij des nachts kunt slapen, en weet wat gij des daags hebt gedaan; hij zal u eens opwekken, opdat de vooruit bestemde eindpaal uws levens vervuld worde; want tot hem zult gij terug keeren en hij zal u verklaren wat gij hebt bedreven. 61. Hij is de meester zijner dienaren, en hij zendt de beschermengelen, om over u te waken, tot op het oogenblik dat de dood u verrast: dan ontvangen onze gezanten den stervenden mensch, en zij zullen onze bevelen nakomen24. 62. Daarna zult gij tot God terugkeeren, uw waren Heer; behoort hem het oordeel niet? Hij is de snelste in het opmaken eener rekening. 63. Zeg, wie bevrijdt u van de duisternis des lands en der zee, wanneer gij hem nederig en in stilte aanroept, [177]zeggende: Waarlijk, indien gij ons bevrijdt25 van deze gevaren, zullen wij zeker dankbaar zijn? 64. Zeg: God bevrijdt u daarvan en van iedere tegenspoed en droefenis, en toch plaatst gij andere goden naast hem26. 65. Zeg: Hij is in staat u eene straf te zenden van boven27 of van onder uwe voeten28, of de tweedracht onder u te brengen en aan den een de geweldenarijen van den ander te doen gevoelen. Zie hoe verschillend wij onze teekens vertoonen, opdat gij die eindelijk zoudt verstaan. 66. Dit volk heeft de openbaring, die gij gebracht hebt, van valschheid beschuldigd, hoewel het de waarheid is. Zeg: Ik ben geen waker over u; iedere profetie heeft haren bepaalden tijd van vervulling; en daarna zult gij dien kennen. 67. Als gij hoort, dat de ongeloovigen over onze teekens spreken, verwijder u dan, tot zij een ander onderwerp voor hunne gesprekken hebben gekozen; en indien satan u dit voorschrift doet vergeten, blijf dan niet langer bij de goddeloozen, zoodra gij het u weder herinnert. 68. Men zal er geene rekenschap voor vragen aan hen, die God vreezen, doch zij dienen zich te herinneren, dat zij God vreezen29. 69. Verwijder u van hen, die hunnen godsdienst als een spel en een tijdverdrijf beschouwen, en welke het tegenwoordige leven heeft verblind, en waarschuw hen, door den Koran, dat eene ziel wordt gestraft voor hetgeen zij heeft bedreven. Zij zal geen schuts of beschermer naast God hebben, en indien zij den grootsten losprijs zouden kunnen betalen, zou die niet worden aangenomen. Zij, die aan het verderf zijn overgegeven, om hetgeen zij hebben gedaan, zullen kokend water moeten drinken, en zij zullen eene strenge straf ondergaan, omdat zij niet geloofd hebben. 70. Zeg: Zullen wij, naast God hen aanroepen, die ons nuttig zijn noch bestraffen kunnen? En zullen wij op onzen weg terugkeeren, nadat God ons heeft geleid, evenals hij, die door de duivels op den verkeerden weg werd gebracht, terwijl hij op de aarde ronddoolt en thans makkers heeft, die hem tot den rechten weg terugroepen, zeggende: kom tot ons? Zeg: Gods richting is de ware; men heeft ons bevolen, ons aan den Heer van alle schepselen te onderwerpen. 71. Neem de bepaalde tijden van het gebed [178]in acht, en vreest hem; want hij is het, voor wien gij zult verzameld worden. 72. Hij is het, die de hemelen en de aarde in waarheid heeft geschapen; en wanneer hij tot een ding zegt: wees! dan is het. 73. Zijn woord is de waarheid; hem zal het koninkrijk zijn op den dag, waarop de trompet zal klinken: Hij kent wat geheim of openbaar is; Hij is de wijze, de alwetende. 74. Abraham zeide tot zijn vader Azer30: neemt gij beelden tot goden31)? Waarlijk, ik bemerk, dat gij en uw volk in eene duidelijke dwaling verkeert. 75. En zoo deden wij Abraham het koninkrijk van hemel en aarde zien, opdat hij een mocht worden van hen, die oprecht gelooven. 76. En toen de nacht hem omsluierde, zag hij eene ster, en hij zeide: Dit is mijn Heer; doch toen zij verdween, zeide hij: Ik bemin de goden niet die verdwijnen. 77. En toen hij de maan zag opgaan, zeide hij: Dit is mijn God; doch toen zij verdween, zeide hij: indien God mij niet geleidt, zal ik verdwalen. 78. En toen hij de zon zag opgaan, zeide hij: Dit is mijn heer, dit is de grootste; doch toen zij verdween, zeide hij: O mijn volk! ik ben onschuldig aan datgene, wat gij naast God plaatst. 79. Ik wend mijn aangezicht tot hem, die den hemel en de aarde heeft geschapen; ik ben een waar geloovige en ik behoor niet tot de afgodendienaars, 80. En zijn volk spotte met hem, en hij zeide: Wilt gij met mij over God twisten? Hij heeft mij op den rechten weg geleid, en ik vrees hen niet, die gij naast hem plaatst, tenzij God iets verlangt; want hij is alwetend32. Zult gij dit niet in overweging nemen? 81. En hoe zou ik vreezen, wat zij, naast God plaatsen, naardien gij niet vreest goden naast hem te plaatsen, zonder dat God u daartoe eenige macht heeft gegeven? Zeg: welke der beide partijen is de zekerste, indien gij [179]het verstaat? 82. Zij die gelooven en hun geloof niet met onrechtvaardigheid omkleeden33, zullen zekerheid genieten en op den rechten weg geleid worden. 83. En dit is onze bewijsreden, waarvan wij Abraham hebben voorzien, opdat hij daarvan tegen zijn volk gebruik zou maken: Wij verheffen hen, die ons behagen; want uw Heer is wijs en alwetend. 84. En wij gaven hun Izaak en Jacob; en wij hebben hen beiden geleid; en vroeger hadden wij reeds Noach geleid en onder zijne afstammelingen34 hebben wij ook David en Salomo, en Job35, en Mozes en Aäron geleid. Zoo beloonen wij hen, die goed handelen. 85. Zacharias en Johannes, en Jezus en Elias36, waren allen rechtvaardigen. 86. En Ismaël, en Elisa en Jonas37 en Loth38; deze allen hebben wij begunstigd boven alle andere stervelingen. 87. Zoo ook hebben wij onder hunne vaderen en hunne kinderen, onder hunne broeders een groot aantal uitverkorenen op den rechten weg geleid. 88. Zoo is Gods richting; hij leidt wie hem van zijne dienaren behaagt. Indien de menschen andere goden naast hem plaatsen, zullen hunne daden geheel vruchteloos zijn. 89. Deze zijn de personen, welken wij de schrift gaven en wijsheid, en profetie; doch indien deze39 daarin niet gelooven, zullen wij de zorg daarvoor aan een volk opdragen, dat daarin zal gelooven. 90. Dit zijn de personen, die door God werden geleid; volg daarom hunne richting. Zeg tot de bewoners van Mekka: Ik vraag van u geene belooning voor het prediken van den Koran; het is slechts eene waarschuwing aan alle schepselen. 91. Zij waardeeren God niet zoo als hij het verdient40, als zij zeggen: God heeft niets aan de menschen geopenbaard41. Zeg: Wie heeft dan het boek geopenbaard, dat Mozes heeft gebracht, om er het licht en den gids der menschen van te maken; het boek, dat gij op bladen schrijft; [180]het boek, dat gij vertoont, en waarvan gij echter een groot gedeelte verbergt? Gij zijt onderricht geworden, van hetgeen gij evenmin als uwe vaderen wist. Zeg hun: God is het, en laten zij zich dan met hunne ijdele gesprekken vermaken. 92. Dit boek, hetwelk wij hebben nedergezonden, is gezegend; het bevestigt datgene, wat vóór u werd geopenbaard, en werd u gegeven, opdat gij het zoudt prediken in de stad Mekka en aan hen, die in den omtrek wonen. Zij, die in het volgende leven gelooven, zullen ook daaraan gelooven, en zij zullen den tijd van het gebed nauwkeurig in acht nemen. 93. Wie is slechter dan hij, die eene leugen tegen God uitdenkt of zegt! Dit werd mij geopenbaard, als hem niets werd geopenbaard, en die zegt: Ik zal eene openbaring voortbrengen, gelijk aan die, welke door God is nedergezonden?42 Indien gij de goddeloozen in de doodsangsten zaagt en de engelen hunne handen uitsteken, zeggende: werpt uwe zielen weg; heden zult gij een strenge straf ondergaan, voor hetgeen gij valsch nopens God hebt gesproken, en omdat gij zijne teekenen hebt versmaad. 94. En nu komt gij alleen tot ons43, zooals wij u het eerst schiepen, en liet de weldaden, die wij u hebben geschonken achter u; en wij zien de tusschenpersonen niet, die gij als Gods makkers hebt beschouwd44. De banden, die u vereenigden, zijn gebroken, en wat gij hebt verzonnen, heeft u verlaten45. 95. God maakt dat de graankorrel en de dadelpit zich voortplanten. Hij brengt het leven uit den dood voort46. Dit is God. Waarom hebt gij u dus van hem afgewend? 96. Hij veroorzaakt, dat de morgen verschijnt, en heeft den nacht bevolen voor de rust, en de zon en de maan tot bepaling van den tijd. Dit is de beschikking van den machtigen, den wijzen God. 97. Hij is het, die de sterren voor u heeft bevolen, dat gij daardoor geleid zoudt worden in de duisternis, te land en ter zee. Wij hebben overal teekens doen schitteren voor hen, die verstaan willen. 98. Hij is het die u uit ééne ziel heeft voortgebracht, en eene zekere verzamelplaats en eene rustplaats voor u geschapen heeft47. Wij hebben teekenen doen schitteren voor hen, die verstandig zijn. 99. Hij is het, die water van den hemel nederzendt. Daardoor [181]doen wij de spruiten van alle planten ontkiemen; daardoor hebben wij het groen voortgebracht, waaruit wij het graan in aren doen opschieten, en palmboomen, uit welker takken nederhangende, dichte trossen dadels voortkomen, en tuinen met wijngaarden beplant, en olijven en granaatappelen, die op elkander gelijken en van elkander verschillen. Zie op hunne vruchten, als zij vruchten dragen, en hoe zij rijpen. Waarlijk, daarin zijn teekens voor hen, die gelooven. 100. Zij hebben de geniussen48 met God vereenigd, terwijl hij het is, die ze heeft geschapen. In hunne onwetendheid schrijven zij hem zonen en dochters toe. Geloofd zij hij, en het zij verre van hem, wat zij met hem vereenigen. 101. Hij is de maker van hemel en aarde. Hoe zou hij kinderen hebben? hij die geene gezellin heeft? Hij heeft alle dingen geschapen en is alwetend. 102. Dit is God uw Heer. Er is geen God buiten hem, de schepper van alle dingen: dien hem dus; want hij zorgt voor alle dingen. 103. De blikken der menschen kunnen hem niet bereiken. Hij bereikt alle blikken. Hij is de barmhartige49, de wijze. 104. Thans zijn er duidelijke aanwijzingen van uwen Heer tot u gekomen. Hij die deze ziet, ziet ze in zijn eigen voordeel en die er blind voor blijft, het is zijn nadeel. Ik ben uw bewaker niet. 105. Zoo verklaren wij onze teekens op verschillende wijzen, opdat zij zouden zeggen, gij hebt met ijver geleerd;50 en opdat wij hen er van zouden onderrichten, die ons verstaan. 106. Volg datgene, wat u reeds van uwen Heer werd geopenbaard; er is geen God buiten hem; verwijder u dus van de afgodendienaars. 107. Indien het Gode had behaagd, zouden zij onschuldig aan afgoderij zijn geweest. Wij hebben u niet tot bewaker over hem aangesteld: noch om op hunne belangen toe te zien. 108. Beschimp de godheden niet, die zij naast God aanroepen; zij konden op hunne beurt, in hunne buitensporigheid, God beleedigen. Zoo hebben wij ieder volk zijne daden aangewezen. Later zullen zij tot hunnen Heer terugkeeren, die hun zal herhalen wat zij hebben verricht. 109. Zij hebben bij God gezworen, met den meest plechtigen eed, dat indien hun een teeken werd geopenbaard, [182]zij zekerlijk daaraan zouden gelooven. Zeg: Waarlijk, de teekens staan alleen in Gods macht, en hij veroorlooft u niet te begrijpen, dat, als die komen, zij niet zullen gelooven51. 110. En wij zullen hunne harten en hun gezicht van de waarheid afwenden; want zij geloofden er voor de eerste maal niet aan52, en wij zullen hen verlaten, opdat zij in hunne dwaling mogen voortgaan. 111. En hoewel wij hun engelen hadden gezonden, en de dood tot hen had gesproken, en wij alle dingen voor hun oog53 voor hen hadden verzameld, wilden zij niet gelooven, tot het Gode behaagde; maar het grootste deel hunner weet het niet. 112. Zoo hebben wij voor iederen profeet een vijand doen ontstaan; de verleiders van menschen en geniussen, die elkander afzonderlijk klinkende gesprekken54 inbliezen, om te verblinden; maar indien het God had behaagd, zouden zij het niet hebben gedaan. Verlaat hen dus, en ook datgene, wat zij valschelijk hebben uitgedacht. 113. Laat de harten van hen, die niet in het volgende leven gelooven, zich daartoe neigen, en laat hen zelven er behagen in scheppen en laat hen winnen wat zij winnen. 114. Zal ik een anderen rechter naast God zoeken, om tusschen ons te richten? Hij is het, die u het boek van den Koran heeft toegezonden, onderscheidende goed en kwaad; en zij, welke wij de schrift gaven, weten dat zij van den Heer werd nedergezonden met waarheid. Wees dus niet een van hen, die er aan twijfelen. 115. De woorden van uwen Heer zijn volmaakt in waarheid en rechtvaardigheid; er is niemand die deze woorden kan veranderen55. Hij hoort en kent alles. 116. Maar indien gij het grootste deel gelooft van hen, die op [183]de aarde zijn, zullen zij u van Gods weg afleiden; zij volgen slechts een onzeker gevoelen en spreken niets dan leugen. 117. Waarlijk, God kent hen, die van zijnen weg afgaan, en kent hen wel, die op den rechten weg worden gevoerd. 118. Eet van hetgeen, waarbij de naam van God is herdacht56, indien gij aan zijne teekens gelooft57. 119. En waarom zoudt gij niet eten van datgene, waarover Gods naam is uitgesproken? aangezien hij u duidelijk verklaarde, wat hij u heeft verboden, uitgenomen datgene, waarvan gij genoodzaakt zijt te eten. Sommigen brengen anderen in dwaling, door hunne hartstochten, zonder kennis te bezitten; maar God kent de zondaren. 120. Verlaat het binnenste en het buitenste der zonde58; want zij die de zonde begaan, zullen de belooning ontvangen, naar hetgeen zij hebben verricht. 121. Eet dus niet van datgene, waarbij Gods naam niet is herdacht; want dit is zeker zonde. De duivels zullen hunne vrienden ingeven, daarover met u te twisten, doch indien gij hen gehoorzaamt, zijt gij zekerlijk afgodendienaars. 122. Zal hij die dood geweest is, en dien wij tot het leven hebben teruggebracht, en dien wij een licht hebben geschonken, waarmede hij onder de menschen zou kunnen wandelen, als degene zijn, die in de duisternis wandelt en die daaruit niet kan geraken? Zoo werden de daden der ongeloovigen vooruit bereid. 123. Zoo hebben wij in iedere stad hoofdlieden van de boozen aldaar geplaatst, opdat zij er valstrikken zouden spannen59; doch zij zullen hunne eigene zielen slechts strikken spannen en zij weten het niet60. 124. En als hun een teeken61 wordt geopenbaard, zeggen zij: wij zullen op geenerlei wijze gelooven, tot ons eene openbaring worde gebracht, evenals diegene, welke aan Gods zendelingen werd gegeven62; God weet het beste, wien hij tot zijnen zendeling zal verkiezen. De schande in Gods aangezicht bedreven, zal op hen vallen, die boos handelen, en eene strenge straf voor het kwaad, dat zij bedreven. 125. En hij, wien het Gode behaagt te leiden, zal zijne borst openen om het geloof van den Islam te ontvangen: doch wien het hem zal behagen in dwaling te brengen, diens borst zal hij sluiten en vernauwen [184]als diegene, welke zich ten hemel wil verheffen.63 Zoo legt God eene vreeselijke straf aan hen op, die niet gelooven. 126. Dit is Gods rechte weg. Thans hebben wij hun, die overdenken willen, onze teekenen duidelijk verklaard. 127. Zij zullen eene woonplaats des vredes bij hunnen Heer hebben, en hij zal hun beschermer zijn voor datgene, wat zij hebben gedaan. 128. Denk aan den dag, waarop God hen allen verzamelen en zeggen zal: verzameling van geniussen64; gij hebt te veel misbruik van de menschen gemaakt65, en hunne vrienden onder de menschen zullen zeggen: O Heer! de een van ons heeft van den andere diensten genoten en wij zijn tot den gestelden eindpaal66 genaderd, dien gij ons hebt bepaald. God zal zeggen: het hellevuur zal uwe woning zijn; daarin zult gij eeuwig verblijven, tot het Gode zal behagen uwe smarten te lenigen; want uw Heer is wijs en alwetend. 129. Zoo plaatsen wij sommigen der onrechtvaardigen boven anderen van hen, om hetgeen zij hebben bedreven. 130. O verzameling van geniussen en menschen! kwamen er geene zendelingen van u zelven tot u67 die u mijne teekens herhaalden, en die u de verschijning van dezen dag voorspelden? Zij zullen antwoorden: wij leggen getuigenis tegen ons zelven af: het tegenwoordige leven verblindde hen, en zij zullen tegen zich zelven getuigen, dat zij ongeloovigen waren. 131. En dit was Gods handelwijze68; want God is niet de verwoester der steden, die haar verdelgt uit boosheid, terwijl hare bewoners zorgeloos waren. 132. Ieder zal graden van belooning genieten, naarmate van hetgeen zij zullen bedreven hebben; want God is niet onopmerkzaam nopens hetgeen zij doen. 133. En uw Heer is rijk en vol van barmhartigheid. Indien het hem behaagt, kan hij u vernietigen, en hij kan uit u doen voortkomen wie hem behaagt, zooals hij u uit de nakomelingschap van een ander volk heeft doen voortspruiten. 134. Waarlijk, datgene, waarmede men u bedreigt, zal gebeuren, en gij zult het niet kunnen voorkomen. 135. Zeg tot de bewoners van Mekka; O mijn volk! handel overeenkomstig uwe kracht; waarlijk, ik zal handelen overeenkomstig mijnen plicht69. 136. En [185]hierna zult gij kennen, wat de belooning van het paradijs is. De goddeloozen zullen niet bloeien. 137. Die van Mekka bestemmen een deel van hetgeen hij in hunnen oogst en onder hun vee heeft doen geboren worden, voor God, en zeggen dit behoort God (volgens hun verbeelding), en dit aan onze gezellen70. En dat wat voor hunne gezellen is bestemd, komt niet tot God, en hetgeen voor God bestemd is, zal tot hunne makkers komen. 138. Hoe verkeerd oordeelen zij71. Zoo hebben hunne gezellen verscheidene der afgodendienaars ingegeven, hunne kinderen te dooden72, opdat zij hen in het verderf zouden kunnen voeren, en dat zij hunnen godsdienst duister konden maken, en hen daarin verwarren73. Maar indien het Gode had behaagd, zouden zij dit niet hebben gedaan; verlaat hen dus en datgene wat zij valschelijk uitdenken. 139. Zij zeggen ook: Dit vee en deze aardvruchten zijn geheiligd, niemand zal daarvan eten dan die ons behaagt (gelijk zij zich verbeelden); deze dieren mogen niet tot lastdieren gebruikt worden74; en over deze dieren wordt Gods naam niet uitgesproken, als zij die slachten75; zoo denken zij een leugen tegen hem uit, maar God zal hen beloonen voor hetgeen zij valschelijk uitdenken. 140. En zij zeggen: De jongen van deze dieren mogen onze mannen eten, maar onze vrouwen niet; doch indien de vrucht on voldragen is, mogen ze beiden haar eten76. God zal hen beloonen [186]voor hun onderscheid maken. Hij is verstandig en wijs. 141. Zij zijn onredbaar verloren, die hunne kinderen dwazelijk, zonder kennis77, hebben vermoord78, en verboden hebben, wat God hun tot voedsel heeft gegeven, terwijl zij eene leugen tegen God uitdachten. Zij dwaalden en werden niet op den rechten weg geleid. 142. Hij is het, die de wijngaarden heeft geschapen, zoowel die door houten latwerk zijn gestut, als zij die het niet zijn79, en palmboomen en de granen verschillende soorten voedsel opleverende, en olijven en granaatappelen, die elkander gelijk en niet gelijk zijn. Eet van hunne vruchten als zij vruchten dragen, en betaal den prijs daarvoor op den dag van den oogst80; doch verkwist niet81; want God bemint den verkwister niet. 143. En God heeft u sommige dieren gegeven, die tot het dragen van lasten zijn geschapen, en sommigen die alleen geschapen zijn om geslacht te worden. Eet van hetgeen God u tot voedsel heeft gegeven, en volg de stappen van satan niet; want hij is uw verklaarde vijand. 144. Vier paren vee heeft God u gegeven: een paar schapen en een paar geiten (elk van twee soorten). Zeg tot hen: heeft God de twee mannetjes van de schapen en van de geiten, of de twee wijfjes verboden, of dat wat de lichamen der wijfjes bevatten? Zeg mij met zekerheid, indien gij waarheid spreekt. 145. En God gaf u een paar kameelen en een paar runderen. Zeg, heeft hij de twee mannetjes van dezen, of de twee wijfjes verboden, of wat de lichamen der beide wijfjes bevatten82? Waart gij tegenwoordig toen God u dit beval? En wie is onrechtvaardiger dan hij, die eene leugen tegen God uitdenkt, opdat hij onverstandige menschen zou kunnen verleiden? Waarlijk, God leidt de onrechtvaardigen niet. 146. Zeg: ik vind in datgene, wat mij werd geopenbaard, geenerlei ding verboden om te eten, dan doode dieren, bloed dat gevloeid [187]heeft83 en varkensvleesch; want dat is eene afschuwelijkheid, of datgene wat ontwijd is, doordat het in den naam van een ander dan God is gedood. Doch hij, die door den nood mocht gedwongen zijn, en het niet uit ongehoorzaamheid eet, noch met de bedoeling om te zondigen, waarlijk, hem zal God barmhartig en goedertieren zijn. 147. Den Joden hebben wij ieder dier verboden, dat eene ongespleten hoef heeft, en wij verboden hun het vet van ossen en schapen, behalve het vet dat zich op hunne schouders en ingewanden84 en datgene wat zich aan de beenderen bevindt85. Dat is om hen voor hunne onrechtvaardigheden te straffen; en waarlijk wij spreken de waarheid. 148. Indien zij u van bedrog beschuldigen, zeg: Uw Heer is met eene uitgebreide genade bekleed, maar zijne gestrengheid zal van den booze niet kunnen worden afgewend. 149. De afgodendienaars zullen zeggen: Indien het Gode had behaagd, zouden wij noch onze vaderen afgodendienarij schuldig zijn geweest. Volgens hen zouden wij het gebruik van geenerlei ding verboden hebben. Zoo beschuldigden zij die hen voorafgingen, de profeten van bedrog, tot zij onze gestrenge straf ondervonden. Zeg: indien gij eenige kennis hebt van hetgeen gij zegt, laat het zien; doch gij volgt slechts meeningen en zijt leugenaars. 150. Zeg: Alleen God heeft de macht tot de duidelijkste aanwijzing; want indien het hem had behaagd, zou hij u allen hebben geleid. 151. Zeg: Breng uwe getuigen bij, die verklaren kunnen, dat God dit heeft verboden. Maar indien zij dit getuigen, getuig dan niet met hen, noch volg de begeerten van hen, die onze teekens van valschheid beschuldigen, en die niet gelooven in het volgende leven, en afgodsbeelden met hunnen Heer gelijk stellen. 152. Zeg: Kom86! ik zal u voorlezen, wat uw Heer u heeft verboden; weest niet schuldig aan afgodendienst, weest eerbiedig jegens uwe ouders, en doodt uwe kinderen niet, uit vrees tot armoede te vervallen. Wij zorgen voor u en hen; en nadert de hatelijke zonden87 niet, zoowel openlijke als geheime, en doodt de ziel niet, welke God u verboden heeft te dooden, behalve voor eene rechtvaardige zaak88. Dit heeft hij u bevolen, opdat gij zoudt begrijpen. 153. Raakt het vermogen van den wees niet aan, behalve tot de vermeerdering daarvan, totdat hij de jaren zijner manbaarheid heeft bereikt; [188]en gebruikt eene goede maat en een nauwkeurig gewicht. Wij zullen geene ziel eene last opleggen, dan die zij kan dragen. En als gij recht spreekt, neemt dan de rechtvaardigheid in acht, hetzij dit voor of tegen iemand is, die met u verwant mocht zijn, en vervul Gods verbond. Dit heeft God u bevolen, opdat gij het overwegen en weten zoudt. 154. Dit is mijn rechte weg; volg dien dus, en volg niet het pad van anderen, opdat gij niet afgeleid moogt worden van dat van God. Dit heeft hij u bevolen, opdat gij hem zoudt vreezen. 155. Wij gaven Mozes ook het boek der wet, een volkomen leiding voor hem, die wel wil handelen, en eene verklaring omtrent alle noodige dingen, en eene richting en genadebewijs, opdat de kinderen Israëls aan het verschijnen voor hunnen God zouden gelooven. 156. En dit boek, dat wij thans hebben nedergezonden, is gezegend; volg het dus en vrees God, opdat gij genade moogt ondervinden. 157. Gij zult niet meer zeggen: De schriften werden alleen aan twee volkeren gezonden, die vóór ons leefden, en wij hebben geene kennisse van hunne plichten. 158. Gij zult niet meer zeggen: indien ons een boek met goddelijke openbaringen ware nedergezonden, waarlijk wij zouden beter dan zij zijn geleid geworden89. En thans is eene duidelijke verklaring, en eene richting en eene genade van uwen Heer tot u gekomen; en wie is onrechtvaardiger dan hij, die leugens omtrent Gods teekenen uitdenkt, en zich van hem afwendt? Wij zullen hen die zich van onze teekenen afwenden, met eene strenge straf beloonen, omdat zij zich hebben afgekeerd. 159. Wachten zij tot de engelen tot hen komen, of dat hun Heer komt om hen te straffen, of dat sommige van Gods teekenen hen verrassen? Op den dag waarop sommige van uws Heeren teekenen zullen verschijnen, zal het geloof daaraan geene ziel bevoordeelen, die daaraan niet vroeger geloofde, of in zijn geloof niet goed handelde90. Zeg: indien gij wacht, zullen ook wij wachten. 160. Nader hen niet, die eene scheiding in hunnen godsdienst maken91 en zich in secten verdeelen; hunne zaak behoort alleen aan God; daarna zal hij hun verklaren, wat zij gedaan hebben. 161. Hij, die met goede werken mocht verschijnen, zal daarvoor eene tienvoudige belooning ontvangen; doch hij, die met slechte daden verschijnt, zal slechts [189]eene gelijke straf daarvoor ontvangen, en zij zullen niet onrechtvaardig behandeld worden. 162. Zeg: Waarlijk, mijn Heer heeft mij geleid op een rechten weg, eenen waren godsdienst: het geloof van Abraham, den waren geloovige, en hij was geen afgodendienaar. 163. Zeg: Mijne gebeden en mijne aanbidding, en mijn leven en mijn dood zijn Gode gewijd; den Heer van alle schepselen, die geen gelijke heeft. Dit werd mij geboden, en ik ben de eerste Moslem92. 164. Zeg: Zal ik een ander Heer begeeren naast God? Hij is toch de Heer van alle dingen. Alle zielen handelen slechts voor zichzelve en geene ziel zal de last van eene andere dragen. Tot uwen Heer zult gij terugkeeren, en hij zal u datgene verklaren waarover gij thans twist. 165. Hij is het, die u heeft aangewezen, uwe voorgangers op aarde op te volgen, en sommigen uwer boven anderen in verschillende graden heeft verheven, opdat hij u zou kunnen bewijzen, wat Hij voor u heeft verricht. Uw Heer is stipt in zijne straffen, maar hij is tevens genadig en barmhartig.
1 Dit hoofdstuk is aldus betiteld, omdat daarin worden behandeld sommige bijgeloovige gewoonten der bewoners van Mekka, die op het vee betrekking hebben.
2 Behalve zes, of, volgens anderen, drie verzen.
3 Mahomet schijnt hier de oude en sterke stammen van Ad en Thamud te bedoelen.
4 Of zinsbedrog.
5 Gelijk Gabriël gewoonlijk aan Mahomet verscheen, die, hoewel een profeet, niet in staat was, zijn gezicht te verdragen, als hij in zijn gewonen vorm verscheen; zoodat anderen dit des te minder zouden kunnen doen.
6 Deze plaats werd geopenbaard, toen de Koreïshieten Mahomet verhaalden, dat zij de Joden en Christenen nopens hem hadden ondervraagd, en dat die hun hadden verzekerd, dat zij geene melding of beschrijving van hem in hunne schriften vonden. Daarom, zeiden zij: wie legt de getuigenis voor u af, dat gij Gods gezant zijt? (Al Beidâwi, Jallalo’ddin.)
7 Dat is: zij weten zeer goed dat Mahomet Gods gezant is. Zie Hoofdstuk II, vers 141.
8 Zeggende dat de engelen dochters van God zijn, en tusschenpersonen voor ons bij hem, enz.
9 Zijnde: Uwe afgoden en valsche goden.
10 Dat is: Hunne ingebeelde goden bewijzen niets te zijn, en verdwijnen als ijdele droombeelden en hersenschimmen.
11 Om gericht te worden.
12 De laatste dag wordt hier het uur genoemd, zooals in 1 Johannes vers 25 enz., en de voorafgaande uitdrukking: verschijning voor God op dien dag, kan mede aangenomen worden dat te beteekenen. 1 Thess. IV : 17.
13 Op deze plaats wordt Mahomet gelaakt, dat hij geen geduld tegenover de halsstarrigheid zijner landgenooten plaatste over zijne ongepaste begeerte, om te verwezenlijken wat God niet besloten had; te weten de bekeering en redding van alle menschen. (Al Beidâwi.)
14 Daar zij onbekend waren met Gods almacht, en met het gevolg van hetgeen zij vroegen; hetgeen tot hunne volslagen vernietiging kon voeren.
15 Daar zij evenzeer onder Gods hoede zijn als het menschelijk geslacht.
16 Dat is: in de bewaarde tafel, waarop alle goddelijke besluiten zijn opgeschreven, en alle zaken die in de wereld gebeuren (zoowel de kleinste als de meest uitgebreide), nauwkeurig worden opgeschreven. Reeds vroeger is, in den loop van dit werk, hierover bij herhaling gesproken.
17 Want, volgens het Mahomedaansche geloof, zullen alle schepselen op den dag des laatsten oordeels voor God verschijnen, om rekenschap van hunne daden af te leggen.
18 Dat is: satan heeft hunne daden verbloemd, of: satan heeft hunne daden geschikt zooals het hem behaagde.
19 Dat is; wij gaven hun allerlei overvloed, ten einde, nadat zij niet door hunne droefenis werden geleerd, hun voorspoed een valstrik voor hen zou worden, en zij zich zelven spoediger tot vernietiging zouden brengen.
20 Dat is, volgens Al Beidâwi: óf zonder eenige voorafgaande aankondiging, óf na het geven van eene waarschuwing.
21 Sommigen zeggen, dat de opperhoofden van Mekka alle armen uit hunne stad verdreven; hun zeggende tot Mahomet te gaan. Zij deden dit en boden aan, zijnen godsdienst te omhelzen; doch hij maakte eenige zwarigheid, hen te ontvangen, daar hij vreesde, dat de nood en geene oprechte overtuiging de drijfveer was (Al Beidâwi, Jallalo’ddin); waarna deze plaats werd geopenbaard.
22 Deze plaats moet tot antwoord strekken op de uitdagingen der ongeloovigen, die tot Mahomet zeiden, indien hij een waar profeet was, een stortregen van steenen of een andere wonderdadige straf van den hemel af te bidden, om hen te vernietigen. (Al Beidâwi).
23 Zie hiervoren vers 38, noot.
24 Woordelijk zou dit moeten luiden: onze gezanten, nemen ieder uwer op; ontvangen zijn adem, zijne ziel. Die engel heet Irafil.
25 De lezing van een ander afschrift van den Koran is in den derden persoon. Indien hij ons bevrijdt, enz.
26 Door tot uwe vroegere afgodendienarij terug te keeren.
27 Door stormen des hemels; zooals bij de ongeloovigen van Noach en Loth, en het leger van Abraha, den heer van den olifant. (Al Beidâwi).
28 Zooals bij Pharao en zijn leger, en bij Korach, of (gelijk de Mahomedanen hem noemen) Karun. (Al Beidâwi.)
29 De Muzelmannen maakten de opmerking, dat, indien men zich telkenmale van de ongeloovigen moest verwijderen als zij den nieuwen godsdienst bespotten, men nergens een enkel oogenblik zou kunnen blijven. Mahomet vulde daarop het voorschrift van het vorige vers met deze plaats aan.
30 Dit is de naam dien de Mahomedanen aan Abrahams vader gaven en die in de H. Schrift Terah wordt genaamd, hoewel sommigen hunner schrijvers beweren, dat Azer de zoon was van Terah (Tarîkh Montakhab, bij d’Herbel. Bibl. Oriënt. p. 12) en d’Herbelot zegt, dat de Arabieren hen in hunne geslachtslijsten steeds als verschillende personen beschouwen, maar dat, aangezien Abraham, volgens Mozes, de zoon van Terah was, door Europeesche schrijvers verondersteld wordt, dat Terah dezelfde is als de Azer der Arabieren.
31 Dat Azer of Terah een afgodendienaar was, wordt algemeen toegegeven; ook kan het niet worden geloochend, daar in de Schrift opzettelijk wordt gezegd, dat hij vreemde goden diende (Josua XXIV, 2, 14). De Oostersche schrijvers nemen eenparig aan, dat hij een beeldhouwer was en afgodsbeelden vervaardigde; en hij wordt als de eerste voorgesteld, die beelden van klei maakte; alleen schilderijen waren vóór hem in gebruik (Epiphan, Adv. Haer. lib. 1, p. 7, 8), en men veronderstelt, dat die als afgoden werden aangebeden. Men zegt echter dat zijn bedrijf eerbiedwaardig (Zie Hyde, de Rel. Vet. Persar, p. 63) en hij een groot man en zeer bevriend met Nimrod, zijn schoonvader was (d’Herbel), daar hij afgodsbeelden voor hem maakte en in zijne kunst uitmuntte.
32 Dat is: Ik ben niet verschrikt door uwe valsche goden, die mij niet kunnen deren, uitgenomen wanneer God het veroorlooft, of wanneer het hem behaagt mij te bedroeven.
33 De uitleggers verklaren hier het woord onrechtvaardig door afgodendienarij, of openbaar verzet tegen God.
34 Sommigen passen het woord “zijne” op Abraham toe, als de persoon waarvan op deze plaats voornamelijk wordt gesproken; sommigen op Noach; daar Jonas en Loth, gelijk zij zeggen, niet van Abrahams zaad waren; anderen veronderstellen, dat de personen in dit en het volgende vers bedoeld, als de afstammelingen van Abraham moeten worden beschouwd en die in het naastvolgende vers als de afstammelingen van Noach. (Al Beidâwi.)
35 De Mahomedanen zeggen, dat hij tot het geslacht van Ezau behoorde. Zie Hoofdstuk XXI en XXXVIII.
36 Zie Hoofdstuk XXXVII.
37 Zie Hoofdstuk X, XXI en XXXVII.
38 Zie Hoofdstuk VII enz.
39 Dit zijn de Koreïshieten. (Al Beidâwi).
40 Volgens Jallalo’ddins oordeel is dit vers en ook de beide volgende te Medina geopenbaard.
41 Door te zeggen, dat, behalve in de tien geboden, God aan Mozes vrijheid heeft gegeven, de openbaringen naar zijne keuze in te kleeden.
42 Daar sommige Arabieren, naar het schijnt, voorgaven, dat indien het hun behaagde, zij een boek konden schrijven, hetwelk in hoedanigheid niet onder den Koran zou staan. Anderen zeggen, dat dit betrekking zou hebben op eenige valsche profeten, die in Mahomets tijd leefden; zoo als Moçaïlama, El Aswad en anderen.
43 Dat is: zonder uw rijkdom, uwe kinderen of uwe vrienden, waarop gij u in uwen leeftijd zoo zeer hebt verlaten.
44 Of valsche goden.
45 Betreffende de tusschenkomst uwer afgoden, of het niet gelooven aan toekomstige belooningen en straffen.
46 Zie Hoofdstuk III, vers 26.
47 Namelijk: in de lendenen uwer vaderen en de ingewanden uwer moeders. (Al Beidâwi).
48 Dit beteekent de soort van redelijke, onzichtbare wezens, hetzij engelen of duivels, of de tusschensoort, gewoonlijk geniussen genaamd. Eenige der uitleggers verstaan hier engelen, welke door de afgodendienende Arabieren vereerd werden; anderen duivels, hoofdzakelijk omdat, volgens het stelsel der magiërs, de duivel als een soort schepper en als het beginsel van alle kwaad aangezien werd, terwijl God als de oorzaak van al het goede werd beschouwd. (Al Beidâwi.)
49 Of, letterlijk vertaald, de onbegrijpelijke (Al Beidâwi.)
50 Dat is: gij werdt hieromtrent door de Joden en Christenen onderricht, en hebt ons alleen stuksgewijze verhaald, wat gij van hen hebt geleerd. Dit werd Mahomet door de ongeloovigen tegengeworpen, daar zij het voor hem onmogelijk hielden, helder en duidelijk over onderwerpen van zoo verheven aard te spreken, zonder goed bekend te zijn met de leeren en de heilige schriften dier godsdiensten.
51 Hier tracht Mahomet zijne onmacht tot voortbrenging van een mirakel te verontschuldigen, door te verklaren, dat God het niet geschikt achtte, aan hunne begeerten te voldoen, en ofschoon hij het wel had willen doen, het toch te vergeefs zou zijn geweest; en daar zij niet door den Koran waren overtuigd, zouden zij ook door het grootste mirakel niet overtuigd worden. Vergelijk Lucas XVI : 31. De laatste woorden van het vers beteekenen eigenlijk: Ach, hoe gaarne zou ik u, geloovigen, willen doen begrijpen, dat zij, de ongeloovigen, er niet aan gelooven.
52 Namelijk aan den Koran.
53 De bewoners van Mekka eischten namelijk dat Mahomet hun een engel zou toonen, die voor hun oog uit den hemel zou nederdalen, of dat hij hunne overleden vaderen zou opwekken, opdat zij met hen zouden kunnen spreken, of dat hij God en zijne engelen zou overhalen, hun in een lichamelijken toestand te verschijnen.
54 IJdele woorden, welker schijn verleidt en in dwaling brengt.
55 Sommigen zeggen, dat dit betrekking heeft op de onverwrikbaarheid van Gods besluiten, anderen op zijne bijzondere belofte, dat hij den Koran voor de verdraaiingen en vervalschingen zou bewaren, die, volgens hen, in den Pentateuchus en het Evangelie hebben plaats gehad (Soera XV) en anderen weder op den onschendbaren duur der Mahomedaansche wet, die volgens hen, tot aan het einde der wereld zal voortduren.
56 Zie Hoofdstuk II, vers 168 en Hoofdstuk V, vers 4.
57 Dat is: gij moogt van elk dier eten, dat onder het aanroepen van Gods naam is geslacht; waarvan natuurlijk doode dieren, varkensvleesch enz. zijn uitgesloten.
58 Dat is: de openlijke en verborgen zonde.
59 Op dezelfde wijze als wij in Mekka hebben gedaan.
60 Dit vers is toepasselijk op de grooten, en de rijke lieden van Mekka, die Mahomet het meest vijandig waren: zij namen de zwakken des volks tegen hem in.
61 Dat is: eenigerhande vers of plaats van den Koran.
62 Dit waren de woorden der Koreïshieten, die beweerden, dat er onder hen personen waren, meer waardig Gods zendeling te zijn dan Mahomet.
63 Evenals bij vele oude Arabische dichters wordt hier, volgens sommigen, het verontruste hart bij een vogel vergeleken, die de vleugels beweegt. Volgens anderen wordt hier eene onmogelijkheid bedoeld.
64 Duivels.
65 Door hen in verzoeking te brengen, of tot zonde te verleiden.
66 Zijnde de dag der opstanding, waaraan wij op de vorige wereld niet hebben geloofd.
67 De Mohamedanen gelooven, dat God afgezanten zond, zoowel om geniussen als om menschen te bekeeren. Deze zouden altijd van het menschenras zijn geweest.
68 Dit is: dat God, alvorens eene stad te straffen, zendelingen stuurde om haar te waarschuwen.
69 Dit is: Gij kunt voortgaan in uw verzet tegen God en in uw boos opzet jegens mij, en in uw ongeloof volharden; doch ik zal volharden [185n]uwe beleedigingen met geduld te verdragen en de openbaringen mede te deelen, die God mij heeft bevolen (Al Beidâwi).
70 Dat is: onze afgoden. In deze beteekenis wordt dit woord meermalen op deze plaats gebruikt.
71 Dit vers heeft betrekking op eenige godsdienstige gebruiken der afgoden dienende Arabieren; zooals de verdeeling der gronden, der vruchten en der oogsten in twee deelen, waarvan een voor de hoogste godheid, en het andere voor de ondergeschikte godheden, was bestemd, die door de afgodsbeelden werden voorgesteld. Het deel van God diende om de armen en de reizigers te voeden, dat der afgoden werd voor de offeranden en tot de bezoldiging der priesters gebruikt. Indien een vrucht afviel van het deel voor God bestemd, gaf men het aan de afgoden; doch men handelde niet zoo in het tegenovergestelde geval; want God, zeiden de afgodendienaars, is rijk, en kan alles ontberen. (Al Beidâwi, Jallalo’ddin.)
72 Hetzij door de onmenschelijke gewoonte, die bij de Arabieren van Kendah of andere stammen bestond, om hunne dochters levend te verbranden, zoodra zij ter wereld kwamen, indien zij vreesden haar niet te kunnen onderhouden (Zie Hoofdstuk LXXXI), of wel door die aan hunne afgoden te offeren.
73 Door den godsdienst, dien Ismaël zijnen nakomelingen heeft doen erven, met afschuwelijk bijgeloof te besmetten (Al Beidâwi).
74 Die zij, in hun bijgeloof, in sommige bijzondere gevallen van zulke diensten verschoonden. (Hoofdstuk V).
75 Zie Hoofdstuk V.
76 Want indien zulke dieren hunne jongen werpen, mogen zoowel de vrouwen als de mannen daarvan eten.
77 Daar zij geen duidelijk begrip van Gods Voorzienigheid hebben.
78 Zie deze Soera, de laatste noot van vers 137.
79 Of, zooals sommigen deze woorden vertalen: hetzij boomen of planten, die door den arbeid der menschen geplant zijn hetzij die van nature in de woestijnen en op de bergen groeien.
80 Dat is: geef daarvan aalmoezen aan de armen; en deze aalmoezen waren, zooals Al Beidâwi opmerkte, wat zij gewoon waren te geven vóór de Zacât werd ingesteld, hetgeen geschiedde vóór Mahomet Mekka verliet, waar dit vers werd geopenbaard. Sommigen zijn echter eene andere meening toegedaan, en zeggen om diezelfde reden, dat dit vers te Medina werd geopenbaard.
81 Dat is: Geef daarvan niet zooveel aan aalmoezen weg, dat daardoor uwe eigene gezinnen in nood worden gebracht; want weldadigheid begint met zich zelven.
82 Op deze plaats tracht Mahomet de Arabieren van hunne bijgeloovige dwaasheid te overtuigen, in het verbieden, hetzij de mannetjes, hetzij de wijfjes of de jongen van deze vier soorten te eten. (Al Beidâwi).
83 Dat is: vloeibaar bloed, in tegenstelling van lever en milt door de Arabieren verondersteld ook bloed, doch niet vloeibaar, te zijn en welke zij geoorloofd achten. (Al Beidâwi).
84 Zie Leviticus VII : 23 en III : 16.
85 Zijnde het vet van den stuit of den staart der schapen, die in het Oosten zeer zwaar zijn, naardien eene kleine tien of twaalf pond en sommigen zelfs zestig pond wegen.
86 Dit vers en de twee volgende worden door Jallalo’ddin verondersteld te Medina geopenbaard te zijn.
87 Het oorspronkelijke woord beteekent bijzonder ontucht en gierigheid.
88 Zoo als moord, afvalligheid of overspel. (Al Beidâwi.)
89 Door de snelheid van ons begrip, de klaarheid van ons verstand en onze gemakkelijkheid, wetenschappen aan te leeren; zooals blijkt uit onze geschiedenis, dichtkunde en welsprekendheid; desniettegenstaande zijn wij een ongeletterd volk. (Al Beidâwi).
90 Want geloof in het volgende leven zal geen voordeel aanbrengen voor hen, die in dit leven niet hebben geloofd, noch in dit leven geloofd zonder goede daden.
91 Dat is: wie in een gedeelte daarvan gelooven, en een ander deel daarvan niet gelooven, of die daarin secten vormen. Men zegt, dat Mahomet heeft verklaard, dat de Joden in eenenzeventig secten waren verdeeld, en de Christenen in tweeënzeventig, en dat zijne eigene volgelingen in drieënzeventig secten gesplitst waren, en dat allen verdoemd zouden worden, bebalve ééne van ieder. (Al Beidâwi.)
92 Zie Hoofdstuk VI; vers 14.
In naam van den lankmoedigen en barmhartigen God.
1. A. L. M. S.3 Een boek werd u nedergezonden; laat dus geen twijfel daaromtrent in uwe borst bestaan, opdat gij hetzelfde zoudt verkondigen, en dat het eene vermaning voor den geloovige zij. 2. Volg datgene, wat u van uwen Heer werd nedergezonden, en volg geene anderen naast hem. Hoe weinig denkt gij daaraan! 3. Hoe vele steden hebben wij verwoest, die des nachts door onze wraak werden overvallen, of terwijl zij in het middaguur uitrustten. 4. En hunne smeeking, toen onze straf hen bereikte, was niets anders dan dat zij zeiden: waarlijk [190]wij zijn goddeloos geweest. 5. Hen zullen wij zeker tot verantwoording oproepen, aan welk een profeet werd gezonden; en wij zullen ook hen ter verantwoording oproepen, die hun werden toegezonden. 6. En wij zullen hun hunne daden met verstand verklaren; want wij waren niet afwezig. 7. De weging der menschelijke daden op dien dag zal rechtvaardig zijn; en zij wier weegschalen, met goede daden gevuld, zwaar zijn, zullen gelukkig wezen. 8. Maar zij, wier weegschalen licht zullen wezen, zijn zij, die hunne zielen hebben verloren, omdat zij onze teekens geloochend hebben. 9. En thans hebben wij u op de aarde geplaatst, en hebben u daarop van voedsel voorzien; doch hoe weinig dankbaar zijt gij? 10. Wij schiepen u en vormden u daarop, en zeiden vervolgens tot de engelen: aanbidt Adam, en zij baden hem aan, uitgenomen Eblis, die niet onder hen behoorde, welke hem aanbaden4. 11. God zeide tot hem: Wat belet u, Adam te aanbidden, naardien ik het u had bevolen? Hij antwoordde: Ik ben voortreffelijker dan hij; mij hebt gij van vuur en hem van slijk geschapen. 12. God zeide: Vertrek dan uit het paradijs; want het past niet, u op deze plaats met hoogmoed te wapenen. Vertrek van hier! Gij zult tot het getal der verworpelingen behooren. 13. Hij zeide: Geef mij uitstel tot den dag der opstanding. 14. God zeide: Waarlijk, gij zult tot de uitgestelden5 behooren. 15. De duivel zeide: Omdat gij mij verdoemd hebt, zal ik hen op uwen rechten weg afwachten. 16. Daarna zal ik hen van voren en van achter aanvallen; ik zal mij op hunne rechter- en op hunne linkerzijde6 vertoonen, en waarlijk gij zult slechts weinigen vinden, die u erkentelijk zullen zijn. 17. Vertrek van hier, zeide de Heer tot hem, met verachting bedekt en verworpen; en wat hen betreft, die u volgen, ik zal de hel met u allen vullen. 18. Gij, Adam, woon met uw vrouw in het paradijs en eet van zijne vruchten, overal waar gij wilt: nader echter dezen boom niet, opdat gij niet tot de onrechtvaardigen moogt behooren. 19. En satan gaf hun beiden in, dat hij hun hunne naaktheid zou ontdekken, die hun tot hiertoe verborgen was; en hij zeide: Uw Heer heeft u dezen boom slechts verboden, opdat gij geene engelen worden noch onsterfelijk zijn zoudt. 20. En hij zwoer hun, zeggende: Waarlijk, ik ben een dergenen, die u goed raden. 21. En hij deed hen vallen, door hen te verblinden7. [191]En toen zij van den boom hadden geproefd, ontdekten zij hunne naaktheid8, en zij vlochten bladeren uit het paradijs9 aaneen, om zich te bedekken. En hun Heer riep hen, zeggende: Heb ik u dezen boom niet verboden, en zeide ik niet tot u: waarlijk satan is uw verklaarde vijand. 22. Zij antwoordden daarop: O Heer! wij hebben onrechtvaardig met onze eigene zielen gehandeld, en indien gij ons niet genadig zijt, zullen wij zekerlijk behooren tot hen, die verloren zijn. 23. God zeide: Vertrekt! de een zal des anderen vijand zijn. Gij zult op aarde een tijdelijk verblijf en een tijdelijk genot vinden. 24. Hij zeide: Daarop zult gij leven en sterven, en eens zult gij daarvan verdwijnen. 25. O kinderen van Adam! wij hebben u kleederen10 gezonden, om uwe naaktheid te bedekken, en kostbare versierselen; doch het kleed der vroomheid is beter. Dit is een van Gods teekenen, welke gij misschien zult overwegen. 26. O kinderen van Adam! laat satan u niet verleiden, zooals hij uwe ouders uit het paradijs verdreef, door hen van hunne kleeding; te berooven, opdat hij hun hunne naaktheid zou kunnen toonen. Waarlijk, hij en zijne makkers zien u, van waar gij hem niet ziet11. Wij hebben de duivels aangewezen om de beschermers te zijn van hen, die niet gelooven. 27. En als zij eene zondige daad hebben bedreven, zeggen zij: Wij hebben het door onze vaderen zien verrichten; God heeft het bevolen. Zeg hun; God beveelt geene schandelijke daden; zegt gij van God wat gij niet weet? 28. Zeg: Mijn Heer heeft mij bevolen, rechtvaardigheid in acht te nemen. Wendt uwe aangezichten naar de plaats, waar men aanbidt, roept hem aan, en bewijst hem de oprechtheid van uwen godsdienst. Zooals hij u uit het niet deed voortkomen, zal hij u tot zich verzamelen. Sommigen heeft hij geleid, en een deel heeft hij met recht in dwaling gelaten, daar zij de duivels tot beschermers naast God namen, en zich verbeeldden, dat zij op den rechten weg werden geleid. 29. O kinderen van Adam! trekt uwe schoonste kleederen aan, indien gij u naar eene plaats [192]van aanbidding begeeft12, en eet en drinkt13, doch maakt u niet schuldig aan buitensporigheid; want hij bemint degenen niet, die zich aan buitensporigheid schuldig maken. 30. Zeg: Wie heeft het gebruik verboden van Gods gepaste versierselen, welke hij voor zijne dienaren heeft voortgebracht, en de goede dingen, welke hij tot voedsel heeft geschapen? Zeg: Deze dingen zijn voor hen die gelooven, in dit leven, maar bijzonder op den dag der opstanding. Zoo verklaren wij onze teekens duidelijk aan hen, die verstaan. 31. Zeg: Waarlijk, mijn Heer heeft alle slechte zaken verboden, zoowel die verborgen als openlijk zijn, en oneerlijkheid en onrechtvaardig geweld; en hij heeft u verboden, datgene met God te vereenigen, waartoe hij u geene macht heeft nedergezonden, of om nopens God te zeggen, wat gij niet kent. 32. Voor ieder volk is vooraf een eindpaal vastgesteld; indien dus de voor hen bepaalde tijd is bereikt, zullen zij zelfs geen uur uitstel verkrijgen, en nimmer zal die korter gesteld worden. 33. O kinderen van Adam! waarlijk, profeten van u zullen tot u komen, die u mijne teekens zullen voorzeggen: hij die God zal vreezen en berouw betoonen, zal door geene vrees worden aangedreven; hij zal nimmer bedroefd worden. 34. Doch zij die onze teekens van valschheid beschuldigen en deze versmaden, zullen de gezellen van het hellevuur zijn en eeuwig daarin verblijven. 35. En wie is onrechtvaardiger dan hij, die een leugen tegen God smeedt, of zijne teekens van valschheid beschuldigt? Aan die menschen zal, ingevolge het eeuwige boek, een deel van het goede dezer wereld worden toegekend, tot op het oogenblik, dat onze zendelingen14, terwijl zij hen oproepen, hun zullen vragen: Waar zijn de afgoden, die gij naast God hebt aangeroepen? Zij zullen antwoorden: Zij zijn van ons verdwenen; en zij zullen tegen zich zelven getuigen, dat zij ongeloovigen waren. 36. God zal bij de opstanding tot hen zeggen: Gaat met de volkeren van geniussen en menschen, [193]die u zijn voorafgegaan, in het hellevuur; zoo dikwijls eene natie zal binnentreden, zal zij hare zuster vloeken15, tot zij alle achtervolgens daar binnen zijn getreden. De laatste van hen zal van den eerste zeggen: O, Heer! deze heeft ons verleid; leg hem dus eene dubbele straf in het hellevuur op. God zal antwoorden: Die straf zal voor allen verdubbeld worden16, maar gij weet het niet. 37. En de eerste van hen zal tot den laatste zeggen: Welk voordeel hebt gij boven ons? Gevoel de straf, die gij door uwe daden hebt gewonnen. 38. Waarlijk, hun die onze teekens van valschheid zullen beschuldigen, en deze trotsch verwerpen, hun zullen de deuren des hemels niet geopend worden17; nimmer zullen zij het paradijs binnentreden, tot een kemel door het oog van eene naald gaat18, en zóó zullen wij de boosdoeners beloonen. 39. Hun bed zal de hel zijn, en zij zullen met dekens van vuur bedekt worden; en zóó zullen wij de onrechtvaardigen beloonen. 40. Doch zij, die gelooven en doen wat recht is (en wij zullen geene ziel eene zwaardere last opleggen dan die zij kan dragen), zullen de gezellen van het paradijs zijn; eeuwig zullen zij daarin verblijven. 41. En wij zullen alle wrok van hunne harten wegnemen19. Rivieren zullen aan hunnen voet stroomen, en zij zullen zeggen: Geloofd zij God, die ons tot zijne zaligheid heeft geleid; want wij zouden niet recht zijn geleid geworden, indien God ons niet geleid had; thans zijn wij door bewijzen overtuigd, dat de profeten van onzen Heer met waarheid tot ons kwamen. En het zal hun worden verkondigd: Dit is het paradijs, waarvan gij de erfgenamen zijt geworden, als eene belooning voor hetgeen gij gedaan hebt. 42. En de bewoners van het paradijs zullen de bewoners der hel toeroepen: Nu hebben wij gevonden, dat hetgeen onze Heer ons heeft beloofd, waarheid is, hebt gij ook gevonden, dat hetgeen uw Heer u heeft beloofd, waarheid is? Zij zullen antwoorden: Ja, een heraut zal deze woorden tusschen hen uitroepen: Gods vloek zij over de boozen. 43. Die de menschen van Gods weg afleidden, en dien bochtig trachtten te maken en niet in het volgende leven geloofden. [194]44. En tusschen de gezegenden en de verdoemden zal een sluier zijn. Op Al Araf20 zullen de menschen staan, en ieder van hen aan hunne onderscheidingsmerken kennen; en zij zullen de bewoners van het paradijs aanroepen, zeggende: Vrede zij over u; doch zij zullen er niet binnentreden, hoezeer het hunne ernstige begeerte mocht zijn21. 45. En als zij hunne oogen naar de gezellen van het hellevuur wenden, zullen zij zeggen: O, Heer! plaats ons niet bij de goddeloozen. 46. En zij, die op Al Araf staan, zullen tot zekere menschen22 roepen, die zij aan hunne onderscheidingsmerken zullen herkennen; zeggende: Waartoe hebben uwe opeengehoopte rijkdommen en uw hoogmoed u gediend? 47. Zijn dit de menschen nopens wie gij hebt gezworen, dat God hun geene genade zou schenken23? Treedt gij in het paradijs, geene vrees zal over u komen; nimmer zult gij bedroefd worden24. 48. En de bewoners van het hellevuur zullen de bewoners van het paradijs aanroepen; zeggende: Giet een weinig water op ons af, van de ververschingen, die God u heeft geschonken25. Zij zullen antwoorden: God heeft die voor de ongeloovigen verboden. 49. Die van den godsdienst hun spel en het onderwerp hunner spotternijen hebben gemaakt, terwijl het ondermaansche leven hen verblindde; daarom zullen wij dezen dag hen vergeten, gelijk zij de verzameling van dezen dag vergaten, en dewijl zij het loochenden, dat onze teekens die van God waren. 50. En thans hebben wij die van Mekka een boek met openbaringen gebracht; wij hebben het met kennis verklaard, als eene richting en eene genade voor hen, die gelooven zullen. 51. Wacht gij van iemand anders de uitlegging daarvan26? Op den dag, waarop de verklaring daarvan zal komen, zullen zij die haar vroeger vergaten, zeggen: Thans zijn wij door bewijzen overtuigd, dat de profeten van onzen Heer met waarheid tot ons kwamen; zouden wij dus middenpersonen hebben, die voor ons tusschenbeiden treden? of zouden wij in de wereld teruggezonden worden, [195]opdat wij andere werken zouden mogen doen, dan hetgeen wij gedurende onzen leeftijd deden? Doch thans hebben zij hunne zielen verdorven, en dat wat zij goddeloos uitdachten, is hun ontvlucht27. 52. Waarlijk, uw Heer is God, die de hemelen en de aarde in zes dagen heeft geschapen, en daarna zijn troon beklom. Hij bestemde den nacht om den dag te omhullen, en de dag volgt dien snel op. Hij schiep ook de zon en de maan en de sterren, die geheel aan zijn bevel zijn onderworpen. Is niet de geheele schepping en hare besturing de zijne? Geloofd zij God, de Heer van alle schepselen. 53. Roep uwen Heer nederig en in het geheim aan; want God bemint de zondaren niet28. 54. En handel niet slecht op aarde na hare hervorming29, en roep hem met vrees en begeerte aan; want Gods genade is den rechtvaardige nabij. 55. Hij is het die de winden zendt30, welke voor zijne genade zijn uitgespreid, tot zij groote regenwolken aanbrengen, welke wij naar het doode land31 zenden; en wij doen daarna water nedervallen, waardoor wij allerlei vruchten doen voortspruiten. Zoo zullen wij de dooden uit hunne graven doen komen, misschien zult gij dat overwegen. 56. Op eene goede aarde zullen de vruchten overvloedig voortspruiten, door het verlof van den Heer; doch uit het slechte land zullen zij niet dan schaarsch voortkomen. Zoo verklaren wij de teekenen der goddelijke voorzienigheid aan hen die dankbaar zijn. 57. Wij zonden vroeger Noach32 tot zijn volk en hij zeide: [196]O mijn volk! bid God aan, gij hebt geen anderen God dan hem33. Waarlijk ik vrees voor u de straf van den grooten dag34. 58. De opperhoofden van zijn volk antwoordden hem: Wij zien dat gij in eene grove dwaling verkeert. 59. Hij antwoordde: O mijn volk! er is geen dwaling in mij; doch ik ben een zendeling van den Heer aller schepselen. 60. Ik breng u de zendingen van mijnen Heer en ik raad u ten goede; want ik weet van God wat gij niet weet. 61. Verwondert het u, dat eene waarschuwing van uwen Heer tot u is gekomen, door iemand van u, om u te waarschuwen, u zelven te behoeden, opdat gij misschien genade zoudt mogen verwerven? 62. En zij beschuldigden hem van bedrog; doch wij redden hem en die met hem in de ark waren35, en wij verdronken hen, die onze teekens van valschheid beschuldigden; want zij waren blind. 63. En tot den stam Ad36 zonden wij hunnen broeder Hoed37. Hij zeide: O mijn volk! aanbid God; gij hebt geen anderen God dan hem; wilt gij hem niet vragen? 64. De opperhoofden van hen onder zijn volk die niet geloofden, antwoordden: Waarlijk, wij zien dat gij door dwaasheid wordt geleid, en wij houden u voor een der leugenaars. 65. Hij antwoordde: O mijn volk! ik word niet door dwaasheid geleid; maar ik ben een gezant bij u van den Heer aller schepselen. 66. Ik breng u de boodschappen van mijn Heer, en ik ben een geloovige raadgever voor u. 67. Verwondert gij u, dat eene vermaning tot u gekomen is van uwen Heer, door een man van u, opdat hij u zou waarschuwen? Herinner u dat hij u aan het volk van Noach heeft doen opvolgen, dat hij u eene reusachtige gedaante heeft gegeven. Herinner u Gods weldaden, opdat gij gelukkig zoudt mogen zijn. 68. Zij zeiden tot hem: Zijt gij tot ons gekomen, [197]dat wij God alleen aanbidden en de goden verlaten zouden, die door onze vaderen werden aangebeden? Zorg dat uwe bedreigingen in vervulling gaan, indien gij oprecht zijt. 69. Hoed antwoordde: Thans zullen weldra Gods wraak en toorn op u nederkomen. Wilt gij met mij twisten over de namen welke gij en uwe vaderen hebt genoemd38, en waartoe God u geene macht heeft gegeven? Wacht daarop, dan zal ik een dergenen zijn die met u wachten. 70. En wij bevrijdden hem en hen die met hem hadden geloofd, door onze genade, en wij sneden het grootste gedeelte af van hen die onze teekens van valschheid beschuldigden en geene geloovigen waren. 71. En tot den stam Thamoed39 zonden wij hunnen broeder Saleh. Hij zeide: O, mijn volk! aanbid God; gij hebt geen God naast hem. Thans is een duidelijk teeken tot u gekomen van uwen God. Deze kameel van God is een teeken voor u40, laat hem in Gods weide grazen; doe hem geen kwaad, opdat u geen pijnlijke straf bereike. 72. En herinner u dat hij u heeft aangewezen tot opvolgers van den stam van Ad, en u eene woning op de aarde heeft aangewezen; in hare valleien bouwt gij u kasteelen en de rotsen bouwt gij tot huizen41 uit. Herinner u dus Gods weldaden, en doe daarom geen geweld op aarde door slecht te handelen. 73. De opperhoofden van zijn volk, door trotschheid opgeblazen, zeiden tot hen, die zij voor zwak hielden; namelijk, tot hen die geloofden: Weet gij dat Saleh door zijnen Heer werd gezonden? Zij antwoordden: Wij gelooven aan zijne zending. 74. Doch zij die door hoogmoed waren opgeblazen, zeiden: Waarlijk, wij gelooven niet aan datgene waarin gij gelooft. 75. En zij sneden den voet van den kameel af, en overtraden onbeschaamd het bevel van hunnen Heer, zeggende: O Saleh! zorg dat uwe bedreigingen in vervulling gaan, indien gij een hunner zijt die door God werden gezonden. 76. Daarop volgde eene geweldige schudding [198]des hemels42, die hen verraste, en des ochtends werden zij in hunne woningen gevonden, voorover liggende op hunne borst en dood43. 77. En Saleh verliet hen en zeide: O mijn volk! thans heb ik u de zending van mijnen Heer overgebracht, ik ried u ten goede; doch gij bemint hen niet die u ten goede raden. 78. En denk aan Loth44, toen hij tot zijn volk zeide: Zult gij zonden begaan, die geen volk ooit vóór u heeft bedreven? 79. Zult gij de mannen in plaats van de vrouwen misbruiken? Waarlijk, gij zijt een volk aan buitensporigheden overgeleverd. 80. Maar het antwoord van zijn volk was niet anders, dan dat zij tot elkander zeiden: Verdrijf hen45 uit uwe stad; want zij zijn menschen die zich zelven rein houden van de zonden welke gij bedrijft. 81. Daarom bevrijdden wij hem en zijn gezin, uitgenomen zijne vrouw; zij was eene dergenen die achterbleven46. 82. En wij deden een regen van steenen op hen nederstorten47. Zie dus wat het einde der zondaren was. 83. En tot Madian48 zonden wij hunnen broeder Shoaïb49. Hij zeide [199]tot hen: O mijn volk! aanbid God, gij hebt geen God buiten hem. Thans is een duidelijk teeken50 van uwen Heer tot u gekomen. Geef dus volle maat en ruim gewicht; ontneem den menschen niet wat hun verschuldigd is51, en handel nimmer slecht op aarde, na hare hervorming52. Dit zal beter voor u zijn, indien gij gelooft. 84. En plaats u niet in hinderlaag op iederen weg, en leidt niet hen van Gods weg af, die in hem gelooven; gij wilt dat pad kronkelend maken. En herinner u dat gij slechts klein in getal waart, en dat God u heeft vermenigvuldigd, en onthoud hoe het einde was van hen die slecht handelden. 85. En indien een deel uwer gelooft in hetgeen waartoe ik werd gezonden, terwijl een ander dit verwerpt, wacht geduldig tot God tusschen ons richte; want hij is de beste rechter. 86. De opperhoofden van zijn volk, die door hoogmoed waren opgeblazen, antwoordden: wij zullen u, o Shoaïb! en zij die met u gelooven, uit onze stad verdrijven, of gij moet tot onzen godsdienst terugkeeren. Hij zeide: Hoe! ofschoon wij er een afkeer van hebben? 87. Wij zouden zekerlijk eene leugen tegen God uitdenken, indien wij tot uwen godsdienst terugkeerden, nadat God ons daarvan heeft bevrijd, en wij hebben geene reden daartoe terug te keeren, tenzij het Gode onzen Heer mocht behagen ons te verlaten. Onze God omvat ieder ding door zijn verstand. Wij hebben ons vertrouwen in God gesteld. O Heer! richt tusschen ons en ons volk met waarheid; want gij zijt de beste rechter. 88. En de opperhoofden van zijn volk, dat niet geloofde, zeiden: Indien gij Shoaïb volgt, zult gij zekerlijk verdorven zijn. 89. Daarom verraste hen een storm van den hemel, en des ochtends werden zij, in hunne woningen, dood en voorover liggende gevonden. 90. Zij, die Shoaïb van bedrog beschuldigden, verdwenen, als hadden zij nooit daar gewoond; zij die Shoaïb van bedrog beschuldigden zijn verloren. 91. En hij ging van hen weg, zeggende: O mijn volk! thans heb ik u de bevelen van God gepredikt, en ik heb u ten goede geraden; doch waarom zou ik mij bedroeven om een ongeloovig volk. 92. Wij hebben nimmer een profeet in eene stad gezonden; doch wij hebben hare inwoners met tegenspoed en rampen getroffen, dat zij zich zouden vernederen. 93. En wij gaven hun goed voor kwaad in [200]ruil, tot zij, alles in hun geheugen uitwisschende, zeiden: Tegenspoed en voorspoed kwam ook vroeger over onze vaderen. Daarom namen wij plotseling wraak op hen, op het oogenblik dat zij er niet aan dachten. 94. Maar indien de bewoners dezer steden geloofd en God gevreesd hadden, zouden wij zekerlijk zegeningen over hen hebben uitgestort, zoowel van den hemel als van de aarde. Maar zij beschuldigden onzen apostel van valschheid, zoodat wij ons op hen wreekten voor datgene waaraan zij schuldig waren. 95. Waren dus de bewoners dier steden verzekerd, dat onze straf niet des nachts over hen zou komen terwijl zij sliepen? 96. Of waren de bewoners dier steden verzekerd, dat onze straf niet des daags over hen zou komen, terwijl zij zich aan de vermaken overgaven? 97. Achtten zij zich dus veilig voor Gods krijgslist53? Maar niemand zal zich zeker achten voor Gods krijgslist, behalve zij die verdoemd zijn. 98. En is het niet duidelijk bewezen voor hen die de aarde van hare vroegere bewoners hebben geërfd, dat, indien het ons behaagde, wij hen om hunne zonden kunnen kastijden? Doch wij zullen hunne harten verzegelen en zij zullen niets hooren. 99. Wij zullen u eenige verhalen van die steden vertellen. Hunne apostelen waren met duidelijke wonderen tot hen gekomen; doch zij waren niet geneigd te gelooven in datgene wat zij vroeger voor leugens hielden. Zoo zegelt God de harten der ongeloovigen dicht. 100. En wij vonden, in het grootste gedeelte van hen geen trouw aan hun verbond; maar wij bevonden dat het grootste deel van hen boosdoeners waren. 101. Daarom zonden wij, na de bovengenoemde apostelen, Mozes met onze teekens tot Pharao en zijne prinsen, die hen onrechtvaardig behandelden54; doch ziet hoe het einde der zondaren was. 102. En Mozes zeide: O Pharao! waarlijk, ik ben een apostel, door den Heer van alle schepselen gezonden. 103. Het is rechtvaardig dat ik van God niets anders dan de waarheid zegge. Thans ben ik tot u gekomen met een duidelijk teeken van uwen Heer; zend dus de kinderen Israëls met mij weg. Pharao antwoordde: Indien gij met een wonder komt, toon het, indien gij waarheid spreekt. 104. Hij wierp daarom zijn staf weg en, onthoud het, hij werd eene slang55. 105. Hij trok zijne hand uit zijne borst en, onthoud het, zij was voor de toeschouwers wit geworden [201]106. De opperhoofden van het volk van Pharao zeiden: Deze man is waarlijk een behendig toovenaar. 107. Hij tracht u van uw land te berooven; wat denkt gij dus te doen. 108. Zij antwoordden: Stel hem en zijn broeder door ijdele beloften voor eenigen tijd uit, en zend, in dien tusschentijd, personen naar de steden. 109. Die alle behendige toovenaars56 zullen verzamelen en tot u voeren. 110. Zoo kwamen de toovenaars tot Pharao en zij zeiden: zullen wij zekerlijk eene belooning ontvangen, indien wij de zege over hem behalen? 111. Hij antwoordde: ja, en gij zult zeker tot hen behooren, die mijnen troon naderen. 112. Zij zeiden: O Mozes! zult gij uwen staf wegwerpen, of zullen wij dit vooraf doen? 113. Mozes antwoordde: Werpt uwe staven eerst weg; en toen zij die hadden weggeworpen, betooverden zij de oogen der menschen die tegenwoordig waren en verschrikten hen, en zij deden een groot tooverstuk. 114. En wij spraken door eene openbaring tot Mozes; zeggende: Werp uwen staf weg en, onthoudt het, hij verzwolg de staven die in slangen waren veranderd57. 115. Daardoor was de waarheid bevestigd, en dus wat zij gemaakt hadden ijdel geworden. 116. En Pharao en zijne toovenaars waren overwonnen en beschaamd. 117. De toovenaren bogen zich biddende. 118. En zij zeiden: Wij gelooven in den Heer aller schepselen. 119. Den Heer van Mozes en Aäron. 120. Pharao, zeide: Hebt gij in hem geloofd, alvorens ik u verlof heb gegeven? Gij hebt dit schelmstuk vooruit in de stad gesmeed, om er de inwoners uit te verdrijven. Weldra zult gij zien. 121. Want ik zal uwe voeten en uwe handen aan de tegenovergestelde zijden doen afsnijden58 en daarna zal ik u allen doen kruisigen59. 122. De toovenaren antwoordden: Wij zullen zekerlijk [202]tot onzen Heer terugkeeren. 123. Want gij wreekt u alleen op ons, omdat wij in de teekenen van onzen Heer gelooven, toen zij ons werden geopenbaard. O Heer! schenk ons geduld, en doe ons als Muzelmannen sterven. 124. En de opperhoofden van Pharao’s volk zeiden: Wilt gij Mozes en zijn volk laten vertrekken, opdat zij op de aarde zouden zondigen en u en uwe goden verlaten60? Pharao antwoordde: wij zullen hunne mannelijke kinderen doen dooden, en wij zullen hunne vrouwelijke kinderen sparen, en zoo zullen wij de zege over hen behalen. 125. Mozes zeide tot zijn volk: Vraag God om ondersteuning en lijdt geduldig; want de aarde behoort Gode en hij geeft haar tot erfenis, aan diegene zijner dienaren, welke hem behagen, en het einde van hen die hem vreezen, zal voorspoedig zijn. 126. Zij antwoordden: Wij werden bedroefd door het dooden onzer mannelijke kinderen, voor gij tot ons kwaamt en ook sedert gij tot ons zijt gekomen. Mozes zeide: Misschien wil God uwe vijanden verdelgen, en u hun op aarde doen opvolgen, opdat hij moge zien hoe gij dan handelt. 127. En wij straften vroeger het volk van Pharao met onvruchtbaarheid en schaarschheid hunner vruchten, teneinde hen te waarschuwen. 128. Toen zij weder voorspoedig werden, zeiden zij: Dit komt ons toe; maar indien er kwaad over hen komt, schrijven zij het aan den tegenspoed van Mozes toe en van hen die met hem waren. Was niet hun tegenspoed van God afkomstig61? Maar de meesten van hen wisten het niet. 129. En zij zeiden tot Mozes: Welk wonder gij ons ook toont, om ons daarmede te betooveren, wij zullen daaraan niet gelooven. 130. Daarom zonden wij over hen overstrooming62, sprinkhanen, ongedierte, kikvorschen en bloed, als duidelijke teekenen; doch zij bleven hoogmoedig en werden snoodaards. 131. En toen de plaag over hen kwam, zeiden zij: Roep uwen God voor ons aan, overeenkomstig het verbond dat hij met u heeft gesloten. Waarlijk, indien gij de plaag van ons wegneemt, zullen wij u zekerlijk gelooven, en wij zullen de kinderen Israëls met u laten gaan. Maar toen wij de plaag van hen hadden afgenomen, tot de tijd was verloopen, die God had bepaald, braken zij hunne belofte. 132. Daarom namen wij wraak op hen en verdronken hen in de Roode Zee63, omdat zij onze teekens van valschheid [203]beschuldigd en verwaarloosd hadden. 133. En wij deden het zwakke volk de oostelijke en westelijke streken der aarde erven64, welke wij met vruchtbaarheid zegenden, en het genadige woord van uwen Heer in de kinderen Israël vervuld, omdat zij met geduld hadden geleden, en wij verwoestten de werken, welke Pharao en zijn volk hadden gemaakt, en datgene wat zij hadden opgericht65. 134. En wij deden den kinderen Israëls door de zee trekken, en zij kwamen tot een volk, dat afgoden aanbad66, en zij zeiden: O Mozes! maak ons een God, evenzoo als de goden van dit volk. Mozes antwoordde: Waarlijk, gij zijt een onwetend volk. 135. Want de godsdienst dien zij hebben, zal verwoest worden, en wat zij doen is ijdel. 136. Hij zeide: Zou ik u een anderen god zoeken dan God, die u boven alle andere volken heeft verheven? 137. En gedenk dat wij u van het volk van Pharao verlosten, die u jammerlijk verdrukte; zij doodden uwe mannelijke kinderen en lieten uwe vrouwelijke leven; daarin lag eene zware beproeving van uwen Heer. 138. En wij bepaalden Mozes eene vaste van dertig nachten67 alvorens wij hem de wet gaven, en wij voegden er tien bij; en de bepaalden tijd van zijnen Heer was in veertig nachten vervuld. En Mozes zeide tot zijn broeder Aäron, wees gij gedurende mijne afwezigheid, mijn afgezant bij mijn volk; handel oprecht en volg den weg der snooden niet. 139. En toen Mozes, op den voor hem bepaalden tijd kwam, en zijn Heer tot hem sprak68, zeide hij: o Heer! laat mij uw glans zien opdat ik u aanschouwe. God zeide: Gij zult mij op geenerlei wijze aanschouwen; maar zie den berg69 aan, en indien deze vast op zijne [204]plaats staat zult gij mij zien. Toen echter zijn Heer met glans op den berg70 verscheen, veranderde hij dien in stof. En Mozes viel in zwijm neder. 140. En toen hij tot zich zelven kwam, zeide hij: Geloofd zijt gij! Ik keer tot u terug met berouw, en ik ben de eerste der ware geloovigen71. 141. God zeide tot hem: o Mozes! Ik heb u boven alle menschen uitverkoren, door u met mijne opdrachten te vereeren, en door met u te spreken; ontvang dus wat ik u heb gebracht, en wees een van hen die dankbaar zijn. 142. En wij schreven voor hem op de tafels72 eene waarschuwing omtrent alles, en eene beslissing in ieder geval73 en zeiden: Ontvang die met eerbied, en beveel uw volk, dat zij stipt overeenkomstig die voorschriften leven. Ik zal u de woning der snooden toonen. 143. Ik zal degenen van mijne teekens afleiden, die zich trotsch en zonder rechtvaardigheid op aarde gedragen, en hoewel zij ieder teeken zien, daarin niet zullen gelooven; en ofschoon zij het pad der rechtvaardigheid zien, dat niet zullen betreden; maar die, indien zij het pad der dwaling zien, dien weg zullen inslaan. 144. Zoo zal het geschieden, daar zij onze teekens van bedrog beschuldigen en die veronachtzamen. 145. Maar wat hen betreft, die de waarheid van onze teekens loochenen en de ontmoeting in het volgende leven, hunne werken zullen ijdel zijn. Zouden zij anders beloond worden dan overeenkomstig hetgeen zij hebben verricht? 146. En het volk van Mozes nam, na zijn vertrek, een lichamelijk kalf74, dat loeide75, van hunne versierselen76 vervaardigd. Zagen zij niet, dat ik niet tot hen sprak, noch hen op den weg geleidde? 147. Maar zij beschouwden het als hunnen god en handelden [205]slecht. 148. Doch toen zij met droefheid berouw gevoelden, en zagen, dat zij verdwaald waren, zeiden zij: Waarlijk, indien onze Heer geene barmhartigheid met ons heeft en ons niet vergeeft, zullen wij zeker tot hen behooren, die verloren zijn. 149. En toen Mozes tot zijn volk terugkeerde, vol van toorn en verontwaardiging, zeide hij: Gij hebt een snoode daad na mijn vertrek bedreven. Hebt gij het bevel van uwen Heer verhaast77? Hij nam de tafelen78 en greep zijn broeder bij het hoofdhaar en haalde hem onder zich. En Aäron zeide tot hem: Zoon mijner moeder, waarlijk het volk heeft mij overheerd, en het had slechts weinig gescheeld of zij hadden mij gedood: laat mijne vijanden zich dus niet over mij verblijden, noch plaats mij onder de boozen. 150. Mozes zeide: O Heer! vergeef mij en mijn broeder en ontvang ons in uwe genade: want gij zijt de barmhartigste der barmhartigen. 151. Waarlijk, zij die het kalf tot hunnen god namen, de verontwaardiging des Heeren zal over hen komen79, en schande in dit leven. Zoo zullen wij degenen beloonen, die leugens uitdenken. 152. Maar voor hen, die snood handelen en daarna berouw betoonen en in God gelooven, zal God later goedertieren en barmhartig zijn. 153. En toen de toorn van Mozes was bedaard, nam hij de tafelen80. De letters die er op gehouwen waren, bevatten de leiding en de barmhartigheid voor hen, die hunnen Heer vreezen. 154. En Mozes koos zeventig mannen uit zijn volk, ten einde met hem den berg te bestijgen op het door ons bepaalde tijdstip; en toen een storm, vergezeld van donder en bliksem, hen wegnam81, zeide hij: O Heer! indien het u had behaagd, hadt gij hen en ook mij reeds te voren verdelgd; wilt gij ons verdelgen om hetgeen de dwazen onder ons hebben bedreven? Dit is alleen uwe beproeving; waarmede gij in dwaling brengt wien het u behaagt, en hem zult leiden die u behaagt! Gij zijt onze schuts, vergeef ons dus en wees ons genadig; want gij zijt de meest vergevingsgezinde der vergevingsgezinden. 155. Beschenk ons met het goede in deze wereld en in het volgende leven; want door u worden wij geleid. God antwoordde: Ik zal mijne straf opleggen aan wien het mij behaagt, en mijne barmhartigheid strekt zich over alle dingen uit; en ik zal haar [206]toekennen aan hen, die mij vreezen en aalmoezen geven, en in mijne teekens zullen gelooven. 156. Die den gezant volgen; den ongeletterden gezant82, dien zij in hunne boeken, in den Pentateuchus en in het Evangelie vinden aangeduid; hij zal hun gebieden wat rechtvaardig is en hun verbieden wat slecht is, en zal hun gebruik als wettig veroorloven van de dingen die vroeger verboden waren83, en hij zal de dingen verbieden die slecht zijn84, en hij zal hen van hunne zware lasten ontheffen en van de ketenen die op hen rusten85. En zij die in hem gelooven, die hem vereeren en ondersteunen en het licht volgen dat met hem werd nedergezonden, zullen gelukkig zijn. 157. Zeg: O menschen! waarlijk, ik ben Gods gezant en aan u allen gericht86. 158. Hem behoort het koninkrijk des hemels en der aarde; er is geen God buiten hem; hij geeft leven en doet sterven. Gelooft dus in God en zijn gezant, den ongeletterden profeet, die zelf in God en zijn woord gelooft, en volgt hem, opdat gij goed geleid moogt worden. 159. Er is een deel van het volk van Mozes, die anderen met waarheid leiden, en rechtvaardig nopens hen handelen. 160. En wij verdeelen hen in twaalf volksstammen. En wij spraken door openbaring tot Mozes, toen zijn volk drank van hem verlangde, en wij zeiden: Sla de rots met uwen staf, en twaalf fonteinen87 stroomden er uit, en iedere stam wist, uit welke fontein hij moest drinken. En vervolgens deden wij hen door wolken overschaduwen, en manna en kwakkels88 op hen nedervallen, zeggende: Eet van de dingen die wij u tot voedsel hebben gegeven; maar zij beleedigden niet ons, doch hunne eigene zielen. 161. Herinner u, toen men tot u zeide: Woont in deze stad89 en eet van hare voortbrengselen zoo veel gij wilt; en smeekt vergiffenis, en treedt de poort biddende in; wij zullen u uwe zonden vergeven en de bezittingen vermeerderen van hen, die goed handelen. 162. Maar de goddeloozen onder hen veranderden de uitdrukking in eene andere, die niet tot hen was gebruikt. Daarom zonden wij onze kastijding uit den hemel op hen neder, omdat zij zondigden. 163. En vraag hun nopens de stad90, [207]die aan de zee was gelegen, toen zij op den Sabbathdag zondigden; toen hun visch op den Sabbathdag tot hen kwam, duidelijk op het water verschijnende, maar op den dag dat zij geen rustdag vierden, kwam hij niet tot hen. Zoo beproefden wij hun omdat zij boosdoeners waren. 164. En toen een deel hunner tot de anderen zeide: Waarom waarschuwt gij een volk, hetwelk God verdelgen of met eene gestrenge kastijding straffen wil? Antwoordden zij: Dit is eene verontschuldiging voor ons bij uwen Heer91 ten einde zij zich zullen behoeden. 165. Maar toen zij de waarschuwingen hadden vergeten, redden wij de degenen, die hun verboden kwaad te bedrijven, en wij legden hun die gezondigd hadden, eene gestrenge straf op, daar zij slecht gehandeld hadden. 166. En toen zij trotsch weigerden, datgene te laten, wat hun was verboden, zeiden wij tot hen: verandert in apen, en wordt uit de maatschappij der menschen verdreven. En herdenk, hoe uw Heer verklaarde, dat hij den Joden zekerlijk tot den dag der opstanding een volk zou zenden, dat eene harde verdrukking op hen zou uitoefenen92; want uw Heer is stipt in bestraffing, doch hij is ook gereed te vergeven en barmhartig. 167. En wij verstrooiden hen onder de volkeren der aarde. Sommigen van hen zijn deugdzame personen, en sommigen van hen zijn anders. En wij beproefden hen door voor- en tegenspoed, opdat zij van hunne ongehoorzaamheid mochten terugkeeren. 168. En eene nakomelingschap volgde hen op, die het boek der wet erfde en de tijdelijke goederen dezer wereld ontving93, en zeide: Het zal ons zekerlijk worden vergeven; en indien hun een tijdelijk voordeel gelijk het vorige wordt aangeboden, nemen zij het mede aan. Is niet het verbond van het boek der wet met hen aangegaan, dat zij niets dan waarheid van God zouden spreken94? Zij lezen echter thans ijverig wat daarin staat. Doch de genieting van het volgende leven zal beter voor degenen zijn, die God vreezen. Begrijpt gij dat niet? 169. En ook voor hen, die het boek der wet vasthouden en standvastig in het gebed zijn; want wij zullen nimmer dulden, dat het loon der rechtvaardigen verloren ga. 170. En toen wij den berg Sinaï over hen oprichtten95, als ware het een deksel, en zij zich verbeeldden, dat die op hen viel, zeiden wij: ontvang de wet die wij u hebben gebracht met eerbied; en gedenk wat daarin is bevat, opdat gij u in acht moogt nemen. [208]171. En toen de Heer uit de lendenen der zonen van Adam hunne nakomelingschap voortbracht96, en hen koos om tegen hen zelven te getuigen, zeggende: Ben ik uw Heer niet? antwoordden zij: Ja, wij leggen getuigenis af. Dit is geschied, opdat gij op den dag der opstanding niet zoudt zeggen: waarlijk wij wisten het niet. 172. Opdat gij niet zoudt zeggen: waarlijk onze vaderen waren vroeger schuldig aan afgodendienarij; en wij zijn hunne nakomelingschap, die hen opvolgde; zoudt gij ons dus verdelgen, om hetgeen leugenaars hebben bedreven? 173. Zoo verklaren wij onze teekens, opdat zij van hunne dwalingen mogen terugkeeren. 174. En verhaal den Joden de geschiedenis van hem, dien wij onze teekens brachten97, en die zich daarvan afwendde; daarom volgde satan hem, en hij werd een van hen, die verleid werden. 175. En indien het ons had behaagd, zouden wij hem zekerlijk daardoor tot wijsheid hebben verheven, maar hij bleef aan de aarde gehecht en volgde zijne eigen begeerten98. Hij gelijkt op een hond, die, wanneer gij hem wegjaagt, de tong uitsteekt, of indien gij u van hem verwijdert, mede de tong uitsteekt. Dit is de gelijkenis van hen, die onze teekens van valschheid beschuldigen. Herhaal hun dus deze geschiedenis, opdat zij die in overweging zouden mogen nemen. 176. De overeenkomst is slecht van hen, die onze teekens van valschheid beschuldigen en hunne eigene zielen beleedigen. 177. Maar die door God geleid mocht worden, zal goed geleid zijn, en wien hij mocht afwenden zal verloren zijn. 178. Wij hebben voor de hel een groot aantal geniussen en menschen geschapen die harten hebben, waarmede zij niets verstaan; die oogen hebben, waarmede zij niets zien; die ooren hebben waarmede zij niets hooren. Deze zijn gelijk de redelooze dieren; zij dwalen zelfs [209]meer dan de redelooze dieren. Dit zijn de achteloozen. 179. De schoonste namen komen God toe99; noem hem dus daarbij en verwijder u van hen, die deze zondig mochten gebruiken100. Zij zullen het loon ontvangen voor hetgeen zij hebben bedreven. 180. En onder hen die wij hebben geschapen, is een volk, dat anderen met waarheid leidt en rechtvaardig is. 181. Maar hen, die onze teekens van leugens beschuldigen, zullen wij trapsgewijze verdelgen, op eene wijze die zij niet kennen101. 182. En ik zal hun toestaan een lang en voorspoedig leven te genieten; want mijne list is onfeilbaar. 183. Begrijpen zij niet, dat er geen duivel in hun metgezel (Mahomet) is. Hij is niets dan een openbaar prediker. 184. Of beschouwen zij het koninkrijk des hemels en der aarde niet, en de dingen die God heeft geschapen; en denken zij er niet aan, dat hun einde misschien nabij is? En in welke nieuwe verklaring zullen zij na deze gelooven? 185. Hij wien God zal doen dwalen, zal geen gids hebben, en hij zal hen in hunne goddeloosheid verlaten, zonder kennis dwalende. 186. Zij zullen u ondervragen nopens het laatste uur; op welk tijdstip de komst daarvan is bepaald? Antwoord: Waarlijk, de wetenschap daarvan behoort mijn Heer; niemand zal den bepaalden tijd daarvan verklaren, behalve hij. De verwachting daarvan is smartelijk in den hemel en op aarde; hij zal niet dan onverwachts tot u komen. 187. Zij zullen u ondervragen, als waart gij daarmede goed bekend. Antwoord: Waarlijk, de kennis daarvan, behoort alleen aan God, maar het grootste deel der menschen weet het niet. 188. Zeg: Ik heb geen macht om mij te verschaffen wat mij nuttig is, noch om te vermijden wat mij nadeelig is, tenzij God het wil. Indien ik Gods geheimen kende, zou ik zekerlijk overvloed van goederen bezitten; nimmer zou mij kwaad treffen. Waarlijk, ik ben slechts een aankondiger van beloften en een boodschapper van goede tijdingen voor hen die gelooven. 189. Hij is het, die u uit één man geschapen en zijne vrouw uit hem voortgebracht heeft, opdat hij met haar mocht wonen; en nadat hij met haar geleefd had, droeg zij een lichten last, waarmede zij gemakkelijk wandelde. Maar toen het zwaarder werd, riep zij God haren Heer aan, zeggende: Indien gij ons een [210]welgemaakt kind schenkt, zullen wij dankbaar zijn. 190. Maar toen hij hun een welgeschapen kind had gegeven, plaatsten zij makkers naast hem, voor hetgeen hij hun had geschonken102. Maar God is te verheven om anderen met hem te vereenigen. 191. Willen zij valsche goden met hem vereenigen, die niets scheppen, maar die zelf geschapen zijn, en hen nimmer ondersteunen noch zich zelven helpen kunnen? 192. En indien gij hen tot de ware richting uitnoodigt, zullen zij u niet volgen: het zal u gelijk zijn, of gij hen uitnoodigt, of dat gij rustig blijft. 193. Waarlijk, de valsche goden welke gij naast God aanroept, zijn dienaren, evenals gij103. Roep hen dus aan, en laten zij u antwoord geven, indien gij waarheid spreekt. 194. Hebben zij voeten, om er mede te loopen? Of hebben zij handen, om iets aan te vatten? Of hebben zij oogen, om er mede te zien? Of hebben zij ooren, om er mede te hooren? Zeg: Roept uwe makkers; denkt eene list tegen mij uit en geeft mij geen uitstel. Ik vrees niets. 195. Want mijn schuts is God, die het boek van den Koran nederzond, en hij ondersteunt den rechtvaardige. 196. Maar zij die gij naast God aanroept, kunnen noch u bijstaan, noch zich zelven helpen. 197. En indien gij hen aanroept om u te leiden, zullen zij u niet hooren. Gij ziet hen naar u blikken, maar zij zien niet. 198. Gebruik toegevendheid, beveel het goede en blijf ver van den onwetende. 199. En indien satan u iets slechts ingeeft, zoek dan eene toevlucht bij God; want hij hoort en ziet. 200. Waarlijk, zij die God vragen, indien eene verzoeking van satan tot hen komt, gedenken de goddelijke bevelen en, onthoud het, zij zien duidelijk het gevaar der zonde. 201. De broederen der duivels zullen hen slechts verder in dwaling brengen, en later zullen zij zich daarvoor niet behoeden. 202. En indien gij hun geen vers van den Koran brengt, zeggen zij: Hebt gij het nog niet samengesteld? Antwoord: Ik volg alleen datgene wat mij van mijnen Heer werd geopenbaard. Dit boek bevat duidelijke bewijzen van uwen Heer, en is eene leiding van barmhartigheid voor hen die gelooven. 203. En als de Koran wordt voorgelezen, luistert dan, en bewaart het stilzwijgen, opdat gij genade moogt verwerven. 204. En peinst nopens uwen Heer in uw eigen hart, met nederigheid en vrees, en zonder luid te spreken, zoowel des avonds als des ochtends, en weest niet onachtzaam. 205. [211]De engelen, die met mijn Heer zijn, versmaden zijnen dienst niet trotsch, maar zij vieren zijn lof en bidden hem aan.
1 Al Ara is de afscheiding tusschen het paradijs en de hel; zoo als in dit hoofdstuk wordt verklaard.
2 Misschien met uitzondering van vijf of acht verzen.
3 Volgens sommigen kent alleen God de beteekenis van deze letters. Anderen meenen echter, dat daarmede worden aangeduid de woorden: Allah, Gabriël, Mahomet, vrede zij met hen. Zie Soera I, vers 2 in de noot.
4 Zie Hoofdstuk II: vers 32.
5 Uit hoofde er niet bijzonder bepaald is, tot welken tijd de straf voor den duivel is uitgesteld, zeggen de uitleggers, dat zijn verzoek niet geheel werd toegestaan, maar dat hij, evenals andere schepselen op het tweede trompetgeschal zal sterven. (Al Beidâwi, en d’Herbelot, Bibl. Oriënt, art. Eblis).
6 De boven- en onderzijde zijn weggelaten, om, zooals de uitleggers zeggen, aan te duiden, dat de macht van den duivel beperkt is. (Al Beidâwi).
7 Het Mohamedaansche evangelie van Barnabas zegt, dat de straf die God over de slang uitsprak, omdat hij den duivel in het paradijs had gebracht, daarin bestond (zie Hoofdstuk II: vers 34 en de noot), dat zij niet alleen uit het paradijs verdreven, maar dat hare voeten door den engel Michaël, met Gods zwaard afgehouwen zouden worden, en dat de duivel zelf, omdat hij onze voorouders onrein had gemaakt, veroordeeld werd hunne uitwerpselen en die van hunne nakomelingschap te eten.
8 Die zij te voren niet hadden opgemerkt.
9 Naar men beweert, zouden dit vijgebladeren zijn geweest (zie Hoofdstuk II: 33 en de noot).
10 Niet alleen geschikte grondstoffen, maar ook vindingrijkheid des verstands en vlugheid van hand, om daarvan gebruik te maken (zie Hoofdstuk II: vers in de noten op vers 22–33).
11 Door de fijnheid hunner lichamen en hunne kleurloosheid. (Jallalo’ddin).
12 Deze plaats werd geopenbaard om eene onwelvoegelijke gewoonte der afgodendienende Arabieren te wraken, welke de gewoonte hadden, den Caaba naakt te omringen; daar kleederen, gelijk zij zeiden, de teekens van hunne ongehoorzaamheid aan God waren (Jallalo’ddin, Al Beidâwi). De sonna beveelt, dat indien iemand gaat bidden, hij zijne goede kleederen moet aantrekken, uit eerbied voor de goddelijke majesteit, voor welke hij zal verschijnen. Maar ofschoon de Mahomedanen het onvoegzaam achten, eensdeels om op eene slordige wijze in Gods tegenwoordigheid te verschijnen, zoo gelooven zij anderdeels, dat men in geene te rijke of prachtige kleederen voor hem moet komen, en bijzonder niet in kleederen met goud of zilver versierd, omdat men dan den schijn van trotschheid zou hebben.
13 Daar de boozen, die eveneens van de zegeningen van dit leven genieten, geen deel zullen hebben in de geneugten van het volgende.
14 Zijnde de engel des doods en zijne helpers.
15 Dat is: het volk, welks voorbeeld hen tot afgodendienarij en andere boosheden heeft gebracht.
16 De eenen, omdat zij zich niet alleen verdierven, maar ook de aanleiding waren van het verderf der overigen, en de anderen, om hun eigen ongeloof en hunne navolging van een slecht voorbeeld. (Jallalo’ddin, Al Beidâwi).
17 Dat is: als hunne zielen na den dood ten hemel zullen stijgen; maar zij zullen op een mesthoop onder de zevende aarde worden geworpen (Jallalo’ddin, Al Beidâwi).
18 Deze uitdrukking is zeer gewoon in het oosten en wordt er als spreekwoord gebezigd: vergelijk Matth. XIX vers 24.
19 Zoodat, indien er verschillen of vijandschap tusschen hen gedurende hunnen leeftijd mochten hebben bestaan, die thans vergeten en door liefde en vriendschap vervangen zullen zijn.
20 Al Araf is volgens Mahomet, de naam van een muur of afscheiding tusschen de hel en het paradijs.
21 Uit deze omstandigheid schijnt men te mogen afleiden, dat de meening de meest waarschijnlijke is, volgens welke dit tusschengedeelte eene soort van vagevuur is voor hen, die hoewel zij niet verdienen in de hel te worden gezonden, geene toereikende aanspraak hebben om de onmiddellijke toelating tot het paradijs te erlangen, en hier eenigen tijd in verzoeking gebracht zullen worden, door hen de gelukzaligheid dier plaats te doen aanschouwen.
22 Zijnde de aanvoerders en drijvers der ongeloovigen. (Al Beidâwi.)
23 Dit waren de minder aanzienlijken en armen onder de geloovigen, welke deze gedurende hunnen leeftijd, als Gods gunst onwaardig, verachtten.
24 Deze woorden zijn in het bijzonder gericht tot de arme en verachte geloovigen, waarvan in de vorige noot wordt gesproken.
25 Zijnde van de andere vloeistoffen of vruchten van het paradijs.
26 Dat is: het vervullen der daarin vervatte beloften en bedreigingen.
27 Hoofdstuk VI, vers 24, noot.
28 Die zich gedurende het gebed aanmatigend gedragen, of met eene schreeuwende stem, of met eene menigte woorden en ijdele herhalingen bidden. (Al Beidâwi).
29 Zijnde, nadat God zijne profeten gezonden en zijne wetten geopenbaard heeft, tot hervorming en verbetering van den mensch.
30 Of die uitspreidt over eene groote uitgestrektheid lands. Sommige afschriften hebben hier in plaats van noshram, goede tijdingen, boshram daar het opsteken van den wind, onder zulke omstandigheden de voorlooper van regen is.
31 Of een droog en verdord land.
32 Noach, de zoon van Lamech, was, volgens de Mahomedaansche schrijvers, een der zes voornaamste profeten, doch hij had geene geschreven openbaringen, welke hem werden overgeleverd (Zie Reland de Relig. Moh., p. 34). Hij was tevens de eerste die na zijn overgrootvader Edris of Enoch verscheen. Dat Noach het goede onder de booze ante-deluvianen predikte, wordt door de schrift bevestigd (2 Petr. II : 5). De Oostersche Christenen zeggen, dat, toen God aan Noach beval de ark te bouwen, hij hem tevens den weg wees om een houten werktuig te vervaardigen, gelijk aan datgene, waarvan nog heden ten dage, in het Oosten in plaats van klokken gebruik wordt gemaakt, om het volk naar de kerk op te roepen, en dat in het Arabisch Nâkûs en in het nieuwe Grieksch Semandra wordt genoemd. Noach moest dit werktuig gebruiken om daarop driemaal per dag te slaan, ten einde de werklieden bij elkander te roepen, terwijl ’t hem gelegenheid zou geven, zijn volk dagelijks te waarschuwen, voor het dreigende gevaar [196n]van den zondvloed, die hen zekerlijk zou verdelgen, indien zij geen berouw gevoelden (Eufych, Ann. p. 37.)
33 Uit deze woorden en andere plaatsen van den Koran, waar van Noachs prediking wordt gesproken, blijkt het, dat, volgens de meening van Mahomet, eene voorname zonde der ante-diluvianen afgodendienst was (Zie Hoofdstuk XI.)
34 Hetzij de dag der opstanding, hetzij die waarop de zondvloed begon.
35 Zijnde zij, die hem geloofden en met hem in dat vaartuig gingen. Hoewel er eene overlevering bij de Mahomedanen bestaat, die gezegd wordt van den profeet zelven ontvangen te zijn, en volgens welke, evenals in de Heilige Schrift gezegd wordt, niet meer dan acht personen door de ark werden gered, wordt dat getal echter door sommigen van hen verschillend opgegeven. Eenigen stellen zes, tien, twaalf, achtenzeventig en tachtig van beiderlei kunne (Al Zamakhshari, Jallalo’ddin, Ebn Shohnah), en daaronder Jorham, die, volgens sommigen, de bewaarder der Arabische taal was. Zie Pocock. Orat. praefix. Carm. Tograi.
36 Ad was een oude en machtige Arabische stam van afgodendienaren. (Abulfeda.)
37 Deze wordt gezegd dezelfde persoon als Heber te zijn.
38 Dat is, nopens de afgodsbeelden en uitgedachte voorwerpen van uwe aanbidding, aan welke gij, in de boosheid uws harten, de namen, eigenschappen en eer geeft, die alleen den waren God toekomen.
39 Thamoed was een andere Arabische stam, die tot den afgodendienst overging.
40 De Thamoedieten drongen op een mirakel aan, en sloegen Saleh voor, met hen naar hun feest te gaan, waar zij hunne goden en hij de zijne aanroepen zou, onder de belofte, de godheid te volgen, die antwoord gaf. Maar nadat zij hunne afgodsbeelden gedurende eenigen tijd, zonder eenigen uitslag, hadden aangeroepen, wees Jonda Ebn Amroe, hun vorst, op eene alleenstaande rots, en verzocht Saleh daaruit een wijfjeskameel met een jong te doen voortkomen, terwijl hij zich plechtig verbond, indien Saleh dit deed, te zullen gelooven; zijn volk beloofde hetzelfde. Het gevraagde wonder had daarop plaats.
41 De stam van Thamoed woonde eerst in den omtrek van de Adieten, doch daar hun getal toenam, verhuisden zij naar het grondgebied van Hejr wegens de bergen; hier hieuwen zij zich woningen in de rotsen, die nog ten huidigen dage bestaan.
42 Gelijk hevige en herhaalde donderslagen, die volgens sommigen niets anders waren, dan de stem van den engel Gabriël, die hunne harten verscheurde. (Abulfeda, Al Beidâwi.)
43 Toen Mahomet in de expeditie van Tabûc, die hij in het negende jaar der hedjira tegen de Grieken ondernam, door Hejr trok, waar deze oude stam had gewoond, verbood hij zijn leger, niettegenstaande het door honger en dorst werd geteisterd, hier eenig water te putten, terwijl hij hun beval, indien zij van dat water hadden gedronken, het uit te spuwen, of, indien zij daarmede meel hadden gekneed, dit aan hunne kameelen te geven, (Abulfeda. Vit. Moh. p. 124) en nadat hij zijn gezicht in zijne kleederen had gehuld, gaf hij zijn’ muilezel de sporen, uitroepende: Betreedt het huis van deze snoode menschen niet, maar ween veeleer, anders zou u kunnen gebeuren wat hun overkwam; nadat hij dit had gezegd, rende hij in vollen galop en met omsluierd aangezicht voort, tot hij de vallei was doorgetrokken. (Al Bokhari.)
44 Zie Hoofdstuk XI, omtrent nadere bijzonderheden van Loth.
45 Zijnde Loth en zij die in hem geloofden.
46 Zie Hoofdstuk XI.
47 Zie hetzelfde Hoofdstuk.
48 Madian of Midian, was eene stad in Hejâz, en de woonplaats van de afstammelingen van Midian, de zoon Abraham uit Ketura (Gen. XXV : 2), die, naar het schijnt, zich later met de Ismaëlieten vereenigde. Deze stad lag aan de Roode Zee en is ontwijfelbaar dezelfde als Modiana; wat daarvan in Mahomets tijd was overgebleven, werd in de opvolgende oorlogen (Zie Golii, not. in Alfrag. p. 143) verwoest, en verkeert in onzen tijd in een treurigen toestand. Het volk in den omtrek beweert de put te bezitten, waaraan Mozes de kudden van Jethro drenkte. (Abulfeda, Desc. Arab. p. 42. Geogr. Nub. p. 109.)
49 Sommige Mahomedaansche schrijvers maken dezen tot den zoon van Mikail, den zoon van Yashjar, den zoon van Madian (Al Beidâwi, Tarikh Montakhab). In het algemeen veronderstellen zij tevens, dat hij dezelfde persoon was als de schoonvader van Mozes, die in de Heilige Schrift Reuel of Raguel en Jethro wordt genaamd Exod. II : 18, III : 1.
50 Hij zou zijn schoonzoon de wonderdoende roede hebben geschonken (Al Beidâwi, Zie ook Shalshel. Hakhab, p. 12), waarmede deze de verschillende wonderen in Egypte en de woestijn verrichtte, en waardoor hij tevens uitstekenden raad en onderricht gaf (Exod. XXVII: 13 enz.); weshalve hij den bijnaam van Khatîb Al Anbiyâ, of prediker der profeten verkreeg (Zie d’Herbelot, Bibl. Oriënt. Art. Shoaïb.)
51 Een der groote misdaden waaraan de Midianiten schuldig waren, was het gebruik van verschillende maten en gewichten, en wel groote en kleine, waarvan de eerste bij in-, de andere tot den verkoop dienden. (Zie d’Herbelot, t. a. pl. Al Beidâwi, Deut. XXV : 13, 14.)
52 Zie hiervoren bladz. 195 vers 54 en de noot.
53 Hierdoor wordt figuurlijk de wijze uitgedrukt, hoe God met trotsche en ondankbare menschen handelt, door hen te vergunnen, de maat hunner onrechtvaardigheid vol te meten, zonder hen door kastijding en droefenis tot besef van hunnen toestand te brengen, tot zij, op het oogenblik, dat zij dit het minst verwachten, geheel verloren zijn. (Al Beidâwi.)
54 Door niet daarin te gelooven.
55 De Arabische schrijvers vermelden vele fabelen van deze slang. Zoo verhalen deze, dat zij behaard en van zulk eene uitgestrekte grootte was, dat, als zij den muil opende, hare kaken 80 elleboogslengten [201n]van elkander waren verwijderd en als zij met hare onderkaak op den grond lag, het bovenste kakebeen tot aan den top van het paleis reikte. Zij voegen er tevens bij, dat Pharao daarop Mozes bij God bezwoer, die hem had gezonden, de slang weg te nemen, en beloofde, niet alleen in hem te gelooven, maar tevens de Israëlieten te laten vertrekken; doch toen Mozes gedaan had, wat Pharao verlangde, trok hij zijn woord terug, en behandelde hen even slecht als vroeger. (Al Beidâwi.)
56 De Arabieren noemen verschillende dier toovenaars, behalve hunnen opperpriester Simeon.
57 De uitleggers voegen er bij, dat toen de slang al de staven en koorden had verslonden, zij zich onmiddellijk tot de toeschouwers wendde, en hun zooveel schrik aanjoeg, dat zij vluchten, en een aantal hunner in het gedrang werden gedood. Daarna nam Mozes de slang op en zij werd weder een staf als te voren. De toovenaars verklaarden daarop, dat het geene tooverij kon zijn, daar in zulk een geval hunne staven en koorden niet zouden zijn verdwenen. (Al Beidâwi.)
58 Dat is: uwe rechter hand en uwen linker voet.
59 Sommigen zeggen, dat Pharao de eerste uitvinder dezer straf was.
60 Zijnde de sterren of andere afgoden.
61 Door wiens wil en besluit zij zoozeer werden bedroefd, als eene straf voor hunne boosheid.
62 Daar er in de Mozaïsche wet van geene dergelijke overstrooming sprake is, zoo veronderstellen sommigen, dat deze plaag eene pestziekte of eenige andere besmettelijke ziekte was. (Al Beidâwi.) Het woord Toefan, dat op deze plaats wordt gebruikt, en in het algemeen met overstrooming wordt vertaald, kan ook, meer algemeen, verwoesting of sterfte beteekenen.
63 Deze gebeurtenis wordt in de Xe en XXe Hoofdstukken meer bijzonder besproken.
64 Dat is het land van Syrië, waartoe de Oostersche aardrijkskundigen Palestina rekenen te behooren, en waarin, volgens de uitleggers de kinderen Israël, de koningen van Egypte en de Amalekieten opvolgden. (Al Beidâwi.)
65 Vooral den hoogen toren, dien Pharao had doen bouwen, om den God van Mozes te kunnen aanvallen. (Zie hoofdstuk XXVIII en Hoofdstuk XL.)
66 Men zegt dat hunne afgodsbeelden nabootsingen van ossen waren, die het eerste aanleiding gaven tot het maken van het gouden kalf. (Al Beidâwi).
67 De Arabieren rekenen bij nachten, zooals wij bij dagen. Deze gewoonte komt ontwijfelbaar uit de bijzondere hitte van hun klimaat voort. Als de zon ondergaat, verlaten zij de tenten en genieten de koelte en den meest verrukkelijken hemel. De nacht is dan ook in groote mate voor hen wat de dag voor ons is. Hunne dichters bezingen ook nooit de bekoorlijkheden van een schoonen dag, maar de woorden Leili! Leili! O nacht, o nacht! worden in al hunne liederen herhaald. (Savary.)
68 Zonder de bemiddeling van een ander, en van aangezicht tot aangezicht, zooals hij met de engelen sprak (Al Beidâwi). Zie d’Herbel. Bibl. Oriënt p. 650.
69 Deze berg wordt door de Arabieren al Zehir (Heb. הר שעיר) genoemd.
70 Sommige uitleggers beweren, dat God den berg leven gaf en het vermogen om te zien.
71 Deze woorden moeten niet in hunne strikte beteekenis worden opgevat. Zie in Hoofdstuk VI. vers 14 eene dergelijke uitdrukking.
72 Volgens sommigen waren deze tafels zeven in getal, volgens anderen tien. Naar het gevoelen van andere uitleggers waren zij uit eene soort Lotusboom gesneden, die in het Paradijs Al Sedra werd genaamd. Anderen wederom zeggen, dat zij van chrysoliten, smaragden, robijnen, of van gewonen steen waren (Al Beidâwi); ieder van tien of twaalf ellebogen lengte. Ook veronderstellen zij dat deze niet alleen de tien geboden vertoonden, maar dat de geheele wet daarop was geschreven.
73 Dat is eene volkomen wet, bevattende alle noodige onderrichtingen, zoowel nopens godsdienstige en zedelijke plichten, als omtrent het eigenlijk beheer.
74 Dat is, volgens de opvatting van sommigen, samengesteld uit vleesch en bloed, of, volgens anderen, een eenvoudig lichaam, of eene metaalmassa, zonder ziel (Al Beidâwi). Zie ook Hoofdstuk XX en de noot op Hoofdstuk II, vers 48.
75 Zie de beide genoemde Hoofdstukken en de noot op het laatste Hoofdstuk.
76 Zooals hunne gouden en zilveren ringen en armbanden (Al Beidâwi).
77 Door zijne voorschriften te verwaarloozen, en door u zijne wraak over den hals te halen.
78 Die allen verbroken en in den hemel opgenomen werden, uitgenomen eene enkele; deze bevatte, zooals zij zeggen, de bedreigingen en gerechtelijke bevelen, en werd later in de ark nedergelegd. (Al Beidâwi, Zie d’Herbelot p. 649.)
79 Zie Hoofdstuk II, vers 48–57.
80 Of de stukken van het overgeblevene.
81 Volgens Savary werden zij door eene aardbeving verzwolgen. Zie ook nopens deze plaats Hoofdstuk II, t. a. pl. en Hoofdstuk IV, vers 152.
82 Dat is Mahomet.
83 Zie Hoofdstuk III, vers 44.
84 Zooals het eten van bloed en varkensvleesch, het nemen van woeker, enz.
85 Zie Hoofdstuk II, vers 286.
86 Dat is: aan alle menschen in het algemeen, en niet aan een bijzonder volk, zooals de vroegere profeten werden gezonden.
87 Zie Hoofdstuk II, vers 57.
88 Zie Hoofdstuk II, vers 54.
89 Zie omtrent de uitlegging van deze plaats Hoofdstuk II, vers 55.
90 Deze stad was Ailah of Elath, aan de Roode Zee. Sommigen veronderstellen echter, dat het Median was, en anderen Tiberias. Zie voorts Hoofdstuk II, vers 61, in de noot.
91 Dat wij onzen plicht hebben gedaan, door hen van hunne snoodheid terug te houden.
92 Zie Hoofdstuk II, vers 61 in de noot.
93 Door steekpenningen aan te nemen, om een vonnis te verdraaien en voor de vervalsching van afschriften van den Pentateuchus, enz. (Al Beidâwi).
94 Vooral door uit te strooien, dat God hunne verdorvenheid zonder oprecht berouw en boetedoening zou vergeven.
95 Zie Hoofdstuk II, vers 60, in de noot.
96 De uitleggers verhalen, dat God over Adams rug streek, en uit zijne lendenen zijne geheele nakomelingschap voortbracht, het eene geslacht na het andere; dat deze menschen verzameld werden in de gedaante van kleine, met verstand begaafde mieren, en dat zij, na hunne afhankelijkheid van God te hebben betuigd, op nieuw in de lendenen van hunnen aartsvader terugkeerden (Al Beidâwi, Jallalo’ddin, Yahya. Zie ook d’Herbelot. Bibl. Oriënt, p. 54). Uit deze verdichting blijkt, dat de leer van het voortbestaan den Mahomedanen niet onbekend is, en dat er eene kleine overeenkomst is tusschen dit en de nieuwere theorie van de generatie ex animalculus in semine maritum.
97 Sommigen achten dit Bileam, den zoon van Béor, wel bekend, ten minste met een gedeelte van de schrift, daar hij zelfs met eenige openbaringen van God was begunstigd. Dezen werd door zijn volk verzocht, Mozes en de kinderen Israëls te vloeken. Eerst weigerde hij dit, zeggende: Hoe kan ik hen vloeken, die door de engelen worden ondersteund? Maar later werd hij door giften overgehaald, en nauwelijks had hij het gedaan, of hij stak zijn tong uit, als een hond, en deze hing op zijne borst neder. (Al Beidâwi, Jallalo’ddin, Al Zamakhshari. Zie ook d’Herbelot. Bibl. Oriënt. Art. Balaam.)
98 Door het loon der onrechtvaardigheid te beminnen en gretig, als belooning, op dwaling azende. 2 Petrus II : 5, Richteren II.
99 Door het uitdrukken van zijne attributen. Marracci telt er negen en negentig op, die bij de Arabieren in gebruik zijn (In Alc. p. 414.)
100 Zooals Walid Ebn al Mogheira deed, die op het hooren dat Mahomet aan God den titel van Al Rahman, of de genadige gaf, luid begon te lachen en zeide, dat hij niemand van dien naam kende (Marracc. Vit. Moh. p. 19), of, zooals de afgoden dienende bewoners van Mekka deden, die de namen hunner afgoden van die van den waren God afleidden, zooals b.v. Allàt, van Allah, Al Uzza, van Al Aziz, de machtige en Manat van Al Mannan, vol van goedheid (Al Beidâwi, Jallalo’ddin.)
101 Door hen te vleien met voorspoed in dit leven en hun toe te staan, in eene onverstoorbare zekerheid te zondigen, tot zij bevinden, dat zij onverwachts ten gronde zijn gericht. (Al Beidâwi)
102 Al Beidâwi zegt, dat de Koran op deze plaats Kosai, een van Mahomets voorouders, en zijne vrouw bedoelt, die God om kroost smeekten, en die den vier zonen, welke hem werden verleend, de namen Abd Menaf, Abd Shains, Abd ul Uzza en Abd al Dar gaven, naar de namen der vier voornaamste afgoden der Koreïshieten. De genoemde uitlegger veronderstelt ook, dat de volgende woorden op hunne afgodendienende nakomelingen moeten worden toegepast.
103 Als zijnde aan het volstrekte bevel van God onderworpen. De hoofd-afgoden der Arabieren waren: de zon, de maan en de sterren.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. Zij zullen u vragen nopens den buit. Antwoord: De verdeeling van den buit behoort Gode en zijn gezant. Vreest dus God, en tracht uwe geschillen in der minne te schikken. Gehoorzaam God en zijn gezant, indien gij ware geloovigen zijt. 2. Waarlijk, de ware geloovigen zijn zij, wier harten vreezen als God wordt genoemd, en wier geloof vermeerderd wordt, zoo hun zijne teekens worden herinnerd en die op God vertrouwen. 3. Die de bepaalde tijden van het gebed in acht nemen, en aalmoezen geven van hetgeen wij hun hebben geschonken. 4. Deze zijn waarlijk geloovigen; zij zullen hoogere graden van gelukzaligheid van hunnen Heer genieten, en vergiffenis en een overvloedig vermogen. 5. Toen uw Heer u van uw huis wegvoerde, met waarheid, en een deel der geloovigen afkeerig van uwe leiding waren. 6. Twistten zij met u nopens de waarheid, nadat die hun was kenbaar gemaakt3; op geene andere wijze dan alsof men hen ter dood had gevoerd, en zij dit met hunne oogen hadden gezien4. 7. En herinner u, [212]toen God u een der twee deelen beloofde, dat het u zou worden gegeven5, en gij begeerdet dat het deel, hetwelk niet van wapens was voorzien6 aan u zou worden overgeleverd; maar God wilde de waarheid zijner woorden bekend maken, en het grootste deel der ongeloovigen afsnijden7. 8. Om de waarheid openbaar te maken en de leugen te verdelgen, ofschoon de boozen er afkeerig van mogen zijn. 9. Toen gij hulp van uwen Heer hebt gevraagd8, en hij u antwoordde: Waarlijk, ik zal u ondersteunen met duizend engelen, die elkander geregeld opvolgen. 10. En dit deed God alleen als goede berichten9 voor u, en opdat uwe harten daarbij vertrouwend zouden blijven; want de overwinning komt alleen van God, en God is machtig en wijs. 11. Toen een slaap u overviel, als een teeken van zekerheid van hem, en hij water van den hemel op u nederzond, opdat hij u daarmede zou zuiveren, en hij de afschuwelijkheid van satan van u zou afnemen, en hij uwe harten en uwen voet daardoor zou mogen bevestigen. 12. Ook toen uw Heer tot de engelen sprak: Waarlijk ik ben met u; bevestigt dus hen die gelooven. Ik zal schrik in de harten der ongeloovigen werpen. Slaat dus hunne hoofden af, en slaat al de toppen hunner vingers af10. 13. Dit zullen zij ondergaan, omdat zij God en zijn gezant wederstand hebben geboden: en wie God en zijn gezant wederstand biedt, waarlijk, die zal gestreng door God gestraft worden. 14. Dit zal uwe straf zijn; gevoelt die dus; ook zullen de ongeloovigen de straf van het hellevuur ondergaan. 15. O ware geloovigen! als gij de ongeloovigen ontmoet, [213]in grooten getale tegen u optrekkende, wendt u dan niet van hen af. 16. Want wie hen op dien dag zijn rug mocht toewenden, tenzij hij zich ter zijde wende om te strijden, of zich tot een ander deel der geloovigen terugtrekke, zal Gods verontwaardiging over zich doen komen, en zijne woning zal de hel zijn. Welk een slecht verblijf! 17. En gij dooddet hen niet, welke te Bedr werden verslagen; maar God doodde hen11. Gij slingerdet niets, o Mahomet! ofschoon gij scheent het te slingeren, maar God doet het12 om de geloovigen door eene schoone proef te beproeven; want God begrijpt en weet alles. 18. Dit geschiedde opdat God de listen der ongeloovigen mocht verijdelen. 19. Gij hebt de overwinning verlangd, o ongeloovigen! en de overwinning heeft zich tegen u gekeerd. Indien gij de eersten zijt, die ophoudt den gezant te bestrijden, zal u dat voordeeliger zijn. Maar indien gij terugkeert om hem aan te vallen, zullen wij mede terugkeeren om hem te ondersteunen, en uwe krachten zullen u volstrekt van geen voordeel wezen, alhoewel die ook talrijk mochten zijn; want God is met de geloovigen. 20. O ware geloovigen! gehoorzaamt God en zijn gezant, en wendt u niet van hem af, nu gij de waarschuwingen van den Koran hoort. 21. En weest niet als zij die zeggen: Wij hooren, als zij niet hooren. 22. Waarlijk, de slechtsten van de dieren der aarde tegenover God, zijn de dooven en de stommen, die niet begrijpen. 23. Indien God slechts iets goeds in hen had ontdekt, zou hij hun zekerlijk hebben doen hooren; maar indien hij hen had doen hooren, zouden zij zich gewis afgewend en zich ver verwijderd hebben. 24. O ware geloovigen! antwoordt God en zijn apostel, indien hij u het leven geeft; en weet dat God zich tusschen den mensch en zijn hart plaatst13, en dat gij voor hem zult verzameld worden. 25. Hoedt u voor de verzoeking14; zij zal niet hen in het bijzonder treffen, die goddeloos onder u zijn, maar u allen in het algemeen; en weet, dat God gestreng in het straffen is. 26. En gedenkt, dat, toen gij zwak en in kleinen getale in het land waart15, gij vreesdet door uwe vijanden verdelgd te worden; maar God gaf u een toevluchtsoord, en hij ondersteunde u met zijne hulp, en beschonk u met goede dingen, opdat gij dankbaar zoudt zijn. 27. O ware geloovigen! bedriegt God en zijn gezant niet: schendt nimmer [214]uw geloof met uw weten. 28. En bedenkt, dat uw rijkdom en uwe kinderen eene beproeving voor u zijn, en dat Gods belooning groot is. 29. O ware geloovigen! indien gij God vreest, zal hij u eene onderscheiding verleenen. Hij zal uwe zonden vergeven, en u vergiffenis schenken; want zijne genade is groot. 30. En herinner u, toen de ongeloovigen een komplot tegen u smeedden; toen zij u wilden aangrijpen, en dooden of verjagen. God spande op zijne beurt tegen hen samen16; en waarlijk, God is het beste in staat, een samenspanning te verijdelen. 31. En als onze teekens voor hen worden herhaald, zeggen zij: Wij hebben het gehoord; indien het ons behaagde, konden wij iets dergelijks uitspreken; dit zijn slechts fabelen der ouden17. 32. En toen zij zeiden: O God! indien dit de waarheid van u is, laat dan steenen uit den hemel op ons nedervallen, of leg ons eene andere gestrenge straf op. 33. Maar God was niet geneigd hen te straffen, zoolang gij u onder hen bevondt, noch was God geneigd hen te straffen, toen zij vergiffenis vroegen. 34. Maar zij kunnen geene verontschuldiging aanvoeren, waarom God hen niet zou straffen, naardien zij de geloovigen hebben belet, den heiligen tempel te bezoeken18, hoewel zij er de bewakers niet van zijn. De bewakers daarvan zijn alleen, die God vreezen; maar het grootste deel hunner weet het niet. 35. En hun gebed in het huis des Heeren is geen ander dan gefluit en handgeklap19. Ondergaat dus de straf, omdat gij ongeloovigen zijt geweest. 36. Zij die niet gelooven, wenden hunne rijkdommen aan, om den weg van God20 te versperren. Zij zullen die verspillen, maar daarna zal het een bitter berouw voor hen zijn, en zij zullen eindelijk overwonnen worden. 37. En de ongeloovigen zullen in de hel verzameld worden. 38. God zal de slechten van de goeden scheiden; hij zal de slechten op elkander stapelen; hij zal er een bundel van vormen en dien in het vuur der hel werpen. Dan zullen de boozen verloren zijn. 39. Zeg tot de ongeloovigen dat, indien zij ophouden u weerstand te bieden, hun zal vergeven worden wat reeds voorbij is; maar indien zij voortgaan u [215]aan te vallen, zal de voorbeeldige straf van de vroegere bestrijders der profeten, die reeds voltrokken is, eveneens op hen worden toegepast. 40. Strijd dus tegen hen, tot er geen verzet meer ter gunste der afgodendienarij, en geen andere godsdienst dan die van uwen Heer besta. Indien zij ophouden, waarlijk dan ziet God wat zij doen. 41. Maar indien zij zich afwenden, weet dan, dat God uw schuts is. Hij is de beste schuts en de beste Helper. 42. En weet, dat, indien gij eenigen buit bekomt, een vijfde deel daarvan aan God en den gezant behoort en aan zijne bloedverwanten, en aan de weezen, de armen en de reizigers21 indien gij aan God gelooft, en aan hetgeen wij door onzen dienaar op den dag der onderscheiding hebben nedergezonden; op den dag waarop de twee legers elkander ontmoeten; en God is almachtig. 43. Toen gij gelegerd waart op de meest nabijgelegen zijde der vallei, en zij gelegerd waren op de verste zijde, en de karavaan zich lager bevond, en indien gij wederzijds bepaald hadt slag te leveren, zoudt gij zekerlijk die bepaling hebben geschonden22; maar gij werdt, zonder eenige voorafgaande bepaling, tot den strijd gebracht, opdat God de zaak zou vervullen, welke hij besloten had te doen plaats hebben. 44. Opdat degeen die omkwam, zou omkomen, na een blijkbare aanwijzing, en hij die het moest overleven, door hetzelfde teeken leven mocht. God hoort en weet alles. 45. Herinner u, toen uw Heer den vijand in uwen slaap en weinig in getal aan u deed verschijnen23; en indien hij u dien in grooten getale had doen verschijnen, zoudt gij den moed verloren en daarover getwist hebben24, maar God behoedde u daarvoor; want hij kent de binnenste deelen van de borst der menschen. 46. En toen hij hem zich voor u deed vertoonen, deed hij hem weinig talrijk voor uwe oogen schijnen; hij verminderde het getal in uwe oogen, opdat God de zaak zou mogen vervullen, welke hij besloten had te doen; en tot God zullen alle dingen terugkeeren. 47. O ware geloovigen! indien gij een deel der ongeloovigen ontmoet, weest onverwrikbaar en gedenkt God dikwijls, opdat gij voorspoedig zoudt mogen zijn. 48. En gehoorzaamt God en zijn gezant, en weest niet verdeeld; daardoor zoudt gij ontmoedigd worden, en al uw welslagen hangt van u af; maar volhardt met geduld; want God is met hen die volharden. 49. En weest niet als zij, die onbeschaamd hunne huizen verlieten en met pralen [216]onder de menschen verschenen, en van den weg van God afwenden; want God begrijpt wat zij doen. 50. En gedenkt, toen satan hunne daden voor hen vooraf beschikte25 en zeide: Niemand zal u heden overwinnen; en ik zal zeker nabij zijn, om u te helpen. Maar toen de beide legers elkander in het gezicht kwamen, wendde hij hun den rug toe, zeggende: Waarlijk, ik bemoei er mij niet mede, ik zie wat gij niet ziet, ik vrees God, want God is gestreng in het straffen26. 51. Toen de huichelaars, en zij in wier harten een gebrek zetelde, zeiden: Hun geloof verblindt hen27. Maar hij die zijn vertrouwen in God stelt, weet dat hij machtig en wijs is. 52. En zoo gij hadt gezien toen de engelen de ongeloovigen doodden; toen sloegen zij hunne aangezichten en hunne ruggen28 en zeiden tot hen: Gevoelt gij de pijn der verbranding? 53. Dit zult gij ondergaan, om hetgeen uwe handen voor u hebben verricht, en omdat God niet onrechtvaardig omtrent zijne dienaren is. 54. Hun lot gelijkt dat van het volk van Pharao en der ongeloovigen, die hen zijn voorafgegaan. God verdelgt hen om hunne zonden. God is sterk en gestreng in zijne straffen. 55. Dit is geschied, omdat God de weldaden niet verandert, waarmede hij de menschen overlaadt, zoolang zij niet veranderen wat in hunne zielen is, en hetwelk God alles hoort en ziet. 56. Zij hebben gehandeld evenals het volk van Pharao en evenals zij die het vooraf gingen; die de teekens van hunnen Heer loochenden. Daarom verdelgden wij hen in hunne zonden en wij overstroomden het volk van Pharao; want zij waren allen zondaren. 57. Waarlijk de slechtste dieren in Gods oog zijn zij, die hardnekkige ongeloovigen zijn, en niet willen gelooven. 58. Evenals zij, die een verbond met u aangaan en later hun verbond bij iedere geschikte gelegenheid schenden en God niet vreezen. 59. Indien gij hen in den strijd gevangen neemt, verstrooi hen en stel een voorbeeld voor hen die na hen zullen komen, opdat zij gewaarschuwd mogen zijn. 60. Of indien gij eenig verraad van een volk vreest, verwerp zijn verbond en behandel het dan op gelijke wijze; want God bemint [217]de verraders niet. 61. En denkt niet29 dat de ongeloovigen Gods wraak ontgaan; want zij zullen Gods macht niet verminderen. 62. Verzamel dus alle krachten die gij tegen hen hebt, en troepen paarden, waarmede gij den vijand Gods moogt verschrikken, en ook uw vijand en alle ongeloovigen buiten hen, welke gij niet kent, maar die God kent. En wat gij voor de verdediging van Gods geloof besteedt, zal u worden terug betaald en gij zult niet onrechtvaardig worden behandeld. 63. Indien zij tot vrede overhellen, zult gij mede daartoe neigen, en stel uw vertrouwen in God; want hij hoort en weet alles. 64. Maar indien zij trachten u te verraden, dan zal God uw helper zijn. Hij is het, die u door zijne ondersteuning heeft geholpen en door die der geloovigen, en hij heeft hunne harten vereenigd. Indien gij alle rijkdommen der aarde zoudt hebben verspild, zoudt gij hunne harten niet hebben kunnen vereenigen, maar God vereenigt hen; want hij is almachtig en wijs. 65. O profeet! God is uw steun, en die der ware geloovigen welke u volgen30. 66. O profeet! zet de geloovigen tot oorlog aan; indien twintig uwer volhardend zijn, zullen zij twee honderd overwinnen, en indien er een honderd van u zijn, zullen zij duizend overwinnen van degenen die niet gelooven, daar zij een volk zijn dat niet begrijpt. 67. God heeft uwe taak gemakkelijk gemaakt; want hij weet dat gij zwak waart. Indien er een honderd van u zijn die volharden, zullen zij twee honderd overwinnen, en indien er duizend van u zijn zullen zij tweeduizend31 overwinnen, door Gods verlof; want God is met hen die volharden. 68. Het was nimmer een profeet gegeven, gevangenen te maken zonder groote slachtingen op aarde te doen plaats hebben32. Gij verlangt het goede dezer wereld, en God wil u dat der volgende geven; want God is machtig en wijs. 69. Indien u vooraf geene openbaring van God ware gegeven, zou u eene strenge straf zijn opgelegd voor het losgeld, dat gij van de gevangenen te Bedr33 hebt verkregen. 70. Eet dus van hetgeen gij hebt verworven, [218]van hetgeen geoorloofd en goed is; want God is barmhartig en genadig. 71. O profeet! zeg tot de gevangenen die in uwe handen zijn: Indien God weet, dat er eenig goed in uwe harten is, zal hij u beter geven dan hetgeen van u werd genomen en hij zal u vergeven; want God is genadig en barmhartig. 72. Maar indien zij trachten u te bedriegen34, waarlijk, dan hebben zij God bedrogen; daarom heeft hij u de macht over hen gegeven, en God is alwetend en wijs. 73. Zij die geloofd hebben en hun land zijn ontvlucht, en hunne bezittingen en hunne personen aan den strijd, voor den godsdienst van hunnen Heer, wijdden, en zij die den profeet eene schuilplaats hebben verleend en hem hebben bijgestaan, zullen als elkanders naaste bloedverwanten worden beschouwd35. Maar zij die geloofd hebben en hun land niet zijn ontvlucht, zullen geene bloedverwanten van u zijn, tot zij hunne woningen eveneens hebben verlaten. Maar indien zij uwe hulp voor het geloof inroepen, zult gij die verleenen, tenzij het tegen degenen mocht wezen, die uwe bondgenooten zijn; en God ziet wat gij doet. 74. Laat de ongeloovigen elkanders bloedverwanten zijn. Zoo lang gij dit niet ook doet, zullen er wanorde en groote plagen over de aarde heerschen. 75. Maar zij die geloofd en hunne woningen verlaten, [219]en voor des Heeren waren godsdienst hebben gestreden, en den profeet eene schuilplaats verleend en hem ondersteund hebben, deze zijn waarlijk geloovigen, zij zullen vergiffenis en edelmoedige ondersteuning ontvangen. 76. En zij, welke sedert dien tijd geloofd en hunne woningen verlaten hebben, en met u streden, behooren eveneens tot de uwen. En zij, die door bloedverwantschap verbonden zijn, zullen, als elkanders naaste bloedverwanten, boven vreemdelingen worden beschouwd, overeenkomstig Gods boek. God kent alle dingen.
1 Dit hoofdstuk werd in het leven geroepen door de hoogloopende twisten, die veroorzaakt werden door de verdeeling van den buit in den slag van Bedr behaald (zie Hoofdstuk III, vers 11, in de noot), en welke twisten waren ontstaan tusschen de jongelieden, die gestreden hadden en alles wilden hebben, en de oude lieden die niet gestreden hadden en een deel verlangden (Al Beidâwi, Jallalo’ddin). Mahomet deelde den buit in gelijke deelen onder hen, na aftrek van een vijfde deel voor het lager te melden doel.
2 Behalve zeven verzen (30–36), die, volgens sommigen, te Mekka werden geopenbaard.
3 Dat is: nopens hunnen goeden uitslag tegenover Aboe Juhl en de Koreïshieten; des niettegenstaande had God beloofd hen te zullen aanmoedigen.
4 De reden van dit terugtrekken was hunne weinige talrijkheid, in vergelijking met den vijand; zij waren namelijk alleen te voet, en hadden slechts twee paarden bij zich, terwijl de Koreïshieten honderd paarden bezaten (Al Beidâwi, en Abulfed. Vit. Moh. p. 56).
5 Dat is, hetzij de karavaan, hetzij de hulpbenden van Mekka. Marracci verwart al ir en al nafir, dat de karavaan en het korps hulpbenden beteekent, en ziet ze aan voor twee familienamen van Koreïshieten, welke nooit bekend waren en door hem Airenses en Naphirenses genaamd worden (Marracci in Alc. p. 297.)
6 Dat is: de karavaan, die slechts veertig paarden bezat, terwijl de tegenpartij sterk en goed voorzien was.
7 Alsof hij had gezegd: Uw gezicht diende alleen om den buit van de karavaan prijs te maken en om gevaar te vermijden; maar God bepaalde de uitroeiing zijner tegenstanders, om zijnen godsdienst te verheerlijken.
8 Toen Mahomets manschappen zagen, dat zij den strijd niet konden vermijden, bevalen zij zich in Gods ondersteuning aan, terwijl hun profeet met grooten ernst bad, voortdurend uitroepende: O God! vervul wat gij mij hebt beloofd. O God! indien dit gedeelte mocht worden afgesneden, zult gij op aarde niet meer aangebeden worden. (Al Beidâwi, Abulfed, Vit. Moh. p. 38.)
9 Zie Hoofdstuk III, vers 145.
10 Dit is de opzettelijk bepaalde straf voor de vijanden van den Mahomedaanschen godsdienst. De Moslim pasten die echter niet toe op de personen welke zij te Bedr gevangen namen, waarover zij in dit Hoofdstuk berispt worden.
11 Zie Hoofdstuk III, vers II, in de noot.
12 Zie de zoo even aangeduide plaats.
13 Daar hij niet alleen de meest verborgen dingen van zijn hart kent, maar zelfs de voornemens des menschen beheerscht, en hem hetzij tot geloof hetzij tot ongeloof geneigd maakt.
14 Het oorspronkelijke woord beteekent eene aanstekende misdaad, die een groot getal menschen omvat. De uitleggers zijn omtrent de ware beteekenis dezer plaats verdeeld.
15 Zijnde te Mekka. De hier aangesproken personen zijn de Mohajerin of uitgewekenen, die van toen af naar Medina vluchtten.
16 Door hunne samenzwering aan Mahomet te openbaren, en hem wonderbaarlijk bijstaande om hen te ontmaskeren en hem te doen ontsnappen; en door hen later tot den slag van Bedr te brengen.
17 Zie Hoofdstuk VI, vers 25.
18 Bij de expeditie van Al Hodeibiya.
19 Men zegt dat zij gewoon waren, naakt om een Caaba-tempel te gaan (Zie Hoofdstuk VII, vers 29, in de noot), zoowel mannen als vrouwen, terwijl zij door hunne vingers floten en in hunne handen klapten. Volgens anderen maakten zij dit gedruisch met het doel, Mahomet te storen, als deze bad, terwijl zij voorgaven mede te bidden. (Al Beidâwi.)
20 De personen die voornamelijk op deze plaats worden bedoeld waren twaalf Koreïshieten, die ieder elken dag tien kameelen schonken, om die te dooden tot leeftocht voor hun leger in de expeditie van Bedr.
21 Overeenkomstig deze bepaling, is een vijfde deel van den buit bestemd voor de bijzondere, hier vermelde doeleinden, en de vier andere deelen om gelijkelijk verdeeld te worden onder hen, die bij de verovering tegenwoordig waren. Omtrent het doeleinde van het eerste vijfde, verschillen de Mahomedaansche geleerden.
22 Om de grootere talrijkheid van den vijand, en de tegenspoeden waaraan gij onderworpen waart.
23 Met welk visioen Mahomet zijne volgelingen bekend maakte, om hem aan te moedigen.
24 Of gij den vijand aantasten, of vlieden zoudt.
25 Door hen aan te zetten, den profeet wederstand te bieden.
26 Sommigen vatten deze plaats figuurlijk op en passen die op de bijzondere ingevingen van den duivel toe, of op de verijdeling zijner voornemens en der hoop, waarmede hij de afgodendienaars heeft vervuld.
27 Door hen zoowel tot zulk een groot waagstuk aan te zetten, eene dergelijke groote schaar menschen met zoo weinigen aan te tasten.
28 Deze plaats wordt algemeen op de engelen toegepast, die de ongeloovigen te Bedr doodden (Al Beidâwi, Jallalo’ddin.) Sommigen gelooven echter, dat de woorden doelen op het onderzoek van het graf, hetwelk, volgens het geloof der Mahomedanen, iedereen na den dood moet ondergaan, en hetgeen zeer vreeselijk voor den ongeloovige zal zijn.
29 Sommige afschriften geven dit in den derden persoon, aldus: Laten de ongeloovigen niet denken, enz.
30 Volgens de meening van sommigen, werd deze plaats geopenbaard in eene vlakte, al Beida genaamd, tusschen Mekka en Medina, gedurende de expeditie van Bedr, en volgens anderen in het zesde jaar van des profeets zending, bij gelegenheid dat Omar het Mahomedanisme omhelsde.
31 Zie Lev. XXVI : 8; Josua XXIII : 10.
32 Aangezien men gestreng moet handelen, als de omstandigheden dit vereischen; doch barmhartigheid is verkieslijker, wanneer die veilig wordt uitgeoefend.
33 Onder de zeventig gevangenen, die door de Moslems in dezen slag werden prijs gemaakt, behoorden Al Abbas, een van de ooms van Mahomet, en Okail, de zoon van Aboe Taleb en broeder van Ali; toen zij voor Mahomet werden gebracht, vroeg hij zijne volgelingen, hem te raden, wat hij met hen moest doen. Aboe Bekr was [218n]er voor, hen tegen betaling van losgeld vrij te laten; zeggende, dat zij naaste bloedverwanten van den profeet waren, en dat God hen misschien na hun berouw zou vergeven; maar Omar was er voor hunne hoofden af te slaan, daar zij bepaalde beschermers van het ongeloof waren. Mahomet nam de laatstgenoemden raad niet aan, maar deed opmerken, dat Aboe Bekr op Abraham geleek, die voor misdadigers tusschenbeide trad, en dat Omar op Noach geleek, die voor de geheele uitroeiing der zondige menschen van de eerste wereld bad. Daarop besloot men, het losgeld van hen en hunne medegevangenen aan te nemen. Spoedig daarop ging Omar in de tent van den profeet, waar hij dezen en Aboe Bekr weenende vond. Toen hij hun naar de oorzaak hunner tranen vroeg, zeide Mahomet, dat dit vers was geopenbaard, waarin hunne handelingen, omtrent de gevangenen, werden veroordeeld; dat zij daarvoor ter nauwernood de goddelijke wraak waren ontkomen, en dat, indien God het niet had laten voorbijgaan, zij zekerlijk allen waren verdelgd, uitgenomen alleen Omar en Saad Ebn Moadh, welke laatste mede had aangeraden de gevangenen ter dood te brengen. (Zie Hoofdstuk XXXIII.) Deze misdaad bleef echter niet geheel ongestraft, daar de Moslems in den slag van Ohod juist zeventig man verloren, zijnde gelijk aan het getal gevangenen, te Bedr prijs gemaakt (zie Hoofdstuk III, vers 134, in de noot), hetgeen aldus door God was bevolen.
34 Door u het overeengekomen losgeld niet te betalen.
35 En zullen bijgevolg de een des anderen bezittingen erven, boven hunne eigenlijke bloedverwanten. De Arabieren zeggen, dat dit gedurende eenigen tijd in praktijk werd gebracht, en dat de Mohajerin en Ansars gerechtigd geacht werden, van elkander te erven, met uitsluiting der andere bloedverwanten van den overledene, tot deze plaats werd afgeschaft door den tweeden volzin van vers 76 van dit Hoofdstuk.
1. Eene verklaring van vrijstelling van God en zijn gezant, aan zoodanige afgodendienaars, met welke gij een verbond hebt aangegaan. 2. Ga en reis gedurende vier maanden2 met zekerheid [220]op aarde, en weet dat gij God niet zult verzwakken, en dat God de ongeloovigen zal schandvlekken. 3. En eene verklaring van God en zijn gezant voor het volk, op den dag van den grooteren pelgrimstocht3, dat God vrij is, en ook zijn gezant, omtrent de afgodendienaars. Daarom zal het beter voor u zijn, indien gij berouw betoont; maar indien gij u afwendt, weet dan, dat gij God niet zult verzwakken. Kondig den ongeloovigen eene pijnlijke straf aan. 4. Uitgenomen zulke afgodendienaars waarmede gij een verbond hebt aangegaan, en die dit later op geenerlei wijze schenden, noch een ander tegen u bijstaan4. Handhaaf dus het verbond dat gij met hen hebt aangegaan, tot hun tijd zal zijn verloopen; want God bemint hen die hem vreezen. 5. En wanneer de maanden, waarin het u niet geoorloofd is hen aan te vallen, zullen zijn verloopen, dood dan de afgodendienaars waar gij hen moogt vinden; maak hen gevangen, beleger hen en wacht hen op iedere geschikte plaats op. Maar indien zij berouw mochten betoonen, en de bepaalde tijden voor het gebed in acht nemen en de voorgeschrevene aalmoezen geven, stel hen dan in vrijheid; uw God is genadig en barmhartig. 6. En indien een der afgodendienaars u ondersteuning vraagt, verleen hen die, opdat hij Gods woord hoore, en voer hem daarna naar eene veilige plaats5. Dit zult gij doen; want zij kennen de uitnemendheid van uwen godsdienst nog niet. 7. Hoe zouden de afgodendienaars tot een verbond met God en zijn gezant worden toegelaten, uitgenomen zij met welke gij een verbond in den heiligen tempel sluit. Zoo lang zij getrouw omtrent u handelen, handel ook gij getrouw omtrent hen; want God bemint hen, die hem vreezen. 8. Hoe kunnen zij een verbond met u hebben? Indien zij de overhand boven u hebben, [221]zullen zij noch ontzag voor uwe bloedverwantschap, noch voor uw geloof hebben. Zij zullen u met hunne monden toestemmen, doch hunne harten zullen afkeerig van u wezen; want het grootste gedeelte hunner zijn snoodaards. 9. Zij verkoopen Gods teekenen voor een nietigen prijs en versperren zijn weg; voorzeker het is boos wat zij verrichten. 10. Zij eerbiedigen bij de geloovigen noch bloedverwantschap noch geloof; en dat zijn de zondaren. 11. Maar indien zij berouw betoonen, en de bepaalde tijden voor het gebed in acht nemen, en aalmoezen geven, zullen zij uwe broederen in den godsdienst zijn. Wij verklaren onze teekens duidelijk voor hen, die geneigd zijn te begrijpen. 12. Maar indien zij hunne eeden na het aangaan van hun verbond schenden, en uwen godsdienst aantasten, tast dan de aanvoerders der ongeloovigen aan (want bij hen bestaat geene trouw), opdat zij hunne verraderijen staken. 13. Wilt gij niet strijden tegen hen, die hunne eeden geschonden en samengezworen hebben, om Gods gezant te verjagen? Zij waren de zondaren. Zoudt gij hen vreezen? Het is rechtvaardiger, dat gij God vreest, indien gij ware geloovigen zijt. 14. Valt hen dus aan; God zal hen door uwe handen straffen; hij zal hen met schaamte bedekken, en zal u de overwinning op hen schenken; en hij zal de borst genezen van hen die gelooven. 15. En hij zal de verontwaardiging uit hunne harten wegnemen; want hij zal zich wenden tot hen, die hem behagen. God is alwetend en wijs. 16. Verbeelddet gij u, dat gij verlaten zoudt worden, alsof God hen nog niet kende, die voor zijnen godsdienst streden, en naast God en zijn apostel niemand, maar de geloovigen tot hunne vrienden kozen? God is wel bekend met hetgeen gij doet. 17. En waarom zouden de ongeloovigen Gods tempelen bezoeken? daar zij zelven getuigen van hun ongeloof tegen hunne eigene zielen zijn. De werken dier menschen zijn ijdel, en zij zullen eeuwig in de hel verblijven. 18. Maar hij alleen zal Gods tempelen bezoeken, die in God en den laatsten dag gelooft en volhardend in het bidden is: die de voorgeschreven aalmoezen geeft en God vreest. Deze zal misschien tot hen behooren, die op den rechten weg worden geleid6. 19. Rekent gij het reiken van drank aan de bedevaartgangers en het bezoeken van den heiligen tempel, als daden van dezelfde verdienste als diegene, welke door hem worden verricht, die in God en den laatsten dag gelooft en voor Gods eeredienst strijdt? Zij zullen voor God niet gelijk zijn; want God leidt de onrechtvaardigen niet. 20. Zij die geloofd hebben en hun land verlieten, en hunne bezittingen en hun persoon aan de verdediging van Gods waren [222]eeredienst wijdden, zullen door God op de hoogste trap van eer worden gesteld, en deze zijn het, die gelukkig zullen wezen. 21. Hun Heer zendt hun goede tijdingen van genade, van welwillendheid en van tuinen, waar zij bestendige genoegens zullen smaken. 22. Zij zullen daarin eeuwig verblijven; want de belooning van God is groot. 23. O ware geloovigen! kiest uwe vaderen of uwe broeders niet tot uwe vrienden, indien zij ongeloof boven geloof beminnen; en wie uwer hen tot zijne vrienden mocht kiezen, zal onder de goddeloozen worden geteld. 24. Zeg: Indien uwe vaderen en uwe zonen, en uwe broeders en uwe vrouwen, en uwe bloedverwanten en het vermogen dat gij hebt verworven en uw handel, welks verval gij vreest, en de woningen waarin gij u beweegt, u dierbaarder zijn dan God en zijn apostel, en de vooruitgang van zijnen godsdienst, wacht dan tot God zijn bevel zendt; want God leidt de goddeloozen niet. 25. God heeft u in verschillende gevechten bijgestaan, en hoofdzakelijk in den slag van Honein7, waar gij u in uw groot aantal hebt verheugd; maar het was u niet voordeelig, en de aarde was u te eng8, niettegenstaande zij ruim was; daarop zijt gij heengetrokken en hebt u afgewend. 26. Later zond God zijn bescherming9 op zijn apostel en op de geloovigen neder, en hij zond engelenscharen neder, die gij niet zaagt, en strafte hen, die niet geloofden; en dit was de vergelding der ongeloovigen. 27. Hierna zal God zich slechts wenden tot hen die hem behagen10; want God is barmhartig en genadig. 28. O ware geloovigen! waarlijk de afgodendienaars zijn onrein; laat hen dus na verloop van dit jaar11 den heiligen tempel niet naderen. Indien gij de armoede [223]vreest door het afsnijden van handelsgemeenschap met hen, zal God u van zijn overvloed verrijken, indien het hem behaagt: want God is alwetend en wijs. 29. Strijdt tegen degenen, die noch aan God: noch aan den jongsten dag gelooven12, en niet verbieden wat God in zijn apostel hebben verboden, en den waren godsdienst niet belijden van hen, aan wie de schriften werden geopenbaard, tot zij door het recht van onderwerping schatting hebben betaald13, en zij vernederd zijn. 30. De Joden zeggen: Ozaïr is de zoon van God, en de Christenen zeggen Christus is de zoon [224]van God14. Dat is wat zij met hunne monden zeggen. Zij bootsen de taal na van hen, die in vroegere tijden ongeloovigen waren. Dat God hun den oorlog aandoe. Hoe dwaas zijn zij! 31. Zij kiezen hunne priesters en hunne monniken tot hunne heeren naast God15, benevens Christus, de zoon van Maria, hoewel het hun is geboden, slechts één God te aanbidden; en er is geen God buiten hem. Het zij verre van hem wat zij met hem vereenigen. 32. Zij trachten het licht van God door hunne monden uit te blusschen; maar God wil slechts zijn licht volmaken, hoewel de ongeloovigen daarvan een afkeer hebben. 33. Hij is het, die zijn apostel met de leiding en den waren godsdienst heeft gezonden, opdat hij zijnen voorrang boven iederen anderen godsdienst zou aantoonen, hoewel de afgodendienaars er afkeerig van mogen zijn. 34. O ware geloovigen! waarlijk, velen der priesters en monniken verteren het vermogen der menschen in ijdelheid16 en versperren den weg van God. Maar hun, die goud en zilver verzamelen en het niet voor den vooruitgang van Gods waren dienst gebruiken, verkondig eene gestrenge straf. 35. Op den dag des oordeels zullen hunne schatten sterk verhit worden in het vuur der hel, en hunne voorhoofden en hunne zijden en hunne ruggen zullen daarmede gebrandmerkt worden, en hunne pijnigers zullen hun zeggen: Dit zijn de schatten, welke gij voor uwe ziel hebt vergaderd. Proef dus wat gij hebt verzameld. 36. Het volkomen getal van Gods maanden is twaalf17, die door Gods boek18 werden ingesteld, op den dag, [225]dat hij de hemelen en de aarde schiep: vier daarvan zijn geheiligd. Dit is de ware godsdienst. Handel hierin dus niet onrechtvaardig met u zelven. Maar val de afgodendienaars in alle maanden aan, daar zij u evens in alle maanden aanvallen, en weet, dat God met degenen is die hem vreezen. 37. Waarlijk, het overbrengen van een geheiligde maand op eene andere maand is eene overmaat van ongeloof. De ongeloovigen zijn daardoor in eene dwaling gebracht; zij staan toe, dat een maand in het ééne jaar worde geschonden, en verklaren die in een ander jaar voor heilig, opdat zij het getal maanden zouden volmaken, die volgens Gods bevel heilig moeten gehouden worden; en zij veroorloven, wat God verboden heeft. Het slechte hunner daden is hun door den Satan bereid; want God leidt de ongeloovigen niet. 38. O ware geloovigen! wat scheelde u, dat, toen men u zeide: vertrekt, om voor Gods eeredienst te strijden, gij u als bewaard ter aarde hebt gebogen? Verkiest gij het tegenwoordige leven boven het volgende? Maar de genietingen van dit leven zijn slechts onbeduidend in vergelijking met die van het volgende. 39. Indien gij niet vertrekt als gij ten oorlog wordt opgeroepen, zal God u met eene gestrenge straf tuchtigen, en hij zal een ander volk op uwe plaats stellen19, hetgeen hem volstrekt niet zal deren; want God is almachtig. 40. Indien gij den profeet niet bijstaat, waarlijk, dan zal God hem bijstaan, zoo als hij dat vroeger deed, toen de ongeloovigen hem uit Mekka verdreven, den tweede van de twee20, toen zij beiden in het hol waren. Toen zeide hij tot zijne gezellen: Weest niet bedroefd; want God is met ons. En God zond zijne zekerheid op hem neder en versterkte hem met legers en engelen, die gij niet zaagt. En hij vernederde het woord van hen, die niet geloofden en Gods woord werd verheven; want God is machtig en wijs. 41. Trekt ten strijd, lichten en zwaren21, en wijdt uwe bezittingen en uwe personen aan den vooruitgang van Gods geloof. Dit zal beter voor u zijn, dat gij het weet. 42. Indien het een nabij gelegen voordeel of eene gemakkelijke reis ware geweest, zouden zij u zeker zijn gevolgd; maar de weg scheen hun lang, en thans zweren zij bij God, zeggende: Indien wij daartoe in staat waren geweest, zouden wij u zeker hebben gevolgd. Zij vernietigen hunne eigene zielen; want God weet dat zij leugenaars zijn. 43. God vergeve het u! waarom gaaft gij hun verlof te huis te blijven22, voor dat het u was bewezen, dat zij waarheid spraken, [226]en voor dat gij de leugenaars kendet? 44. Zij, die in God en den jongsten dag gelooven, zullen u geen verlof vragen om er van ontslagen te worden, hun vermogen en hunne personen aan den vooruitgang van Gods waar geloof te wijden; en God kent hen, die hem vreezen. 45. Waarlijk, zij alleen zullen u verlof vragen, die niet in God en den jongsten dag gelooven en wier harten nopens het geloof twijfelen; terwijl zij in hunnen twijfel heen en weder worden geslingerd. 46. Indien zij geneigd zouden zijn geweest, met u te vertrekken, zouden zij zekerlijk voor dat doel een voorraad van wapens en benoodigdheden hebben gereed gemaakt; maar God was er afkeerig van, hen